Raad van Tucht van de Ommerschans in november 1838

Uit KolonieWiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Het overzicht van
alle tuchtzittingen
op de Ommerschans
staat op
deze pagina

Extract uit het Register der Notulen van het Verhandelde in den Raad van Tucht te Ommerschans.

Zitting van Maandag den 12e November 1838[bewerken | brontekst bewerken]

Alle de Leden van den Raad tegenwoordig zijnde, zoo opend de President denzelve.

Verschijnt voor den Raad de Koloniste Maria van Pinxteren N. 1119, schuldig aan het ontvreemden van Aardappelen.

De President brengt haar onder het oog de slechtigheid van haar gedrag, terwijl zij zich Schuldig maakt aan Steelen, waarop zij beloofd dat het niet meer gebeuren zal.

Gezien Art. 13 van het Reglement van Tucht, luidende als volgt.

Ontvreemding of verpanding van koloniale goederen of van mede kolonisten zal worden gestraft met opsluiting in boeijen van drie tot veertien dagen naar gelang der omstandigheden, desnoods te water en brood om den anderen dag en bij herhaling van een dier misdrijven altijd met veertien dagen met opsluiting in boeijen de drie eerste en drie laatste te water en brood.

Men laat haar buiten gaan.

Na beraadslaging komt men overeen Maria van Pinxteren te straffen met 8 dagen opsluiting en boeijen.

Zij wordt wederom binnen gelaten, de Secretaris leest haar het Vonnis voor, waarop zij ter opsluiting wordt weggebragt.

Niemand der Leden iets meer hebbende voor te stellen, zoo wordt de Vergadering gesloten.

Aldus gedaan op dato als boven

/was get/A. Hulst Adjunct Directeur President, J. F. Krieger, P. Postema Onder Directeuren, G. Steenbeek Fabriek baas, Delfos, Bourlard en Otterbein Zaalopzieners allen Leden van den Raad.

Mij present

Stous

Secrt.



Zitting van Maandag den 19 November 1838[bewerken | brontekst bewerken]

Alle de Leden van den Raad tegenwoordig zijnde, zoo opend de President denzelve.

Verschijnt voor den Raad Jan van Verdegem N. 2053, Schuldig aan poging tot desertie voor de 1e maal, door de Veldwachters achtervolgd en weder terug gebragt.- denzelven weet niets ter zijner defensie in te brengen.

Gezien art: 11 van het Reglement van Tucht luidende als volgt:

Hij die voor de eerste maal ontvlugten wil en daarin wordt gehindert of ontvlugt en weder terug gebragt is zal met opsluiting in boeijen tot tien dagen toe de twee eerste te water en brood, worden gestraft; met medeneming van goederen buiten de aanhebbende kleeding of andere verzwarende omstandigheden, als ook ontvlugting voor de tweede maal  met opsluiting in boeijen gedurende 14 dagen, waarvan de drie eerste en drie laatste te water en brood en met verzwarende omstandigheden voor de tweede of volgende malen benevens meervoudige ontvlugting voor de derde en volgende malen met vijftien tot veertig rietjesslagen en opsluiting als voren, zullende al de ontvlugt geweest zijnde of die dit kennelijk hebben willen doen na de ondergane straf, voor vier maanden lang eene onderscheidene kleeding moeten dragen  en in de disciplinezaal worden geplaatst.

Men laat hem aftreden

De president vraagt ieder Lid hunne gedachten in het bijzonder, en allen Komen daarin overeen Jan van Verdegem te Straffen met 6 dagen opsluiting in boeijen, de 2 laatste te Water en brood

Men laat hem weder binnen komen, de Secretaris leest hem het Vonnis voor, waarna hij aftreed en ter opsluiting wordt weggebragt.


Ten tweeden wordt voor den Raad gebragt Elisabeth van Rohn N. 1376, Schuldig aan het Versnijden van een Kussen Zakje de Maatschappij toebehorende waarvan zij banden aan haar Rokken heeft gemaakt.

De President vraagt of het bovengemelde haar ten laste gelegd, conform de waarheid is, hetwelk zij met Ja beantwoorde, en te kennen gaf dat het kussen Sloop indien er een Stuk afgesneden was, voor haar nog groot genoeg was, doch dat zij het nimmer meer zal doen.

De President geeft haar te kennen dat zij zeer goed weet, dat aan de goederen haar ten gebruike door de Maatschappij verstrekt, zij niets mag veranderen, en alzoo Strafbaar is aan Art. 13 van het Reglement van Tucht.

De Koloniste Elisabeth van Rohn wordt buiten gelaten.

Gezien Art: 13 hier voren gemeld

De president vraagt de gevoelens der Leden, wordt eenparig besloten om de beschuldigde met 14 dagen opsluiting in boeijen om den anderen dag te Straffen

Zij wordt wederom binnen gelaten, de Secretaris leest haar het Vonnis voor, waarna Zij ter opsluiting wordt weggebragt.

Op rondvraag der President niemand der Leden iets meer hebbende voortestellen, wordt de Vergadering gehouden voor gesloten.

Aldus gedaan op dato als boven

/was get/ A. Hulst Adjunct Directeur President, J. F. Krieger, P. Postema Onder Directeuren, G. Steenbeek fabriekbaas, Muller, Blijstra, Delfos en Otterbein Zaalopzieners allen Leden van den Raad

In kennisse van mij

de Secretaris,

Stous



Zitting van Donderdag den 22e November 1838[bewerken | brontekst bewerken]

Alle Leden van den Raad tegenwoordig zijnde, opend den President denzelve

Verschijnt voor den Raad Jacob Bolte N. 27. SK, Schuldig aan ontvlugting voor de 1e maal, door de Veldwachters van het Gesticht achtervolgt en weder terug gebragt- denzelve weet niet als niets beduidende voorwendsel ter zijner defensie intebrengen, wordende hij alzoo Strafbaar verklaard ingevolge meer gemeld Art 11 van het Reglement van Tucht.

Men doet hem aftreden

De Leden bepalen in deze dat Jacob Bolte zal gestraft worden met 10 dagen opsluiting en het dragen van een distinctief pak voor de bij het Reglement bepaalden tijd van Vier maanden


ten tweeden verschijnt voor den Raad Johannes Hogeveen N. 525, Schuldig aan ongehoorzaamheid in het verrigten van Zijn Werk.

De President vraagt hem waarom hij de werkzaamheden welke hem worden aangewezen niet behoorlijk verrigt, waarop hij te kennen geeft gaarne te willen werken dan dat hij het gedurig in zijn rug heeft, waarop de Voorzitter hem te kennen geeft, dat Zulke uitvluchten niet dan luiheid is, en hij voortaan zorge zoude in het geheel niet meer brutaal te wezen maar Zijn werk evenals andere behoorlijk te verrigten.

Men laat hem aftreden.

Gezien Art. 9 van het Reglement van Tucht luidende als volgt:

Alle ongehoorzaamheid jegens de koloniale ambtenaren zal met verplaatsing in de discipline zaal voor drie tot acht dagen worden bestraft en indien deszelve met brutaliteit gepaard gegaan is, met opsluiting voor dezelfden tijd in de provoost.

De Raad komt eenstemmig overeen den beschuldigde te straffen met 3 dagen opsluiting zonder meer.

Beide worden wederom binnen gebragt, de Secretaris leest hun het Vonnis voor, waarna zij ter opsluiting worden weg gebragt

Op rondvraag van den Voorzitter, niemand der Leden iets meer hebbende voor te stellen, zoo wordt de Vergadering gehouden voor gesloten.

Aldus gedaan op dato als boven

/Was get:/ A. Hulst Adjunct Directeur President, J. F. Krieger, P. Postema Onder Directeuren, G. Steenbeek fabriekbaas, Borman en Blijstra Zaalopzieners alle Leden van den Raad.

In Kennisse van mij

de Secretaris

Stous