Raad van Tucht van de Ommerschans in september 1838

Uit KolonieWiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Het overzicht van
alle tuchtzittingen
op de Ommerschans
staat op
deze pagina

Extract uit het Register der Notulen van het Verhandelde in den Raad van Tucht te Ommerschans

Zitting van Zaturdag den 1e September 1838.[bewerken | brontekst bewerken]

Alle Leden van den Raad tegenwoordig zijnde, zoo opent de President denzelve,- wordt binnen geroepen

De Bedelaars Kolonist Antonius Wilhelmus van den Akkerveen N. 2143, deserteur voor de 1e maal.

De Voorzitter vraagt hem naar de reden zijner desertie, waarop hij niets ter verschoning had in te brengen, geeft hem te kennen dat hij strafbaar is ingevolge art. 11 van het Reglement van tucht luidende als volgt.

Hij die voor de eerste maal ontvlugten wil en daarin wordt gehindert of ontvlugt en weder terug gebragt is zal met opsluiting in boeijen tot tien dagen toe de twee eerste te water en brood, worden gestraft; met medeneming van goederen buiten de aanhebbende kleeding of andere verzwarende omstandigheden, als ook ontvlugting voor de tweede maal met opsluiting in boeijen gedurende 14 dagen, waarvan de drie eerste en drie laatste te water en brood en met verzwarende omstandigheden voor de tweede of volgende malen benevens meervoudige ontvlugting voor de derde en volgende malen met vijftien tot veertig rietjesslagen en opsluiting als voren, zullende al de ontvlugt geweest zijnde of die dit kennelijk hebben willen doen na de ondergane straf, voor vier maanden lang eene onderscheidene kleeding moeten dragen en in de disciplinezaal worden geplaatst.

De beschuldigde wordt buiten gelaten

De President vraagt de gevoelens der Leden in het bijzonder, dezelve Komen overeen hem te straffen met 10 dagen opsluiting en boeijen de twee eerste dagen te water en brood en het dragen van het onderscheidingspak voor den tijd van Vier maanden

De Kolonist A. W. van den Akkerveen wordt wederom binnen gelaten, de Secretaris leest hem het Vonnis voor, waarna hij wederom aftreed, en ter opsluiting wordt weg gebragt


Ten tweede verschijnt voor den Raad

Anna Derks N. 2205 schuldig aan dronkenschap.

De President brengt haar het onbehoorlijke haars gedrag onder het oog, waarop zij belooft dat zulks niet meer gebeuren zal.

Gezien art: 10 van het Reglement van tucht luidende als volgt.

Dronkenschap voor de eerste maal zal met opsluiting tot vijf dagen- en voor de tweede maal met opsluiting in boeijen tot tien dagen toe worden bestraft en indien dezelve is gepaard gegaan met verzwarende omstandigheden als ook meervoudige dronkenschap voor de derde maal en volgende met opsluiting in boeijen tot tien dagen toe met water en brood om den anderen dag.

Men laat haar buiten gaan

Na beraadslaging komt men overeen A. Derks te straffen met 5 dagen opsluiting

Zij wordt wederom binnen gelaten, de Secretaris leest haar het Vonnis voor waarna zij ter opsluiting wordt weg gebragt


Ten derde wordt voor den Raad gebragt Cornelia van den Ing N. 2285 beschuldigd dat zij zich in zwangere staat bevind

De President vraagt haar of het haar ten laste gelegde waarheid is, waarop zij antwoord van Ja.

De Voorzitter brengt haar het slechte van haar gedrag onder het oog en geeft haar te kennen dat dergelijke verregaande onzedigheden serieuselijk diende gestraft te worden.

Men doet haar aftreden en gaat over tot de deliberatien

Gezien art: 16 van het Reglement van tucht luidende als volgt

Onzedelijk gedrag in woorden, als vloeken, schelden, razen etc. of met daden  door zedelooze omgang met anderen zal met verplaatsing in de discipline zaal van een tot acht dagen worden gestraft en bij herhaling daarvan met opsluiting zoo noodig in boeijen en te water en brood om den anderen dag.

De leden bepalen in deze dat de beschuldigde met acht dagen opsluiting zal gestraft worden zonder meer.

De beschuldigde wordt wederom binnen gelaten, de Secretaris leest haar het Vonnis voor, waarna zij aftreed en ter opsluiting wordt weg gebragt.

Geen der leden van den Raad iets meer te verhandelen hebbende, zoo wordt denzelve gesloten.

Aldus gedaan op dato als boven

/was get/ A. Hulst Adjunct Directeur, President, J. F. Krieger, P. Postema Onder Directeuren, G. Steenbeek fabriekbaas, Blijstra, Otterbein en Bourlard Zaalopzieners allen Leden van den Raad.

In Kennisse van

de Secretaris

(handtekening:) Stous


Zitting van Zaturdag den 8e September 1838[bewerken | brontekst bewerken]

De President opent den Raad daar alle Leden tegenwoordig zijn

Wordt voor dezelve gebragt den Kolonist Jan Kapper N. 1801 schuldig aan het Verkopen van een hemd en een Voerlaken broek.

Hij weet niets ter zijner verontschuldiging in te brengen, en weet niet aan wien hij dat goed verkocht heeft.

Gezien art. 13 van het Reglement van tucht luidende als volgt

Ontvreemding of verpanding van koloniale goederen of van mede kolonisten zal worden gestraft met opsluiting in boeijen van drie tot veertien dagen naar gelang der omstandigheden, desnoods te water en brood om den anderen dag en bij herhaling van een dier misdrijven altijd met veertien dagen met opsluiting in boeijen de drie eerste en drie laatste te water en brood.

De beschuldigden wordt buiten gelaten

De Raad overweegt en besluit J. Kapper te straffen met Veertien dagen opsluiting

Men laat hem weder binnen komen, de Secretaris leest hem zijn Voor, waarop hij ter opsluiting wordt weg gebragt.


Ten tweede verschijnt voor den Raad de Strafkoloniste A. M. Bolkestijn N. 75, aangehouden door de Portier met een halve fles Genever.

De Voorzitter vraagt haar hoe zij aan gemelde drank gekomen is, waarop zij antwoorde dezelve gekregen te hebben van de ontslagen Koloniste Lena de Jong, om te overhandigen aan de Koloniste Mietje Butner, doch dat zij zich in het vervolg wel zal wachten voor dergelijke boodschappen.-

M. Butner wordt insgelijks voor den Raad geroepen en gehoord, verklarende hoegenaamd van geen Genever te weeten en dezelven ook nooit gebruikte.

De President geeft haar te kennen dat zij zeer goed weet dat Sterken drank alhier volstrekt verboden is, en dat zij zich nog bovendien met leugens ophoudt, overwegende dat op deze Kolonie de Straffen bij art. 9 van het Reglement van toepassing zijn, welke luide als volgt

Alle ongehoorzaamheid jegens de koloniale ambtenaren zal met verplaatsing in de discipline zaal voor drie tot acht dagen worden bestraft en indien deszelve met brutaliteit gepaard gegaan is, met opsluiting voor dezelfden tijd in de provoost.

Men laat beiden aftreden doch de Koloniste M. Butner, onschuldig bevindende terwijl er geen bewijzen zijn, wordt gelast weder na haar Zaal te doen gaan.-

De Voorzitter vraagt ieder Lid hunne gedachten in het bijzonder, en alle Komen daar in overeen dat A. M. Bolkestijn zal gestraft worden met Vijf dagen opsluiting.

Zij wordt wederom binnen gelaten, en de Secretaris leest haar het Vonnis voor, waarna zij wederom buiten gaat.


Ten derde verschijnt voor den Raad Hendrik Geleest N. 532, Schuldig aan dronkenschap voor de 1e maal, zegt den drank gekregen te hebben van een metzelaar die aan het Gesticht werkte, en dat het nooit meer gebeuren zal.

Men laat hem buiten gaan.

Gezien art. 10 van het Reglement van Tucht luidende als volgt/ hiervoren vermeld/

De Raad komt overeen H. Geleest te straffen met 5 dagen opsluiting zonder meer.

Men laat hem weder binnen Komen, de Secretaris leest hem het Vonnis Voor, waarna zijl: ter opsluiting worden weg gebragt.

Op rondvraag van den President niemand der Leden iets meer hebbende voortestellen, zoo wordt de Raad gehouden voor gesloten.

Aldus gedaan op dato als boven

/was get/ A. Hulst Adjunct Directeur, J. F. Krieger, P. Postema Onder Directeuren, G. Steenbeek fabriekbaas, Borman, Muller en Bourlard Zaalopzieners allen Leden van den Raad.

In Kennisse van

Stous

Secrt.

Notitie(s) bij de transcriptie
● Bij de laatste zin van de eerste zaak is de notulist het woord 'vonnis' vergeten.

● Het is bijzonder dat de Raad bij de tweede zaak iemand vrijspreekt bij gebrek aan bewijs, terwijl zij anders nooit bewijzen nodig hebben om iemand te veroordelen.


Raad van Tucht en Policie - Zitting van Vrijdag den 14e September 1838 des avonds te 8 ure[bewerken | brontekst bewerken]

De Leden zijn allen tegenwoordig en de President verklaart de Raad voor geopend.

De Voorzitter brengt ter kennisse van de Vergadering dat de zoon van de Veteraan Koene genaamd Fredrik zich niet ontzien heeft in de Avond School van den 12 dezer te verzetten met dadelijkheden tegen den Schoolonderwijzer Hoogstra.

Fredrik Koene wordt ontboden en Komt binnen

De President vraagt den beschuldigden wat er in de school is voorgevallen tusschen den Meester en hem, waarop hij antwoorde dat de Meester hem een klap gegeven had, dit niet willende verdragen, is opgestaan en heeft na de Meester geslagen, en welke klap de Meester ontweek, dat toen de Nachtwacht Chervet is toegeschoten en heeft hun ontzet

De Voorzitter ontbied den Onderwijzer Hoogstra, en geeft hem bovenstaande gezegdens van Fredrik Koene te kennen, waarop denzelve verklaart, dat hij gemelde Schooljongen, welke in plaats van te leeren op de tafel ging liggen slapen, herhaalde malen heeft gezegd gij moet regt opzitten, zoo als het betaamd, doch telkens weder ging liggen, hem bij den arm nam en zegt zitte, gemelde jongen toen opsprong en naar hem sloeg, welke klap hij ontweek; en om dat de goede orde in de School niet zoude gestoord worden, de in de School post hebbende nachtwacht order gaf hem de School uit te brengen

De President geeft Fredrik Koene te kennen dat, al was het dat de Meester hem in de School Kwaad bejegende of sloeg, zich in het geheel niet tegen denzelve mag verzetten, maar daar van aan den Raad kennis moet geven, ten einde te handelen naar omstandigheden.

Den beschuldigden wordt buiten gelaten

Gezien Art: 2 Litt: a van het Reglement van Policie en tucht voor de Kolonisten huisgezinnen, waar aan ingevolge art 22 van gemeld Reglement de huisgezinnen van Veteranen mede onderworpen zijn en alwaar gelezen wordt

weigering van gehoorzaamheid aan, onbescheidenheid jegens, of wel dadelijk verzet tegen een van de koloniale ambtenaren. hetwelk volgens Art. 3 sub 2 zal worden gestraft met Opsluiting van drie tot acht dagen in de strafkamer, naar gelang der omstandigheden, van hem, die zich voor de eerste maal aan de misdrijven onder La a tot c vermeld heeft schuldig gemaakt.

De President vraagt de gevoelens van elk lid in het bijzonder.

Overwegende dat dergelijke omstandigheden moeten te keer gegaan worden, brengt de President in omvraag welke straf den beschuldigden zal worden opgelegd.

Drie leden stemmen voor 6 dagen opsluiting en een voor 8 dagen opsluiting zonder meer.

De President vereenigt zich met de bepaling van 6 dagen opsluiting, en alzoo wordt zulks gearresteerd.

Fredrik Koene wordt binnen gelaten, de Secretaris leest hem het Vonnis voor waarna hij wederom aftreed en ter opsluiting wordt weg gebragt.

Niemand op rondvraag van den President iets meer hebbende voor te stellen, zoo wordt de Raad gesloten.

Aldus gedaan op dato als boven

/was get/ A. Hulst Adjunct Directeur, J. F. Krieger, P. Postema, Onder Directeuren, C. de Bruin Sergeant der Veteranen, Verwer & Blokland bouwlieden

Mij Present

Stous

Secr.

Notitie(s) bij de transcriptie
● Deze zitting is dus niet volgens het reglement voor bedelaars maar volgens het reglement voor kolonistenhuisgezinnen. Maar hoe deze raadszitting om acht uur kan beginnen, terwijl de volgende - wél voor bedelaars - dat ook doet, is een raadsel.

Zitting van Vrijdag den 14 September 1838 des avonds te 8 ure.-[bewerken | brontekst bewerken]

De Leden zijn allen tegenwoordig en de President verklaard de Raad voor geopend.

De Bedelaars Kolonist Johan David Emeis N. 1511, beschuldigd van poging tot desertie voor de 1e maal, doch door de Veldwachters agtervolgd en weder binnen het Gesticht gebragt, verschijnt voor de Raad

De President vraagt hem naar de redenen zijner ontvluchting, niets beduidend is zijn antwoord, en dus enkel aan Wispelturigheid toe te schrijven, waarop de President hem zijne Strafbaarheid te Kennen geeft ingevolge Art. 11 van het Reglement van tucht/ hier voren vermeld/.

Men laat hem aftreden.

De Raad besluit eenparig den beschuldigden te straffen met 10 dagen opsluiting in boeijen, de twee eerste te water en brood en het dragen van een onderscheidings Kleed voor den tijd van Vier maanden.

Men laat hem weder binnen komen, de Secretaris leest hem het Vonnis voor, waarna hij ter opsluiting wordt weg gebragt


Te tweeden verschijnen voor den Raad de Kolonisten Roelof Laagland S. K. N. 61 en Manus Thomasse N. 86 schuldig aan het ontvreemden van Aardappelen- niets ter hunner defensie hebbende in te brengen, zoo worden zij strafbaar verklaard ingevolge art 13 van het Reglement van tucht/ hier voren vermeld.

Zij worden buiten gelaten

De Raad komt overeen hun te straffen met Acht dagen opsluiting

Men laat hen weder binnen Komen, de Secretaris doet lezing van het Vonnis, waarop zij vertrekken.


ten derden worden voor den Raad gebragt de Kolonisten Enne Vriese N. 2002, Johannes Baars N. 1804 Abraham Louis N. 1668 en Arie van der Leest N. 990 Schuldig aan het Verkopen van Steenen, welke zij aan de Dedemsvaart moesten inladen onder geleide van den Nachtwacht Abraham Daniel Chevret N. 1535

De President vraagt de beschuldigden aan wien zij de steenen verkocht hebben, hoeveel in getal, en op welke manier die schandelijke daad verrigt is: waarop zij antwoorde , verkocht te hebben 250 steenen aan een man die zij niet kende, dezelve lag met een schuitje zand te lossen alwaar de hoop steenen stonden welke zij moesten inladen en heeft daarvoor betaald 75 Centen

De Voorzitter vraagde hun verder of de nachtwacht Chervet daar dan niet tegenwoordig was, waarop zij verklaarden dat zij eerst de bok met steenen voor de Maatschappij hadden ingeladen, en van de hoop 250 steenen op de Wal hadden laten staan, en toen een van hun die steenen in dat schuitje hebben geladen.

De Voorzitter laat gemelde Nachtwacht insgelijks binnen komen om de zaak verder te onderzoeken, welke zeide dat hij order had gekregen om met bovengemelde menschen met een Bokschuit na de Bovenvaart te gaan om Steenen te halen, doch dat hem volstrekt niet gezegd was, waar, en hoeveel steenen in de Bokschuit moesten, dat toen de Bok geladen was, hij wel gezien heeft dat er nog Steenen bleven staan welke in een ander Schuitje werden geladen, dog begreep dat dezelve daarin moesten en in het geheel niet kon veronderstellen dat het Steenen waren de maatschappij toebehoorende, hij daarna met de Bokschuit en Kolonisten naar het Gesticht is gevaren.

Zijn worden allen buiten gelaten.

Gezien Art. 13 van het Reglement van Tucht/ hier voren vermeld/

Na gehoudene deliberatie Komt de Raad overeen de straffen op te leggen, als volgt

De Kolonisten Vriese, Baars, Louis en van der Leest met 14 dagen opsluiting en den Geleider Chevret te straffen uit hoofde zijner inattente gedrag in deze, voor inhouding zijner verdiensten als Nachtwacht voor deze week.

De beschuldigden worden wederom binnen gelaten, de Secretaris leest hun het Vonnis voor, waarna zij wederom aftreden.

Op rondvraag van den President niemand der Leden iets meer hebbende voor te stellen, zoo wordt de Raad gehouden voor geslooten

Aldus gedaan op dato als boven

/was get/ A. Hulst Adjunct Directeur, J. F. Krieger, P. Postema, Onder Directeuren, G. Steenbeek, fabriekbaas, Blijstra en Delphos Zaalopzieners

Mij present

Stous

Sect.


Zitting van Zaturdag den 23e September 1838[bewerken | brontekst bewerken]

De President opend den Raad, alle de leden zijn tegenwoordig.

Verschijnen voor de zelve de Kolonisten Maria Konings N. 1127, Cornelia Hermina Dijkman N. 1770 Anna Dirks N. 2205 en Hilletje van der Zwaag N. 2446, welke Zich alle in eene Zwangere Staat bevinden.

De President geeft hun Zijne ontevredenheid te kennen, en verklaard hun Strafbaar ingevolge Art 16 van het Reglement van tucht/ hier voren vermeld/

Men laat hun buiten gaan

Overwegende dat Zulke verregaande zedeloze omgang serieuselijk diende gestraft te worden, Zoo is de Raad van gevoelens op hun de volle straf bij gemeld Art bepaald toetepassen, wordende alzoo dezelve gestraft met 8 dagen opsluiting.

De beschuldigden worden wederom binnen gelaten, de Secretaris maakt hun het vonnis bekend, waarna zij dadelijk ter opsluiting worden weggebragt .

Niemand op rondvraag van den Voorzitter iets meer hebbende voor te stellen, zoo wordt de Raad gehouden voor gesloten.

Aldus gedaan op dato als boven

/was get./A. Hulst, Adjunct Directeur, J. F. Krieger, P. Postema, Onder Directeuren, G. Steenbeek, fabriekbaas, Otterbein en Bourlard Zaalopzieners

In Kennisse van mij

Stous

Secrt.

Notitie(s) bij de transcriptie
● Zo hé, maar liefst 4 (VIER!) zwangere bedelaressen.