Raad van Tucht van de Ommerschans in maart 1837

Uit KolonieWiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Het overzicht van
alle tuchtzittingen
op de Ommerschans
staat op
deze pagina

Extract uit de Notulen van het verhandelde in de Raad van Tucht te Ommerschans

Zitting van van Vrijdag den 4 Maart 1837[bewerken | brontekst bewerken]

Alle Leden tegenwoordig zijnde, zoo opent de President den Raad: Wordt voor dezelve gebragt Joseph Kandelaar N: 1946, deserteur voor de 5 maal.

De President vraagt hem waarom hij telkens ontvlugt, waarop hij een niets beduidend antwoord weet in te brengen, als dat het nu voor de laatste maal  zoude geweest zijn, en nooit meer weg wilde loopen, al moest hij nog zoo lang blijven.-

Hij wordt buiten gelaten. Gezien Art. 11 van het Reglement van Tucht luidende als volgt

Hij die voor de eerste maal ontvlugten wil en daarin wordt gehindert of ontvlugt en weder terug gebragt is zal met opsluiting en boeyen tot tien dagen toe de twee eerste te water en brood, worden gestraft met medeneming van goederen buiten de aanhebbende kleeding of andere verzwarende omstandigheden, als ook ontvlugting voor de tweede maal met opsluiting in boeIJen gedurende veertien dagen, waarvan de drie eerste en drie laatste te water en brood en met verzwarende omstandigheden  voor de tweede of volgende malen benevens meervoudige ontvlugting voor de derde en volgende malen met vijftien tot veertig rietjesslagen en opsluiting als voren, zullende al de ontvlugt geweest zijnde of die dit kennelijk hebben willen doen na de ondergane straf, vier maanden lang eene onderscheidene kleeding moeten dragen en in de disciplinezaal worden geplaatst.

De Raad neemt in overweging dat de vorige straffen door hem ondergaan geen de minste invloed gehad hebben, en men uit dien hoofde, geene de minste inschikkelijkheid moet gebruiken maar op hem de volle straf ingevolge gemeld Art. toe te passen, wordt eenparig besloten dat J. Kandelaar zal gestraft worden met 40 rietjes slagen, en opsluiting in boeijen voor 14 dagen, de 3 eerste en de 3 laatste te water en brood, en het dragen van een distinctief pak.-

Men laat hem weder binnen komen, de Secretaris leest hem zijn vonnis voor en wordt ter opsluiting weggebragt.-


Ten tweeden wordt voor den Raad ontboden de Kolonist Jan Schoe N: 1315.

De President vraagt hem, waarom hij de orders aan hem gegeven niet opvolgd en wat hem bewogen heeft zoo brutaal te zijn tegen den Wijkmeester, als mede waartoe dat mes moest dienen hetwelk hij uit de zaal heeft gehaald waarop hij te kennen gaf, zulks in een drift was geschied, daarvan berouw had, en het niet weer doen zal, en alzoo om verschooning verzocht.

Men laat hem buiten gaan.

Gezien Art. 14 van het Reglement van Tucht luidende als volgt

Verzetten tegen overheden of veldwachters met dadelijkheden zal met opsluiting met en zonder boeijen naar gelang der omstandigheden  en desnoods om den anderen dag te water en brood, worden gestraft. Bij herhaling van het misdrijf met dezelfde straf, doch vooraf gegaan van tien tot twintig rietjes slagen.

De leden erkennen Jan Schoe overigens als een geschikt Kolonist, en willen alzoo met hem eenig inschikkelijk gebruiken en besluiten hem alzoo te straffen met 14 dagen opsluiting.

Hij wordt weder binnen gelaten.

De Secretaris leest hem zijn vonnis voor, waarna hij wederom aftreed.-

Niemand op rondvraag van den Voorzitter iets meer hebbende voor te stellen, wordt de Vergadering gehouden voor gesloten.-

Aldus gedaan op dato als boven

Geteekend/Ads. de Geus Adjunct Directeur President, J. F. Krieger, A. J. Wijkstra, Onder Directeuren, Blijstra en Muller, zaalopzieners, allen Leden van den Raad.


Mij present

(handtekening:) Stous

secr.

Notitie(s) bij de transcriptie
● Blijkbaar heeft Joseph Kandelaar alweer een nieuw nummer. De vorige zitting dat hij terechtstond, op 16 april 1836, had hij nog bedelaarsnummer 1579. Dat houdt in dat hij langer dan drie maanden is weggebleven, want na die periode wordt hij uitgeschreven en wordt zijn nummer aan een ander gegeven.




Raad van Policie en Tucht gehouden te Ommerschans op Woensdag den 15 Maart 1837[bewerken | brontekst bewerken]

De Leden zijn alle tegenwoordig, en de President verklaard de Raad voor geopend. Wordt ter tafel gebragt een Proces verbaal van den volgenden inhoud:

“Op heden  den 14 Maart 1837 is aan den OnderDirecteur buiten A. J. Wijkstra en de Wijkmeester E. Hagendoorn te Ommerschans gebleken dat de kolonist Jan den Arend werkzaam als tuinman in de Kolonietuin aldaar, zich heeft schuldig gemaakt aan het verkopen van tuinzaden en wortelen, toebehorende aan de Maatschappij van Weldadigheid, alsmede aan het te buiten gaan van sterken drank en meer andere ongeregeldheden, en hebben de ongetekende hiervan naar behoren Proces verbaal opgemaakt om te dienen daar waar zulks behoort.”

Ommerschans den 14 Maart 1837

/was getekend/

A. J. Wijkstra, OnderDirecteur

E. Hagendoorn, Wijkmeester"

Voornoemde Kolonist binnen gelaten zijnde, wordt hetzelve aan hem voorgelezen. De President vraagt aan den Kolonist Jan den Arend N: 1990 of het bovengemelde naar waarheid was, waar op hij antwoord dat zulks in waarheid bestond, en wist verder niets ter zijner verschoning in te brengen, waarop de President hem te kennen geeft dat zulks eene slechte handelwijs van hem was, gepaard met het ontstelen van de Maatschappij aan hem toevertrouwde goederen, en dien ten gevolge strafbaar ingevolge art. 13 van het Reglement van Tucht luidende als volgt

Ontvreemding of verpanding van koloniale goederen of van mede kolonisten zal worden gestraft met opsluiting in boeijen van drie tot veertien dagen naar gelang der omstandigheden, desnoods te water en brood om den anderen dag en bij herhaling van een dier misdrijven altijd met veertien dagen met opsluiting in boeijen de drie eerste en drie laatste te water en brood.

Men laat hem weder aftreden.

Men delibereerd en komt over een ten deze voor eerst enkel te beslissen, omtrent de op te leggen straf van de Kolonist Jan den Arend, en naderhand te horen, door en aan wien gemelde zaden en wortelen zijn verkocht, de straf alzoo bepaald op 10 dagen opsluiting in boeijen, en hem nimmer meer als tuinman te gebruiken.

Hij wordt wederom binnen gelaten, de Secretaris leest hem het vonnis voor, en wordt ter opsluiting weggebragt.

Men laat voor den Raad komen de zoon van de Veteraan Koene, welke werkzaam is in den tuin der Maatschappij, welke verklaard, uijen, prij, en wortelzaad voor Jan den Arend verkocht te hebben en wel aan de Veteraan Visser voor 15 Cent. en dat hij viermaal Jenever voor hem gehaald heeft. Mede wordt ontboden de Dochter van de Veteraan Heijne, welke insgelijks in de tuin werkzaam is, welke zegt aan de Veteraan Polet voor 40 Cent, aan de Veteraan de Graaf voor 25 Cent zaad heeft verkocht, alsmede dat zij een half mud wortelen voor 25 Cent voor hare ouders heeft medegenomen.

De Dochter van den Bouwman Fukke, insgelijks in de tuin werkende, wordt ook voor den Raad geroepen en gehoord, welke mede verklaard dat zij dikwijls een zoodje wortelen voor hare ouders van Jan den Arend heeft gekregen, waarvoor zij hem dan een stukje Vleesch, Boter of Melk terug bragt.

Als mede wordt voor den Raad geroepen, de Kolonist van der Spek, mede werkzaam in den tuin, verklaart gezien te hebben, dat Jan den Arend nu en dan Spek, melk of vleesch van de Dochter van Fukke kreeg, waarvoor hij haar wortelen gaf.

Alsnog verschijnt voor den Raad de Kolonist J. Jansen, welke insgelijks in den tuin werkzaam is, dewelke zegt gezien te hebben dat de Dochter van den Bouwman Gerritsma, welke ook in den tuin arbeide, een kruiwagen wortelen van Jan den Arend heeft gekregen, welke zij bij hare ouders te huis bragt.

Men laat de Dochter van Gerritsma ontbieden, en verklaard dat zij ongeveer een half mud wortelen heeft mede genomen en daarvoor aan Jan den Arend 25 Cent heeft betaald.

Eindelijk worde voor den Raad geroepen de Veteraanen Visser, Heijne, Polet en de Graaf alsmede de Bouwboeren Fukke en Gerritsma; na als vorens de bovengemelde slechte handelwijze hunner kinderen voorgelezen te hebben, vraagt hun de President of zij daar ook iets op aan te merken hadden, waarop zij eenparig antwoorden van niet beter geweten te hebben, als dat het zaden en wortelen waren welke Jan den Arend zelfs toebehoorden, en uit dien hoofde geen vermoeden gehad hebben, dat hij die goederen niet mogt verkopen.-

De voorzitter geeft hun te kennen dat zij zeer goed wisten dat gezegde Jan den Arend slechts tuinzaden konde hebben, of moest dezelve tijdens hij voor de Maatschappij zaaijde terug houden, en nog veel minder wortelen, te meer nog, hare kinderen dagelijksch zagen dat van die zelfde wortelen welke zij medenamen en te huis bragten, voor de Kolonisten afgeleverd werden.

Men doet de beklaagden aftreden en gaat over tot de deliberatie.

De voorzitter is van gevoelens de Straf van het Reglement van Policie en Tucht voor de Kolonisten huisgezinnen toe te passen.

Gezien Art: 2 L. e van gemeld Reglement luidende als volgt

Ontvreemding, verwaarlozing, opzettelijke beschadiging en verkoop of verpanding van een anders goed, het zij van mede kolonisten het zij van de Maatschappij, in gebruik toebehorend of niet.

zal gestraft worden met het bepaalde sub 3 in Art. 3 daaraanvolgend vermeld, namelijk:

Dubbele vergoeding van het ontvreemde, verwaarloosde, beschadigde, verkochte of verpande door hem, die zich voor de eerste maal aan de misdrijven onder La e vermeld schuldig maakt, benevens opsluiting voor acht dagen in de strafkamer of ook wel verplaatsing naar de Ommerschans, naar gelang der bijzondere omstandigheden, zullende herhaling van dit misdrijf altijd met verplaatsing naar de Ommerschans buiten de vergadering worden bestraft.

De President vraagt het gevoelen van elk Lid in het bijzonder.

Overwegende dat men het er voor dit maal voor houden zal, dat wat het zaad betreft,  het konde wezen van Jan den Arend zelfs was, als hebbende zulks van buiten kunnen kopen  om weder te verkoopen, doch van de wortelen, wat dat aangaat, dezelve van niemand dan van de Maatschappij konde zijn.-

Besluit met eenparigheid van stemmen om:

De Dochter van Fukke

De Dochter van Gerritsma

De Dochter van Heijnen

De Zoon van Koene

ingevolge Art. 16 van gemeld Reglement luidende als volgt

Kinderen, nog geen zestien jaren oud zijnde, zullen om het begaan van een of andere ongeoorloofde daad of bedrijf, slechts met opsluiting van drie tot acht dagen kunnen worden gestraft; doch zij die daarboven oud zijn gelijk ook alle bestedelingen die bij de huisgezinnen ingedeeld zijn, zullen om hun eigen wangedrag overeenkomstig dit Reglement persoonlijk worden gestraft, en afzonderlijk naar de Ommerschans kunnen worden overgeplaatst.

ieder voor 4 dagen met opsluiting te straffen.

Den Bouman Fukke ƒ 2,-

Den Bouman Gerritsma ƒ 1,-

Den Veteraan Heijne ƒ 1,-

door de vergoeding der wortelen zal moeten betalen en hun als mede de Veteranen Visser, Koene, Polet en de Graaf ernstig te vermanen om voortaan geen zaden of iets dergelijks welke zij vermenen de Maatschappij toebehoord meer te koopen.

Zij worden allen binnen gelaten, de Secretaris leest hun het vonnis voor, waarna zij aftreden.

Niemand op rondvraag van den President iets meer hebbende voor te stellen, zoo wordt de Raad gehouden voor gesloten.-

Aldus gedaan op dato als boven

Geteekend/ A. de Geus, Adjunct Directeur, President, J. F. Krieger, A. J. Wijkstra & H.Steenbeek, OnderDirecteuren, Muller, Blijstra, Zaalopzieners, Hagedoorn, Vossebelt, Bouwlieden, Tijssen, Ramaker, Veteranen, allen Leden van den Raad.


Mij present

De Secretaris

(handtekening:) Stous

Notitie(s) bij de transcriptie
● De berechting van Jan den Arend gaat dus volgens het Reglement van Tucht voor Bedelaarskolonisten en die van de anderen volgens het Reglement van Tucht voor Kolonisten Huisgezinnen. Ingewikkeld.