Raad van Tucht van de Ommerschans in oktober 1838
Het overzicht van
alle tuchtzittingen
op de Ommerschans
staat op
deze pagina
Extract uit het Register der Notulen van het verhandelde in den Raad van Tucht te Ommerschans
Zitting van Vrijdag den 6e October 1838[bewerken | brontekst bewerken]
De leden zijn alle tegenwoordig, de President verklaard de Raad voor geopend.
Wordt voor den Raad gebragt Cornelis de Vink N1292, deserteur voor de 1e maal; denzelve weet niets ter zijner verontschuldiging in te brengen.
Men laat hem buiten gaan.
Gezien Art. 11 van het Reglement van Tucht luidende als volgt:
Hij die voor de eerste maal ontvlugten wil en daarin wordt gehindert of ontvlugt en weder terug gebragt is zal met opsluiting en boeyen tot tien dagen toe de twee eerste te water en brood, worden gestraft met medeneming van goederen buiten de aanhebbende kleeding of andere verzwarende omstandigheden, als ook ontvlugting voor de tweede maal met opsluiting in boeyen gedurende 14 dagen, waarvan de drie eerste en drie laatste te water en brood en met verzwarende omstandigheden voor de tweede of volgende malen benevens meervoudige ontvlugting voor de derde en volgende malen met vijftien tot veertig rietjesslagen en opsluiting als voren, zullende al de ontvlugt geweest zijnde of die dit kennelijk hebben willen doen na de ondergane straf, voor vier maanden lang eene onderscheidene kleeding moeten dragen en in de disciplinezaal worden geplaatst.
De Raad besluit den schuldigen te straffen met 8 dagen opsluiting in boeijen te water en brood, en het dragen van een onderscheidings pak.
Ten tweeden verschijnt voor den Raad Johan Jacob Ortly N607, schuldig aan het zoek maken van een koloniaal jak van de koloniste Anna Maria Bekkenharger N906, tijdens zij met het rooken(?) en drogen van vlas bezig was.
De President vraagt aan Ortly hoe die zaak wegens het jak van gemelde koloniste zich heeft toegedragen, waarop hij zeide dat hij haar jak hetwelk op de grond lag uit een grapje verstopt had, aan de kant van de sloot achter een struik, en dat hij niet weet hoe of het verder mede gegaan is; de Voorzitter geeft hem te kennen dat zulke grappen niet te pas komen, hij alzoo de oorzaak daarvan is dat het jak weg is, en hij zich voortaan wel wachten moet van soortgelijke gevallen.
Hij wordt buiten gelaten.
De Raad neemt in overweging dat soortgelijke grappen wel eens om redenen gedaan worden, zoo dat zij het er voor houden dat gemelde Ortly het jak verstopt heeft om hetzelve te ontvreemden, hij alzoo schuldig wordt verklaard ingevolge Art. 13 van het Reglement van Tucht, luidende als volgt:
Ontvreemding of verpanding van koloniale goederen of van mede kolonisten zal worden gestraft met opsluiting in boeyen van drie tot veertien dagen naar gelang der omstandigheden, desnoods te water en brood om den anderen dag en bij herhaling van een dier misdrijven altijd met veertien dagen met opsluiting in boeyen de drie eerste en drie laatste te water en brood.
Wordt eenparig besloten denzelve te straffen met acht dagen opsluiting in boeijen.
Ten derden wordt voor den Raad gebragt Antonius van der Zanden N1969, schuldig aan dronkenschap voor de 1e maal, met niets ter zijner verschoning intebrengen.
Men laat hem buiten gaan.
Gezien Art. 10 van het Reglement van Tucht, luidende als volgt:
Dronkenschap voor de eerste maal zal met opsluiting tot vijf dagen en voor de tweede maal met opsluiting in boeyen tot tien dagen toe worden bestraft en indien dezelve is gepaard gegaan met verzwarende omstandigheden als ook meervoudige dronkenschap voor de derde maal en volgende met opsluiting in boeyen tot tien dagen toe met water en brood om den anderen dag.
Na gehouden deliberatie komt men overeen den beschuldigde te straffen met drie dagen opsluiting zonder meer.
Zij worden allen binnengelaten, de Secretaris leest hun de geslagen vonnissen voor, waarna zij aftreden en ter opsluiting worden weggebragt.
Niemand der leden iets meer hebbende voortestellen, sluit men de vergadering.
Aldus gedaan op dato als boven.
[was getekend] A. Hulst, adjunct-Directeur, J.F. Krieger, P. Postema, OnderDirecteuren, G. Steenbeek, fabriekbaas, Blijstra, Muller, zaalopzieners, allen leden van den Raad.
Mij Present
De Secretaris
(handtekening:) Stous
| Notitie(s) bij de transcriptie |
|---|
| ● De datering 'vrijdag 6 oktober 1838' klopt niet, want 6 oktober 1838 was een zaterdag. |
Zitting gehouden op Zaturdag den 20 October 1838[bewerken | brontekst bewerken]
De President opent de Raad, de Leden zijn alle tegenwoordig.
Elisabeth van Rohn N. 1376 Schuldig aan het ontvreemden van Aardappelen, verschijnt voor denzelven
De President vraagt haar hoe zij zich heeft durven verstouten om aardappelen de Maatschappij toebehoorende, van het land mede te nemen, dat zulks steelen is, hetgeen zij ook zeer goed wist, terwijl zij dezelve op eene bedekte wijze bij zich had, waar op zij antwoorde dat zij het voor den groote honger gedaan heeft, om vergiffenis verzocht en verklaarde het nooit weder gebeuren zoude.
Gezien Art 13 van het Reglement van Tucht hier voren gemeld.
De Voorzitter vraagt het gevoelen der Leden in het bijzonder, welke Straf de beschuldigde zal worden opgelegd
Wordt besloten haar te straffen met Acht dagen opsluiting te water en brood om den anderen dag.
Zij wordt wederom binnen gelaten en de Secretaris leest haar het Vonnis voor, waarna zij ter opsluiting wordt weggebragt.
Op rondvraag van den President niemand der Leden iets meer hebbende voortestellen, wordt de Vergadering gesloten
Aldus gedaan op dato als boven
/Was get/ A. Hulst Adjunct Directeur, J. F. Krieger en P. Postema, Onder Directeuren, G. Steenbeek, fabriekbaas, Bourlard, Borman en Delfos Zaalopzeiners alle Leden van den Raad
Mij present
Stous
Secrt.