Raad van Tucht van de Ommerschans in februari 1838
Het overzicht van
alle tuchtzittingen
op de Ommerschans
staat op
deze pagina
Zitting van Zaturdag den 24e Februarij 1838.-[bewerken | brontekst bewerken]
Alle Leden zijn tegenwoordig, de President houdt de Raad voor geopend.-
Wordt voor de zelve gebragt Klaas Thomas Pruim N. 2123 deserteur voor de 1e maal.-
Op de vraag van den Voorzitter naar de reden zijner ontvlugting, weet hij niets dan onbeduidende zaken tevoorschijn te brengen.- Gezien art: 11 van het Reglement van Tucht luidende als volgt:
Hij die voor de eerste maal ontvlugten wil en daarin wordt gehindert of ontvlugt en weder terug gebragt is zal met opsluiting in boeijen tot tien dagen toe de twee eerste te water en brood, worden gestraft; met medeneming van goederen buiten de aanhebbende kleeding of andere verzwarende omstandigheden, als ook ontvlugting voor de tweede maal met opsluiting in boeijen gedurende 14 dagen, waarvan de drie eerste en drie laatste te water en brood en met verzwarende omstandigheden voor de tweede of volgende malen benevens meervoudige ontvlugting voor de derde en volgende malen met vijftien tot veertig rietjesslagen en opsluiting als voren, zullende al de ontvlugt geweest zijnde of die dit kennelijk hebben willen doen na de ondergane straf, voor vier maanden lang eene onderscheidene kleeding moeten dragen en in de disciplinezaal worden geplaatst.
Men laat hem buiten gaan.-
De Raad overweegt en besluit den beschuldigden te straffen met tien dagen opsluiting in boeijen de 2 eerste te water en brood, en het dragen van een distinctief pak.-
Ten tweeden wordt voor den Raad gebragt Johanes Fetze N. 1571 schuldig aan het verkopen van een Hemd, een paar schoenen en een paar kousen.-
De President vraagt hem aan wien hij gemelde goederen heeft verkocht, waarop hij antwoorde het niet te weten, uit hoofde hij de man niet kende en zulks in den avond was geschied, en ook niet meer weet wat hij er voor ontvangen heeft, de President onderhoudt hem over zijne leugens, en dat hij niet alleen slegt genoeg is zijn goed te verkopen, maar bovendien nog halstarrig blijft weigeren, om te zeggen wie de Koper is, dus daar over serieuselijk diende gestraft te worden.-
Men laat hem aftreden.-
Gezien art: 13 van het Reglement van Tucht luidende als volgt
Ontvreemding of verpanding van koloniale goederen of van mede kolonisten zal worden gestraft met opsluiting in boeijen van drie tot veertien dagen naar gelang der omstandigheden, desnoods te water en brood om den anderen dag en bij herhaling van een dier misdrijven altijd met veertien dagen met opsluiting in boeijen de drie eerste en drie laatste te water en brood.
De Leden bepalen in deze, dat uit hoofde den beschuldigden de waarheid niet wil zeggen, en men het er voor houdt hij de Koper of Kopers zeer goed weet, de volle straf, en wel voor 14 dagen opsluiting in boeijen te water en brood om den anderen dag op te leggen.-
Ten derden verschijnd voor den Raad Jacob Bolke Strafkolonist N. 27 schuldig aan het verkopen van een doek. De Voorzitter vraagt hem waarom hij zijn goed verkoopt, en aan wien, waarop hij antwoorde dat Jan Hendrik Janse Strafkolonist N. 4 hem daartoe aangeraden had, en gemelde doek voor hem heeft verkocht aan de Kolonist Johan Godfried Kruise N. 1611 welke bijden worden ontboden en verschijnen voor den Raad, met te kennen geving dat het verkeerd was, maar niet weder gebeuren zoude.-
Ze worden buiten gelaten.-
Men gaat over tot deliberatie en besluit hun te straffen met acht dagen opsluiting zonder meer.-
De beschuldigden worden allen binnen gelaten, de Secretaris maakt hun het vonnis bekend, waarna zij wederom aftreden en ter opsluiting worden weg gebragt.-
Op rondvraag van den President niemand iets meer hebbende voor te stellen, houdt men de Vergadering voor gesloten.-
Aldus gedaan op dato als boven
/was getekend/ Ads. De Geus, Adj. Dir. , President, J. F. Krieger, A. J. Wijkstra OnderDirecteuren, G. Steenbeek fabriekbaas, Blijstra, Bourlard & Delphos Zaal Opzieners, allen Leden van den Raad.
In kennisse van mij
De Secretaris
Stous
| Notitie(s) bij de transcriptie |
|---|
| ● Er staat echt Johanes Fetze, maar dat zal wel Johannes moeten zijn. |