Vrije kolonistengezin van Jan van der Wilk en Maria Wilhelmina de Jong

Uit KolonieWiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Sjabloon:Kolonist Man-Vrouw

Omdat de post van de Maatschappij van Weldadigheid maar tot 1847 is gedigitaliseerd, is er niet zo veel bekend over de in 1842 aankomende familie Van der Wilk. Hieronder wat er wel bekend is en misschien duikt er nog een keer een onderzoeker de nauwelijks ontgonnen archiefstukken van 1848-en-verder in.

Voordracht[bewerken | brontekst bewerken]

Het eerste levensteken in het archief is een brief van de subcommissie van weldadigheid te Rotterdam op 15 oktober 1842, invnr 265 scan 678. De subcommissie schrijft:

   Gevolg gevende aan uwe gëeerden van den 6e dezen no. 2 zullen wij aanstaanden Maandag van hier op Amsterdam dirigeren Jan van der Wilk met zijn gezin, voorzien van eene Stamlijst bij den Burgerlijken Stand afgegeven, waarvan inliggende UED. duplicaat doen toekomen; terwijl hij bovendien van eene trouw-acte en geboorte attesten zijner kinderen is voorzien.

Blijkbaar heeft de permanente commissie van de Maatschappij op 6 oktober 1842 N2 aan de subcommissie geschreven dat ze een plek in de koloniën mag opvullen. Afschrift daarvan zal zich bevinden in invnr 533 (daarvan zijn geen scans), maar uit het designatieregister met invnr 1395 (ook geen scans) wordt al duidelijk dat Rotterdam een plek mag invullen 'uit de contributie'.

Gezinssamenstelling[bewerken | brontekst bewerken]

Het in de brief genoemde duplicaat is invnr 265 scan 680 en dat zijn blijkbaar de enige gegevens die de Maatschappij heeft want het wordt rechtstreeks overgenomen in de stamboeken. Hier die gegevens aangevuld met tussen haakjes wat familie-onderzoekers melden:

Jan van der Wilk is volgens het duplicaat 36 jaar oud en staat dus in het stamboek als geboren in 1806 (moet zijn: 16 maart 1806 te Hillegersberg). Hij is van beroep timmerman, hij is evenals de andere gezinsleden van de gereformeerde godsdienst en hij is op 15 december 1830 te Hillegersberg in het huwelijk getreden met;

Maria Wilhelmina de Jong, 39 jaar oud, dus volgens het stamboek geboren in 1803 (moet zijn: 5 februari 1803 te Rotterdam). Ze komen aan met twee kinderen:

Dirk van der Wilk, geboren 3 februari 1831 te Hillegersberg (dus het huwelijk was een moetje), en

Jan Maarten van der Wilk, geboren 2 september 1835 te Rotterdam.

Aankomst[bewerken | brontekst bewerken]

De in de brief genoemde aanstaanden maandag is 17 oktober 1842 en dat houdt in dat de familie verder gereisd is met het beurtschip uit Amsterdam naar Steenwijk van dinsdag 18 oktober 19:00 uur. Blijkbaar hebben ze wind mee want als aankomstdatum in Frederiksoord staat genoteerd 19 oktober 1842.

Ze wordt ondergebracht op hoeve 16 van Frederiksoord, zie scan 17 van het stamboek 1841-1848 van Frederiksoord met invnr 1350. Hoeve 16 is tegenwoordig de M.E. van der Meulenweg 11, kadastraal Vledder D 309, met de coördinaten 52.841412 en 6,197170. er staat nu nog een koloniewoning in aangepaste vorm.

1842-1843[bewerken | brontekst bewerken]

Op 29 maart 1843 doet de adjunct-directeur voor het onderwijs Jan Hessels van Wolda verslag van zijn recente bezoeken aan de scholen in de vrije koloniën, invnr 274 de scans 271-272. Dirk van der Wilk is door Van Wolda ontslagen van de verplichting de dagschool te bezoeken. Dat houdt in dat hij voortaan overdag aan het werk gaat, op het land of in de weverij, en drie avonden per week de avondschool bijwoont. Dirk is dan twaalf jaar en dat is de gebruikelijke leeftijd om de dagschool te verlaten.

De kolonieleiding geeft ze een aantal maanden de tijd om te wennen en maakt dan vanaf half 1843 van de relatief kleine gezinsgrootte gebruik om ruimschoots ingedeelden bij de familie in huis te stoppen. Het staat allemaal genoteerd in de laatste kolom van het stamboek.

Tuchtraad[bewerken | brontekst bewerken]

November 1843 heeft Jan van der Wilk de eerste ontmoeting met het koloniale tuchtrecht. Helaas heb ik geen transcriptie van de zitting van de Raad van Politie en Tucht van 16 November 1843, zie hier, en van de voorbereidende zitting van de Raad van toezicht van Frederiksoord een dag eerder.

Uit de samenvatting wordt duidelijk dat hij wordt beschuldigd van het wegvoeren van aardappelen, dat hij ontkent en uitdrukkelijk heeft verlangd dat het voor de tuchtraad behandeld wordt, maar desondanks veroordeeld wordt tot acht dagen opsluiting in de strafkamer. Ik vermoed dat de Raad van Toezicht van Frederiksoord van 15 november 1843 hierover zeer interessante informatie geeft, invnr 1616 (geen scans).

Verdiensten[bewerken | brontekst bewerken]

Per 30 juni 1844, invnr 295 scan 868, heeft het gezin een tegoed van ƒ 39,97, wat inhoudt dat ze voor dat bedrag meer hebben verdiend dan ze aan voedsel en andere verstrekkingen hebben ontvangen. Een vergelijking met de andre kolonisten op de lijst, maakt duidelijk dat ze niet behoren tot de topverdieners, maar het wel redelijk goed doen.

Een jaar later, 30 juni 1845, invnr 309 scan 729, geeft hetzelfde beeld, met een tegoed van ƒ 71,31. En op 30 juni 1846, invnr 325 scan 191, staat het huishouden op een positief saldo van ƒ 70,85.

Knoopendraaijer en verhuizing[bewerken | brontekst bewerken]

Inmiddels is het de beurt geweest van Maria Wilhelmina de Jong om, als 'de huisvrouw van den kolonist Van der Wilk', voor de tuchtraad te verschijnen. Het verslag van de Raad van Politie en Tucht van 29 december 1845, invnr 313 de scans 259-260, meldt dat zij 'den opziener P. van der Wind zoude hebben gescholden'.

   Vrouw van der Wilk verklaart alleen gezegd te hebben, dat van der Wind een knoopendraaijer was.

   Van der Wind, binnengeroepen zijnde, stelt de Raad hem voor om de beschuldigde met eene ernstige vermaning heen te laten gaan, daar het gezegde van weinig betekenis is, waarin hij dan ook geredelijk toestemt.

   De beschuldigde, binnengeroepen zijnde, wordt zij door den President vermaant, om zich in het vervolg wat voorzichtiger uittedrukken.

Hetzelfde voorval moet ter sprake zijn gekomen bij de voorbereidende Raad van Toezicht van Frederiksoord op 24 december 1845, invnr 313 scans 277-279, maar die heb ik niet bekeken. Als iemand dat wel doet, hoor ik graag wat daar hierover staat.

Op 30 juni 1846 verhuist het gezin. Of dat op eigen verzoek is of ze gewoon worden overgeplaatst weet ik niet. Ze gaan naar het buurhuis, hoeve 15, scan 16 in invnr 1350, tegenwoordig is dit de M.E. van der Meulenweg 13, kadastraal Vledder D 306, met de coördinaten 52.842300 en 6,199001. ook hier staat nu nog een koloniewoning in aangepaste vorm.

De kast[bewerken | brontekst bewerken]

Bij de Raad van Toezicht te Frederiksoord van 21 oktober 1846, bijlage 3 op deze pagina, komt aan de orde:

   Is voor den Raad verschenen Jacoba Hendriksen oud 29 jaar huisvrouw van den Kolonist J. Verbeek wonende op de hoeve N 177 beschuldigd van het verkoopen van een hoekkast, toebehorende aan de door haar bewoonde Koloniale woning en alzoo van Maatschappelijke eigendom.

   De beschuldigde hier over ondervraagd zijnde erkent dat zij werkelijk verklaard heeft een zoodanige kast aan den Kolonist Van der Wilk voor den prijs van  f. 1.25

   dat zij hierover van agteren beschouwd berouw heeft en aanbiedt den bedoelden kast terug te nemen en aan Van der Wilk de besteden prijs terug te geven.

   Is hierop te dezer zake gehoord den Kolonist Jan van der Wilk oud 41 jaren wonende op hoeve N 15 en hem te kennen gegeven dat hij zich schuldig gemaakt heeft aan het koopen van goed wetende dat het de eigendom niet was van de verkoopster.

   De beschuldigde Van der Wilk geeft hierop te kennen dat hij van Ha(??) gehoord heeft dat er een dusdanige kast te koop was edoch dat hij niet wist dat dezelve het eigendom was der Maatschappij en indien hij zulks geweten had hij zich met deze zaak niet zou hebben ingelaten.

   Overigens is het bekend dat vrouw Verbeek aan Van der Wilk het voorstel tot terug gave en terug betaling van het ontvangen geld gedaan heeft maar dat deze hier in weigerde te bewilligen.

Jan van der Wilk had beter wél kunnen bewilligen, want als de kwestie wordt behandeld bij de Raad van Tucht, hoger op diezelfde pagina, luidt het vonnis:

   Vrouw Verbeek de straf op te leggen van acht dagen opsluiting in de strafkamer, benevens de vergoeding van f. 2,50 zijnde de vermoedelijke dubbelle waarde van de kast en van de Wilk, om de kast terug te geven, zonder de gelden die hij daarvoor betaald heeft terug te ontvangen.

De hier genoemde Verbeek is overigens de stiefzoon van de latere schoonmoeder van Dirk van der Wilk, maar dit wordt een beetje ingewikkeld geloof ik.

De plank[bewerken | brontekst bewerken]

Bij de Raad van toezicht van Frederiksoord van 21 July 1847, bijlage 3 op deze pagina, heeft Jan van der Wilk de rol van aanbrenger:

   Al eerder is door de Wijkmeester Taatgen aan den Raad het berigt gegeven dat door de kolonist van der Wilk bij hem gebragt is eene plank blijkbaar afgescheurd van een hek en ontnomen aan Jan Akkerman, bestedeling oud 14 jaar wonende bij wed. de Ruiter hoeve N6    De beschuldigde in den Raad geroepen  en te dezer zake ondervraagd zijnde geeft ten antwoord dat hij de onderwerpelijke plank in eene sloot in de heide had gevonden heeft en aan zijne huismoeder tot brandstof wilde geven.

Als de Maatschappij ijverig afschriften van geboorte-actes verzamelt om de administratie op orde te krijgen, komt ook Dirk van der Wilk een paar keer langs, maar dat geeft geen extra informatie, invnr 341 scans 146 en 153, en invnr 347 scan 694.

Per 1 juli 1847 heeft de familie een tegoed van ƒ 74,87½, invnr 344 scan 679, weer wat hoger dan een jaar eerder.

Burenruzie[bewerken | brontekst bewerken]

Bij de Raad van toezicht van Frederiksoord van 24 augustus 1847, invnr 345 scans 805-806, wordt verhaald van een burenruzie tussen de familie Van der Wilk en de nieuwe bewoners van hun oude hoeve 16. Het lijkt me bijzonder interessant, maar ik heb het niet getranscribeerd. Mocht iemand dat doen, dan hoor ik graag het resultaat.

Bij de behandeling ervan bij de Raad van Policie en Tucht, invnr 345 scan 794, wordt het als een onbelangrijk conflict afgedaan.

Verder dan hier is de post niet gedigitaliseerd, dus we moeten het nu doen met het stamboek. De inschrijving wordt voortgezet in het stamboek met invnr 1351, waar de familie staat op scan 17 en we - naast een hele stoot ingedeelden - de volgende mutaties zien:

Na 1847[bewerken | brontekst bewerken]

■ Zoon Dirk van der Wil treedt op 15 mei 1851 als milicien in militaire dienst, maar ze hebben hem blijkbaar niet nodig, want op 18 augustus 1851 is hij weer terug op het nest.

■ Zoon Jan Maarten van der Wilk heeft er een paar jaar later blijkbaar geen zin meer in, want hij verlaat de kolonie zonder toestemming (in kolonie-jargon: hij deserteert) op 27 maart 1854.

■ Blijkbaar doet zoon Dirk van der Wilk het netter en vraagt hij toestemming, want op 24 oktober 1854 N1 besluit de permanente commissie dat hij mag worden ontslagen. Dat besluit heb ik niet gezien, maar moet zich bevinden in invnr 790. Op 28 oktober 1854 verlaat Dirk dan met ontslag de kolonie. Hij vertrekt niet alleen, want op 5 december 1854 trouwt hij te Hellendoorn met de kolonistendochter Petronella de Vos (een voordochter van het kolonistenechtpaar Verbeek-Winkelhuis).

■ Dan zijn alleen de ouders er nog. Die krijgen bij besluit van 18 augustus 1856 N8, moet in invnr 840 zitten, 14 dagen verlof toebedeeld.

■ En op 20 mei 1858 N16, moet in invnr 888 zitten, wordt over hen besloten: 'Overplaatsen als arbeiders naar het 2e of 3e Gesticht te Veenhuizen en ƒ 5.- weeks'. Als dat besluit op 1 juni 1858 wordt uitgevoerd gaan ze naar woning 84 van het derde gesticht, waar Jan van der Wilk blijkbaar is aangesteld als 'onderbaas op ƒ 5 sweeks'.

■ Ze staan nu op scan 13 van het register van arbeidershuisgezinnen met invnr 1575. In het bevolkingsregister Norg 1850-1860, toegang 2001.16 invnr 45, staat Jan van der Wilk te boek als 'timmerman' en woont zoon Jan Maarten dan weer bij hun in huis. Dat laatste duurt niet lang, want begin 1861 trouwt Jan Maarten - als 'timmerman' - te Aalten.

Ambtenaar[bewerken | brontekst bewerken]

Eind 1859 neem de Staat de gestichten te Ommerschans en Veenhuizen over van de Maatschappij van Weldadigheid. Als oorspronkelijk kolonistengezin hebben Jan van der Wilk en echtgenote het recht om weer een hoeve in de vrije koloniën te krijgen. Maar ze kiezen daar niet voor. Blijkbaar zien ze meer toekomst in Veenhuizen.

Volgens notities in het bovengenoemde stamboek gaan ze 26 juli 1861 over naar het tweede gesticht en worden ze vanaf 15 september 1861 gerekend tot de ambtenaars huisgezinnen, ze zijn dan dus Staatsambtenaren.

Dat duurt niet vreselijk lang. Jan van der Wilk overlijdt te Veenhuizen op 5 februari 1869. Naar ik ooit van een familie-onderzoeker Van der Wilk gehoord heb, vertrekt Maria Wilhelmina de Jong dan op 20 oktober 1869 uit Veenhuizen naar Rotterdam. Daar overlijdt zij op 20 maart 1880.