Raad van Tucht van Veenhuizen-2 in april 1831
Sjabloon:Tuchtraad Veenhuizen-2
| Notitie |
|---|
| ● Het is niet zeker of dit alle bewaard gebleven verslagen uit april 1831 zijn, dat moet nog worden nagekeken in invnr 1620. |
Extract uit de Notulen van de Raad vanTucht gedurende de maand April 1831
De Raad van Tugt belegd op heden den 9e April des Jaars 1800 een en dertig door de WelEdele Heer S: B: Drijber als President[bewerken | brontekst bewerken]
Extract uit de notulen van de Raad van Tucht bij bovengemeld Etablissement over de Maand April 1831
Aanwezig de President voornoemd, de Onderdirekteur L. Neyenbandering en J.Kluvers en de Zaalopzieners Buck en Unverzagt.-
Om te onderzoeken en te vonnissen in zake betrekkelijk ingekomen Proces Verbaal van den Zaalopziener van Eck aangaande de Bedelaars Koloniste Neeltje Smit en Jannetje van der Velden als hebbende Zich verscheiden malen Schuldig gemaakt aan het verkoopen van Kleiding Stukken en hangmatten goederen, en daar zulks strijdig is met art: 13 van het Tucht Reglement zoo worden de Zelve voor de Raad gebragt.
Na dat voormelde Bedelaars Kolonisten hunne misdaad door de Raad word ondervraagt, hebben zij beleden zich daaraan te hebben schuldig gemaakt.
De Raad doet de beschuldigde buiten gaan en meent het Bestuur voormelde N. Smit de straf op te leggen van 14 dagen provoost arrest om den anderen dag geslooten
terwijl J. van der Velden slechts de straf wordt opgelegd van 3 dagen provoost arrest uit hoofde van daarbij komende Verlichtende Omstandigheden, daar Zich altijd Werkzaam en Vlijtig betoond heeft en berouw aan den dag legd wegens haar begaane misstap.
De Raad doet de beschuldigden weder binnen komen, en word hun het vonnis voorgelezen.
Waarna de Raad word gehouden voor geslooten.
Aldus gedaan, op dag, Maand en Jaar als boven
De President en Leden
S.B. Drijber
J. Kluvers
L. Neyenbandering
E. Buck
J.D. Unverzagt
J H Krieger secretaris
De Raad van Tugt belegd op heden den 11e April des Jaars 1800 Een en dertig door den WelEd Heer S: B: Drijber als President.-[bewerken | brontekst bewerken]
Aanwezig de WelEdelgestrenge Heer Thonhauser, Kapitein, de Sergeant Majoor Muller en de Sergeant Roosendaal om te onderzoeken en te vonnissen in zake betrekkelijk ingekoomen Proces Verbaal, van den Kommandant belast met de directie over de Veteranen Huisgezinnen, opgemaakt tegen Sophia Tromp, Veteranen Dogter als hebbende zich schuldig gemaakt aan het mishandelen en slaan van de Veteranen Weduwe Schabel, en daar zulks strijdig is tegen Art: 3 van het tucht Reglement alhier in gebruik Zoo word dezelve voor de Raad gebragt.
De Raad ondervraagt voormelde Sophia Tromp of zij zich aan voormelde misdaad heeft schuldig gemaakt.
Waarop de aangeklaagde zulks ontkend;
De Weduwe Schabel beweerd de gegrondheid harer aanklagt met twee getuigen te kunne staven.
Hiervoor heeft zij als getuigen aangebragt de Vrouw van den Veteraan van der Zijp alsmede de Bedelaars Koloniste van Borghem; welke beide verklaren dat voormelde Sophia Tromp de Weduwe Schabel heeft geslagen en wel voor haar eigen deur.
De misdaad alzoo genoegzaam bewezen zijnde doet de Raad de beschuldigde buitengaan.
De president steld aan de overige Leden voor op grond van Art.3 van voormeld Reglement Sophia Tromp de straf op te leggen van 5 dagen Provoost arrest, het welk met eenparige stemmen word aangenomen.
De beschuldigde word binnen gebragt- vervolgens hare straf voorgelezen, dewelke dadelijk zal worden geexecuteerd- waarna de Raad wordt gehouden voor geeindigd.
Aldus gedaan op dag, Maand en Jaar als boven
De President en Leden.
S.B.Drijber
J. Thonhäuser
Müller
A. Rosenthaal
F.H.Krieger, secretaris
| Notitie(s) bij de transcriptie |
|---|
| ● Deze zitting is niet volgens het reglement van tucht voor bedelaarskolonisten, maar volgens het reglement van tucht voor kolonistenhuisgezinnen, zoals ook blijkt uit de samenstelling van de tuchtraad. |
De Raad van Tugt belegd op heden den 11e April des Jaars 1800 Een en dertig door den WelEd Heer S: B: Drijber als President.-[bewerken | brontekst bewerken]
De bovenstaande Raad geeindigd zijnde Zoo is men overgegaan om een tweede Raad te beleggen en wel bestaande uit den WelEdele Heer S: B: Drijber als President, de Onderdirecteurs L. Neyenbandering, J. Kluvers, de Zaalopzieners Muller en Briek om te onderzoeken en te vonnissen in zaken betrekkelijk ingekomen Processen Verbaal van de Zaalopzieners van Eck en Kloppenburg houdende aanklagt tegen de Bedelaars Koloniste Anna Geertruida Snijder, Catrina Viret en Berendina van Vuuren als hebbende zich op den 10 dezer schuldig gemaakt aan desertie, en wel voor zoverre Catrina Viret betreft, voor de tweede maal en daar zulks ene overtreding van Artikel 11 van het Tucht Reglement is, zoo worden voormelde Bedelaars Koloniste voor de Raad gebracht.
De President ondervraagt hen of zij zich aan de inhoud van het Proces Verbaal hebben schuldig gemaakt.-
Hetwelk zij toestemmend hebben beantwoord.
Hierop doet de Raad de beschuldigden buiten gaan.
De President stelt voor op grond van Art: 11 de Bedelaars Koloniste A.G.Snijder en B. van Vuuren de straf op te leggen wegens desertie voor de eerste maal van 10 dagen Provoost arrest en Catrina Viret wegens desertie ten tweeden male, van 14 dagen Provoost arrest om den anderen dag gesloten in boeijen.-
De overige Leden stemmen in voormelde strafbepaling toe, waarop de voornoemde Bedelaars Kolonisten worden binnen geroepen, hun vonnis wordt voorgelezen en de Raad gehouden – wordt voor finaal gesloten.
Aldus gedaan op dag, maand en Jaar als boven
De President en Leden
S.B. Drijber
J. Kluvers
L. Neyenbandering
E. Buck
Muller
F.H.Krieger, secretaris
De Raad van Tugt belegt op den 13 April 1831 door den WelEd Heer S.B. Drijber als President[bewerken | brontekst bewerken]
Aanwezig de onder direkteur L. Neyenbandering, J. Kluvers en de Zaalopzieners van Eck en Klaver om te onderzoeken en te vonnissen in zake betrekkelijk een ingekomen Proces Verbaal van den Zaalopziener Muller houdende aanklagt tegen Johannes Borelaard als hebbende op den 11e dezer zich schuldig gemaakt aan het slaan van Zijnen mede Kolonist Antheunis van Lingerden
vervolgens zich te buiten gegaan tegen zijn Superieuren en wel tegen zijn eigen Zaalopziener gepaard gaande met grove vloeken en Brutaliteit en daar Zulks strijdig is met artikel 9 en 14 van het Tucht Reglement Zoo word voormelde Johannes Borelaard voor de Raad gebracht.
De President ondervraagt hem of hij zich schuldig heeft gemaakt aan het geen ten zijnen lasten door voormeld Proces Verbaal word aangevoerd. Waarop hij zulks bekend, doch in drift te zijn geschied, en beloofd dat zulks niet weer zal voor vallen.
De Raad doet de beschuldigde buiten gaan, dezelve besluit Johannes Borelaard volgens art: 9 van het Tucht Reglement de straf op te leggen van 6 dagen provoost arrest.
De Raad doet de beschuldigde binnen komen, hem word deszelfs vonnis voorgelezen waarmede de Raad een eind neemt.
Aldus gedaan op dag, maand en Jaar als boven
De President en Leden
S.B. Drijber
L. Neyenbandering
J. Kluvers
van Eck
D. Klaver
F.H. Krieger, secretaris