Raad van Tucht van de Ommerschans in januari 1838

Uit KolonieWiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Het overzicht van
alle tuchtzittingen
op de Ommerschans
staat op
deze pagina

Extract uit het Register der Notulen van het verhandelde in den Raad van Tucht te Ommerschans.-

Zitting gehouden op Woensdag den 4e Januarij 1838[bewerken | brontekst bewerken]

De Leden zijn alle tegenwoordig, en de President verklaard de Raad voor geopend.-

Wordt ter tafel gebragt een Proces Verbaal van den volgenden inhoud:

“Op den 30e December 1837 des avonds omstreeks Vijf Uur is uit het huis van H. Bating op de wal vermist een Voerlaken Broek, (:toebehorende aan desselfs bewoners:) welke meer dan waarschijnlijk door eenen Kolonist van Zaal 16 van de Bedde plank is weg genomen, toen er niemand in dit huis aanwezig was, want de Vrouw van Bating was op dit ogenblik toevallig brood brengende aan Sjacet en bij hare tehuiskomst (:volgens zeggen van Vrouw Bating:) eenen van Duren aldaar aanwezig zijnde, scheen buitengewoon onthust te wezen.-

Hoe het zij, genoemde Broek is althans vervolgens gevonden door eenen Wensing Nachtwagt, en door eenen van Bruggen Kamerwagt, welke dezelve thans nog onder hunne berustende hebben, en waarschijnlijk door H. van Duren aldaar is nedergelegd, waar de zelve door boven genoemde personen is gevonden

Ommerschans den 3e Januarij 1838

(was getekend.) Hoogstra ”

De Voorzitter laat den Kolonist Hermanus Johannes van Duren N. 1369 ontbieden, den zelve verschijnt voor den Raad en wordt gehoord, verklarende dat het aangehaalde in bovengemeld Proces Verbaal, overeenkomstig der waarheid is, doch dat hij zich nog niet kan begrijpen, tot zoo een schandelijke misstap te zijn overgegaan, dewijl hij buiten zijne Voeding, als Baardscheerder nog genoegzame verdiensten had, hij alzoo grotelijks berouw gevoelde, en verklaarde het nooit weder gebeuren zal.- De President brengt hem ten ernstigste onder het Oog het slegte zijner handelwijs, en dat hij in verre na niet die geene is, zoals hij zich laat voorstaan, dewijl hij bovendien 2 Scheermessen welke hem door de Directie zijn ter hand gesteld om de Kolonisten te Scheeren, heeft verkocht, voorgegeven hebbende, dat het zijn eigen messen waren, alzoo strafbaar is ingevolge Art: 13 van het Reglement van Tucht luidende als volgt:

Ontvreemding of verpanding van koloniale goederen of van mede kolonisten zal worden gestraft met opsluiting in boeijen van drie tot veertien dagen naar gelang der omstandigheden, desnoods te water en brood om den anderen dag en bij herhaling van een dier misdrijven altijd met veertien dagen met opsluiting in boeijen de drie eerste en drie laatste te water en brood.

Men laat hem buiten staan.-

De Raad komt overeen den Beschuldigden te Straffen met Veertien dagen opsluiting in boeijen te water en brood.-

Hij wordt wederom binnen gelaten, de Secretaris leest hem zijn vonnis voor en wordt ter opsluiting weggebragt.-


ten tweeden verschijnd voor den Raad den Bouwboer Nak, zich beklagende over den Veldwachter Harmsen, welke Nieuwjaarsdag beschonken op zijn Hoef is gekomen en hem met woorden grotelijks beledigd heeft.-

De Veldwachter Harmsen wordt ontboden, en door den President ondervraagd, hoe of het komt dat hij in plaats de rust en ordre te helpen bewaren, zich aan ongeregeldheden blootsteld, waarop hij antwoord, hij het zoo niet gemeend had, en om verschoning verzocht en dat het nimmer meer zoude plaats vinden.-

Hij wordt buiten gelaten.-

De Raad neemt in Overweging, en besluit om den Veldwachter Harmsen voor dit maal in zijne betrekking te laten, en hem te straffen met inhouding van een halve week verdiensten als Veldwachter.-

Men laat hem weder binnen komen, de Secretaris maakt hem zijn vonnis bekend, waarna hij wederom aftreed.-


ten derden verschijnd voor den Raad den kolonist Hendrik Rijbroek N. 351, wederom schuldig aan dronkenschap, de President zegt hem dat het schijnd hij het misbruiken van sterkendrank niet kan laten, hem tevens vragende hoe hij daar aangekomen is, waarop hij ten antwoord gaf, de drank van een man die het Gesticht heeft bezogt en hem kende had gekregen, doch het maar slegts een borrel was geweest, welke hem dadelijk bevangen had, doch nu stellig beloofde zich nimmer meer aan het te buiten gaan van Sterkendrank zoude schuldig maken.-

Hij wordt buiten gelaten.-

Gezien Art:10 van het Reglement van Tucht luidende als volgt

Dronkenschap voor de eerste maal zal met opsluiting tot vijf dagen- en voor de tweede maal met opsluiting in boeijen tot tien dagen toe worden bestraft en indien dezelve is gepaard gegaan met verzwarende omstandigheden als ook meervoudige dronkenschap voor de derde maal en volgende met opsluiting in boeijen tot tien dagen toe met water en brood om den anderen dag.

De Raad komt overeen hem te straffen met tien dagen opsluiting.-

Men laat hem binnen komen, de Secretaris maakt hem zijn vonnis bekend.-


eindelijk ten Vierden wordt voor den Raad geroepen en verschijnd de Koloniste Frouwke Aikes N. 738 schuldig aan het ontvreemden van een lap linnen van de Koloniste Anmyja de Frankrijker N. 1434, welke ze verkocht heeft aan de Strafkoloniste de Weduwe Beets, welke insgelijks voor den Raad verschijnt.-

Bijde erkennen hunne feijt, doch de Wed. Beets verklaard dat zij niet anders wist of de lap linnen was van Frouwke Aikes zelfs, verzoekende om verschoning onder belofte het nooit weder te zullen doen.-

Ze worden buiten gelaten.-

Gezien Art: 13 van het Reglement van Tucht hier voren vermeld.-

De President en Leden besluiten eenparig hun te Straffen met Vijf dagen opsluiting zonder meer.-

De beschuldigde worden wederom binnen gelaten, de Secretaris leest het vonnis voor en worden ter opsluiting weg gebragt.-

Niemand op rondvraag van den Voorzitter iets meer hebbende voor te stellen, houdt men de Raad voor geslooten.-

Aldus gedaan op dato als boven

/Was getekend/ Ads. De Geus, Adj. Dir., President, J. F. Krieger, A. J. Wijkstra onderDirecteuren, G. Steenbeek, fabriekbaas, Hoogstra opziener der walkolonisten, Delphos , Muller & Borman Zaalopzieners, allen Leden van den Raad.-

In kennisse van mij

De Secretaris

Stous

Notitie(s) bij de transcriptie!
● 4 januari 1838 was een donderdag, dus of de notulist heeft de verkeerde dag opgeschreven of de verkeerde datum.