Raad van Tucht van Veenhuizen-1 in november 1854

Uit KolonieWiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Sjabloon:Tuchtraad Veenhuizen-1

Bron
● Alle tuchtverslagen op deze pagina bevinden zich bij de post van 19 december 1854 N3, invnr 794.

Extract uit de Notulen van het verhandelde in de Raad van Tucht voor Weezen, Vondelingen en Verlatene kinderen bij het 1e gesticht te Veenhuizen - Zitting van den 10 November 1854[bewerken | brontekst bewerken]

Present:

C.W. Rensing, President;

G.J. Hendriks;

W. Heidema;

L. Vries;

A. van den Berg; en

J.H. Morrien, secretaris.

De Raad, door den President geconvoceerd zijnde, waren alle de leden tegenwoordig.

Wordt voorgenomen de onderstaande Bedelaarskolonisten:

Johannes Augustinus Aalders, N387, poging tot verkoop van kleeding aan zaalmakkers, die verhinderd is geworden.

Johannes de Vries, N4237, deserteur voor de 3e maal, en verkoop van een hemd, 1 broek,1 buis,en 1 paar kousen tijdens zijne desertie.

Cornelis Wilhelmus Plas, N2336 en Anton Spies, N1925, beide deserteurs voor de eerste maal

en de navolgende weezen:

Hendrik Paul de Vriend de Wanter, N12, deserteur voor de 2e maal en verkoop van 1 hemd, 2 onderbroeken,1 paar kousen, 1 buis, 1 broek, 1 borstrok en 1 pet tijdens zijn desertie.

Nicolaas Kuilenborg, N2193, wegens het mishandelen van den wees L. van der Ven, hebbende hij hem met een klomp in het aangezicht geschopt; bij onderlinge twist in de zaal.

Joseph Bax, N975, wegens vechterij in de zaal.


Thomas Jelle Riemersma, N752, wegens dobbelen in de zaal en daardoor onderling vechten.

Niemand heeft iets ter zijner verontschuldiging in te brengen dat geldig is.

Gezien Artikel 4, onderdeel 2, 8 en 9 van het Reglement van Tucht voor weezen, vondelingen en verlatene kinderen wordt besloten:

J.A. Aalders te straffen met 8 dagen opsluiting in de strafkamer, om den anderen dag te water en brood.

J. de Vries, N4237 opsluiting in de strafkamer voor den tijd van 8 dagen om den anderen dag te water en brood met de boeijen aan, en daarna terugplaatsing naar het Bedelaarsgesticht, wijders op zijne rekening oververdiensten te stellen eene som van f 7,50, wegens door hem tijdens zijner desertie verkochte kledingstukken, bestaande uit 1 hemd, 1 broek, 1 buis en 1 paar kousen.

C.W. Plas N2336 en A. Spies N1925, beide opsluiting in de strafkamer voor den tijd van 8 dagen om den anderen dag te water en brood.

H. Paul de Vriend de Winter N12, opsluiting in de strafkamer voor den tijd van 8 dagen om den anderen dag te water en brood met de boeijen aan; wijders zijne rekening oververdiensten te belasten met f 20,60, wegens door hem tijdens zijner desertie verkochte kledingstukken, bestaande uit 1 hemd, 2 onderbroeken, 1 paar kousen, 1 buis, 1 broek, 1 borstrok en 1 pet.

N. Kuilenborg N2173 en J. Bax N975 beide opsluiting in de strafkamer voor den tijd van 8 dagen, om den anderen dag te water en brood.

En eindelijk T.J. Riemersma N752 opsluiting in de strafkamer voor den tijd van 3 dagen om den anderen dag te water en brood.

Alle dezen vonnissen worden hun bekend gemaakt, zij treden af en worden in arrest overgebragt.

De vergadering wordt gesloten op dag en datum als in het hoofd dezes vermeld en ondertekend door:

C.W. Rensing, President;

G.J. Hendriks;

W. Heidema;

L. Vrieze;

A. van den Berg;

J.H. Morrien, secretaris.

Voor copie conform,

de secretaris J.H.Morrien

Notitie(s) bij de transcriptie
● Bij bedelaarsjongens zijn de nummers de bedelaarsnummers, bij wezen de weesnummers.


Extract uit de Notulen van het verhandelde in de Raad van Tucht voor Weezen, Vondelingen en Verlatene kinderen bij het 1e gesticht te Veenhuizen - Zitting van den 17 November 1854[bewerken | brontekst bewerken]

De Raad, door den President bijeengeroepen zijnde, wordt geopend.

Wordt voorgeroepen de navolgende weezen:

Antonie Puntig, N588, ontvreemd van den twinmolen op de fabrijk 3 ons wollen garen ter waarde ad f 0,435, van de 3 onsen garen verkogt 2 ons aan den wees Pieter Kok, N1770 en 1 ons weggegeven aan den wees Sictus Hendrikus Winkler, N1408.

Gerrit Lincent N95 en Bernardus Gradus van Doorn, N140, beiden door den zaalopziener B. Nijman aangeklaagd wegens het dobbelen in de zaal, dat verboden is.

Geen hunner kan iets te zijner verantwoording of verontschuldiging inbrengen, zij treden allen af, waarna de Raad tot de strafbepaling overgaat.

Gehoord het gevoelen van den Raad, wordt besloten:

Den wees A. Printig N588 te straffen met 4 dagen opsluiting in de strafkamer om den anderen dag te water en brood, benevens dubbele vergoeding op zijne rekening oververdiensten van het ontvreemde garen a f 0,43 en dus f 0,87 cents.

Den wees P. Kok N1770 te straffen alsvoren benevens dubbelde vergoeding van de van A. Printig N588 gekochte 2 oncen garen, aldus voor f 0,58.

En S.H. Winkler N1408 te straffen met 4 dagen opsluiting in de strafkamer om den anderen dag te water en brood benevens dubbelde vergoeding van 1 once garen, aangenomen van A.Printig N588 en dus voor f 0,29 op rekening zijne oververdiensten.

En eindelijk te straffen den weezen G. Lincent N95 en B.G. van Doorn, N140 met 3 dagen opsluiting in de strafkamer om den anderen dag te water en brood.

Aan de beschuldigden wordt deze vonnissen bekendgemaakt, waarna zij in arrest worden gebragt.

De President sluit de vergadering.

Aldus opgemaakt op datum als in het hoofd dezer vermeld en onderteekend door: C.W.Rensing, President;

G.J.Hendriks;

W.Heidema;

L.Vrieze;

A. van den Berg; en

J.J.Morrien, secretaris.

Voor copie conform,

J.H.Morrien, secretaris.

Alles overeenkomstig Artikel 4 onderdeel 8 van het Reglement van Tucht voor weezen, zijnde ook het misdrijf van Lincent en Van Doorn bij gemis van een beter Artikel onder ontvreemding opgenomen.

De Adjunct-Directeur (voorzitter) Rensing

Notitie(s) bij de transcriptie
● Bij bedelaarsjongens zijn de nummers de bedelaarsnummers, bij wezen de weesnummers.


Extract uit de Notulen van het verhandelde in de Raad van Tucht voor huisgezinnen bij het 1e Gesticht te Veenhuizen - Zitting van den 27 November 1854[bewerken | brontekst bewerken]

Present

C. W. Rensing

Leden: G. J. Hendriks, W. Heidema, B. W. Dikland, R. S. Hunia

J. F. Morriën, secretaris

De Raad vergadert zijnde, wordt door den voorzitter geôpent.

De hulpbehoevende kolonist Jan Kiesling N: 322 bis, wordt voor den Raad geroepen, om dat hij op den zoo genaamden houtwal tusschen de 1e en 2e Wijk, in een grep, onzedelijkheid heeft gepleegt, of op zijn minst genomen, heeft trachten te plegen, met de zoo ongelukkige aan toevallen onderhevige bestedeling Johanna Turf N 1697.

Beiden voor de Raad van Tucht geroepen zijnde, wordt Kiesling door de wees Johanna Turf op zoo danig eene wijze overtuigd, dat hij er niets tegen inbrengen kan, en alzoo, voor schuldig, moet gehouden worden.

De President en daarna ieder lid in het bijzonder, trachten de zoo zeer schuldigen Kiesling, innig te doen gevoelen, wat hij gedaan heeft, hem wijzende op het ongelukkige voorwerp dat zelfs nu en dan blijken van krankzinnigheid geeft,

en zoo mede op den gewoonen Regter, die hem wegens schending van de eerbaarheid op den publieken weg, in dien daar van aangifte gedaan werd, in hechtenis zoude kunnen nemen, en voor den Regtbank doen teregt staan.

In aanmerking nemende, dat Kiesling 58 jaren oud, weduwnaar, en vader van verscheidene kinderen is, waar van er thans nog 5 onder de Weezen in de zalen verpleegt worden, terwijl hij als éénloopend persoon, bij den bouwboer van Eisden in de kost is, en op het land werkt.

Overwegende dat iemand van die leeftijd, Vader van zoo vele kinderen, die zulk een misdrijf begaat, wel geene verzachting van straf zal kunnen verwachten.

Wordt besloten

Den hulpbehoeftigen Kolonisten weduwnaar Jan Kiesling N 322 bis, overeenkomstig artikel 3 Sub 2: van het Reglement van Tucht voor Kolonisten huisgezinnen, voor eenen onbepaalden tijd, onder autorisatie van de Permanente Kommissie, over te plaatsen naar de Ommerschans.

Aldus gedaan op dato als boven

(get: ) C. W. Rensing, President

Leden: G. J. Hendriks, W. Heidema, B. W. Dikland, R. S. Hunia

& J. F. Morriën, secretaris

Voor Copie Conform

De Secretaris

J. F. Morriën

Notitie(s) bij de transcriptie
● NB: De raad mag nu dan wel heel veel medelijden betonen met de ongelukkige Johanna Turf, maar een paar maanden terug, op 7 augustus 1854, hebben ze haar evengoed tot 8 dagen strafkamer veroordeeld.

● Op de achterkant is door de permanente commissie bijgeschreven: J. Kiesling N 462 bis als eenloopend persoon, was vroeger als hulpbehoevend huisgezin met zijne 5 kinderen geplaatst onder N 322 en 327 tot 331bis respectivelijk 58, 21, 20, 19, 17 & 16 jaren oud

De vader ontslagen 25 Maart 1852, Zie 12 Maart 1852 N2.

Weder opgenomen 4 Nov. 1852 en als eenlopend persoon gevestigd onder 462 bis, Zie 22 Nov 1852 N2

Johanna Turf N1697 - Geb 19 Oct 1831 - Aangek 14 Mei 1838 - Zie 12 Mei 1852 N2 - 22 Nov 1852 N3.



Besluit permanente commissie 19-12-1854[bewerken | brontekst bewerken]

De Permanente Commissie der Maatschappij van Weldadigheid,

gelezen den brief van den Directeur der Kolonien 9 dezer N3372 en de daarbij ingezonden Processen-Verbaal van de Raden van Tucht bij de Gestichten te Ommerschans en Veenhuizen over de maand November ll.

Besluit:

Te bekrachtigen de verwijzing voor een onbepaalden tijd naar de strafkolonie Ommerschans van den hulpbehoeftigen kolonist J. Kiesling N462 bis (niet 322) en van de als strafkolonist te Veenhuizen gevestigde gewone Kolonist J. Kamstra met zijn huisgezin.

Afschrift dezes zal worden gezonden aan den Directeur der Kolonien ter uitvoering.

De Permanente Commissie.

Notitie(s) bij de transcriptie
● Het gedeelte van het besluit van de permanente commissie over J. Kamstra slaat op een zitting bij het derde gesticht op 30 november 1854.