Raad van Tucht van de Ommerschans in maart 1838
Het overzicht van
alle tuchtzittingen
op de Ommerschans
staat op
deze pagina
Extract uit het Register der Notulen van het verhandelde in den Raad van Tucht te Ommerschans.
Zitting van Zaturdag den 10e Maart 1838.-[bewerken | brontekst bewerken]
Daar alle Leden van den Raad tegenwoordig zijn, zoo wordt dezelve door den President geopend.-
Verschijnd voor den zelve Willem Fredrik Beins N. 1589, schuldig aan dronkenschap voor de 2e maal, gepaard met brutaliteiten en verzetten tegen overheden, voor welke feiten hij op den 12e Maart 1836 is terecht gesteld.-
De Voorzitter brengt hem zijn slegt gehouden gedrag ten ernstigste onder het oog, met te kennen geving dat de vorige straf door hem ondergaan weinig invloed heeft gehad, hij andermaal schuldig is ingevolge Art: 9 :10 en 14 van het Reglement van Tucht, luidende als volgt:
Artikel 9.
Alle ongehoorzaamheid jegens de koloniale ambtenaren zal met verplaatsing in de discipline zaal voor drie tot acht dagen worden bestraft en indien deszelve met brutaliteit gepaard gegaan is, met opsluiting voor dezelfden tijd in de provoost.
Artikel 10.
Dronkenschap voor de eerste maal zal met opsluiting tot vijf dagen- en voor de tweede maal met opsluiting in boeijen tot tien dagen toe worden bestraft en indien dezelve is gepaard gegaan met verzwarende omstandigheden
als ook meervoudige dronkenschap voor de derde maal en volgende met opsluiting in boeijen tot tien dagen toe met water en brood om den anderen dag.
Artikel 14.
Verzetten tegen overheden of veldwachters met dadelijkheden zal met opsluiting met en zonder boeijen naar gelang der omstandigheden en desnoods om den anderen dag te water en brood, worden gestraft. Bij herhaling van het misdrijf met dezelfde straf, doch vooraf gegaan van tien tot twintig rietjes slagen.
Den beschuldigden verklaard niet te weten wat hij gedaan heeft, en verzoekt verschoning onder belofte dat het nooit weder gebeuren zal.-
Hij wordt buiten gelaten.-
Overgaande tot de deliberatie, zoo wordt er na eindiging derzelve eenstemmig besloten W. F. Beins te straffen met twintig rietslagen om den anderen dag in de boeijen, te water en brood, en 14 dagen opsluiting.-
Ten tweeden wordt voor den Raad gebragt de Koloniste Jannetje Voogd N. 1650, schuldig aan het verkoopen en verruilen harer Koloniale Kleeding, en wel aan de Kolonisten ?. H. Dikman N. 1770, W Muijse N. 1237, A. E. Mulder N. 480 en M. Butner N. 1902, alle welke mede worden voor den Raad geroepen en verschijnen.-
De President vraagt aan J. Voogd aan wien zij hare Kleeding verkocht heeft, waarop zij antwoorde een hemd aan Dikman, een hemd aan W. Muijs, theedoeken aan M. Butner en een baaije rok aan A. E. Mulder, de Voorzitter vraagt verder aan gemelde kolonisten, of zulks conform der waarheid was, waarop zij antwoorden dat zij het niet verkocht, maar wel geld op gegeven hadden en als J. Voogd het geld restitueerde, zij de goederen mogelijks konde terug krijgen en meer niets beduidende voorwendsels, de Voorzitter geeft hun alle te kennen, dat het haar zeer goed bewust is, zoo nog verkoopen of koopen mogen, en al zoo Strafbaar zijn ingevolge Art: 13 van het Reglement van Tucht luidende als volgt:
Ontvreemding of verpanding van koloniale goederen of van mede kolonisten zal worden gestraft met opsluiting in boeijen van drie tot veertien dagen naar gelang der omstandigheden, desnoods te water en brood om den anderen dag en bij herhaling van een dier misdrijven altijd met veertien dagen met opsluiting in boeijen de drie eerste en drie laatste te water en brood.
Men laat hun buiten staan.
De President verzoekt den Raad tot deliberatie over te gaan der in deze te wijzen vonnissen, en men besluit eenparig de volgende straffen vast te stellen, als
J. Voogd met 14 dagen opsluiting
??. H. Dikman en W. Muijs, ieder met 4 dagen opsluiting en A. E. Mulder en M. Butner met 3 dagen opsluiting.-
Alle worden wederom binnen gelaten en de Secretaris maakt hun het vonnis bekend.-
Niemand op rondvraag van den President iets meer hebbende voor te stellen, houdt men de vergadering voor gesloten.-
Aldus gedaan op dato als boven
/was getekend/ Ads. De Geus, Adj. Directeur, President, J. F. Krieger, A. J. Wijkstra, onderDirecteuren, G. Steenbeek Fabriekbaas, Muller en Otterbein Zaal opzieners, alle Leden van den Raad.
In kennisse van mij
De Secretaris
Stous
Raad van Politie en Tucht voor de Kolonisten Huisgezinnen gehouden op Donderdag den 22e Maart 1838.-[bewerken | brontekst bewerken]
De Leden zijn alle tegenwoordig en de President verklaart de Raad voor geopend.-
De Voorzitter geeft te kennen dat hij de Raad geconvoceerd heeft inzake de zoon van den Hoevenaar Geraets, met name Theodorus, schuldig verklaard ingevolge Extract uit den Raad van Policie en Tucht gehouden te Veenhuizen, 3e Gesticht in dato 16 Maart JL door Kol. Katharina Bartels, voor Dochter van den Arbeiders Kolonist Gerritsma, dat hij met haar onzedelijk zoude hebben geleefd, waardoor zij in eene zwangere staat is geraakt.
De President laat Theodorus Geraets ontbieden, welke verschijnd, en bovengemeld Extract uit den Raad van het 3e Gesticht wordt voorgelezen.-
De Voorzitter vraagt aan den beschuldigden of het hem ten laste gelegde conform der waarheid is, waarop hij antwoorde van Ja, dat hij reeds lang van voornemen was geweest (:indien het mogt gebeuren:) haar te trouwen, verzoekende tevens aan den Raad, om de daarop toe te passen Straf zoo veel mogelijk te verzachten.-
Men doe hem aftreden.-
Gezien Art: 2 Litt: f van het Reglement van Policie en Tucht voor de Kolonisten Huisgezinnen luidende als volgt:
Onzedelijke omgang met of verleiding tot onzedelijkheid van anderen. zal volgens Art. 3 sub 2 gestraft worden met verplaatsing voor een onbepaalden tijd naar de kolonie aan de Ommerschans
De Voorzitter vraagt de gevoelens van ieder Lid in het bijzonder.-
De Raad vermeend op grond van dit Artikel de persoon van Theodorus Geraets onder Approbatie van de Permanente Kommissie te verwijzen naar de Straf Kolonie alhier, gelijk geschied bij deze.-
Op rondvraag van den President niemand der Leden iets meer hebbende voor te stellen, wordt de vergadering gehouden voor geslooten.-
Aldus gedaan op dato als boven.-
/was getekend/ Ads. de Geus, Adj. Directeur, President, J. F. Krieger en A. J. Wijkstra onder Directeuren, Verwer en Vossebelt Bouwboeren, allen Leden van den Raad.-
In kennisse van mij
de Secretaris
Stous
| Notitie(s) bij de transcriptie |
|---|
| ● Deze zitting is niet als alle andere op basis van het reglement voor bedelaarskolonisten, maar op basis van het reglement voor kolonistenhuisgezinnen. |
Zitting van Maandag den 26e Maart 1838[bewerken | brontekst bewerken]
Alle Leden van den Raad zijn tegenwoordig en de President opend dezelve.-
Verschijnd voor den Raad
Henrich Selk N. 1105 deserteur voor de 3e maal.-
De President vraagt den beschuldigden om welke redenen hij nu weder ontvlugt is, waarop hij niets beduidende voorwendsels te kennen geeft, en het nooit weder gebeuren zal.
Men laat hem buiten gaan
Gezien Art: 11 van het Reglement van Tucht luidende als volgt.
Hij die voor de eerste maal ontvlugten wil en daarin wordt gehindert of ontvlugt en weder terug gebragt is zal met opsluiting in boeijen tot tien dagen toe de twee eerste te water en brood, worden gestraft; met medeneming van goederen buiten de aanhebbende kleeding of andere verzwarende omstandigheden, als ook ontvlugting voor de tweede maal met opsluiting in boeijen gedurende 14 dagen, waarvan de drie eerste en drie laatste te water en brood en met verzwarende omstandigheden voor de tweede of volgende malen benevens meervoudige ontvlugting voor de derde en volgende malen met vijftien tot veertig rietjesslagen en opsluiting als voren, zullende al de ontvlugt geweest zijnde of die dit kennelijk hebben willen doen na de ondergane straf, voor vier maanden lang eene onderscheidene kleeding moeten dragen en in de disciplinezaal worden geplaatst.
De Leden bepalen in deze voor de Kolonist Selk de volle straf, en alzoo wordt denzelve gecondemneerd tot 40 rietslagen, opsluiting in boeijen gedurende 14 dagen, de 3 eerste en de 3 laatste te water en brood en het dragen van een distinctief pak.-
ten tweeden verschijnd voor den Raad Arnoldus Domhof N. 858 schuldig aan ontvlugting voor de 1e maal.-
De Voorzitter vraagt hem naar de reden die hem noopten om te ontvluchten, waarop hij antwoorde dat het landwerk hem te zwaar viel, en ook hij zelfs niet wist tijdens zijn desertie, wat hij deede, als nu verschoning verzocht.-
Hij wordt buiten gelaten.-
Gezien art. 11 hier voren vermeld
President en Leden besluiten eenpariglijk den zelven te straffen met 6 dagen opsluiting in boeijen, de 2 eerste te water en brood en het dragen van een distinctief pak.
Zij worden wederom binnen gelaten, de Secretaris maakt hun het vonnis bekend, waarna zij aftreden en ter opsluiting worden weggebragt.-
Niets meer ter verhandeling voor handen zijnde, zoo wordt de Raad door den President gesloten.-
Aldus gedaan op dato als boven
/was getekend/ Ads. De Geus, Adj. Dir. President, J. F. Krieger & A. J. Wijkstra onder Directeuren, G. Steenbeek fabriekbaas, Delphos en Blijstra, Zaalopzieners, alle Leden van den Raad.
Mij Present
De Secretaris
Stous