Raad van Tucht van de Ommerschans in juni 1838

Uit KolonieWiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Het overzicht van
alle tuchtzittingen
op de Ommerschans
staat op
deze pagina

Extract uit het Register der Notulen van het verhandelde in den raad van Tucht te Ommerschans

Zitting van Saturdag den 2 Junij 1838, des avonds 7 uur.-[bewerken | brontekst bewerken]

Alle leden zijn tegenwoordig en de Vergadering wordt door den voorzitter geopend

Verschijnt voor denzelven Lubbert Jans Sjordema N. 327 schuldig aan dronkenschap.

De President brengt hem het ongehoorde ten deze onder het oog, waarop hij antwoorde het nooit weder gebeuren zou, en om verschoning verzocht.-

Men laat hem buiten gaan.

Gezien art. 10 van het Reglement van Tucht luidende als volgt

Dronkenschap voor de eerste maal zal met opsluiting tot vijf dagen- en voor de tweede maal met opsluiting in boeijen tot tien dagen toe worden bestraft en indien dezelve is gepaard gegaan met verzwarende omstandigheden

als ook meervoudige dronkenschap voor de derde maal en volgende met opsluiting in boeijen tot tien dagen toe met water en brood om den anderen dag.

De Raad gehoord hebbende dat Sjordema zich meermalen aan dronkenschap heeft schuldig gemaakt, besluit denzelven voor dit maal te straffen met 5 dagen opsluiting.


Ten tweeden wordt voor den Raad gebragt de Kolonist de Kolonist Bernardus Cornelis van der Heijden N. 2337 schuldig aan het verzetten tegen den Veldwachter Thijssen.

De beschuldigde heeft niets ter zijner defencie in te brengen, en wordt dien ten gevolge strafbaar verklaard ingevolge art. 14 van het Reglement van Tucht, luidende als volgt

Verzetten tegen overheden of veldwachters met dadelijkheden zal met opsluiting met en zonder boeijen naar gelang der omstandigheden en desnoods om den anderen dag te water en brood, worden gestraft. Bij herhaling van het misdrijf met dezelfde straf, doch vooraf gegaan van tien tot twintig rietjes slagen.

Hij wordt buiten gelaten.-

Men gaat tot deliberatie over, en men besluit eenstemmig hem te straffen met 6 dagen opsluiting om den anderen dag te water en te brood.-

Zij worden wederom binnen gebragt.-

De Secretaris leest hun het geslagen vonnis voor, waarop zij ter opsluiting worden weg gebragt.-

Niemand der leden iets meer hebbende voor te stellen, zoo sluit de President den Raad.-

Aldus gedaan op dato als boven

was geteekend A. Hulst, Adjt. Directeur President, J. F. Krieger P. Postema Onder Directeuren, G. Steenbeek Fabrijk baas, Bouwman en Delfos Zaalopzieners, leden van den Raad.

In kennisse van mij

De Secretaris

Stous

Notitie(s) bij de transcriptie
● De notulist schrijft bij Bernardus Cornelis van der Heijden echt tweemaal 'de Kolonist'.


Raad van Politie en Tucht gehouden op Saturdag den 2 Junij 1838 des avonds ten 8 ure.-[bewerken | brontekst bewerken]

De President opend de Raad, de Leden zijn alle tegenwoordig, wordt voorgenomen eene ingekomene Klagte tegen de vrouw en oudste Dochter van het Veterane huisgezin van Pollet alhier geplaatst als Veldwachter, houdende dat zij de zuster van het kind(?) van den Veldwachter de Graaf zijnde insgelijks een Veteranen huisgezin, mishandeld zouden hebben, uit hoofde dat de vrouw en zuster van de Graaf te keer hebben willen gaan tijdens Pollet op Zondag morgen post aan het gesticht had, dat vrouw Pollet en hare dochter aardappelen uit de Kolonie weg voerden.

Men laat Vrouw Pollet en hare Dochter binnen komen en ondervraagd haar naar de oorzaak van het voorval, waarop de Dochter van Pollet eerst voorgaf dat het geen aardappelen maar Aardappelschillen waren geweest, doch naderhand erkende zij evenals hare moeder, dat het Aardappelen waren geweest, welke zij geleend had van iemand buiten de Kolonie,- en de zelve wilde terug brengen en wel ten bedrage van ½ Schepel.-

De President geeft hun te kennen, dat zij zeer goed wisten, het volstrekt verboden is, om eenige Koloniale Producten uit de Kolonie weg te voeren, te meer nog daar zij dagelijks zien, dat Pollet daarvoor moet oppassen, evenals voor Deserteurs als anders.-

Men doet de beklaagden aftreden en gaat over tot de deliberatie. De Voorzitter is van gevoelen de Straf van het Reglement van Politie en Tucht voor de Koloniale huisgezinnen toe te passen.

Gezien art.2 Lett e van gemeld reglement alwaar gelezen wordt

Ontvreemding, verwaarlozing, opzettelijke beschadiging en verkoop of verpanding van een anders goed, het zij van mede kolonisten het zij van de Maatschappij, in gebruik toebehorend of niet. Hetwelk volgens Art. 3 sub 3 zal gestraft worden Dubbele vergoeding van het ontvreemde, verwaarloosde, beschadigde, verkochte of verpande door hem, die zich voor de eerste maal aan de misdrijven onder La e vermeld schuldig maakt, benevens opsluiting voor acht dagen in de strafkamer of ook wel verplaatsing naar de Ommerschans, naar gelang der bijzondere omstandigheden, zullende herhaling van dit misdrijf altijd met verplaatsing naar de Ommerschans buiten de vergadering worden bestraft.

De President brengt in omvraag welke straf de beschuldigden zullen worden opgelegd en men komt eenparig overeen hen te Straffen met dubbele vergoeding der aardappelen zijnde 25 Cents en opsluiting ieder voor acht dagen in de Strafkamer.

Zij worden beide binnen gelaten, de Secretaris leest hun het vonnis voor waarna zij aftreeden.-

Op rondvraag van den Voorzitter of niemand der Leden iets meer hebbende voor te stellen, wordt de Raad gehouden voor gesloten.

Aldus gedaan op dato als boven

Was geteek. A. Hulst Adjct. Directeur President, P. Postema Onder Directeur buiten, de Bruin Sergeant der Veteranen, Borman en Bourlard Veterane Huisgezinnen, Leden van den Raad

In Kennisse van mij

De Secretaris

Stous

Notitie(s) bij de transcriptie
● Deze zitting is dus volgens het reglement voor kolonistenhuisgezinnen en niet volgens het tuchtreglement voor bedelaars.


Zitting gehouden op Saturdag den 16 Junij 1838 des avonds ten 7 ure.[bewerken | brontekst bewerken]

Alle Leden zijn tegenwoordig en den President opend den raad

Wordt voor denzelven gebragt Willem Linthorst N. 753 deserteur voor de eerste maal, weet niets ter zijner defencie intebrengen.-

Gezien art: 11 van het Reglement van Tucht luidende als volgt

Hij die voor de eerste maal ontvlugten wil en daarin wordt gehindert of ontvlugt en weder terug gebragt is zal met opsluiting in boeijen tot tien dagen toe de twee eerste te water en brood, worden gestraft; met medeneming van goederen buiten de aanhebbende kleeding of andere verzwarende omstandigheden, als ook ontvlugting voor de tweede maal met opsluiting in boeijen gedurende 14 dagen, waarvan de drie eerste en drie laatste te water en brood en met verzwarende omstandigheden voor de tweede of volgende malen benevens meervoudige ontvlugting voor de derde en volgende malen met vijftien tot veertig rietjesslagen en opsluiting als voren, zullende al de ontvlugt geweest zijnde of die dit kennelijk hebben willen doen na de ondergane straf, voor vier maanden lang eene onderscheidene kleeding moeten dragen en in de disciplinezaal worden geplaatst.

Men laat hem buiten treeden.-

De Raad besluit denzelven te Straffen met acht dagen opsluiting in boeijen, de twee eerste te water en brood en het dragen van een distinctief pak.-


Ten tweede verschijnt voor den Raad Joseph Meijer N. 2363 schuldig aan ongehoorzaamheid jegens den Zaalopziener.

De President vraagt hem waarom hij de orders hem door zijne opziener gegeven niet naar komt, waarop hij antwoord, dat hij den Zaalopziener niet goed begreep, en meer niets beduidende praatjes.-

Hij wordt buiten gelaten

Gezien art. 9 van het Reglement, luidende als volgd/hiervoren reeds omschreven

De raad neemt in overweging dat den beschuldigde al meermalen ongehoorzaam en stijfhoofdig is geweest jegens zijne Superieuren, hem de straf op te leggen van acht dagen opsluiting, hetwelk alzoo geschiedt bij deze.-


Ten derden verschijnt voor den Raad Geertruida Lenting N. 1640 schuldig aan het ontvreemden van 30 Cents van hare mede Koloniste van den Broek.

De Voorzitter vraagt haar of het conform der waarheid is, waarop zij antwoord van Ja, dat het geld op het kastje lag van van der Broek en alzoo weggenomen heeft, verklarende er groot berouw over te hebben, en beloofde dat het niet weder gebeuren zal.-

De President brengt haar ten aller ernstigsten haar slechte conduite onder het oog, met verklaring dat zij ingevolge Art. 13 van het Reglement van Tucht zal gestraft worden: hetwelk luidt als volgt

Ontvreemding of verpanding van koloniale goederen of van mede kolonisten zal worden gestraft met opsluiting in boeijen van drie tot veertien dagen naar gelang der omstandigheden, desnoods te water en brood om den anderen dag en bij herhaling van een dier misdrijven altijd met veertien dagen met opsluiting in boeijen de drie eerste en drie laatste te water en brood.

Zij wordt buiten gelaten.-

Men delibereerd en komt overeen haar te straffen met tien dagen opsluiting in boeijen.

Zij worden wederom binnen gelaten, de Secretaris leest hun het vonnis voor, waarna zij ter opsluiting weggevoerd worden.-


Eindelijk ten vierde wordt ter tafel gebragt een Proces verbaal van den volgende inhoud:

“De ondergeteekende Opziener der Strafkolonisten meende aan den Raad van Tucht alhier kennis te moeten brengen, dat het huisgezin van Bijkerk zich ongemeen lijderlijk heeft gedragen, zoo dat de naburen van hun hem verzocht hadden en van tijd tot tijd lastig vielen.- Hij altijd gewoon de zaak zoo veel mogelijk en vooral zulke gevallen in de minne bij te brengen. Kon dit niet meer , omdat vooral eene vrouw, welke met haar kind bij hun was ingedeeld, dagelijks moesten vlugten wegens het bedroevende der verwijtingen en treurige der gezegdens, die deze menschen van den morgen tot den avond tegen elkander deden.

De opziener die eene heimelijke hoop koesterde, dat het weder bijgelegd zoude worden, hield een buitengemeen waakzaam oog over dit huisgezin, doch eindelijk, met vele vermaningen en waarschuwingen moest hij tot dadelijkheden overgaan; hij betrad de woning in de schandelijkste en in woedend schreeuwende uitbrakingen, hoorde hij hier wederom tussen man en vrouw, hoezeer alles nog op een zachten toon, zijn geduld zooveel mogelijk onderdrukkende, kon het niet anders of hij moest het verzoek der man met goedkeuring van de Vrouw inwilligen / na vooraf met den Heer onder Directeur hierover te hebben geraadpleegd/ om hem binnen het Gesticht te doen overplaatsen.

De opziener meende alle redenen te hebben, dat de Raad zich den zaak ernstig zal aantrekken, opdat er meer Vrede en eendragt onder de Strafkolonisten mogte wezen- en hij alzoo wanneer deze menschen wederom op de Wal geplaatst worden, er meerdere en meerdere onaangenaamheden te wachten zijn- en hij dit reeds voorziet.-

Ommerschans den 16 Junij 1838

Was geteekend H. Hoogstra”

De voorzitter laat de Vrouw van den Strafkolonist Bijkerk ontbieden, dezelve verschijnt voor den Raad en wordt gehoord.- verklarende dat zij wel met haaren man woorden heeft gehad, doch niet in zoo een graad als in het Proces Verbaal wordt aangeduid, dat zij zoo hard schreeuwde is de meeste oorzaak dat haar man doof is.

De President geeft haar te kennen, dat zij al meermalen, niet alleen met haar gezin, maar zelfs met hare buren twist heeft gehad, en wel zoo dat er dikwijls klagten over geweest zijn en dat hij volstrekt niet ?? langer met haar geduld te hebben.-

Zij wordt buiten gelaten.-

Gezien art. 17 van het Reglement van Tucht, luidende als volgt

Belediging van mede kolonisten door woorden zal met verplaatsing in de discipline zaal en bij verzwarende omstandigheden met opsluiting van drie tot viertien dagen worden gestraft en met daden van opsluiting van drie tot veertien dagen, des noods met boeijen.

Overwegende dat vrouw Bijkerk van tijd tot tijd moet teregt gesteld worden en Wrevelig en nijdig Sujet is die nagenoeg met geen mensch kan omgaan.-

Besluit met eenparigheid van Stemmen, dat vrouw Bijkerk voor acht dagen zal worden opgesloten in de Strafkamer.

Men laat de beschuldigde weder binnen komen en maakt haar het vonnis bekend.-

De President gelast den Brigadier Veldwachter om vrouw Bijkerk te brengen waar zij behoort.-

Op rondvraag van den President niemand der Leden iets meer hebbende voortestellen, word de Raad gehouden voor gesloten

Aldus gedaan datum als boven

Wasget. / A. Hulst Adjt. Directeur President, J. F. Krieger, P. Postema Onder Directeuren, G. Steenbeek Fabrijk baas, Otterbein, Delfos, Bourlard en Hoogstra Zaalopzieners Leden van den Raad

In kennisse van mij

De Secretaris

Stous



Zitting van Maandag den 18 Junij 1838.-[bewerken | brontekst bewerken]

Daar alle Leden tegenwoordig zijn, zoo opend de President de Raad.

Wordt voor denzelven gebragt Johannes van der Valk N. 1606 schuldig aan dronkenschap voor de 1e maal.-

De President brengt hem het onbehoorlijks zijns gedrag onder het oog waarop hij belooft zulks niet meer gebeuren zal.-

Gezien art 10 van het Reglement van Tucht luidende als volgt(: hiervoor reeds omschreven.-

Men laat hem buiten gaan.-

Na beraadslaging komt men overeen van der Valk te straffen met vijf dagen opsluiting.-


Ten tweede verschijnt voor den Raad Daniel Antonie van der Wierdt N. 930 schuldig aan het drinken van Sterkendrank.-

De President onderhoudt hem over zijn slechte en schandelijke handelwijs, waarop hij antwoord dat het niet weder gebeuren zal en om verschoning verzocht.-

Hij wordt buiten gelaten.-

Gezien art: 10 van het Reglement van Tucht luidende als volgt/: hiervoor reeds omschreven.-

De Raad besluit hem te straffen met twee dagen opsluiting.-


Eindelijk ten derde komt voor den Raad Cornelis Adrianus Linse N. 2325 schuldig aan ontvreemding van Koloniale goederen of gelden, hebbende hij het Veldboekje dat hem door den Wijkmeester was ter hand gesteld om hetzelve aan den Zaalopziener te bezorgen met 50 Cents arbeid voor zich zelven verhoogd.

De President vraagt hem wat hem bewogen heeft tot zijnen slegte handelwijs, waarop hij antwoorde, dat hij zoo weinig verdiensten had, en dat niemand kon ontwaren dat zulks geschied was, hebbende grotelijks berouw voor zijne begane feit.-

Hij wordt buiten gelaten.-

Overwegende dat op deze kolonist de Straffen bij Art 13 van het Reglement van toepassing zijn, wordt besloten Linse te straffen voor Tien dagen opsluiting.-

Zij worden allen binnen geroepen, en de Secretaris leest het vonnis voor waarna zij wederom aftreden.-

Niemand op rondvraag van den Voorzitter iets meer hebbende voor te stellen, wordt de Raad gesloten.-

Aldus gedaan op dato als boven

/Was get./ A. Hulst Adj. Direct. President, F. Krieger, P. Postema onder Directeuren, G. Steenbeek Fabrijk baas, Mulder Delfos en Blijstra Leden van den Raad

In kennisse van mij

De Secretaris

Stous



Raad van Tucht gehouden op Saturdag den 23 Junij 1838[bewerken | brontekst bewerken]

Alle leden zijn tegenwoordig en de vergadering wordt door den President geopend.-

De Bedelaars kolonist Hendrik Jan Kwint N. 101 deserteur voor de 2e maal en door een politie beambte terug gebragt, verschijnd voor den Raad, zijnde hij uit de Zaal gebroken en over het Gesticht geklommen.

De voorzitter vraagt naar de reden zijner desertie, waarop hij niets ter zijner verschoning had intebrengen, geeft hem te kennen dat hij strafbaar is ingevolge art 11 van het Reglement van Tucht hiervoren omschreven.-

De beschuldigde wordt buitengelaten.-

De President vraagt de gevoelens der Leden in het bijzonder, dezelve komen overeen, dat hij gestraft moet worden, uit hoofde hij de Zaaldeur heeft opengebroken met veertien dagen opsluiting in boeijen, 30 rietslagen en het dragen van een distinctief pak.-

De Kolonist Kwint wordt binnen gelaten, de Secretaris leest hem het vonnis voor waarna hij aftreed en ter opsluiting wordt weg gebragt.-


De tweede verschijnt voor de Raad.

Leonardus de Dood N. 1865 schuldig aan het ontvreemden van Aardap.

De President vraagt hem van wien hij die aardappelen gehaald heeft welke bij hem bevonden zijn, gevende ten antwoord dezelve op de weg gevonden te hebben, de President geeft hem te kennen dat hij hoegenaamd indien het alwaar mogt zijn hij dezelve gevonden had mogt binnen brengen, en alzoo strafbaar aan art 13 van het reglement van Tucht hiervoren omschreven.-

Men laat hem aftreeden.-

Wordt eenparig besloten om den beschuldigden te Straffen met drie dagen opsluiting zonder meer.-


Eindelijk ten derden verschijnt voor den Raad Hendrik Bokel N. 1421 schuldig aan het verkopen van een doek en een paar kousen.-

Hij heeft niets ter verontschuldiging in te brengen en de President brengt hem zijn Strafbaarheid ingevolge art 13 hiervoren meer gemeld onder het oog.-

Hij wordt buiten gelaten.-

Men delibereerd en komt overeen hem te Straffen met 8 dagen opsluiting in boeijen.-

Hij wordt wederom binnen gelaten, de Secretaris leest hem het vonnis voor, en hij wordt ter opsluiting weg gebragt.-

Op rondvraag van den President niemand der leden iets meer hebbende voortestellen, zoo wordt de raad gehouden voor gesloten.-

Aldus gedaan op dato als boven

/Was get/ A. Hulst Adjt. Directeur President, F. Krieger, Postema, onder Directeuren, G. Steenbeek Fabrijkbaas, Blijstra, Bourlard en Muller Zaalopzieners Leden van den Raad

In kennisse van mij

De Secretaris

Stous



Zitting gehouden op Saturdag den 30 Junij 1838[bewerken | brontekst bewerken]

De President opend den Raad de leden zijn alle tegenwoordig

De Bedelaars Kolonist Egbert Hendriks Veen N. 703 schuldig aan ongehoorzaamheid, als zijnde buitentijds van zijn werk afgelopen, weet niets ter zijner verschooning in te brengen.-

Gezien art 9 van het Reglement van Tucht luidende als volgt

Alle ongehoorzaamheid jegens de koloniale ambtenaren zal met verplaatsing in de discipline zaal voor drie tot acht dagen worden bestraft en indien deszelve met brutaliteit gepaard gegaan is, met opsluiting voor dezelfden tijd in de provoost.

Men laat hem aftreden.-

De President vraagt de gevoelens der leden in het bijzonder, dezelve komen overeen hem te Straffen met 3 dagen opsluiting zonder meer.-

De Kolonist Veen wordt binnen geroepen.-

De Secretaris leest hem het vonnis voor waarna hij wederom aftreed en ter opsluiting wordt weggebragt.-


Ten tweede verschijnt voor den Raad .-

Jacob Klinkhamer N. 197 schuldig aan desertie voor de 1e maal.

Hij weet niets ter zijner verontschuldiging in te brengen, waarop de Raad besluit hem te straffen ingevolge art 11 hiervoren meermalen gemeld, voor tien dagen opsluiting, de 2 eersten te water en te brood en het dragen van een onderscheidingspak gedurende 4 maanden.-

De Secretaris leest hem het vonnis voor en wordt ter opsluiting weggebragt.-


Ten derden wordt voor den Raad gebragt Nicolaas van Beekhuizen N. 789 deserteur voor de 3e maal op den 27 dezer alhier van Rotterdam terug gebragt, zijnde zijne desertie vergezeld geweest met verzwarende omstandigheden, als hebbende bij zijne ontvluchting een kantschop mede genomen.-

Op de vraag naar de reden zijner herhaalde desertie, weet hij niets ter zijner verontschuldiging in te brengen en de President verklaart hem schuldig ingevolge Art 11 van het reglement van Tucht hiervoren vermeld.-

Na rijpe overweging besluit men eenstemmig Nicolaas Beekhuizen te straffen met 14 dagen opsluiting in de boeijen de 3 eerste en 3 laatste te water en brood, het dragen van het onderscheidings Kleeding gedurende vier maanden en het ontvangen van dertig rietslagen.-

Van Beekhuizen wordt wederom binnen gelaten, de Secretaris maakt hem het vonnis bekend, waarna hij ter opsluiting wordt weggebragt.-


Ten vierden brengt men voor den Raad

Ernst Willerm Berg N. 856 schuldig aan het beledigen zijner mede kolonisten, erkend zijne schuld, doch zegt het zoo niet gemeend te hebben en verzocht excus.-

Hij wordt buiten gelaten.-

De Raad komt overeen hem te Straffen met 8 dagen opsluiting.-

Men laat hem binnenkomen, de Secretaris doet lezing van het vonnis waarna men hem ter opsluiting weg brengt.-


Ten vijfden komt voor den Raad

Anna Maria Louisa van Leeuwen N. 204 schuldig aan beledigingen tegen den Veldwachter Pfister.

De President brengt haar het onbehoorlijke gedrag ten ernstigsten onder het oog, waarop zij belooft zulks niet meer met haar het geval zal zijn, waarna de President haar te kennen geeft dat zij strafbaar is ingevolge art 14 van het Reglement van Tucht hiervoren vermeld.-

Men laat haar buiten gaan.-

De Raad komt overeen van Leeuwen te Straffen met vijf dagen opsluiting zonder meer.-

Zij wordt wederom binnengelaten, de Secretaris leest haar het vonnis voor- en treed weder af.-

Op rondvraag van den Voorzitter niemand der Leden iets meer hebbende voor te stellen, zoo wordt de raad gesloten.-

Aldus gedaan op dato als boven

Wasget/A. Hulst Adjt. Directeur President, J. F. Krieger, P. Postema onderDirecteuren, G. Steenbeek Fabrijkbaas, Muller, Otterbein en Bourlard Zaalopzieners Leden van den Raad

In Kennisse van mij

De Secretaris

Stous