Raad van Tucht van de Ommerschans in februari 1839

Uit KolonieWiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Het overzicht van
alle tuchtzittingen
op de Ommerschans
staat op
deze pagina

Extract uit het Register der Notulen van het verhandelde in den Raad van Tucht te Ommerschans.

Zitting van Maandag den 4e Februari 1839.[bewerken | brontekst bewerken]

De President opent den Raad, de Leden zijn allen tegenwoordig

Wordt voor denzelve gebragt Johannes Scheer N.8, schuldig aan desertie voor de 2e maal, met medeneming van twee Beddenlakens,

De President vraagt hem de reden zijner desertie en zulks met medeneming van de Kolonie toebehoorende goederen, waarop hij niets ter zijner verontschuldiging weet intebrengen, maar verzocht den Raad dit zijn feit in eene gunstige overweging te willen nemen.

Men laat hem aftreden.

Gezien art 11 van het Reglement van Tucht luidende als volgt:

Hij die voor de eerste maal ontvlugten wil en daarin wordt gehindert of ontvlugt en weder terug gebragt is zal met opsluiting en boeyen tot tien dagen toe de twee eerste te water en brood, worden gestraft met medeneming van goederen buiten de aanhebbende kleeding of andere verzwarende omstandigheden, als ook ontvlugting voor de tweede maal  met opsluiting in boeyen gedurende 14 dagen, waarvan de drie eerste en drie laatste te water en brood en met verzwarende omstandigheden  voor de tweede of volgende malen benevens meervoudige ontvlugting voor de derde en volgende malen met vijftien tot veertig rietjesslagen en opsluiting als voren, zullende al de ontvlugt geweest zijnde of die dit kennelijk hebben willen doen na de ondergane straf, voor tien dagen lang eene onderscheidene kleeding moeten dragen en in de disciplinezaal worden geplaatst.

Na rijpe overweging Komt den Raad overeen en beslist, Johannes Scheer, ingevolge gemeld art. 11 te straffen met 14 dagen opsluiting en boeijen, waarvan de drie eerste en drie laatste te water en brood, het ontvangen van 30 rietslagen, en het dragen van de onderscheidings Kleeding gedurende niet minder dan Vier maanden, op welke beslissing Scheer weder wordt binnen geroepen, de Secretaris hem het Vonnis voorleest, en hij ter opsluiting wordt weggebragt


Ten tweede verschijnt , Bernardus Gosseling N. 1328, schuldig aan desertie voor de 2e maal, doch door een Veldwachter der Kolonie achterhaald en teruggebragt.

de President hem vragende de redenen zijner herhaalde desertie, zoo antwoord hij, dat hij zijne vrijheid terug verlangde, maar nu beloofde geene poging tot desertie meer te zullen ondernemen, waarop hij aftreed.

Gezien het bovengezegd art:11 van het Reglement van Tucht.

De Raad besluit eenstemmig B. Gosseling te straffen met 14 dagen opsluiting en boeijen, de drie eerste en drie laatste dagen te water en brood, en het dragen van het onderscheidings Kleed gedurende 4 maanden

Men laat den schuldigen weder binnen Komen de Secretaris leest hem zijn Vonnis voor, en hij wordt verders ter opsluiting weg gebragt.


en Ten derde verschijnt voor den Raad Jan Hendrik Stokker N. 262, Nachtwacht, schuldig aan het moedwillig openbreken van de Vrouwen Strafkelder, zonder toedoen noch medeweten van de zich daarin bevindende Bedelaars Kolonisten ten einde deze tot onzedigheid overtehalen, doch hierin verhinderd, dewijl den Brigadier Veldwachter hem bij het doen der ronde, heeft betrapt.

De President brengt hem ten ernstigste zijn onbehoorlijk en onzedig gedrag onder het oog, waarop hij niets ter zijner verontschuldiging weet intebrengen, dan dat hij een weinig sterken drank had gedronken, en dit hem naar het hoofd was gevlogen.

Men laat hem aftreden, na hem te voren Kenbaar te hebben gemaakt, strafbaar te zijn ingevolge art: 16 van het Reglement van Tucht, luidende

Onzedelijk gedrag in woorden, als vloeken, schelden, razen etc. of met daden  door zedelooze omgang met anderen zal met verplaatsing in de discipline zaal van een tot acht dagen worden gestraft en bij herhaling daarvan met opsluiting zoo noodig in boeijen en te water en brood om den anderen dag.

Tot de deliberatien overgaande, besluit men met eenparigheid van Stemmen J. H. Stokker met ontzetting zijner functien van Nachtwacht, te straffen met drie dagen opsluiting, waarop men hem weder doet binnen Komen, het Vonnis door den Secretaris doet voorlezen en ter opsluiting laat wegbrengen.

Op rondvraag van den President, niemand der Leden iets meer hebbende voor te brengen, zoo houdt men de Vergadering voor gesloten.

Aldus gedaan op dato als boven

/was geteekend/ A. Hulst Adjunct Directeur President, J. F. Krieger en P. Postema Onder Directeuren, G. Steenbeek , fabriekbaas, Delfos, Bourlard & Borman Zaal opzieners allen Leden van den Raad

Mij Present

De Secretaris

Stous



Zitting van Zaturdag den 9e Februari 1839[bewerken | brontekst bewerken]

Alle de Leden van den Raad tegenwoordig zijnde, zoo wordt denzelve door den fungerenden Voorzitter geopend.

Ten eerste verschijnt voor den Raad Jan Hendrik Wolf N. 2065, schuldig aan ongehoorzaamheid, zijnde buiten voorkennis voor particulier belang naar den Doctor geweest, en des avonds , eerst na het apel weder teruggekomen.

Na ondervraging er Kent hij zijne schuld ten deze, doch verontschuldigd zich wegens onwetenheid als anderzins, waarop hem te Kennen wordt gegeven, strafbaar te zijn ingevolge art. 9 van het Reglement van Tucht als volgt luidende:

Alle ongehoorzaamheid jegens de koloniale ambtenaren zal met verplaatsing in de discipline zaal voor drie tot acht dagen worden bestraft en indien deszelve met brutaliteit gepaard gegaan is, met opsluiting voor dezelfden tijd in de provoost.

Men laat hem aftreden.

Na gehoudene discussie, Komt men eenpariglijk overeen J. H. Wolf voornd. te straffen met Vier dagen opsluiting, hierop laat men dezelve weder binnen Komen, de Secretaris maakt hem het Vonnis bekend, en wordt wijders ter opsluiting weg gebragt.


Ten tweede verschijnt de Koloniste Margaretha Mulder N. 1176, schuldig aan het uitmelken van eene Koe, op de hoeve van Kleijbeuker, welke melk zij in een flesch binnen het Gesticht heeft gebragt.

dadelijk hare schuld erkennende, zoo brengt men haar niet alleen het verkeerde ten deze ten ernstigste onder het oog maar ook het nadeelige hierin gelegen door Koe beesten buiten tijds te melken; Zij gevoelde berouw over haar Vergrijp en beloofde zulks nimmer weder te doen, waarop de Voorzitter haar te Kennen gaf strafbaar te zijn ingevolge art: 9 hierbovengemeld.

Men laat haar aftreden.

Na eenstemmige beraadslaging, besluit men M. Mulder te straffen met 8 dagen opsluiting.

Weder binnen geroepen zijnde, leest de Secretaris haar het Vonnis voor, en wordt zij verder ter opsluiting weg gebragt.

De Fungerende President noch een der Leden van den Raad iets meer hebbende voortestellen, zoo houdt men deze Vergadering voor gesloten.

Aldus gedaan op dato als boven

/Was geteekend/ J. F. Krieger, onder Directeur , fungerend President, P. Postema, onder Directeur, G, Steenbeek, fabriekbaas, Muller, Otterbein en Bourlard Zaal opzieners, allen Leden van den Raad

In Kennisse van mij

De Secretaris

Stous

Notitie(s) bij de transcriptie
● Het is raar dat in de tweede zaak Margaretha Mulder wordt bestraft voor overtreding van het artikel over gehoorzaamheid. Logischer zou zijn artikel 13 over diefstal.


Zitting op Dingsdag den 26e Februari 839[bewerken | brontekst bewerken]

Daar alle Leden tegenwoordig zijn, opent de President den Raad.

Verschijnt voor denzelve Hendrik van Leiden N. 408, schuldig aan het afsnijden en verkorten van zijn hangmatmatras.

De President hem hierop ondervragende, wil hij het doen voor Komen, erkennende de matras langer van stuk te zijn geweest, dit door anderen te hebben moeten zijn gedaan, zonder hiervan bewijs noch getuigen te Kunnen bijbrengen, waarop de Voorzitter hem doet opmerken, dat deze zijne drogredenen in geene aanmerking Kunnen Komen en hij, strafbaar is ingevolge art. 13 van het Reglement van Tucht luidende,

Ontvreemding of verpanding van koloniale goederen of van mede kolonisten zal worden gestraft met opsluiting in boeijen van drie tot veertien dagen naar gelang der omstandigheden, desnoods te water en brood om den anderen dag en bij herhaling van een dier misdrijven altijd met veertien dagen met opsluiting in boeijen de drie eerste en drie laatste te water en brood.

Men laat hem aftreden, zoo gaat men tot de beraadslaging over, en besluit H. van Leiden te straffen met Vier dagen opsluiting, hierop doet men hem weder binnen Komen, de Secretaris geeft Kennis van het Vonnis en hij wordt ter opsluiting weggebragt.


Ten tweede treden op Jan Bolkinga N. 1696 wegens het verkoopen van een broek, Hans Schaaf N. 289 en Klaas Schaaf, beiden omtrent het verkoopen van hun broek en het ruilen van hun buis.

Op de vraag aan Wie zij hunne Kleederen verkocht of geruild hebben, zeggen zij de menschen niet te kennen, en uit onwetenheid als anderszins te hebben gedaan.

De President verklaart hen schuldig ingevolge bovengezegd art. 13 van gedacht????? Reglement.

Men laat hen aftreden.

Tot de deliberatien overgegaan zijnde, besluit men ten laatste deze Kolonisten te straffen ieder tot acht dagen opsluiten om den anderen dag te Water en brood en in boeijen.


en Ten derde Compareren voor den Raad, C. Looijer N. 151 J. Neuteboom N. 2294, eerstgenoemde wegens het verkoopen van een hemd en laatstgemelde van een buis, broek en hemd.

Na eene strenge onderhouding weten zij niets ter verontschuldiging bij te brengen, weten niet aan wien zij de Kleederen hebben verkocht, en beloven zulks nimmer weder te doen.

Men laat hen aftreden, na alvorens strafbaar te hebben verklaard, ingevolge meergezegd 13e art van het Reglement van Tucht.-

Hieromtrent gedelibereerd hebbende, besluit men C. Looijer met 5 dagen opsluiting en J. Neuteboom met Veertien dagen opsluiting en boeijen, de drie eerste en drie laatste te water en brood, te straffen.

Men laat hen weder binnen komen.

De Secretaris leest hun het Vonnis voor.

Zij treden vervolgens af en worden ter opsluiting weg gebragt.

Op rondvraag van den President niemand der Leden iets meer hebbende voortestellen, zoo wordt den Raad gehouden voor gesloten.

Aldus gedaan op dato als boven.

/was geteekend/ A. Hulst Adjunct Directeur President, J. F. Krieger en P. Postema Onder Directeuren, G. Steenbeek, fabriekbaas, Muller, Blijstra, Delfos, Borman Zaal opzieners, allen Leden van den Raad

In Kennisse van mij

De Secretaris

Stous