Raad van Tucht van de Ommerschans in januari 1837

Uit KolonieWiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Het overzicht van
alle tuchtzittingen
op de Ommerschans
staat op
deze pagina

Extract uit de Notulen van het Verhandelde in den Raad van Tucht te Ommerschans

Zitting van Vrijdag den 6e Januarij 1837[bewerken | brontekst bewerken]

Alle Leden zijn tegenwoordig, de zelve wordt door den Voorzitter geopent.

Wordt voor denzelve gebragt Willem Robijn Kuipers N. 413, schuldig aan het verkopen of te zoek maken van twee hemden, den zelve wordt gehoort en verklaart dat hij geene hemden verkocht, maar gegeven had aan Barbara Trougod N. 2088, welke overgeplaatst is naar Veenhuizen.

De President geeft hem te kennen dat hij hoegenaamd niets van zijne goederen mag verkopen of weggeven, en alzoo strafbaar is ingevolge Art. 13 van het Reglement van Tucht luidende als volgt

Ontvreemding of verpanding van koloniale goederen of van mede kolonisten zal worden gestraft met opsluiting in boeijen van drie tot veertien dagen naar gelang der omstandigheden, desnoods te water en brood om den anderen dag en bij herhaling van een dier misdrijven altijd met veertien dagen met opsluiting in boeijen de drie eerste en drie laatste te water en brood.

Hij wordt buiten gelaten.

Men gaat over tot de deliberatien en besluit W. H. Kuipers voor tien dagen opsluiting in boeijen.-

Denzelve wordt wederom binnen gelaten, de Secretaris leest het vonnis voor, en wordt ter opsluiting weg gebragt.-


Ten tweede verschijnt voor den Raad Geertruij Wiede N. 856, schuldig aan het medenemen van aardappels van den Bouwman Kuipers, op wiens Hoeve zij werkzaam was.

De President vraagt haar of zij zich aan gemelde feit had schuldig gemaakt, waarop zij antwoorde van Ja, doch dat zij dezelve uit de Varkens aardappelen welke in de schuur lagen had gezocht, de Voorzitter brengt haar ten ernstigsten on der het oog, dat zij niets van den Hoevenaar of wat de Maatschappij behoord mag wegnemen, hetgeene zij ook zeer wel weet, dat zulks ontvreemden is en alzoo ten strengste gestraft moet worden.

Men laat haar buiten gaan.

Gezien art. 13 hierboven vermeld, wordt besloten om haar voor tien dagen opsluiting om den anderen dag in de boeijen te straffen.-

Geertruij Wiede wordt wederom binnen gelaten, de Secretaris maakt haar het vonnis bekend, waarna ze wederom aftreed en ter opsluiting wordt weg gebragt.-

Op rondvraag van den President niemand der Leden iets meer hebbende voor te stellen, wordt de Raad gehouden voor gesloten.-

Aldus gedaan op dato als boven

/geteekend/ Ad. De Geus, Adj. Directeur, President, J. F. Krieger, A. J. Wijkstra & H. Steenbeek, Onder Directeuren, Blijstra en Mulder Zaal Opzieners, allen Leden van den Raad

Mij Present

De Secretaris

Stous

Notitie(s) bij de transcriptie
● Dus zelfs de aardappelen voor de varkens mag he niet nemen.


Zitting van Dingsdag den 17e January 1837[bewerken | brontekst bewerken]

Alle Leden tegenwoordig zijnde, zoo opent de President den Raad.

Wordt voor denzelve gebragt de Bedelaars Kolonist Jan Commies N. 867, deserteur voor de 1e maal, na de vraag door den Voorzitter hem gedaan, waarom hij ontvlugt was, weet hij niets ter zijner verschoning in te brengen, als belovende het nooit weer te zullen doen.-

Men laat hem buiten gaan.

Gezien art. 11 van het Reglement van Tucht, luidende als volgt

Hij die voor de eerste maal ontvlugten wil en daarin wordt gehindert of ontvlugt en weder terug gebragt is zal met opsluiting en boeyen tot tien dagen toe de twee eerste te water en brood, worden gestraft met medeneming van goederen buiten de aanhebbende kleeding of andere verzwarende omstandigheden, als ook ontvlugting voor de tweede maal  met opsluiting in boeijen gedurende veertien dagen, waarvan de drie eerste en drie laatste te water en brood en met verzwarende omstandigheden  voor de tweede of volgende malen benevens meervoudige ontvlugting voor de derde en volgende malen met vijftien tot veertig rietjesslagen en opsluiting als voren, zullende al de ontvlugt geweest zijnde of die dit kennelijk hebben willen doen na de ondergane straf, drie maanden lang eene onderscheidene kleeding moeten dragen en in de disciplinezaal worden geplaatst.

De Raad overweegt en besluit om Jan Commies voor dit maal om redenen het schijnt hij onnozel is, met acht dagen opsluiting om den anderen dag in de boeijen te straffen, en het dragen van een distinctief pak.

Den zelve wordt wederom binnen gelaten, de Secretaris leest hem zijn vonnis voor, waarna hij wederom aftreed.


Ten tweede verschijnen voor den Raad De Koks Dirk Rood N. 695 en Klaas Fransen N. 223, schuldig aan het verkopen van Turf aan Zaal N. 7, 8 & 9, welke zij, nadat hun Eeten gereed was, hadden overgehouden.

De President vraagt of het hun ten lasten gelegde conform der waarheid was, waarop zij antwoorden van Ja, dat zij somwijlen wel eens turf welke zij overhielden aan de Kamerwachts H. de Keijzer N. 2079, J. Verkerk N. 186 en H. van der Veen N. 1387 verkocht hadden, doch toen zij vernomen hadden, zulks niet gebeuren mogt, de Centen aan gezegde Kamerwachts hebben gerestitueerd, gemelden Kamerwachts worden mede binnen gelaten, verklaren dat zij die turf voor de Kolonisten welke daar Centen voor uitlegden, tot meerder verwarming der Zalen, hadden gekocht.

De President zegt hun dat aan iedere Zaal even veel turf wordt verstrekt, en indien zij te weinig hadden, zich bij den Onder Directeur of Zaal Opziener moesten vervoegen, maar in het geheel dergelijke knoeijingen niet verkoos..-

Men laat hun buiten gaan.

De Raad is van gevoelen dat soortgelijke negotie ofwel ontvreemding of Verkoping van Koloniale goederen moet tegen gegaan worden, besluit alzoo de 2 Koks Dirk Rood en K. Fransen ieder voor acht dagen en de 3 Kamerwachts ieder voor drie dagen opsluiting te straffen zonder meer.-

De beschuldigden worden wederom binnen gelaten, de Secretaris leest hun het vonnis voor, waarna zij aftreden.

Niemand op rondvraag van den President iets meer hebbende voor te stellen, wordt de Vergadering gehouden voor gesloten.-

Aldus gedaan op dato als boven

/Was getekend/ Ads. De Geus, Adj. D. President, J. F. Krieger, A. J. Wijkstra & H. Steenbeek, Onder Directeuren, Delphos en Blijstra Zaal Opzieners, allen Leden van den Raad

Mij Present, De Secretaris, Stous

Notitie(s) bij de transcriptie
● Die koks en kamerwachten hadden dat toch prima geregeld met elkaar? Een beetje extra verwarming in de zaal. Maar blijkbaar is elk eigen initiatief verboden.


Zitting van Vrijdag den 27 Januarij 1837[bewerken | brontekst bewerken]

Daar alle Leden tegenwoordig zijn, zoo opent de President den Raad.

wordt voor den zelve gebragt

Roelof Alberts Thale N. 1405 deserteur voor de 1e maal, op de vraag van den President waarom hij ontvlugt is, niets wetende in te brengen, als het niet weer te zullen doen, wordt denzelve weder buiten gelaten.-

Gezien art: 11 van het Reglement van Tucht hier voren omschreven.-

De Raad komt overeen hem de straf op te leggen van acht dagen opsluiting in boeijen, de 2 eerste te water en brood en dragen van een distinctief pak.

De Kolonist Thale wordt binnen gelaten, de Secretaris leest hem zijn vonnis voor, en wordt ter opsluiting weg gevoerd.-

Op rondvraag van den President niemand der Leden iets meer hebbende voor te stellen, wordt de Vergadering gesloten.-

Aldus gedaan op dato als boven

/geteekend/Ads. De Geus Adj. President, J. F. Krieger, A. J. Wijkstra & H. Steenbeek, Onder Directeuren, Delphos en Muller, ZaalOpzieners, allen leden van den Raad.

Mij Present

De Secretaris

Stous