Raad van Tucht van Veenhuizen-2 in juli 1829
Sjabloon:Tuchtraad Veenhuizen-2
| Notitie(s) bij de transcriptie |
|---|
| ● Het is niet zeker of dit alle bewaard gebleven verslagen uit juli 1829 zijn, dat moet nog worden nagekeken in invnr 1620 |
Zitting van 8 Juli 1829[bewerken | brontekst bewerken]
Op heden den 8 Julij 1829 word bij het 2e Etablissement Veenhuizen door den Heer Adjunkt Direkteur S. B. Drijber, de raad van Decipliene belegd, bestaande in den voorzitter voornoemd
den Onder Direkteur van het 2e Gesticht binnen,
den Onder Direkteur van het 2e & 3e Gesticht buiten,
den Onder Direkteur der Fabriekmatige arbeid,
benevens de zaalopzieners Kloppenburg en Nieuwenhuisen
om te onderzoeken en te vonnissen over zaken betrekkelijk een ingekomen Proces verbaal van den zaalopziener van Eck, opgemaakt ten bezware van den Bedelaars kolonist T. Douwee en J. van der Kolke zich hebbende schuldig gemaakt in het weigeren en vervloeken van werkzaamheden hun door den opziener Rovers opgedragen –
De zaalopzieners Kloppenburg & Nieuwenhuizen worden door den voorzitter de verklaring afgenomen ingevolge Art. 3 van het Reglement. De beschuldigden T. Douwee & J. van der Kolk worden benevens de getuigen met name Rovers en W. Reinen voor den Raad gebragt.
Het proces verbaal word de beschuldigden en getuigen voorgelezen –
De voorzitter onderhoort de beschuldigde T. Douwee welke zegt geene redenen tot het weigeren van het werk te hebben dan dat zij dagt dat het beste werk door anderen weg zoude gaan, en zegt het niet vervloekt te hebben –
J. van der Kolk zegt dat zoo onderscheiden kolonisten het werk niet met haar afmaakten, zij het zelve dan ook vervloekte te doen –
De opzieners Roovers en J. Remeij verklaren dat T. Douwee & J. van der Kolk beiden het werk aan hun vervloekt hebben om te willen uitvoeren.
Na bovenstaande onderzoek worden de beschuldigden en getuigen buiten gelaten.-
De voorzitter benevens de andere leden verklaren genoegzaam gegronde redenen te hebben om de beschuldigden te kunnen schuldig verklaren van overtreding van Art: 9 van het Reglement van tucht en steld alzoo den voorzitter voor, om T. Douwee / als zijnde deeze meermalen door ernstige vermaningen tot haar pligt gebragt/ de straf op te leggen van acht dagen Provoost arrest, benevens aan J. van der Kolk de straf van drie dagen prevoost arrest, welke verminderde straf oorzaak neemt uit hare vroegere altoos willige arbeidzaamheid en geschiktheid. De overige Leden der Raad nemen genoegen in het voorstel van den voorzitter.
De beschuldigden worden wederom binnengelaten en het vonnis voorgelezen, hetwelk op heden den 8 Julij 1829 een begin neemt om ten uitvoer te brengen.
Aldus gedaan in de Raad van Dez(?)ipliene te Jare en Dage voorgeschreven.
S.B.Drijber, voorzitter
J.Kluvers, Onder Directeur binnen
L. NBandering onderdirecteur
?? Onderdir v fabr
L.Cloppenburg Zaalopziener
Wm Nieuwenhuizen, zaalopziener
van Marle, secretaris
Zitting van 27 Juli 1829[bewerken | brontekst bewerken]
Op heden den 27 Julij 1829 word op het 2e Etablissement te veenhuizen door den Heer Adjunct Direkteur S.B.Drijber de Raad van Dezipliene belegd, bestaande in de President voornoemd, de onder Direkteur van het 2e Etablissement binnen, de onder Direkteur van het 2e & 3e Etablissement buiten en den onder Direkteur der fabriekmatige arbeid.
Voorts de zaalopzieners Unverzagt & Buck, om te onderzoeken en te vonnissen, over zaken betrekkelijk een ingekomen Proces verbaal van den zaalopziener van Eck ten bezware opgemaakt van de Bedelaars kolonist Jol: R: Setteler als zijnde beschuldigd van zich te hebben schuldig gemaakt aan de ontvreemding van een Borstrok toebehorende aan de meede kolonist A: Daags, benevens een ingekomen Proces verbaal van den zaalopziener Nieuwenhuis ten bezware van den Bedelaars kolonist A.: Stoel wegens zich aan dronkenschap te hebben schuldig gemaakt.
De zaalopzieners Unverzagd & Buck leggen hunne verklaring af aan den voorzitter ingevolge art: 3 van het Reglement.
De beschuldigde Jol: R: Setler wordt benevens de getuigen J: Fr: Jolübeks en J. Biesink voorgebragt –
Het Proces verbaal wordt door den voorzitter voorgelezen –
De getuigen worden onderhoord en verklaren dat de ontvreemde Borstrok van den kolonist A: Daags op het Land bij Bovengemelde Jol: R: Setler is gevonden, en in de zaal op aanvraag van den kolonist A: Daags geheel ontranponeerd van haar is terug bekomen –
De voorzitter ondervraagt de waarheid der getuigenissen aan de kolonist Jol: R: Setler, welke bekend dat de Borstrok bij haar gevonden is, echter onder voorwendsel, dat zij dezelve in de zaal had gevonden, dan uit hoofde dien Borstrok reeds den 18 Julij was vermist geraakt en zedert dien tijd bij alle kolonisten door den zaalopziener, naar dezelve was gevraagd en onderzogt, is gemelde Borstrok bij haar onder geheime bewaring gebleven tot op den 27 dezer als wanneer dezelve bij haar wierd ontdekt en bevonden –
De Raad doet de Beschuldigde en getuigen naar buiten gaan –
De voorzitter steld voor op grond van Art. 13 van het Reglement van Tucht, ten gevolge bewezene gepleegde Diefstal van den kolonist Jol: R: Setler, hierop de straf te laten vallen van zes dagen prevoost arrest en om den anderen dag in Boeijen, te beginnen op den 27 Julij 1829. De overige leden stemmen in de strafbepaling van den voorzitter overeen, waarop de beschuldigde en getuigen weder worden binnen geroepen, en hun opgelegde vonnis wordt voorgelezen.
Na afloop van opgemeld vonnis word overgegaan tot het onderzoek van de beschuldigde kolonist A: Stoel, wegens zich aan Dronkenschap te hebben schuldig gemaakt.-
De kolonist A: Stoel word bij den Raad van Tucht voorgebragt, benevens de getuigen met namen Robbers en van Tellingen –
De beschuldigde word het proces verbaal voorgelezen. Den voorzitter onderhoort de getuigen welke verklaren dat de Beschuldigde kolonist A: Stoel door hun is terug gehaald van tussen Norg en Veenhuizen en dat Dezelve te veel sterke drank gedronken had, en zich daardoor mede aan verwijdering op appel, benevens aan ongehoorde uitdrukkingen had schuldig gemaakt –
De beschuldigde word door den voorzitter ondervraagd en ontkend de dronkenschap maar zegt niet anders dan Bier en Koffij te hebben gebruikt.
De beschuldigde en getuigen worden buiten gelaten om de zaak in overweging en beoordeling te nemen.
De voorzitter benevens de overige leden der Raad verklaren uit de grondige bewijzen ingebracht, en bewezen den kolonist A: Stoel van zich aan art: 10 van het Reglement te hebben schuldig gemaakt en steld de Raad voor om de beschuldigde het vonnis op te leggen van vijf dagen prevoost arrest. De overige leden stemmen in de strafbepaling van den voorzitter overeen –
De beschuldigde kolonist A: Stoel word weder binnen gelaten, benevens de getuigen, waarna hun het vonnis word voorgelezen, wel vonnis men op heden den 27 Julij begint ten uitvoer te brengen –
Aldus opgemaakt door den Raad van Tucht ten Jare en Dage als voorschreven-
S.B.Drijber, voorzitter
J. Kluvers Onder Direkteur binnen
L.N. Bandering Onder Direkteur
?????? Onder Direkteur
Buck, zaalopziener
J.D. Unverzagt, zaalopziener
Van Marle, secretaris