Raad van Tucht van de Ommerschans in maart 1839
Het overzicht van
alle tuchtzittingen
op de Ommerschans
staat op
deze pagina
Extract uit het Register der Notulen van het verhandelde in den Raad van Tucht te Ommerschans.
Zitting op Vrijdag den 1e Maart 1839.[bewerken | brontekst bewerken]
De President opent den Raad daar alle Leden tegenwoordig zijn.
De Kolonist Willem Reuvers N. 261 schuldig wegens weigering van werk op de Hoeve van den Bouwman Nak verschijnt voor den Raad om daaromtrent gehoord te worden, dezelve verklaard dat hij den Bouwman niet goed begrepen had, maar voortaan alles zoude doen wat hem gezegd werd, de President geeft hem te kennen dat zulke gezegdens niet te pas komen, en ook van geen het minste belang ter zijner verschooning kunnen strekken, alzoo strafbaar is ingevolge art. 9 van het Reglement van Tucht, luidende als volgt:
Alle ongehoorzaamheid jegens de koloniale ambtenaren zal met verplaatsing in de discipline zaal voor drie tot acht dagen worden bestraft en indien deszelve met brutaliteit gepaard gegaan is, met opsluiting voor dezelfden tijd in de provoost.
Hij wordt buiten gelaten.
De President en Leden komen overeen hem te straffen met 5 dagen opsluiting.
Men laat hem weder binnen komen, de Secretaris maakt hem zijn Vonnis bekend, waarna hij wederom aftreed.
Ten tweede verschijnt voor den Raad Krijn van Duivenbode N. 897 dewelke zich niet ontzien heeft om zijn buis te verkoopen. Op de vraag door den Voorzitter aan hem gedaan aan wien hij zijn buis verkocht heeft, zegt hij den man niet te kennen en dat het niet weder gebeuren zal.
Men laat hem aftreden.
Gezien art. 13 van het Reglement van Tucht luidende als volgt:
Ontvreemding of verpanding van koloniale goederen of van mede kolonisten zal worden gestraft met opsluiting in boeijen van drie tot veertien dagen naar gelang der omstandigheden, desnoods te water en brood om den anderen dag en bij herhaling van een dier misdrijven altijd met veertien dagen met opsluiting in boeijen de drie eerste en drie laatste te water en brood.
Men gaat over tot deliberatie en komt eenstemmig overeen hem te straffen met opsluiting in boeijen voor den tijd van acht dagen.
De beschuldigde wordt wederom binnen gelaten, de Secretaris leest hem het Vonnis voor, waarna hij wederom aftreed en ter opsluiting wordt weggebragt.
Op rondvraag van den President niemand der Leden iets meer hebbende voor te stellen, wordt de vergadering gehouden voor gesloten.
Aldus gedaan op dato als boven
/was geteekend/ A. Hulst Adjunct Directeur President, J. F. Krieger en P. Postema onder Directeuren, G. Steenbeek fabriekbaas, Delfos, Otterbein, Blijstra en Muller Zaal opzieners, allen Leden van den Raad.
Mij present
De Secretaris,
Stous
Zitting van Woensdag den 6e Maart 1839[bewerken | brontekst bewerken]
Alle Leden zijn tegenwoordig en de President opent den Raad.
Worden voor denzelven gebragt Christiaan Klijn N. 2266 en Meinders Popjes Hamersma B. K. N. 37 beiden schuldig aan het verkoopen van Koloniale Kleeding, en wel de eerste van zijn buis en de tweede van zijn broek.
Elk in het bijzonder naar de reden dezer onheusche handelwijze gevraagd zijnde, weten zij niets ter hunner defensie in te brengen, en worden strafbaar verklaard ingevolge art. 13 van het Reglement van Tucht hier voren gemeld, ontvreemding enz:
De Raad laat hun buiten gaan.
Na gehoudene deliberatie komt den Raad overeen de straffen op te leggen, als volgt
C. Klijn met 14 dagen opsluiting in boeijen
en Hamersma met 8 dagen idem
De schuldigen worden wederom binnen gelaten, de Secretaris leest hun het Vonnis voor, en zij worden ter opsluiting weg gebragt.
Niemand der Leden iets meer hebbende voortestellen, , zoo sluit de President de Vergadering.
Aldus gedaan op dato als boven.
/was geteekend/ A. Hulst Adjunct Directeur President, J. F. Krieger en P. Postema, Onder Directeuren, G. Steenbeek, Fabriekbaas, Delfos, Blijstra en Muller, Zaal opzieners, allen leden van den Raad.
Mij Present
De Secretaris
Stous
Zitting op Maandag den 11 Maart 1839[bewerken | brontekst bewerken]
Alle Leden van den Raad tegenwoordig zijnde, zoo opent de President denzelve.
Verschijnt voor denzelve,
de Kolonist Krijn van Duivenbode N. 897 schuldig aan het afsnijden der mouwen van zijn buis; op de vraag door de President, om welke redenen hij zulks gedaan heeft, weet hij niets beduidend ter zijner defensie intebrengen, waarop de President hem te kennen geeft dat hij strafbaar is, dewijl hij zeer goed weet niets zijner Kleeding te mogen veranderen, veel minder te vernietigen of af te snijden.
Hij wordt buiten gelaten.
Overgaande tot deliberatie, zoo wordt besloten hem te straffen met 14 dagen opsluiting zonder meer, ingevolge art. 13 van het Reglement van Tucht hiervoren breeder omschreven en luidende
“Ontvreemding of verpanding van Koloniale goederen enz.”
K. Duivenbode wordt weder binnen gelaten, de Secretaris doet hem mededeling van het vonnis, waarop hij ter opsluiting wordt weggebragt.
Ten tweede wordt voor den Raad gebragt Maria Verheij N. 2398, schuldig aan dronkenschap voor de 1e maal, gepaard met brutaliteiten als hebbende den Zaalopziener Otterbein beleedigd met woorden.
De President brengt haar ten ernstigste het verkeerde harer handelwijs onder het oog, waarop zij beloofd zich aan zulk eene misstap niet meer schuldig te zullen maken.
Ge zien art: 10 van het Reglement van Tucht luidende als volgt.
Dronkenschap voor de eerste maal zal met opsluiting tot vijf dagen- en voor de tweede maal met opsluiting in boeijen tot tien dagen toe worden bestraft en indien dezelve is gepaard gegaan met verzwarende omstandigheden, als ook meervoudige dronkenschap voor de derde maal en volgende met opsluiting in boeijen tot tien dagen toe met water en brood om den anderen dag.
Zij wordt buiten gelaten
Men delibereert, ten deze, en men komt eenparig overeen, de beschuldigde te straffen met 10 dagen opsluiting en boeijen dag te water en brood om den anderen dag.
Zij wordt wederom binnen gelaten, de Secretaris leest haar het Vonnis voor, waarna zij aftreed.
Ten derde verschijnen voor den Raad Wilhelmina Klein N. 776, Maria Lammers N. 1007, Johanna Tjaarda Hovendaal(?) N. 1208, Maartje Verdonk N. 489 en Levina Klaassen N. 1432.-
allen schuldig aan het ontvreemding van aardappelen uit de kuilen waaraan zij werkten.
Zij hebben niets ter verontschuldiging intebrengen en de President brengt hun hunne strafbaarheid ingevolge het meergemelde art. 13 van het Reglement van Tucht onder het oog luidende als volgt
“Ontvreemding enz.””
Men delibereert en komt overeen, de beschuldigden te straffen met vijf dagen opsluiting en boeijen.
Men laat hun weder binnen komen, de Secretaris leest hun het vonnis voor, en worden ter opsluiting weggebragt.
Niemand op rondvraag van den President iets meer hebbende voortestellen, wordt de vergadering gehouden voor gesloten.
Aldus gedaan op dato als boven
/was geteekend/ A. Hulst Adjunct Directeur, President, J. F. Krieger en P. Postema, Onder Directeuren, G. Steenbeek, Fabriekbaas, Delfos, Otterbein en Borman Zaal Opzieners, allen leden van den Raad
Mij Present
De Secretaris
Stous
Zitting op Donderdag den 14e Maart 1839[bewerken | brontekst bewerken]
Daar alle de leden van den Raad tegenwoordig zijn, zoo opent de President denzelve.
De Bedelaars Kolonist Johannes Hubertus Horstman N. 2335 deserteur voor de eerste maal bij Complotmaking door een Policie beambte weder terug gebragt, verschijnt voor den Raad.
De President vraagt hem naar de redenen zijner ontvlugting, waarop hij te kennen geeft dat hij was weggeloopen uit hoofde der geringe Verdiensten, welke niet toereikend zijn om in zijne behoeften te voorzien, vooral des morgens, dewijl hij zonder eeten naar het land moest gaan; dat hij van het weinige geld welke hij in handen kreeg, geen brood konde koopen, en het aan hem verstrekte brood, des avonds wel noodig had.
Men laat hem buiten gaan.
Gezien art. 11 van het Reglement van Tucht luidende als volgt:
Hij die voor de eerste maal ontvlugten wil en daarin wordt gehindert of ontvlugt en weder terug gebragt is zal met opsluiting in boeijen tot tien dagen toe de twee eerste te water en brood, worden gestraft; met medeneming van goederen buiten de aanhebbende kleeding of andere verzwarende omstandigheden, als ook ontvlugting voor de tweede maal met opsluiting in boeijen gedurende 14 dagen, waarvan de drie eerste en drie laatste te water en brood en met verzwarende omstandigheden voor de tweede of volgende malen benevens meervoudige ontvlugting voor de derde en volgende malen met vijftien tot veertig rietjesslagen en opsluiting als voren, zullende al de ontvlugt geweest zijnde of die dit kennelijk hebben willen doen na de ondergane straf, voor vier maanden lang eene onderscheidene kleeding moeten dragen en in de disciplinezaal worden geplaatst.
Wordt met eenparigheid van stemmen besloten den schuldigen te straffen met 14 dagen opsluiting en boeijen, de drie eerste en drie laatste te water en brood.
Ten tweeden verschijnt voor den Raad Andries Geitenbeek S.K. N. 47, schuldig aan het verkoopen van zijn voerlaken broek.
De President vraagt hem aan wien hij zijn broek verkocht heeft, waarop hij zeide aan Hendrik van Leiden N. 408.- denzelven wordt ontboden en verschijnt, verklarende dat het niet waar was, waarop Geitenbeek in zijne tegenwoordigheid staande hield dat het wel waar was, en dat hij er 15 Cent voor ontvangen had, waarvan de Kolonisten Jacob Bolte S. K. N. 27 en Anderson N. 390 getuigen waren geweest, gemelde Kolonisten worden insgelijks binnen geroepen, en verklaarden dat H. van Leiden de Koopman van de broek was.
Zij worden allen buiten gelaten.
Gezien het meergemeld art. 13 van het Reglement van Tucht luidende
“Ontvreemding of verpanding enz”
De President vraagt ieder Lid in het bijzonder, welke straf H. van Leiden en A. Geitenbeek dient opgelegd te worden, men beslist daar het door getuigen bewezen is dat van Leiden de Kooper van de broek is, hem te straffen met Veertien dagen opsluiting en boeijen, en Andries Geitenbeek met zes dagen opsluiting zonder meer, dewijl hij dadelijk voor de waarheid is uitgekomen.
De beschuldigden worden weder binnen gelaten, de Secretaris leest hun het vonnis voor, waarna zij ter opsluiting worden weg gebragt.
Op rondvraag van den President niemand der Leden iets meer hebbende voor te stellen, zoo wordt de vergadering gehouden voor gesloten.
Aldus gedaan op dato als boven
/was geteekend/ A. Hulst Adjunct Directeur President, J. F. Krieger en P. Postema, Onder Directeuren, G. Steenbeek fabriekbaas, Muller en Blijstra Zaal opzieners, allen leden van den Raad.
Mij Present
De Secretaris
Stous
| Notitie(s) bij de transcriptie |
|---|
| ● Johannes Hubertus Horstman in de eerste zaak heeft een helder en goed verhaal, waar de Raad blijkbaar helemaal niets tegenin weet te brengen. |
Zitting op Dingsdag den 19e Maart 1839[bewerken | brontekst bewerken]
Alle leden zijn tegenwoordig en de President opent de vergadering.
De Bedelaars Kolonisten Cornelis Blom N. 590, Jan Schoutz N. 1746, deserteurs voor de 1e maal, en Joseph Kandelaar N. 1946 deserteur voor de 6e maal met Complot, door een agent van Policie van Zutphen teruggebragt, verschijnen voor den Raad.
De President vraagt naar de reden hunner desertie, waarop zij eenparig antwoorden door de weinige verdiensten, dat zij alle morgens nuchteren naar het land moesten, uit hoofde zij van het geringe dat zij in de hand kregen, bijna niets dan tabak konde koopen.
Men laat de beschuldigden buiten gaan
Gezien het hiervoren gemeld art. 11 van het Reglement van Tucht luidende als volgt
“Hij die voor de eerste maal enz”
De leden bepalen in deze de volle straf en alzoo worden de Kolonisten Cornelis Blom en Jan Schoutz met Veertien dagen opsluiting in boeijen de drie eerste te water en brood, en J. Kandelaar met Veertien dagen opsluiting en boeijen de drie eerste en de drie laatste te water en brood en 40 rietjesslagen gestraft en het dragen van een onderscheidings Kleed gedurende Vier maanden.
De beschuldigden worden binnen geroepen, de Secretaris leest hun het Vonnis voor, waarna zij wederom aftreden en ter opsluiting worden weggevoerd.
Niemand der Leden op rondvraag van den President iets meer hebbende voortestellen, zoo wordt de Vergadering gesloten.
Aldus gedaan op dato als boven
/was geteekend/* , J. F. Krieger** en P. Postema, Onder Directeuren, G. Steenbeek, fabriekbaas, Delfos, Blijstra en Borman, Zaalopzieners, allen leden van den Raad.
Mij Present
De Secretaris
Stous
| Notitie(s) bij de transcriptie |
|---|
| ● De secretaris schrijft de verslagen zo op de automatische piloot dat hij zichzelf moet verbeteren. Bij de openingszin dat alle leden tegenwoordig zijn, heeft hij bijgeschreven: 'behalve de President, dewelke zich om dienstzaken te Frederiksoord bevindt. Gg de Secretaris Stous'. Bij de ondertekening heeft hij 'A. Hulst, Adjunct Directeur President' doorgestreept met de aantekening 'de doorhaling goedgekeurd, De Secretaris Stous' en bij 'J.F. Krieger' heeft hij geschreven 'Vice President. goedgekeurd De Secretaris Stous'. |
Zitting op Donderdag den 21e Maart 1839[bewerken | brontekst bewerken]
De President opent de Vergadering daar alle Leden tegenwoordig zijn
Verschijnen voor denzelve
De Kolonisten: Martinus van Zeveren N. 349, Gerrit Bruins N. 1395 en Bernardus Gosseling N. 1328, de twee eerste deserteurs voor de 1e, en de laatste deserteur voor de 3e maal en wel met complotmaking, op den 20 dezer door een policie beambte weder teruggebragt.
De Voorzitter hun ieder afzonderlijk naar de redenen hunner ontvluchting gevraagd hebbende, geven zij eenparig te kennen dat hunne Verdiensten niet toereikend zijn, om in hunne behoefte te voorzien, en vooral omdat zij ’s morgens nuchteren naar buiten moeten gaan, omdat zij van het geringe handgeld geen brood konde koopen.
De President geeft hun allen ten ernstigste hunne verkeerde handelwijze te kennen en dat zij ingevolge meergezegd art. 11 van het Reglement van Tucht strafbaar zijn, hetwelk luidt als volgt.
“Hij die voor de eerste maal enz. “
Zij worden buiten gelaten.
Men gaat tot deliberatie over, en men besluit eenstemmig hun de navolgende straffen op te leggen, als
Ieder met Veertien dagen opsluiting, de drie eerste en de drie laatste te water en brood, en in boeijen, alsmede tot het dragen van een distinctief pak en daar het gebleken is dat Gosseling voor de 3e maal onvlucht is, daarenboven met 40 rietslagen.
Zij worden wederom binnen gelaten, de Secretaris maakt hun het geslagen Vonnis bekend, en zij worden ter opsluiting weggebragt
Niemand der Leden iets meer hebbende voor te stellen, zoo sluit de President de Vergadering
Aldus opgemaakt en gedaan op dato als boven
/was geteekend/ A. Hulst Adjunct Directeur President, J. F. Krieger, P. Postema, onder Directeuren, G. Steenbeek, Blijstra, Bourlard & Muller, Zaal Opzieners, allen leden van den Raad
Mij bekend
De Secretaris
Stous
| Notitie(s) bij de transcriptie |
|---|
| ● Bij de ondertekening is achter 'G. Steenbeek' vergeten 'fabrieksbaas' te zetten, waaronder het nu lijkt alsof hij zaalopziener is (wat hij niet is). |
Zitting op Zaturdag den 30e Maart 1839[bewerken | brontekst bewerken]
Allen de Leden zijn tegenwoordig en de Vergadering wordt door den Voorzitter geopend.
Wordt voor denzelve gebragt François Mouran N. 1752 schuldig aan desertie voor de 1e maal bij Complotmaking
Binnen komende verklaard hij weggeloopen te zijn van den honger, hebbende anders niets ter zijner defensie intebrengen
De Voorzitter onderhoud hem over zijne gezegdens, en verklaart hem schuldig, en strafbaar ingevolge het zoo meergemeld art. 11 van het Reglement van Tucht, luidende als volgt:
“Hij die voor de eerste maal enz. “
De beschuldigde wordt buiten gelaten.
De President vraagt de gevoelens van de leden in het bijzonder en er wordt bij eenparigheid van stemmen besloten dat F. Mouran gedurende 14 dagen zal worden opgesloten en boeijen, de drie eerste en drie laatste dagen te water en brood, en het dragen van het distinctief pak gedurende niet minder dan den bepaalden tijd van Vier maanden.
Ten tweeden verschijnt voor den Raad de Kolonist Johannes Lawaij N. 293 schuldig aan dronkenschap ; gepaard met verzetten tegen overheden met dadelijkheden.
De Voorzitter vraagt hem van wien hij den drank bekomen had, waaraan hij zich zoo schandelijk te buiten heeft gegaan, waarop hij antwoorde van den schipper, alwaar hij aan lossen van hooi was geweest .
De Voorzitter brengt hem het ongehoorde ten deze onder het oog, te meer hij zich niet ontzien heeft een glasraam aan stukken te slaan en meer andere baldadigheden te hebben gepleegd, en hem alzoo schuldig verklaard ingevolge art. 10, 16 en 21 van het reglement van Tucht luidende als volgt:
Art. 10. Dronkenschap voor de eerste maal zal met opsluiting tot vijf dagen- en voor de tweede maal met opsluiting in boeijen tot tien dagen toe worden bestraft en indien dezelve is gepaard gegaan met verzwarende omstandigheden
als ook meervoudige dronkenschap voor de derde maal en volgende met opsluiting in boeijen tot tien dagen toe met water en brood om den anderen dag.
Art. 16. Onzedelijk gedrag in woorden, als vloeken, schelden, razen etc. of met daden door zedelooze omgang met anderen zal met verplaatsing in de discipline zaal van een tot acht dagen worden gestraft en bij herhaling daarvan met opsluiting zoo noodig in boeijen en te water en brood om den anderen dag.
Art. 21. In al die gevallen waarin de voorenstaande artikelen daartoe vrijheid geven, is het aan den Raad overgelaten de bepaalde dubbele straffen te verenigen en die te zamen den Schuldigen opteleggen
Men laat hem aftreden.
De Raad neemt in overweging dat J. Lawaij reeds op den 26e Mei 1838 voor 6 dagen opsluiting wegens verzetting is gecondemneerd geweest, hem te straffen met Veertien dagen opsluiting en boeijen, om den anderen dag te water en brood en twintig rietslagen, alsmede vergoeding op deszelfs rekening van het door hem aan stukken geslagen glasraam.
Ten derden wordt voor den Raad gebragt Wiebe Meinders N. 991, schuldig aan ongehoorzaamheid jegens den Wijkmeester van der Woude.
Op de vraag door de President waarom hij het hem aangewezen werk niet dadelijk verrigt en voor den Wijkmeester niet wilde zwijgen, verklaarde hij naderhand aan het werk gegaan te zijn, doch dat hij zich in den beginne moeyelijk had gemaakt, en niet weet zoo veel kwaad gedaan te hebben
Men laat hem aftreden.
Gezien art. 9 van het Reglement van Tucht, luidende als volgt:
Alle ongehoorzaamheid jegens de koloniale ambtenaren zal met verplaatsing in de discipline zaal voor drie tot acht dagen worden bestraft en indien deszelve met brutaliteit gepaard gegaan is, met opsluiting voor dezelfden tijd in de provoost.
De Leden kennen Meinders als een goed en stil Kolonist en willen dan ook met hem eenige inschikkelijkheid gebruiken, te meer daar hij anders altijd zijn werk verrigt.
Wordt met eenparige stemmen besloten hem te straffen met Vier dagen opsluiting zonder meer.
De Kolonist Meinders wordt binnen gelaten, de Secretaris leest hem zijn Vonnis voor, waarna hij wederom buiten gaat en ter opsluiting wordt weggebragt.
Op rondvraag van den President, niemand der Leden iets meerder hebbende voortestellen, zoo wordt de vergadering gehouden voor gesloten.
Aldus gedaan op dato als boven
/was geteekend/ A. Hulst, Adjunct Directeur President, J. F. Krieger, P. Postema, onder Directeuren, G. Steenbeek fabriekbaas, Bourlard, Borman en Blijstra, Zaal Opzieners allen leden van den Raad
Mij Present
De Secretaris
Stous