Raad van Tucht van de Ommerschans in juli 1838

Uit KolonieWiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Het overzicht van
alle tuchtzittingen
op de Ommerschans
staat op
deze pagina

Extract uit het Register der Notulen van het verhandelde in den Raad van Tucht te Ommerschans

Zitting van Zaturdag den 14e Julij 1838[bewerken | brontekst bewerken]

Alle de Leden zijn tegenwoordig en de Voorzitter opent de Raad.

De Kolonist Arnoldus Domhof N. 858 is voor de 4e maal gedeserteerd en terug gebragt, wordt binnen geroepen om daar omtrent gehoord te worden.-

Binnen komende verklaart hij dat het hem in het geheel niet aanstond in het Gesticht te blijven en alzoo om die redenen weder ontvlugt is.

Hij wordt buiten gelaten.-

Overwegende dat op deze kolonist, de straffen zonder vrugt zijn toegepast geworden.

Gezien Art: 11 van het Reglement van Tucht luidende als volgt.

Hij die voor de eerste maal ontvlugten wil en daarin wordt gehindert of ontvlugt en weder terug gebragt is zal met opsluiting in boeijen tot tien dagen toe de twee eerste te water en brood, worden gestraft; met medeneming van goederen buiten de aanhebbende kleeding of andere verzwarende omstandigheden, als ook ontvlugting voor de tweede maal met opsluiting in boeijen gedurende 14 dagen, waarvan de drie eerste en drie laatste te water en brood en met verzwarende omstandigheden voor de tweede of volgende malen benevens meervoudige ontvlugting voor de derde en volgende malen met vijftien tot veertig rietjesslagen en opsluiting als voren, zullende al de ontvlugt geweest zijnde of die dit kennelijk hebben willen doen na de ondergane straf, voor vier maanden lang eene onderscheidene kleeding moeten dragen en in de disciplinezaal worden geplaatst.

De leden zijn allen van gevoelen dat de volle straf op hem moet worden toegepast.

Wordt gearresteerd

Domhoff komt binnen, en het Vonnis wordt hem voorgelezen, waarin hij gecondemneerd wordt Veertig rietslagen, opsluiting gedurende Veertien dagen , de drie eerste en de drie laatste te Water en brood, en het dragen van een distinctief pak.-

Hij treed wederom af en wordt ter opsluiting weg gebragt.-



Ten tweden verschijnt voor den Raad

Napoleon d’Hondt N. 1517 schuldig aan poging tot ontvlugting, doch door de Veldwachter weder terug gebragt /: zijnde dit voor de 1e maal:/ hij weet niets ter zijner verschooning in te brengen.

Gezien art: 11 van het Reglement hier voren vermeld

Hij wordt buiten gelaten

Na gehoudene deliberatie komt men overeen, den beschuldigde te straffen met vijf dagen opsluiting, de 2 eerste te water en brood en het dragen van een onderscheidings kleed.

Den beschuldigde weder binnen gelaten hebbende, zoo leest de Secretaris hem het Vonnis voor, waarop hij ter opsluiting wordt weg gebragt



Ten derden wordt voor den Raad gebragt den Strafkolonist F. H. Ietswaard N. 58, schuldig aan verzetting tegen den Onderbaas met brutaliteit gepaard met weigerachtig te zijn om te werken.

De President vraagt hem, waarom hij de orders hem, door den Onderbaas gegeven niet na komt, waarop hij bijna niets beduidend weet intebrengen, en het blijkbaar is, dat hij voor een grote deugniet moet gehouden worden, het welk de President hem op het ernstigst onder het oog brengt.

Gezien art: 14 van het Reglement van Tucht luidende als volgt:

Verzetten tegen overheden of veldwachters met dadelijkheden zal met opsluiting met en zonder boeijen naar gelang der omstandigheden en desnoods om den anderen dag te water en brood, worden gestraft. Bij herhaling van het misdrijf met dezelfde straf, doch vooraf gegaan van tien tot twintig rietjes slagen.

Hij wordt buiten gelaten.

Wordt eenpariglijk besloten F. H. Ietswaard te straffen met 14 dagen opsluiting om den anderen dag te Water en brood.

Men laat hem weder binnen komen.

De Secretaris leest hem zijn Vonnis voor, waarna hij ter opsluiting wordt weg gebragt.



ten Vierden word voor den Raad gebragt Anna Marwits N. 1795 beschuldigd van onkuische omgang te hebben gehad met den Kolonist Paulus Borsje N. 1685, met dat gevolg dat zij zich in zwangere staat bevind.

Paulus Borsje N. 1685 wordt insgelijks binnen geroepen, welke dadelijk de zaak erkend.

ten Vijfden verschijnt voor den Raad Sjouke Reinders Elsinga N. 851 dewelke insgelijks zich in eene zwangere staat bevind, verklarende onzedigen omgang gehad te hebben met de Kolonist Kraijenvanger, ontslagen heden morgen.

De President geeft hun te kennen dat dergelijke verregaande onzedigheden eenen nadeeligen invloed voor hun zelve en voor andere Kolonisten en schandelijke gevolgen voor de Maatschappij moeten hebben, en dien ten gevolge zoo Streng mogelijk gestraft diende te worden.

Men doet hun aftreden.

Gezien Art: 16 van het Reglement van Tucht luidende als volgt:

Onzedelijk gedrag in woorden, als vloeken, schelden, razen etc. of met daden door zedelooze omgang met anderen zal met verplaatsing in de discipline zaal van een tot acht dagen worden gestraft en bij herhaling daarvan met opsluiting zoo noodig in boeijen en te water en brood om den anderen dag.

De Raad delibereerd, en men besluit eenparig de genoemde Strafschuldigen te straffen met acht dagen opsluiting.

Men laat hun weder binnen komen, de Secretaris maakt hun het Vonnis bekend, waarna zij wederom aftreden en ter opsluiting worden weg gebragt.



Ten zesden wordt de koloniste Elisabeth Wilhelms N. 13 voor den Raad geroepen en verschijnt, schuldig aan het misbruiken van sterken drank.

De Voorzitter vraagt haar hoe zij zoo beschonken is geweest, waarop zij antwoorde een borreltje gehad te hebben van een metzelaar, welke bij haar in de keuken aan het werk was; dat zij niet gewoon was drank te drinken en dezelve haar bevangen had, belovende dat het nooit weer gebeuren zal en verzoekt om verschoning.

Gezien Art: 10 van het Reglement luidende als volgt:

Dronkenschap voor de eerste maal zal met opsluiting tot vijf dagen- en voor de tweede maal met opsluiting in boeijen tot tien dagen toe worden bestraft en indien dezelve is gepaard gegaan met verzwarende omstandigheden als ook meervoudige dronkenschap voor de derde maal en volgende met opsluiting in boeijen tot tien dagen toe met water en brood om den anderen dag.

Zij wordt buiten gelaten.

De President vraagt de mening van elk Lid in het bijzonder, wordt besloten om E. Wilhelms te straffen met Vijf dagen opsluiting zonder meer.



Ten Zevenden verschijnt voor de Raad Elisabeth Klop N. 1536, schuldig aan het verkoopen haren roode baaije Rok aan een timmerman werkzaam aan de herbouw van het gesticht.

De Voorzitter vraagt haar of dit waarheid is, waarop zij antwoorde gemelde Rok ter verkoop gegeven te hebben aan Gezina Visscher N. 2165, welke almede voor den Raad verschijnt, en verklaard een roode rok ontvangen te hebben om te verkopen van Pleuntje de Jong N. 1873 dewelk zij verkocht heeft aan een timmerman voor 70 Centen- de Jong insgelijks voor den Raad comparerende, zegt, een rok ontvangen te hebben van Adriana Strasheim N. 2257, om dezelve aan Pleuntje de Jong te overhandigen; de Koloniste Strasheim wordt almede voor den Raad geroepen; verklarende een rok ontvangen te hebben van Christina Bergers N. 1468, gemelde Koloniste wordt ook dadelijk voor den Raad geroepen, en zegt, dat zij op de fabriek een rok ontvangen heeft van Elisabeth Klop, om te overhandigen aan A. Strasheim, niet wetende wat daar mede gedaan moest worden.

De President brengt hen ten ernstigste hunne slegte handelwijs onder het oog, en dat zij strafbaar zijn ingevolge Art: 13 van het Reglement van Tucht, luidende als volgt:

Ontvreemding of verpanding van koloniale goederen of van mede kolonisten zal worden gestraft met opsluiting in boeijen van drie tot veertien dagen naar gelang der omstandigheden, desnoods te water en brood om den anderen dag en bij herhaling van een dier misdrijven altijd met veertien dagen met opsluiting in boeijen de drie eerste en drie laatste te water en brood.

Zij worden buiten gelaten.

Overgaande tot het in deliberatie nemen dezer feiten, zoo besluit men na gehoudene deliberatie de navolgende straffen op te leggen, als:

E. Klop en G. Visscher 10 dagen opsluiting

P. de Jong, A. Strasheim & C. Bergers 5 dagen opsluiting zonder meer

De beschuldigden worden weder binnen gelaten, de Secretaris maakt hun het Vonnis bekend, en zij worden ter opsluiting weg gebragt.



Eindelijk ten Achtsten wordt voor den Raad geroepen Pieter Hakspiel N. 1928 schuldig aan het beledigen zijner mede Kolonisten met daden.

De President vraagt hem om welke reden hij zijn mede Kolonist Bolle gestoten heeft, en met hem wilde vechten, waarop hij antwoorde dat Bolle hem bij het inkomen der Zaal tegen het lijf aanliep en dit niet verdragen wilde.

De Voorzitter geeft hem te kennen, dat hij niet konde geloven dat de Kolonist Bolle hem uit moedwil tegen het lijf zoude lopen, en dat het per ongeluk is geschied; en zoo het alwaar was dat Bolle het met opzet gedaan had, hij zich zelfs niet moogt rechten, maar daar van kennis aan zijn Zaalopziener geven.

Men laat hem aftreden.

Gezien Art 17 van het Reglement van tucht, luidende als volgt

Belediging van mede kolonisten door woorden zal met verplaatsing in de discipline zaal en bij verzwarende omstandigheden met opsluiting van drie tot viertien dagen worden gestraft en met daden van opsluiting van drie tot veertien dagen, des noods met boeijen.

Wordt met eenparigheid van Stemmen beslooten, hem voor Acht dagen opsluiting te straffen.

Hij wordt wederom binnen gelaten, de Secretaris leest hem het Vonnis voor en treed weder af.

Niemand op rondvraag van den President iets meer hebbende voor te stellen, wordt de Vergadering gehouden voor gesloten.

Aldus gedaan op dato als boven

/Was getekend/ A. Hulst Adjunct Directeur President, J. F. Krieger, P. Postma Onder Directeuren, G, Steenbeek Fabrijkbaas, Blijstra, Otterbein en Borman Zaal opzieners, allen Leden van den Raad

In presentie van

De Secretaris

Stous


Zitting van Donderdag den 19e July 1838[bewerken | brontekst bewerken]

De President opent de Raad, de Leden zijn allen tegenwoordig:

Wordt voorgenomen eene ingekomene klagte tegen Maurits Beeloo N. 2438, houdende hij zich niet ontzien heeft om zijne Kleeding stukken te verkopen, bestaande in een Buis, een Broek, een Hemd en een paar Kousen.

Men laat Beeloo binnen komen, en ondervraagd hem aan wien hij bovengemelde Koloniale Kleeding heeft verkocht, waarop hij antwoorde de persoon niet te kennen.

De Voorzitter geeft hem te kennen, hij zeer goed wist de goederen hem door de Maatschappij gegeven niet mogt verkopen of weg doen, en alzoo Strafbaar is aan Art. 13 van het Reglement van Tucht hier voren gemeld

De kolonist Beeloo wordt buiten gelaten

De President vraagt de gevoelens der Leden, wordt eenparig besloten den beschuldigden voor Acht dagen op te sluiten, om den anderen dag te Water en brood

De beschuldigden wordt wederom binnen gelaten, de Secretaris leest hem zijn Vonnis voor en treed wederom af



Ten tweeden verschijnt voor den Raad Cornelis Bijneveld N. 407 (of 417?) schuldig aan desertie voor de 1e maal, met verzetting tegen den Veldwachter welke hem heeft terug gebragt; hij weet niets ter zijner verontschuldiging in te brengen, wordt dien ten gevolge Strafbaar verklaard ingevolge Art. 11 en 14 van het Reglement van tucht, hier voren vermeld.

Hij wordt buiten gelaten

De President vraagt de Leden welke straf C. Bijneveld zal worden opgelegd, allen komen overeen om hem voor 14 dagen optesluiten in boeijen de 3 eerste en 3 laatste dagen te Water en brood en het dragen van een distinctief pak



Ten derden wordt voor den Raad gebragt Willem Linthorst N. 735 deserteur voor de 2e maal, door de Veldwachters agtervolgd en weder terug gebragt.

De Voorzitter hem ondervragende wat de oorzaak zijner desertie was, gaf ten antwoord dat hij was weg gelopen van den honger, uit hoofde hij meer eeten benodigd had dan zijne mede Kolonisten

De President geeft hem te kennen dat hij om geene redenen hoegenaamd mag ontvluchten, doch dat hij een lui en liederig Sujet is, en alzoo mede Strafbaar ingevolge Art: 11 van het Reglement van tucht hier voren al meer gemeld

Men doe hem buiten staan

De Voorzitter vraagt het gevoelen van elk Lid in het bijzonder, welken straf den beschuldigden zal worden opgelegd.

Wordt besloten, hem te Straffen even als C. Bijneveld

De beschuldigden wordt weder binnen gelaten en de Secretaris leest hem het Vonnis voor

Op rondvraag van den Voorzitter, niemand der Leden iets meer hebbende voortestellen, zoo wordt de Raad gesloten

Aldus gedaan op dato als boven

/Was geteekend/ A. Hulst Adjunct Directeur President, J. F. Krieger, P. Postema Onder Directeuren, G. Steenbeek Fabriekbaas, Muller, Blijstra en Borman Zaalopzieners

In presentie van

Stous

Secrt.