Maandblad de Star van november 1820

Uit KolonieWiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Sjabloon:Maandblad de Star

De pdf van het eerste gedeelte van dit nummer staat hier op delpher.nl. De pdf van het tweede gedeelte van dit nummer staat hier op delpher.nl

BERIGT DER REDAKTIE, WIïpENS DE TOEKOMSTIGE INRIGTlNG VAN HET TIJDSCHRIFT: DE STAR.

�^ij den Prospekt'tti ter uitgave van dit Tijdschrift, in het jaar 1818 uitgegeven, was bepaald, al de doffen 4 daarin opgenomen, te verdeden onder vier rubrieken j re weten:

I. Praktifehe, rrieést Staatshuishoudkundige, Verbande-

lingen, met' Tabellansche opgaven gedaafd. II. Letter- en oordeelkundige berigten, zijnde uittrekfels of beoordeelingen van in- en buitenlandi'chc -gewigtige Werken, tot het onderwerp van dit Tijdschrift betrekkelijk. — Opgaven wegens Voordellen of Prijsvragen, dien aangaande, enzv., — en berigten of korrespondentiën wegens den Haat der nationale ot vreemde nijverheid, verlichting,, befehaving en wei, vaar;;.' ^f-*.^! *. llt Kolonie-berigten, waarvan de Lezer reeds genoegzaam den aard cn de Itrekking kent, cn waarbij wij. om tv» x 1. II h h - nu.


( 788 )

ïiü cn dan, onder het opschrift: Gemengde berigten, een en ander merkwaardig nieuws gevoegd hebben, hetwelk ons toefeheen, meer den daat der Maatfehappij in het algemeen, dan wel dien dpr Koloniën. op-zich zelve, bepaaldelijk te betreffen. IV, Eindelijk, cenig Mengelwerk; doch dit niet dan zeer keurig en karig, ter veraangenaming dezer lektuur.

Wij meenen van tijd tot tijd, door het leveren van belangrijke Stukken, doffen behandel! te hebben, die onder eene dezer vier rubrieken gebragt kunnen worden. De bepaalde atdeeiing derzelve, elk onder zijn bijzonder hoofd, kon echter tot nog toe, om meer dan eene reden, bijzonder ook om de uitvoerigheid der praktische Stukken, en daarbij gevoegde Tabellen, — welke altijd als het voornaamfte gèdeelte van dit Maandwerk te beschouvven zijn, — niet regelmatig' worden ingevoerd. — Dan, van nu af zullen de vier bepaalde rubrieken in ieder Nommcr onderscheidenlijk aangeduid, en de doffen onder elke derzelve gerangfehikt worden, gelijk zulks in andere, zeer geakkrediteerde, Buitenlandsche Tijdschriften ge'bruikelijk is. — Hierdoor verbindt zich echter de Redaktie geenszins, om elke maand, onder iedere afdeeling bepaaldelijk iets te leveren: dc dof van eene of andere gewigtige Verhandeling, met hare bijlagen, kan zoo uitvoerig zijn, dat zij gecne genoegzame plaats voor elke der volgende afieelingen overlaat, en wat de IVde afdeeling betreft, daaromtrent behoort eene kieschheid in acht- genomen te worden, die uit haren aard de dof zeldzaam moet maken, wil men niet in het waterige en weinig beduidende det gewone Mengelschriften vervallen. Wij geven dan,


c 789 3 (

onder vierderlei opschrift, bij afwisfeling^ Maandelijks wat ons het meest belangrijk voorkomt.

Nog iets. De Aardrijkskundige Land- en volksbeschrijvingen van Noord- cn Zuid-Amerika > tot hiertoe door ons gegeven, warén befiemd, om eene narfative, afwisTelende verscheidenheid aan het Tijdschrift te geven, waarVan ieder het Verband met de ptahtische kennis Van den huishoudkundigen toeftahd der volken en des Vaderlands zal gevoeld hebben. — Velen lazen die uittrek fels dan ook met finaak. en goedkeuring. Mogten dezelve anderen minder hebben aangelokt; de Lezer zij. verwittigd;, dat 'de korte beschrijving van Spaansch Zuid^ Amerika in een volgend Nommer ten einde loopt.

ÖE TvEDAKTIE.

t PRAKTISCHE VERHANDELINGEN.

tets over de beste wijze en nieest gepaste middelen, sïa yaderlandsche jongelingen van geringeren of verarm* den {land tot nuttige en gelukkige burgers der maatfehappij öp te leiden*

Hoe verschillend ook in vroeger cn. later eeuwen de ftelfels van Wetgeving en zedelijk StaatsBestuur mogen geweest zijn, daarin schijncn alle verlichte Wetgevers en Sta-.tsmannen hoofdzakelijk te hebben zamengcfletnd * dat. het vermogendst en zekerst werkende'middel ter beschaving en zedelijke Vorming der volken bestaat in die van het opkomend gedacht. En gewis, het is van daar, dat men de opleiding ee,;_r natie tot kennis, deugd en geluk 9 \ 1 (11 h s moei


C 790 J)

moet aanvangen. De oudere gedachten, het afgeleefde es dat in het genot der volle levenskracht, brengen altijd zoo vele diep gewortelde vooroordeclen en wanhebbelijkheden mede, dat het niet mogelijk is, zelfs bij de beste maatschappelijke inrigtingen cn wetten, dezelve geheel te over-

â–  winnen; zij deelen dus veelal slechts ten halve in de zegeningen, hun toegedacht, en men moet zich vergenoegen, met het volkomen uitwerkfel eerier beproefde volksbeschaving en vorming ten voordecle van het derde geflacbi -— de aankomende jeugd — over te laten. Maar dan ook, wanneer men met een' vasten wil en eene vcrfiandige doorzetting den moed heeft, om dit gedacht wél te vormen en tot het ware geluk te geleiden, — mag men met eenige zekerheid op den goeden uitdag zijner pogingen rekenen, en zich een genoegen beloven, dat aan alle groote ondernemingen cn goede daden voor ieder wél geplaatst hart verbonden is, al is het dan ook dat de oogst later op den zaaitijd volgt, dan men wel gewens cht hadde.

Van het nut en de noodzakelijkheid der kinderlijke opvoeding tot het vormen van goede en gelukkige menfehen en staatsburgers, zijn dan ook de voortrelFelijklle VVctge-

V vers der oudheid derwijze overtuigd geweest, dat een voornaam gedeelte hunner zorgen zich tot dit gewigtig onderwerp bepaalde. Men weet, hoe vele bijzondere inrigtingen ter vorming van de ligchamelijke gezondheid en krachten der kinderen, zoo wel als van hun zedelijk karakter cn hunne opleiding voor wetenfehap, goede zeden cn vaderlandsliefde, bij Grieken en Romeinen van tijd tot tijd werden gevestigd; welke belangrijke wetten vooral een solon te Athene, en éen lykurgus in Sparta, daarom-


C 791 )

omtrent hebben ingevoerd; en welke verbazende uitwerkfeïen hunne wetgeving op het karakter cn de lotgevallen dier natiën gehad hebbe. Sparta vooral muntte te dezen aanzien boven allen uit; goede, nuttige, dappere burgers aan den Staat te leveren, was de hoogde glorie der Spartaanschc moeders; alle mannelijke kinderen, binnen die Republiek géboren, waren het eigendom, de kinderen van den Staat. Deze zorgde dan ook voor derz'elver eenparige, ftrengc opvoeding, en deed dien ten gevolge, in verband met de belangen des vaderlands", zijne verkregene regtcn op de nationale jongelingschap, zelfs boven die der ouders, gelden. Van daar die geltrenge burgerzeden, dij ftalen van krijgsmoed en dapperheid, die brandende zucht voor den vaderlandschen bodem,' welke het Spartaansch gedacht zoo langen tijd hebben gekenmerkt. — De AthecnfcJic opvoeding was, ja, meer huisfelijk, en bad eene meerdere ('trekking ter verlichting en tot füllé burgerlijke deugden; niettemin Hond zij met maatschappelijke verdienden cn' de welvaart des vaderlands in een zeer mauw verband, en een overwinnend bewijs, hoe zeer zij daartoe dc iïrekking had, blijkt uit de hooge volmaking der schoone lamflcn, der levenswijsheid, uk de grootc karakters in het staatkundige,, in de krijgskunde, en in liet vak der wijsgecrigf wetenfehappen, en, over het geheel,-uit dc kiefehi zcdcnbcschaving en den verfijnden fmaak, die daaruit bij de Atheners zijn voortgesproten. â– — Bij de Romeinen, men moet-het erkennen, was de opvoeding der jeugd minder hoofdzaak, dan alleen voor zoo veel zij in verband flond met hef krijgswezen en den wapenroem des vaderlands; danbék daardoor werden wetenlchappelijki* en ligchamclijke oefeningen, gezondheid, kracht en moed, ' *., s II h h 3.-'.' ' cen

_ /


een fier nationaal karakter, en eene mannelijke zucht voor volk en vaderland, krachtdadig ontwikkeld en aangekweekt,. De jonge Romein was in de betere tijdvakken van dien Staat reeds man in. krachten, in karakter, iu natiezucht; cn uit zulke jonge lieden zamengefield, kon men vniet dan wonderen van Homo's conferip' tionnaire legers verwachten, terwijl de burgerij, in zoo verre zij door weelde en dartelheid.niet bedorven werd * een, zame-nficl van verlichte, goede en gelukkige burgers moest uitmaken, ^- Het. was alleen de losbandigheid der Aziatósche-.geden, door Hof-en' legers ten Lande ingeilopen, cn dc dapperheid van weelderige.-despoten, die eindelijk ecne zoo veerkrachtige natie verlamde, de algemeen? zeden verpestte, cendragt en welvaart verwoestte, en het gansche Jlijk, al te kolosfaal geworden, ten va! bragt.

Met de verduistering der middeleeuwen en dg ovcrftroQ* ndng der Barbaaricla vollieff, deed ra cue dijk de b ïfc'na* vende opvoeding jeugd een' aanmciccüjken.terugtred,

KONSTANTYN, KAREL DE GROOTE, Cll enkele -TCgt WijzQ

Vorden of Staatsmannen na hen, echter, beijverden zich zeer, om de verlichting, de beschaving, de zedelijkheid bij het jeugdig gedacht door goede opvocdiug$wetten;te herdeden. Voor den oogenblik, waarin zij leefden, maakten hunne pogingen invloed; doch, even gelijk do matte dralen cener kwijnende winterzon weldra wederom door zwarte wolken of dikke nevels worden teruggedron? gen cn verdoofd, zoo ging het ook met de voorbijgaande en niet op den duur o«iücrftcundc bemoeijenisfen dezer enkele volksopvoeders. Europa zonk gedurig dieper in zijne woestheid, en ieder aankomend gedacht in onkunde en zedeloosheid weg.

-,; Ein-


( 793 >

Eindelijk daagde aan den Staats- en Kerkhemel die iehoone morgendond van godsdiendige en wetenkhappeh,ke verheluing, van zedenbeschaving, en van eene wél begrepene vrijheidszucht, op het gevoel van eigene menTekenwaarde en burgerlijke regten gegrond, m welks tel} middao- rijzend licht wij ons tot heden toe mogen verheugen. L&ther en de overige Hervormers wijdden een voornaam gedeelte hunner zorgen aan het school-onderwys en de huisfelükc opvoeding der Proteftantsche jeugd, het..een dan ook bij terugdag, vooral door tusschenkomst der orde van lotoi.a, oP dc kennis cn zeden der Room. febe jeugd cenen weldadigen invloed had. Sedert dien tijd begon eene meer verlichte en beschaafdc opvoeding, aan zachter zeden cn nuttige bedrijvigheid gepaard, by de meeste volken van Europa, vooral in de npordelnkc Lauden, allcnsskcns de overhand te nemen. Het was blonder 'ook ons Vaderland, hetwelk zich te de.en aanzien deed uitmunten. Tc allen tijde heeft hetzelve m het tflfc van eene verlichte, werkdadige en zedelijke opvoeding der fengd den voortred bij de nabuurvolken gehouden; en hel is ^ornamelijk door den invloed der edele MM! i m Nut, van V Algemeen, en federt de vestigingen ccn wél ingerigt School-opzigt, dat het lager Schooiw* zcn _ dc ware kweekschool cener verlichte, bcichaafde en 'v,oor maati'chappü en Vaderland nuttige jeugd - by ons schreden ter volmaking gedaan heeft, die meest alle omliggende volken ten voorbeeld kunnen verdrekken, en waaraan zelfs de in dit vak meest ervarene vreemdelingen loffelijke hulde hebben gedaan.

Ondertusschcn heeft het fteifel eener verbeterde school«.ndcrwijzing cn opvoeding des aankomenden gefiachts in Hhh 4


C 794;

Europa tot twee uiterfcen aanleiding gegeven, die beide even verre van den waren middenweg, welke op hiefc -:groote doel aanloopt, zich verwijderen, cn dus in den tegengedeiden zin even schadelijk cn met gelijke zorg te vermijden zijn.

Van den éënefl kant beeft men den kinderen, zelfs van gcringcren of verarmden dand, een ondciwiis toegediend in wetenfehapnen, die, hoe nuttig ook en lchoon in zich zelve, echter meer eene drekking hebben, om hunne kennis te verrijken, dan om hen1 tot een werkdadig, maatschappelijk-nuttig, en gelukkig huisielijk leven op te leiden. Men heeft hen onderwezen in de Algcmecne en Vadcrlandiehc Gefclliedenis, in Fabelkunde, in Natuurkunde en Natuurlijke Historie, in dc bcginfelen der Meet- cn Stelkunde, der Teckenkunst, der Redeneerkunde, enzv. Inderdaad schoone zaken, wanneer dezelve de oefening ia praktische grondwetenfehappen, het fpellun, lezen, lehrijven en rekenen, niet verdringen, noch het kinderlijk hoofd met al tc vele cn vcelibortige begrippen overladen; doch tevens kundigheden, welke, zoo dra jongelingen en jonge dochters in maatfehappij getreden en tot eer.en huisfeliikcn dand gekomen zijn, althans voor die uit de mindere, dienstbare, arbeidende, of fabricerende klasfe, van weinig of geeh nut meer zijn, en zelden bij hen onderhouden worden; daar hun dc kennis van handwerken, het sranlocren van" cenig beroep, de oefening in den fabrïjk- en vcld-arbcid, eene gepaste cn vrijwillige opleiding tot den wapenhandel, het ontwikkelen der p/iyjiaLc krachten door matige ligqhaamsoefeningeh, enzv. eene meer regthreckfebe opleiding zouden hebben verlèbaft, om aan huisgezin en maati'chappij. de wcldadigde dienden te bewijzen. Een \.:. d 4 ; _ jon-


cm >

jongen van onvermogende ouders, op deze wfze opge« voed, zal u op het fehoolbord menige les kunnen geven; hij.zal u gcbeiirtenislen weten te verhalen of aanwijzingen in de Natuur weten te doen, die u verbazen, omdat gij zelf er in uwe jeugd niets van geleerd hebt: maar, breng hem bij bet rpmnewid, aan het weefgetouw, 'in de werk* plaatfcn, op den akker bij ploeg cn fpadc, — want daar toch zal hij zijnen kost moeten winnen, — en dc handen â– zullen hem, met aï zijne schoolwüsheM, verkeerd fiasm, en hij eenen zekeren weörZin ontwikkelen, die bet gevolg is van ccnen wctcnfehappclijkon waan, hem door geringe verkregene kundigheden ingeboezemd. Men gevoelt hier van zelf het verschil tusfeben eene louter wctcnfcbappc-» bike cn meer hoerschcnd-prakrifclic opvoeding; cn men ]<an zijne voorkeur aan deze laatfte met gcene billijkheid pjitzcggen, althans ten aanzien der kinderen van minderen dand in de maatfehappij. — ja, zelfs bij de jeugd van meer aanzienlijken dand behoorde eene praktischc opvoeding niet geheel verwaarloosd te worden. Het is, naar ons inzien, eene navolgingwaardige gewoonte der welvarende familiën in Engeland, dat de jongere zonen, (dewijl de oudfte door het erven der ouderlijke vastigheden -geborgen is) hetzij tot penig ambacht of beroep worden (Opgeleid, hetzij door zeevaart en kolonic-togten, voor den ' koophandel en den dienst des Vaderlands gevormd.  Langs dezen weg worden zij tegen de vermoeijenisfen des levens gehard, verkrijgen een ftevig geitel, worden voor eenen schamelen ouderdom "bewaard, cn dikwijls de nuttigde deunfcls voor een moederlijk of zusterlijk gezin.

Aan eene andere zijde is men, vooral in Duiisch'anJ\ federt eene halve eeuw, tot een tegengcdeld uitcriie ver-

Hh h 5 f" \ va -


( 79* )

vallen. Men heeft â–  namelijk het delfel vwllen invoeren, om de jeugd al fpelende te leeren.' Van daar de invoering der voor cenige jaren zoo beruchte Philantropyn. scholen. Men zag echter al ras de onverenigbaarheid van fpel en arbeid bij kinderen, in wie de zinnelijkheid den boventoon heeft, en men ging over tot een meer praktisch onderwijs, geièhikt, om ligchamelijke oefening {[Gymnastiek-) met wetenschappelijk onderwijs te paren, ja zelfs de theorie van fabrijkmatigen en land-arbeid den kinderen praktikaal in de werkplaatfcn en op de velden zelve te iccren. Van dien aard zijn, onder anderen, de ten aanzien der inrigting onderling toch weder zeer verfehiipde Inbitutcn van salzman te Schnepfenthal, van pellenberg te ffoforijl, van owen té Nevt-tLanark, «zv.— Zoo zeer deze enkele inrigtingen, ieder in hare foort, alle goedkeuring verdienen, zoo gering kan, tot nog toe, op het algemeen opvoedingswezen van Europa derzelvcr invloed zijp, intusfehen overdreef men ia' Duitse idand dit heilzaam beginfel in eene hooge mate, door de invoering cencr pvx%X.-Gytnnastieke opvoeding, die allengskens overdreven werd door de invoering van ridderlijke kampfpelen (turnern9 tournooyeu), waarover in Dtdtschland zoo veel vóór en tegen' gclchrcvcn is, en waaraan voornamelijk die woelzieke, revolutionnaire geest, welke de foufefteafc jongelingschap van meer dan ééne Duitsche Iioogeschool federt de laaide jaren befmet heeft, fehrnt te moeten worden toegeschreven. Üok op sommige Fransche Lycèé'n cn andere Indituten heeft zich voor cenigen tijd eene dergelijke demming der jongelingschap ontwikkeld, welke echter meer in den gistenden, oorlogauchtigcn «eest dier natie in het algemeen haren voornamen gronddag schijnt te hebben.

1 / Zoo


( 79? )

Zoo mt men, hoe nabij de uiterden van ieder men. & h]k ftelfel aan elkander grenzen, cn hoe Ugt men, dopf eene goede üirigting al te ver te drijven, het ge, l-.eeic doel derzerve mistreedt, en zeer nadcehge gevolgen kan iaeQ voortanden mt iets, hetgeen uit zijnen aard, wil axwüzigd, en met matiging gebruikt, van grootcamtti-hcid zoude kunnen zijn. - Het rcfnïiaat der zaak $, dat om een doelmatig oPvoedingS-/V/W te vestigen, uetwelk inzonderheid voor het belang der jonge heden van _ hinderen ftaud berekend is, men inderdaad ligchamelu,te oefening, produWvcn arbeid, wetcnfdiappclijkc en zedekundige' onderwijzing, allen in onderling verband gebragt, en u-T ecnc gepaste verhouding tegen elkander afgedeeld, behoort te vereenigen. De voorname oogmerken toch, dke men zich in de opvoeding der jeugd in het gemeen, en van die der minvermogenden in het bijzonder, beuoort voor te dellen, - zal dezelve:de regte voorbereiding z.jn Voor een nuttig « gelukkig huisfeiijk, maatschappei.jk en codsdiendig leven, -behooren deze vier te wezen, dat men tjonge lieden vorme toe wijze- arbeidzame- zedelijkeen ''aan het vaderland zoo wel verkleefde als nuttige bui, gers," Laat ons dit een weinig in de bijzonderheden ont. Wikkelen.

i. Tot wijs?, menfehen behaoren de jonge lieden, Voond van den minderen dand, gevormd te worden, indien zij ooit zedclijk-nuttig en gelukkig zullen zijn m de ' maatschappïj, Wijsheid is geheel iets anders dan weten, schab en geleerdheid; zelfs zijn deze, in al te grootc mali.,;,eiioopt, daaraan dikwijls schadelijk. Zij bcdaat eigeniijk dditón, dat men niet alleen ^kerc, naar zijnen dand ben'kende, kundigheden bezitte, maar tevens de regte, ' S wij-


C 79S )

wijze cn gepaste middelen kenne, en kieze, om die teri c ^ nutte en ten beste de. maatibkappij aan teMve^

Sf' H is dus voor het gcfflccnc!—

™ n cV°egepaste mcetk,mde is TO0r ^

^etenkhappen. Zij flüit de,*W^ kennis

d-ö met het bezit van dezen idealen rijkdom, brengt zij -nzelven m omlooP, cn zet dien op winsr £ '

-'Invgene kundigheden op de bijzondere belangen Tol ^beden des levens toe re pasfen, ten einde er d nntu re^aun van te ^ ^ - *

ne bentangen, cn de gchcelc maatfehappij. - De c r venswns etd is voor ieder menseh £ -ne beidde maatfehappij leeft, zin to^fen^ dankendhead en h,,st tot een "arbeidzaam leven beeft Pet js waar, dat, naarmate 's menfehen dand en bedenking fcOöger gewijzigd wordt, bij,.ter vertoog Van dezelve

*>°*g J eJt; doch de mindere dandc», bedemd era door loonciienden, allerlei foorten™ handel tejf, oi eigene kunstvlijt ö^»^^ nen, - deze zoo nuttige danden in de maMchappij kunnen even zoo goed als mannen van letteren, van bet kabinet, van den, tabbaard, van den kanfel, van de pleit™] ' **** menfeben worden, en her ™, ™*i...

gcauklog zlJn indien dezelve znlks niet konden, alleen omdat z, mmdc, wetenlbhappclijke of gearde kennis M Innncrs, zij zin eigenlijk de der ni,at_

3£' dl\denk^^"^^ - algemenen „„ne ^n'*n ma™ -enveel vlbt, overig en kunst ontwikkeld kllfilien, ale die ntnrige -inicktcn aan den dag

leg-


leggen bij dc doelmatige inrigting vaa bun celleweede!, eli de oplegging der kostelijke, voedende iuikerdof m hetzelve lk heb veel met landlieden, ook met kunllenaars en handwerkers, verkeerd, cn ik moet opregt betuigen, dat ik bij die allen een aantal menfehen heb aangetroffen, die ik voor wis in hun vak erkennen moest, en die daarin zelfs eenen leerdoel (mits men hen op hunne eigene wijze toeliet te doceren-) geene oneere zouden hebben aangedaan; en over het geheel weten lieden van deze klaskn bij eenige beschaving zeer wel eene wijze levenskeus te doen, omdat zij eene ervaringskennis bezitten, welke bij dc schoolsche voordeelig afdeekf.

De wijze nu en de middelen, om jonge lieden van de arbeidende klasfe tot zulk eene levenswijsheid voor te bereiden cn op te leiden, zal in' het ander gedeelte dezer Verhandeling in overweging komen, zoowel als die, om hen te vormen tot een werkdadig leven, tot zedelijke menfehen, en tot vaderlandlievende nuttige burgers.

.2. IVerkdadigheid, arbeidzaamheid toch, moet bijzonder' in de opvoeding der jonge lieden van deze foort het tweede groote doelpunt zijn, waarnaar men ftrceft. Arbeid, werkzaamheid, die de verecnigde infpanmng van sreest- cn ligchamelijke krachten vordert, is, ja, eene.wezenlijke behoefte voor ieder mensch. De eerde levensbewegingen van het menkhenkind, die woelingen, dat gekruip, dat doelloos grijpen der handjes, dat mateloos gekeuvel, die aandarende blik op ieder voorwerp, dat denzelven meer heldere lichtdralen toewerpt, ziet daar zoo vele' tolken van eenen aanleg tot vcrftandelijke en werkmigelijkc inipanning, zoo vele voorboden van toekomende bedrijvigheid'. — Met het kind groeijen de bewegingen

aan.


( 8öö )

ian, dc weet! ast doet duizehde vragen bij hetzelve oht> daan, dc gcdadige ligchaamswoeling is het element, waar* m het knaapje welig opgroeit; geene zwaardere draf voor bet gezonde kind, dan ledigheid en gedwongene ftilte; geen zoeter genot, dan die afgematte flaapiust en verdoo' v;ng, waarmede 's avonds in zijn bedje valt, Doof volgzticht en naijver gedreven, vormt het jongske zich zeiven tot een' paardenmehner, tob of hoepeldrijver, dm* menuan, metfelaar, koopman, foldaat, met één Woord, tot allerlei mannelijk bedrijf, gelijk het meisje, karer moeder eenè zorgvuldige cn zindelijke behandeling der kinderen hebbende afgezien, dezelve bij naboctfing op hare poppen overbrengt, of Wel, als ware bet. wat dcegs, zien zelvea atilooft met doffen, vegen, ichrobben, wasfeben, het bereiden van dén pot, het doen der huisboodfebappen, enzv, — Moe duidelijk kenmerkt dit alles van kindsbcesï af die behoefte aan gecsts- en Hgehaams-werk* dadighdd, welke zich bij den jongeling en de maagd al meer en meer ontwikkelt tot die ernitiger bezigheden, Welke op getrouwe huisverzorgers en nuttige burgers' van den Staat rusten, en die,juist den weg banen, °orri gelukkig te zijn en gélukkig te maken!

Indien dc aanzienlijker banden doorgaans minder geroepen zijn, om zich aan flaafachtigen, vermoeijenden ligchaams-arbcid over te geven, wijst het algemeen inklinkt, waarvan wij spreken, hen niet te min op eene bedrijvigheid, die allen lediggang moet doen verfoeijen, en de verach- ' ring, doorgaans door de publieke opinie uitgedort over liederlijke of rijke lediggangers, van welken dand ook in de maatichappij, bewijst ten allerderkde, dat, naar het algemeen gevoelen, werkdadigheid als een booiUfce!bandeel in 's men-


C 801 )

schcn zedelijke natuur is ingeweven, en dat derhalve ieder, die deze neiging verloochent, zich zeiven in zoo verre dcnaiuraiifeert of ontmensebt.

Maar, indien dit alles ervarings -waarheid is ten aanzien van alle menfehen, het is in verdubbelden nadruk toepasfelijk op dien dand, bij welken alles zich vereenigt, om deszclfs leden, van jongs af, tot zwaren, gezetten, maar verdandig beduurden arbeid te dringen, indien zij op een eerbaar bcdaan en gelukkig leven zullen kunnen hopen. Het is te hunnen aanzien ten volle waar: die niet arbeidt, zal niet eten. Weinige maatfehappij cn zijn zoo in verval, dat de daartoe opgeleide werk- en arbeidsman, wanneer hij vlijtig cn braaf is, en zich niet tot ééne foort van arbeid, b. v. den faljrijkmatigen bepaalt, er niet een fober bestaan zou kunnen vinden; maar wee den luiaard, den dagdief, den eigenzinnigen, die allen arbeid schuwt, welke niet naar zijnen fmaak is, of wien zijn wangedrag bet vertrouwen zijner meesters heeft doen verliezen ï Al ras vervalt h'rj tot gebrek, tot liederlijkheid, bedelarij 'en allerlei laaggeestigheid, indien niet tot erger. De milde Natuur fluit voor hem geheel eene £hefmoederlijk gewordene hand; zij wreekt zich aan hem door honger, koude en verachting, en dwingt hem zoo door de zwaarde aller natuurlijke ftraffen, om tot het verlatene fpoor, een arbeidzaam leven, weder te keeren, wil hij niet door gebrek omkomen, of in kerker of op het Ichavot het leven eindigen.

Het zal niet noodig zijn, aan te wijzen, hoe zeer de arbeidzaamheid, vooral van geest en ligebaam tevens, weldadig inwerkt op de p-hyfieke krachten, de gezondheid, de opgeruimdheid, de huisfebke veruencegdzaam-

heid,


f S02 S ' '

beid, hét zedelijk gevoel van den menseh, op persoóhiijk,< huisfclijk en burgerlijk geluk, op de iteviging van Let nationaal karakter, met één woord* op alles, wat edel, goed en groot is: elk, deebts een weinig beredeneerd, kan zich dat op. gronden van rede en ervaring duidelijk genoeg voordellen. —- Genoeg zij bet, hier met weinige trekken te hébben aangewezen, de aangelegenheid van het tweede hoofd-oogmerk der opvoeding van kinderen uit den geringden dand, t. w. een arbeidzaam lc-, Ven»

-Over de wijze en middelen hiertoe in het vervolg. 3- ïn de derde plaats noemden wij als hoofddoel dier opvoeding: de opleiding tot zedelijkheid h dat is, tot pcrfbonlijkc braaf beid,4 en een deugdzaam maatschappelijk leVcn. En wie zou ons de noodzakelijkheid hiervan, om nuttige en gelukkige leden der maatfehappij te vormen, kunnen betwisten? Inderdaad, de overtuiging van die groots waarheid der praktischc rede  zonder deugd geen "geluk, ligt. zoo diep in de menschelijke natuur ingegrift, dat men die tot de eerde, boven alle betoogsbehoefte Verhevene waarheden fehijnt te mogen rekenen; waarheid, waarvan zelfs de damelende tong des duipmoordenaars nog dc vrijwillige belijdenis aflegt, en waaraan de laatde blos der schaamte op het gelaat der ecrloosfle boeleerder nog tegenwillig hulde doet. Zedelijkheid, derhalve, behoort, bij de opvoeding van allerlei jeugd, de eerde van alle bedoelingen te zijn, omdat zij den grondflag van elke menschelijke kennis, van elke oefening, van alle werkdadighcid en levenswijsheid, de voornaamde hoogere behoefte van den menseh uitmaakt  dit niet alleen, maar ook, omdat van alles, wat de ééne menseh hij den

/


C So| >

anderen kan helpen ontwikkelen, de "zedelijkheid de eerde Ihaar is, die met vrucht bij het opluikend kind en den aanwasfenden knaap kan worden- aangeroerd (*) $ en eindelijk, omdat de losheid der zeden en het libcriinismc van onzen tijd, verleidelijk voor het zmnelb>üieri'jk gèdel der eerde levensjaren, zulks meer dan ooit noodzakelijk maakt. â– — Zeldzaam zijn de voorbeelden, dat zedeloos opgevoede kinderen brave menfehen worden; maar daarentegen treft men een aantal voorbeelden aan, dat kinderen zelfs, die, in wcêrwil eener deugdzame opvoeding, naderhand, door verleiding of andere toevallige oorzaken, ligtzinnig en liederlijk werden, na te hebben uitgedarteld, wederom tot inkeer en een verbeterd gedrag komen, waartoe dan doorgaans de goede, nooit geheel verloren gaande, indrukken hunner zedelijke opvoeding krachtdadig bijdragen, — Men kent der Ouden geestig zeggen: quo femel est imbuta recens, fervabit odorem testa diu; en dat van sAlomo: leer den jongen cle eerfle (goede) beginfelen naar den eisch zijns wegs, als hij oud geworden zal zijn, zal hij daarvan niet afwijken. — Men ziet uit dit een en ander de noodzakelijkheid eener vroege zedelijke vorming, ten einde aan de maatfehappij in het vervolg leden te verschaffen, die voor haar nuttig en voöt zich zeiven gelukkig zijn.

Maar,

(*) IVien leze hiérbij dê niet onaardige, hoewel ironisch voorgedragene, Gedachten over de zedelijke en verjlandel'ijks opvoeding van kinderen beneden de twee jarèn, (waarin per antithefin wordt aangewezen, in welke opzigten men al, in dat eerfte Jiadium van het kinderlijk leven, daaromtrent op hen kan inwerken), geplaatst in liet Mengelwerk van den Recenfent, voor lïio, N». X. bl. 427 en 'olgg,

JOE STAR, 1820, N°. XI. IÜ


X 8*4 )

Müar, in den hoogftcn graad noodzakelijk is dit töJ aanzien van zulke kinderen, wie het lotgeval heeft doen voortsprüiten uit ouders van min of meer bschoéfBgen ftand. Van kindsbeen af door beboette gedrukt, omringd van de ontmoedigende tooneelen der ellende, overgelaten aan de zorg'van wezens, die, veelal zelve wanzedelijk, weinig lust en tijd hebben, om tot dc vorming van hun kroost zich - te verledigen, geen vermogen, om hun de behoorlijke zedelijke en vcrdandelijke opvoeding door anderen te doen geven, en doorgaans tc vee! valfehe fehaamte, om met hunne kinderen, in schamel gewaad, van de godsdienftige opleidingen gebruik tc maken; omgeven, bovendien, door jongeren en ouderen van gelijken ftand, bij wie een geest van laagheid en moedeloosheid alle prikkels tot een zedelijk gedrag heeft verdoofd, en die dikwijls tn bedrog, bedelarij, kleinen roof, enzv. juist de hulpmiddelen «öt leniging hunner ellenden zoeken, — zoo ongelukkig buiten hun eigen toedoen, wat moet er van deze jeugdige flagtofFers des ongehiks worden, indien bij hen niet met verdubbelde kracht de 'kwade indrukken van eigene verkeerdheid of van het 'verleidend voorbeeld, van jongs af, worden tegengewerkt, cn integendeel hun met allen ernst en langs alle gepaste wegen de beginielen van eerlijkheid, braafheid, goede trouw, dankbaarheid, matigheid, nederigheid en reine godsdienftigheid, niet vroegtijdig worden ingeprent, — niet met eene droeve geftrengbeid, maar door hun de deugd en zedelijkheid van de beminneiijkde zijde, en in verband met hun waar belang, voor te' dellen V Men gevoelt het, dat hiervan voor een groot gedeelte ook hunne opleiding tot verftandsoefenmg en werkzaamheid, de vorming van hun zedelijk karakter,

en


C 3o5 )

& dc heflnrijng van Tuin geheele levenslot afhangt. — Dit gewigtige Stuk was onlangs de (lof eener Prijsviage bij de loifciijké Maatfehappij: Tot Nut van 't Algemeen, waarVan wij ons voortreffelijke produkten en gevolgen mogen voordellen.

Men moét de holen des ongeluks zelf bezocht, de wanzedclijke ontaarding en verlaging, daar heerfenende, gade geflagen hebben, om den regten prijs re stellen op de vorming van een verbeterd nagedacht. Mén bezoeke de Koloniën Fr ederiks- en Wilkms-oord, en het Jndituut voor bedelaars, enzv. in de Ommerschans,- men zie naaide menfehen, zoo als zij van Wijd en zijd, uit schamelé hutten, opgepropte godshuizen, wees- en armén-geftichfen, werkhuizen en bedelaars-indituten, aanlanden, zich vertoonen cn gedragen; men ga daarentegen naar de woningen der feclert een paar jaren gevestigde Kolonisten; men fla daar ouders en kinderen met een vergelijkend oog gade; men begeve zich naar de' werkplaatfen en fehöïen, waar voornamelijk de 'jeugd tot kennis, arbeid en eene zedelijke denkwijze wordt opgeleid; men zie daar, en hoore de vorderingen der kinderen in beschaving en web voegeliike zeden; — en wij' zouden ons zeer bedriegen, indien niet ieder man van verftand en billijkheid met verrukking zich overtuigd vond van den alvermogenden invloed, dien zelfs een kortftondig beduur van dezen aard op het heerschend bestaan van diep verbasterde menfehen, maar vooral op dé verftands- en hartevorming eener altijd meer buigbare jeugd, oefenen kan. Men mag daaruit vrijelijk beduiten tot de veel grootere gevolgen, die eene dergelijke opvoeding in den loop van ettelijke jaren zal kunnen hebben, inzonderheid bij het afkomend ge» i > i <? acht.'


( 8oS )

flacht. — Benige weinige voorbeelden van wanzedelijkheid, ook in de Koloniën gegeven, leveren geen bewijs hiertegen op: zij zijn het noodlottig gevolg eens al te zeer ingewortelden, en dus onoverwinnelijken bederfs, en, — met uitzetting uit de Koloniën, of verwijzing naar Ikenger opzigt gedraft, worden zulke voorbeelden, hoe treurig ook op zich zelve, waarschuwende leerbeelden voor anderen, die anders gevaar liepen, van door het wanzedelijke dier enkele decbte familiën verlokt te worden.

4. Een laatde hoofddoel der opvoeding van het kroost der minvermogende familiën moet zijn, hetzelve aan het vaderland te verbinden, en voor den dienst des vaderlands op aUe wijzen nuttig te maken. — Een wezen, in maatfehappij levende, dat aan zijnen geboortegrond niet gehecht; en voor de belangen zijns vaderlands nutteloos is, is gelijk aan een' boom, die door zijne breed verspreide, doch aan den grond niet vasthoudende worrelen, alle mogelijk voedfel uk denzclvcn trekt, zonder door takken of vruchten eenig' voordeel af te werpen. — Geene klasfe der maatfehappij is tot den dienst des vaderlands meer gedrongen, maar ook tevens duurder verpligt, dan die der onvermogenden. Deze menfehen, in Godshuizen, als huiszittende armen, of op andere wijzen, door de maatfehappij tot derzelver kinderen en voedfterlingen opgenomen, hebben aan de masfa hunner medeburgeren, en aan het Beduur, dat hen beschermt, eene onberekenbare verpligting, en zijn dus, meer dan ecnige andere dand, gehouden, in vergoeding daarvan, aan het hen beweldadigend vaderland, in alle billijke gevallen, tegen eene behoorlijke vergelding, hunne beste dienden te bewijzen. De aandrang hiertoe moet bij hen des te der-

ker


ker zijn, daar, aan den éénen kant, het behoud, de welvaart der gardche maatfehappij hun éénig fteunfel is, en de zucht voor het vaderland dus bij geene klasfe krachtiger dan bij hen moet werken; en aan de andere zijde, alle dienden, aan het vaderland en de maatfehappij bewezen, tot verbetering van hun eigen bestaan geleiden. Ja, het is de minvermogende klasfe, die door loon- en krijgsdienften, allerlei kleine burgerlijke bedrijven, handwerken, fabrijkmatigen en land-arbeid, zeevaardij, over-, planting in de 'buiteniandsche bezittingen, en wat niet al meer, een groot gedeelte draagt der werkzame lasten van den Staat; maar het is diezelfde klasfe tevens, welke, geen ander middel van bestaan vindende dan daarin", langs dezen weg zich voor den hongerdood, beveiligt, en zich, bij een goed gedrag, den weg baant, om tot beter fortuin te geraken, en van graad tot graad in de maatfehappij op te klimmen. De arbeidsman, die vlijtig en kundig is, komt veelal trapsgewijze tot welvaart en eigendommelijk bezit; de kundige fabrikant vergroot allengs zijne verdienden, en wordt niet zelden van knecht, eindelijk meester; de dappere foldaat heeft kans, om, na zijne borst voor het vaderland ter batterij geboden te hebben, ' tot dc eerfte rangen in den krijgsdienst -bevorderd te worden; hoe menig een' gering' bootsman of schrijver hebben wij, door oppasfendheid, in den zeedienst of n de koloniën van den Staat, tot aanzien en rijkdom verheven gezien! Met één woord, alles'noopt den onvermogenden dand, ook zijn eigen belang, om aan het vaderland verkleefd te zijn, en zich daarvoor nuttig te maken; en alles belooft hem een ruim aandeel ha deszelfs geluk.

Wat -zijn armen en onvermogenden, die geen vaderland li 13 heb-


( 8o3 )

hebben? Het zijn.zwervelingen, oyc;ge'aten aan h$ wreedile noodlot en aan hunne wanhoop! — En wat is een vaderland, welks' door de fortuin karig, bedeelde kinderen hetzelve niet liefhebhen, niet nuttig dienen wil-; len? Het is een verlaten schip, dat, in vohe zee door allerlei dormen aangevallen, aan zijn noodlot ter prooi ge, geven is, en, ftraks door de radclooze manfehap afgeloopen, in een roovers- en ïnooraenaarshol ligteiijk veranderen kan.

Maar zoo verlaten zijn onze behoeftige Panelen, den Hemel zij dank! nog niet; en zulk eene ontaarding jegens het vaderland mogen.wij in dezelve nog niet onderdelien. Neen, een wél berekend eigenbelang, cn het heldenbloed, bij Water lox voor -Algiers, en in. onze Oostersche bezittingen nog onlangs gedort, zijn ons de waarborcen, dat Nederland nog op'nuttige dienden eu warme verkleefd'rieid, ook zijner min vermogende kinderen, rekenen mag; en hoe die dierbare moeder van ons allen ook moge geteisterd zijn en gebloed hebben, — zoo veel kracht en voedinglap. heeft zij, onder het tegenwoordig vaderlijk Beduur, toch nog behouden, dat zij alle hare regtgeaarde telgen, zelfs de minst-gelukkigen,, indien zij anders lust tot'arbeid en nijverheid hebben, aan de moederlijke borst Verzorgen kan. Nieuwe aders hiertoe zijn ook door liet kolonifatieftelfel geopend; maar zal dat delfei eene rijke voedingsbron voor het minvermogende gedeelte, der natie worden, dan behoort deze-klasfe zich aan bet vaderland, uit eene teedere zucht voor algemeen en eigen heil, diensti aniioiT Asm mi ptpn voor hetzelve armen ukge-

t'tUU LV. HVlivu, -.

ftrekt, krachten ingefpannen, handen te werk^ geflagen, en, des noods, levens in de waagschaal gedeid worden.

Het


( >

ilet is alleen door deze wederkeerigheid, dat het Land behouden, cn de milde voedüer van allen kan en zal blijven. — Hiertoe nu is eene opvoeding" der jeugd, bovenal, der minvermogende, onontbeerlijk, die de vonken van vaderlandsliefde in het jeijg (g bloed dort, die de kinderen doet begrijpen, in welk een verband hun eigen toekomdig geluk met dit der geheele maatfehappij staat, en welke zegeningen onze algemeene moeder bezig is, ook voor bea te bereiden, indien zij zich aan haar willen verbinden en dienstbaar dellen.

Het is op deze wijze, door eene opvoeding aan het opkomend gedacht der minvermogenden te geven, die â– hetzelve met de door ons kortclijk ontwikkelde beginfelen -Dekecd doet worden, en die het als van zelve, door eene gepaste leiding, vormt tot >yïjze, arbeidzame, zedelijke eu vaderianalicvende leden der maatfehappij: — daardoor alleen is het, dat men dit gedeelte onzer nationale jeugd, en bij terugwerking ook dcrzelver ouders en betrekkingen, zal: kunnen opleiden, om zelf gelukkig en een zegen des vaderlands te worden. — En welk eene aanwinst, indien die te verkrijgen is! Dat ongelukkig gef ach;, hetwelk te voren een ballast der maatfehappij, het knus der burgerlijke cn kerkelijke gemeenten, der liefdegedichten, de gcefel en de schrik des platten lands,;n alom een broeinest was van allerlei lage zcdeloos-

],c;j ' als nu te zien hervormd worden in een ge-

nootfehap van achtingwaardige jongt lieden en huisgezinnen, die bedhaaid, bekend met hunne pligten en belandoor nijverheid cn goede zeden 'beminnelijk, hun hatend tüt'liefde dienen, en door hetzelve -wederkeerig met weldaden beloond worden; die. dus regt geschikt lii 4  kun-


( 8io )

kunnen warden, om gelukkig te zijn en gelukkig te maken!—- Wèl hun, die den weg bereiden, om zulk eene heerlijke uitkomst te helpen daarftellen! Daartoe iets bij te dragen, was het doel dezer Verhandeling; en om dat doel te naderen, wilde ik

II. In eene tweede afdeelicg, eenïgc der geschiktde middelen opgeven, welke kunnen worden aangewend, om onzer minvermogende jeugd eene opvoeding te verschaffen, welke haar tot zulke nuttige en gelukkige leden van den Staat vormen kan.

Men verwachte hier geen volledig fielfel; flechts weinige wenken zullen genoegzaam zi-n, om den regten weg in dezen aan te wijzen, en onze meening voor den Lezer, die in het onderwerp belang delt, bevattelijk te maken. Het- meer uitgewerkte mogen wij zoeken in, en verwachten van de Schriften dier edele Maatfehappij, die niet ophoudt zich door hare nuttige bemoeijenisfen in hot vak der volksopvoeding verdiendelijk te maken. Wij bepalen ons dan tot de volgende raadgevende voorschriften.

Men geve den kinderen een doelmatig onderwiis ia de eer/ie gronden van alle wetenfeaap en eener godsdlenjlige zedekundc; cn men beginne daarmede al vroeg.

Voor huisfeliik onderwijs zijn weinige ouders van den geringen burger- of boerendand geschikr; men moet dus over het geheel tot wèlingerigtc fenolen de toevlugt neT ■men, en wat jonge kinderen betreft, zijn deze laatfte tot op zekere jaren Welligt zelfs bifVoorkeur aan te prijzen, vooral wanneer dezelve, gelijk thans vrij algemeen bij ons het- geval is, klasfikaa! zijn ingerigt. Maar het onderwijs, daar aan kinderen van geringèren dand te-geven,, behoort doelmatig te zijn-ontworpen, dat is, niet flechts l.i j, be-


C tai )

behoort er eene goede keus vair leer- en leesboeken, een. wélBestuurd onderwijs en eene betamelijke orde en policie in de school plaats te hebben; maar ook behooren â– de vakken van onderwijs: zoodanig verdeeld en ingerigt te worden, als voor de behoefte der kinderen van deze klasfe, met het oog op derzelver tcekomftige bedemming, noodig is. Niet, dat wij dc inleiding tot velerlei andere wetenfehappen, waarvan wij boven een aantal hebben opgenoemd, zelfs voor de leerlingen in dc -primaire scholen zonden afkeuren; doch wij mcencn,.dat men bij kinderen van den minderen dand zich hoofdzakelijk bepalen moet bij die eerde gronden aller kennis, die voor den arbeidenden menseh bijzonder onontbeerlijk zijn, namelijk he: "pellen, lezen, schiijven en rekenen, immers tot den regel di â– â–  rf toe; waarbij het nuttig is, ter opwekking van het zedelijk gevoel, eene linderlijke zedeleer, op gods-Aenfnge beginfelcn gebouwd, en, zoo mogelijk, ter veraangenaming, de zangoefening te voegen. — Ziet daar nagenoeg het eerde lehool-onderwijs gereduceerd tot datgene, waaruit het in de tijden onzer voorvaderen bedond, met dit onderscheid. dat er toen aan geene kinderen van hooger' dand eenig meerder wetenschappelijk onderwijs werd toegediend. — Kan men den kinderen van. geringde klasfe tevens eenige algemeene begrippen geven van dc Bijbeifcbe en Vaacrlandlchc Gcschiedenis, van de Aardrijkskunde, enzv., wij mogen dit gaarne lijden; doch altijd moeten de eerstgenoemde grondwetenfci lappen den vóórnamen gronddag uitmaken. — Maar daarbij behoort dan, in ons bedoeld geval, vooral gevoegd te worden een beknopt en duidelijk onderrigt in do kennis der ambachten, der fabrijkmatige handwerken, en van den landbouw ui 1 lü 5 «1


( 812 )

gl zijne hoofdvakken, Dit is hoofdzaak, en wel daar. Om, dewijl het den kinderen niet alleen eene zinnelijke alieidmg verschaft, bij het abltrakte cn werktuigelijke der andere "vakken van oefening, maar ook regtdreeks geschikt is, om hun zoetvoerig finaak en hebbelijkheid voor hunne toekom dige bcftemming in te boezemen. Zells behoorden de fpel- lees- ichriji- en rekenoefeningen, zoo veel mogelijk, daarmede in verband gebragt, en de godsdiendige" zedeleer hun toegediend te worden door de lektuur van zulke boekjes, die het een en ander meer onmiddellijk op hunnen dand toerasfen.

Men wanc^ echter niet, hiermede, wat het onderwijs der- onvermogende jeugd betreft, genoeg gedaan te hebt b:n; vetmschap is goed cn noodig; maar doen is de voorname bedoeling; de kinderen moeten daartoe keren* opdat zii eerlang bekwame werklieden,-nijvere arbeiders, kortom, werkdadige menfehen worden, die eerlijk MN eigen brood kunnen winnen. Alle wetman, die met r;,;,!rreeks hierop aanloopt, is voor hen" verlóren, en hun 'tijd, anders:daaraan toegewijd, zal veel beter bedeed zijn, door hunne schoohiren te doen afwisfelen, — gelijk ZUlks in onze Koloniën en in Ho/wij!, en ook in een' anderen geest te Nev-Lanark, geschiedt, — met dadelijke oefeningen op en in dc werkpLiatien, waar -ambachten, fabrijkmatige arbeid en landbouwkundige werkzaamheden geoefend worden, die dan tevens geschikt zijn, om hun oot eene verderkende Ugchaamsbeweging te vcvichafièm Kan men met deze- oefeningen het dragen van niet al te zware lasten, en andere bewegingen, die dc mfpamdng der {pieren bevorderen, vereenigen, — zoo veel -tc beter voor 'der kinderen gezondheid cn werktuigelijke iigchaams-

ontwikkeling. ',

ZoSI


(.013 â–  }

Zoodanige zijn de ruwe omffekkeo, van het schoolom. dn-wijs"," dat de jeugd der..minvermogende klasfe behoeven zoude.'— Èn met dit onderwijs behoorde men vooral vroegtijdig te beginnen, ten minde niet later, dan.met der' kinderen derde of vierde jaar, naarmate zij vatbaar, gezond en welgemaakt zijn. Wij zijn het geheel niet eens met die thtorislen van onzen.tijd,, die eenen veel latere?, aamang van het onderwijs der jeugd.aanprijzen, Wij keuren.0 bovenal voor kinderen uit de arbeidende klasfe een vroeg begin noodzakelijk, cn wel om deze drie redenen: i. omdat de kinderen voor eene verftandelijk-werktuigelijke onvoeding al zeer vroeg vatbaar zijn niet alleen, maar: pok daaraan volftrekte behoefte hebben. Wordt hun dezelve niet door'anderen, gegeven, dan «SPS zl3 dk am zeiven, en elk gevoelt, dat dit niet dan ten nadcclc kan zijn van hunne' verfta > -.r-ontwikkeling en zedelijkheid, Men moet net kinderlijk hoofd gewis niet overladen,, maar zaehtkens aan, naar den. eisch zijns wegs, hetzelve aan-, vullen, cn dan, wij houden er ons verzekerd van, zal. zulks nimmer nadeel doen; a, omdat de aard der werkzaamheden, waartoe het kroost der onvermogende klasie is bedemd, veelal mechanisch zijnde en kracht-infpannmg vorderende, eene vroege ontwikkeling der phyjickc krachten niet alleen, maar ook eene tijdige gewoonmaking aan, en 'net verkrijgen van hebbelijkheid tot den arbeid vereischt. Dc dageïijksche ondervinding in onze Kolomen leert,' dat menfehen van zekere jaren, hoe welwillend es gezond anders, veel moeijelijker tot cenen arbeid, waartoe zü niet in, hunne, jeugd waren opgeleid, zijn te bekwa.'. lâ„¢.,rfa a\;nnrrar,c 1â„¢ mMcipa - al was zelfs dc fa-

brijk- en land-arbeïd htiii tot dus verre vreemd, eene ver-


C 8i4 )

wonderlijke vatbaarheid ontwikkelen \ en de eerden met fjjfcten, enzv. de knapfte, meer bejaarde Kolonisten op zyde dreven. Het bekende spreekwoord zegt niet ten onregte: wat men vroeg leert, doet men oud nog wél; — 3. omdat (en deze reden is bovenal van gewigt), de kinderen van behoeftige ouders, die een gedeelte van het bedaan des huisgezins moeten aanbrengen, altijd genoodzaakt zijn, vroeger dan andere kinderen den tèhóotèürfus, te eindigen. Zij behooren dus, *om -in eenige evenredigbeid met de kinderen van meer vermogenden geoefend te worden, des te vroeger te beginnen, en kunnen'dit ook, omdat hunne doorgaans ftevigér'fojjfêïte de liderkracht vroe» ger bij hen ontwikkelt, en hen minder biootdelt aan de nadeden eener gezette infpanning van het denkvermogen cn geheugen bij kinderen van een' vertroetelden aanleg.

Tweede raadgeving: Men gewenhe deze kinderen van jongs af tot een arbeidzaam, werkdadig leven.

De redenen waarom, en de wijze hoe, zijn zoo even reeds door ons aangewezen. Het zal genoeg zijn, ter uitbreiding hierbij nog tc voegen, dat, blijkens de onder-, vinding, de bekwaamde en gezondfte werklieden, in welk vak dan ook, doorgaans die zijn, welke van hunne eerde jeugd af tot arbeid en bed/ijf zijn aangebragt, terwijl de kweekelingen eener louter theoretische opvoeding niet zeiden hun geheele leven door een weekelijk gedel bchotiden, cn te ongeschikter blijven voor het prakt ische, naarmate de theorie van het wetenfcbappelijke huime hoofden meer met verwaarde inbeeldingen vervult. Zulke heden zijn doorgaans schoone praters, maar als het op doen aankomt, ftaan de handen verkeerd. V \

Men gewenne dan de jeugd, zachtkens aan, om >e ar v bet


C S15 D

belden; men doe haar het aangename en nuttige hiervan gevoelen; men, verbinde in haar begrip aan een werkdadig leven fteeds het denkbeeld van eer, van zeltitandigbeid, ja van een ruimer levensgenot; men wijze haar uk de algemeene en Vaderlandsche Geschiedenis voorbeelden aan van mannen, die, soms van geringe hei-komst, door werfcdadigheid en arbeidzaamheid, groot geworden zijn, en zelfs hunnen naam onfterfelijk hebben gemaakt: Waarbij men hen dan vooral op onzen beroemden de ruiter zou kunnen wijzen. -— Voorts kunnen, behalve de kleine

oefeningen in hand- en véld-arbejd, de iaatde door

het vergunnen van kleine ruintjes ter bebouwing yeraah* genaamd, ook zoodanige kinderfpelen hiertoe dienst¬

baar zijn, die met weinig toedel, en zonder gevaar, eene meer krachtige ligchaamsbeweging vorderen, b. V. het kegelen, balschieten, kaaiden, wedrennen, enz. — De lokaliteiten en de ervaring zullen hieromtrent plaatfelijk veel meer aan de hand geven, dan wij hier kunnen opsommen. —r Genoeg, het doel der opvoeding zij en blijve tfteeds werkdadigheid, met verftandsbeschaving gepaard.

Hierdoor zal dan ook een derde voorschrift gemakkelijker zijne uitvoering bekomen: Men zorgi voor de

pbyjteke gezondheid en krachtontwikkeling der kinderen.

Niets toch is hiertoe meer geschikt, dan een arbeidzaam leven van kindsbeen af. Het menschelijk ligchaam is, gelijk alle werktuigen, geschikt, om door bewegingzijne geheele kracht uit te oefenen; ftilftand, rust, werkeloosheid belemmert de ontwikkeling dier kracht, en brengt zelfs ftramheid en verzwakking in dit, gelijk in alle werktuigen, voort. Wij hebben boven doen opmerken, dat het kind uit zijn' eigen' aard woelig én arbeidzaam is; en

dit


'C p )

dit weldadig iüftiïikt der Natuur heeft ten doel, om hou zelve gezond en flerk te maken. Welk een verichil tuSschen het ftoere,-et gefpierde,en aan zijn' fvisichen blos kenbare boerenknaapje, dat voor de schamele hut loopt dartelen, en het bleeke. ipierlooze heerenzbontje, dat, gelijk een kwijnend plantje van den kouden grondons reeds bezorgdheid voor eene vroege verkwijning ttóöezemt!

En van welk een belang vroegtijdige zorg voor der kinderen gezondheid en v;.yfieh krachten zij, behoeven Wij waarlijk niet te betoogen. Elk, die dcz.ch schat in zich of in de zijnen mist, betreurt dat gemis levenlang; terwijl ieder, die van een welvarend en tWuti gtftó is * dc aangenaamheid hiervan, en den duizendvoudige-Vloed, dien het op de wélvaart en het geluk des levens oefent'* dagelijks ondervindt, Zeker zijn de geitellen der kinderen, ook van geringe ouders, onderscheidco; men vindt er zelfs een aantal ziekelijke onder, vooral m 8e' fteden en Godshuizen, door eene verwaarloosde opvoeding, de ongeregelde leefwijze der onderen zelve, enz., die vele kiemen van ziekte en verzwakking in het figthaam des kinds vóör en na de geboorte overbrengen.. Met M al, bet gros dér armen-kinderen, in de vrije Natuur opgegroeid, is gezond en derf;. Deze schat, de pfodüktieffle van alle, welken de menseh'bezitten kan, moet zorgvuldig bewaard en aangekweekt worden, aangekweekt zelfs bij die kinderen, die er in eene mindere mate van bedeeld' zijn, maar bij wie het kwijnende vaak nog kan overwonnen worden; want, niet weinige kinderen van deze foort hebben wij gekend, die, na eenigen tijd beter verzorgd en opgevoed te zijn, vooral tot arbeid aangebV*. eene herschepping scheuen ondergaan te hebben. V f. >.. Men


r si? i

Jyiert zorge dan, zoo veel moge!"k, voor der kiiutercó gepaste reiniging', dngelijksche Pgcha-msbcweging, gezonden toereikend voedfel, weldekkencie Weeding,, en behoorlijke, doch wel afgemetene nachtrust. reen gt uien hiermede, hetgeen reeds ten aanzien van de arbeidzaambeid der leefwijze is voorgefehreven, dan zal men ongetwijfeld zeer veel bijdragen tot de gezondheid en sterkte van het opkomend gedacht.

Boven ailes moeten wij déncn raad geven aan alle ouders en opvoeders van kinderen, waarvan de verwaarloozing in vroeger jaren door onze ouders menig eenen onzer Lezers thans gewis op treurige gevolgen te Haan komt; t. w. dat zij toch hunne kinderen aan de lucht niet onttrekken, maar hen, mits welgekleed, aan allerlei weder"blootftellen. — Onbegrijpelijk is het, hoe zeer dit, van de jeugd af aan gewend, het puyfeek gcftel versterkt, hardt, en eene menigte van ziekten, vooral van zenuwachtigen en rhcumatieken a;>rd, vojrkomt. — Ons klimaat is gezond voor den inboorling, maar zeer veranderlijk, en daarom in den roep gekomen van ongezond te zijn, bij alle vreemdelingen, die gewoon zijn in eenpariger klimaat te leven, en bij hen, die plegen aan de wis-

felingen der buitenecht zich te onttrekken. Gewent

meN°zich van kindsbeen af, om in allerlei weder uit te ^aan, cn zijn werk buiten 's huis te verrigten, dan hardt men zich tegen vele ongemakken, en bekomt een robmur gedel; wij beroepen ons op het voorbeeld onzer visscheiiieden en der bewoners onzer zeedorpen, ja, va» alle die boeren- en andere ftanden, welke, gelijk men zegt, noch weder noch wind ontzien. -— Zulk eene onbepaalde luchtbading in gevorderde jaren voor het eerst te

wil-


C Sis )

willen, ondernemen, zou dwaasheid, en dikwijls van de  noodlottigfte gevolgen zijn; maar niets is gemakkelijker en heilzamer, dan er de kinderen, vooral van geringeren ftand, al zeer vroeg aan te gewennen, en het is buiten alle bedenking, dat daardoor persoonlijke sterkte en gezondheid sullen, bevorderd, en een deviger menfehearas aan het vaderland zal teruggegeven worden»

Mm geve den kinderen vroegtijdig zedelijke indrukje* len, en tracfitc ken voor heerschend zedenbederf en verleiding te bewaren.

De aangelegenheid hiervan is door ons.aangewezen, en over de geschiktde middelen daartoe, vooral onder het opzigt der Maatfehappij: Tot Nut van % Algemeen, meer dan ééne verhandeling geschreven, die met vrucht kaïï geraadpleegd worden. Wij zullen ons dus daarbij thans niet ophouden, en dit zou ook, naar dc ruimte van ons Tijdschrift, ons tot al te groote uitweiding noodzaken^ Ah leenip willen wij nogmaals herinneren de hooge noodzakelijkheid, om aan het zedelijk gedeelte der opvoeding van kinderen uit dien dand, waarvan wij hier handelen, de ingefpannenfte zorgen toe te wijden. Men kan zeer kundige leedingen vormen 5 men kan den jonge lieden kundigheden bijbrengen, die hen doen schitteren en boven hunnen ftand verheffen; men kan hen zelfs opleiden tot een werkdadig leven en goed bestaan; maar, wat baat dit alles, wanneer de jongelingen tot losbollen, de meisjes tot ligtekooijen opgroefen, door het vervvaarloozen van dcrzelver moraliteit? Zij worden dan toch nooit nuttige, gelukkige leden der maatfehappij; integendeel, zij zijn, in dit geval, voor zich zeiven des te rampzaliger, en voor den burgerstaat te verderfelijker t naar gelang zij meer kennis verkre-


c. i ') )

'gék, dus ook meer behendigheid, fluwhëid en list om zich in te dringen, en meer hulpmiddelen, om zich door de kundenarijen der ondeugd te redden. -—- Ach! dat men toch in onze scholen, vooral in die, welke voor de schalnele jeugd ópendaah, het zedelijk gedeelte â– der opvoeding Vóór en boven alles bèhartige, en zoo veel mogelijk zorge, dat deze zedelijke vorming ook in het ouderlijk huis door leer en voorbeeld onderdeund Worde!

Men l'oezeme der jeugd in' cn buiten de schooi Vaderlandlievende gevoelens in:

Wij toonden de betamelijkheid cn het gewigt daarvan aan, zoo voor de jeugd zelve als voor het vaderland; th wij kunnen dus op de noodzakelijkheid van deze bemoeijing niet genoeg 'aandringen.' Egotsmüs, eerzuchtige* reldburgcrschap j mfsgeerige dznhxijzc \ kunnen bij de boogere, hlcer verlichte itandeh } in betrekking tot de algemecne belangen; veel' uitwerken; en prikkels geven ter volbrenging van pligten ert opofferingen, welke het vaderland vordert; dc wërcldman voldoet vaak aan moeijclijkc vorderingen; alleen uit raifonnemem en dm dè welvoege? lijkhcid: Maar bij den onvermogende)! burger, tusichen wien cn het vaderland geene dan zwakke banden zijn, valt dat alles weg. Intusfeheh komen de zwaarde, dè hagdielijkde pligten ten dienste deS vaderlands grootendeels op hem neder; Wat zab jhfflïj dan wederhouden, om zich aan die pligten te onttrekken ^ en om tegen de wet zich aan te kanten.;; indien niet eene krachtige, beredeneerde ^ van jongs af hem ingeboezemde j én in zijn eigen belang gegronde zucht voor het Land zijner geboorte hem eene foort vart enthufiasmus daarvoor inboezemt, dat hem alle besvaren doet ligt achten, en als het ware boven zich zeiven verheft?........,

j»f star, lÜói N°. XT: K k Ie Veel


( 820 )

Veel kunnen en moeten a» ouders zelve doen, veel kunnen de opzieners en voogden van armen- en weeskinderen toebrengen, om de vonken van vaderlandsliefde in de ligt ontvlambare zielen hunner kinderen en kweekelmgen te ftrooijen; en ware dit overal en altijd gefehied, de vaderlijke pogingen van' meer dan één Gouvernement, om 'hen tot goede foldaten te vormen, of tot gelukkige bevolkers onzer overzeesche bezittingen te maken, zouden, even min als die der Maatfehappij van Weldadigheid, om jonge lieden in hare Koloniën te vestigen, met zoo veel weêrftrevigheid soms, en met zoo veel ondanks, beantwoord zijn geworden. — Dan het schoolonderwijs behoort inzonderheid veel bij te dragen ter ontwikkeling van een verftandig en edel patriotismus in de leerende jeugd, Vooral van den minderen ftand. — Het lezen van wél ingerigte boekjes over de Vaderlandsche Geschiedenis en het manvast karakter der Nederlanderen, van korte levensbeschrijvïngen onzer edele vaderlandsche vorden, belden en staatsmannen, het herhalen der lofdichten, op hunne graven gebeiteld, het choraal gezang van de bekende nationale liederen door de kinderen in de school, het mondelijk verhaal, door den onderwijzer, van doorluchtige en edele bedrijven onzer voorvaderen, ook uit den geringden burgerdand gesproten, welligt zelfs eene Voorzigtige aanmoediging tot den kinderlijken wapenhandel in de uitfpannings-uren, enz., komen ons voor de ge, schiktfte middelen daartoe te zijn. En de praktijk des verftandïgen onderwijzers zeiven zal hem gewis vele andere gepaste hulpmiddelen aan de hand geven, die ons nu niet invallen.

Eén middel bovenal, intusfehen, kan en zal hier *an de krachtigde uitwerking zijn, en dit is van te meerder be-

lans/,


lang, daar hetzelve in de magt is van het Gouvernement zelf, of wel, onder deszeïfs opzigt, van diegenen, wien de zorg voor de nationale opvoeding is toevertrouwd. — Dit middel geeft aanleiding tot het volgende, laatfte voorschrift: ^

Stort der jeugd van den behoef "ligen fiaiid van jongs af de ftreelende hoop m op eigene grondbezitting, onder beding van een leerzaam, vlijtig en braaf gedrag.

Waardoor verbonden dé Spartanen de kinderen des vaderlands zoo zéér aan den geboortegrond, dan door hun, na wél volbragten dienst en dappere daden, een gedeelte van dien grond in eigendom of vruchtgebruik af te ftam? En was de hoop op een gevestigd burgerregt, als de prijs van dapperheid en trouw aan den roem des vaderlands, ook niet de allersterkfte prikkel tot groote daden voor den Rorneinfehen foldaat? Pro aris et foeis (voor den Godsdienst en éigene bezittingen) ftreden alle oudere en latere Volken immer het dapperfte. Dit waren inzonderheid de sterke prikkels, die onze voorvaders aanvuurden, om eenen vaak wanhopigen oorlog, bijna eene eeuw lang, tegen de eerfte mogendheid van het toenmalig Europa vol te houder; en het zal altoos waar blijven, dat, örri menfehen, niet dierlijk, maar rationadl, en tot huttige Hfultalen», aan hunnen geboortegrond té hechten, men hun een eigen'aandeel'daarin geven moet (*). Men fehenke hun dat niet als gift, men doe het hen als eene vrucht van eigen' arbeid en nijverheid verwerven; doch men verzekere hun dan ook, onder dat beding, van eens zei ven grondbezitters te zullen zijn, en men zij htm behulpzaam, om zich de regten van gebruik

of

(*) Gelijk dit dan ook hng omtrent de Uitgediende toliiïen in N-jord-Jmerika geschiedt;

Kkk 3


C s22 )

of eigendom op dien bodem te verwerven. Zoo veel fe meer verkleefdheid zal dc menseh aan zijne bezittingen geVoelen, zoo veel te vuriger zal hij den grond verdedigen en beschermen, naar gelang de verkrijging daarvan hem meer arbeids, zweets en zorge gekost heeft. — In één woord, indien alle burgers matige goedbezitters waren, wij zouden doorgaans meer brave burgers, en liet vaderland zou deeds de moedigde verdedigers hebben.

Van dit beginfel uitgaande, behoorde men dus der min vermogende jeugd al vroeg eene schilderij op te hangen van dè zegeningen, die in het verschiet op hen wachten, door het verkrijgen van eigen woning, have en grond, als de loon, door eigen braafheid en vlijt te behalen. Welk een fpoordag zal dit hun geven tot de meest mogelijke infpanning en een betamelijk gedrag! Hoe zal het hunne belangdelling bij de welvaart en behoudenis des vaderlands, aanvuren! En hoe zeer zal daardoor elke neiging tot een lui, bedelend, nomadisch leven bij hen onderdrukt worden! Het is toch maar waar: om goede burgers te vormen, moet men hen in den grond hunner geboorte doen wortelen.

Wij zouden nu ten flotte moeten aanwijzen, dat alle deze voorschriften en beginfelen zich, vereenigd, het beste laten in werking brengen door het delfel van kolonisatie; en in welk een naauw verband dus dit delfel daat met eene goede opvoeding der minvermogende jeugd en met het geluk der geheele natie; doch* onze bepaalde ruimte gebiedt ons, dit dot onzer Verhandeling tot het volgende Nommer uit te dellen.



TWEEDE GEDEELTE


ïï UITTREKSELS OF BEOORDEELINGEN VAN ' BELANGRIJKE WERKEN, VOORSTELLEN, BE1UGTEN, KORRESPONDENTI'ÉN, ESZV.

NATUUR- EN AARDRIJKSKUNDIG, EN WIJSGEERIG OVERZIGT DER BIJZONDERE GEDEELTEN VAN

SP AANSCH-ZUWr AMERIKA. (Vervolg van N°. VII, bl. 530.)

Peru. (*)

Het getal der Incliaansche inboorlingen is federt de Verovering des Lands afgenomen, en dat der andere Costeh niet evenredig toegenomen zijnde, is de geheele bevolking geringer, dan bij de aankomst der Spanjaarden. Deze ^ vermindering is echter van tijd tot tijd overdreven rreworden. De laatfte volkstelling geeft aan Peru in zijnStaatkundigen omtrek niet meer dan 1,100,000 inwoners; doch men onderlicht met regt, dat meer dan 200 000 Indianen zich aan dc telling hebben weten te onttrekken.

» LU

m OU bl. 53o ia een woord uitgevallen. Er Haat in het Hot: Het vervolg over ChW, Paraguay, enzv. W 2V\ YHI, lees: Over Peru, Chili, Paraguay, enzv.

Kkk 3


( 824 )

Lima alleen zon dus 1,300.000 inwoners bezitten. Ee Provinciën van Peru, afgescheiden, om bij Buenos-sfyres gevoegd te worden, worden gefcbat op 1,500,000 zielen. Het Rijk van Quito, desgelijks afgescheiden, telt er 700.000. De geheele werkelijke bevolking van Peru bedraagt dus thans 3,500,000 ingezetenen. Alzoo beloopt, in ' onderhelling van dc echtheid der â–  oude tellingen, de yolksvcrmindering een getal van 700, of 800,000 zielen.

Des onaangezieu, blijkt het uit verscheidene andere daadzaken, dat Peru voorheen meer bevolkt en beter bebouwd was dan thans. Men ziet vele fporen van eene voormalige kuituur, en een overschot van groote werken ter grond-bevochtiging, in oorden, die thans woest liggen, gn de reizigers treffen dikwijls puinhoopen aan van. federt lang verlatene heden en dorpen.

Onder de oorzaken dezer ontzettende vermindering der Indianen, merkt uli.oa te regt op liet misbruik det iferke dranken, hetwelk meer incrischen wegneemt in een jaar, dar. de mijnen in eene halve eeuw. De Indianen van het gebergte (Siërra) geven zich daaraan met zoo veel woede ever, dat men hen vaak 's morgens op het veld dood vindt, na hunnen dronk van 'savonds. In 1759 moest h.et Gouvernement volftrekt de ftoking en den verkoop van geestige dranken verbieden wegens eene door de dronkenfehap hoogstgevaarlijkc, en onder de In -lianen toen heerfehende, ziekte. Ook de pokjes en mazelen rigten er groote verwoestingen aan, en in 1720 nam eene pestaardige ziekte [dè geele koorts?] de inwoners van geheele dorpen weg. De aanwas der overige Casten heeft almede veel invloeds op de afneming der Indianen ^ en moet eindelijk dit ras geheel vernietigen. Men heeft opgemerkt, dat overal, waar de Europeïrs

zich


C 8*5 >

zich vestigen, de inboorlingen in getal verminderen;

doch zij worden door MélU en Zambo, (bastaardrasfen) vervangen. Men kan zich met zekerheid een tijdvak vóórstellen, waarin al de zuivere rasfen, door onderlinge vermenging, "echts ééne enkele masfa, en dus een nieuw volk, zullen uitmaken.

De Indianen en de Kreolen worden doorgaans oud, en behouden tot het einde toe hunne vermogens. In Kaxamarka telde men in 1792, onder naauwehjks 7,000. inwoners, acht personen van 114 tot 147 jaren; en in 1765 ftierf in die Provincie een Spanjaard, oud ruim i44i jaren, nalatende 800 regtftreeksche afftammehngen.

De Métis {Mèsücen), in rang onmiddellijk op de Spanjaarden volgende, maken de talrijkfte klasfe van Indianen uit. Zij (kelen niet in dezer voorregten, maar /un ook aan hunne lasten niet onderworpen. Hartelijk toegedaan aan de Spanjaarden, leven zij in geftadige onmin met de Indianen. De Qjtarterons, uit het huweKjk van een' Spanjaard en eene Meslice gelproten, zijn van hunne vaders moeijelijk te onderscheiden. De C/wlos integendeel, geboren uit Indianen en Mestteen, keeren in de klasfe der Indianen terug, en zijn schatpligng.

De Neger/laven z\]n bestemd tot huisdienst, arbeid m de fuikerplantaadjcs en andere tecl-akkers van hunne meesters. Jaarlijks worden er ongeveer 500 van ingevoerd. De vrije Negers, in vrij grooten getale, worden doordans gehouden voor lui, losbandig, en voor de bewerkers der meeste ftrooperijen en moorden m het Rijk. De. Mulatten drijven doorgaans kleinen handel, en zijn schier de eeiüge, die verscheidene werktuigkundige handwerken efenen De Muletsche vrouwen, zeer gezocht als mmKkk 4 nen»


'C 8a« ^

hen, weten doorgaans het gAeele vertrouwen hare* Jircoolschc mcesteresfen te winnen.

De taal Qjtichua, bjjkans door geheel Peru, door- ƒâ€ž. en Spanjaarden, vooral doer de Spaavsche vrouwen gesproken, is, te Lima en te, de spraak dergalanterie en van den goeden toon. De Jtzuiun hebben die zachte, beschaafde taal in hunns zendcliKgschappeu ten oosten der Korêillióras veispreid. Men keurt die zeer geschikt voor de schildcraehtige Idylh en hartstögt©; lijke Elegie..

Van hoog en Jaag Bern, waarmede wij ons dus verre bezig hielden, verschiSen in onderieheidene natuurkundige opsigten de landftreken, die wij het inwendige of binnen/fe van Peru genoemd hebben. Derzelver bevolking schijnt niet geheel onder het juk der Inkas gebragt, noch van denzelfden ftam met de Denmanen herkomltig te zijn. De Spanjaarden ©nderfeheiden de ditb'ikten dooi:

vcrichillende benamingen 5 doch daar de landftreken en ftammen in wezenlijke trekken overeenkomen, zullen wij die onder een algemeen hoofdtafereel brengen.

De Indianen der binnenlanden zijn meer blank, sterker, en hebben sprekender trekken dan de Peruvianen. Eenige ftammen, b. v. de Kombos, zouden even blank zijn als de Spanjaarden, zonder de verkleuring door hec fineren met oliën en de fteken der moskkó's. De Karapachos zijn zoo blank bijna als de Vlamingets; zij heb* ben een' ruigen baard, en hunne vrouwen worden door vader girbel in schoonheid met de CïrkcujiJ'che en Georgische vergeleken. Het is niet vreemd, dat de misvormigheden onder deze volken bijkans onbekend zijn; wam alle kinderen, die aan de ouders voorkomen zwak of

wan-


C 82? )

fMtótapft te zijn, worden.terliond gedood, als tot 6» geluk geboren. In dc jongelingschap omzwachtelt men ai de gedeelten van het ligchaam, ter bekoming van. een' i'chooncn vorm > met hennip,

pe Chnaguas, voorbegn bewoners van La Pampa, drukten het hoofd hunner kinderen tuslchen twee plank, jes, die, het vóór- en aehterhoold.indringende, het ger laat verbreedden, en, gelijk zij het noemden, de gelijke* nis «her volle maan gaven. Dit gebruik schijnt hier nog niet geheel 'aigefehaft. De zendelingen lehrijven daaraan de doorgaande zwakheid van verhand en oordeel toe.. '.Bij de Panos alleen tefft de befnijdenis der meisjes

«j&tg;. De kinderziekte en andere oorzaken hebben

^"talrijkheid dezer Hammen zeer, ibmmige tot op 500 zielen, verminderd.

' De tun:/vallen dezer Indianen schijncn van dorp tot dorp te verithillen, hoewel van een klein getal moeder. P&n herkomftig. — De taal der Moxos heeft ecne kunstvolle Syntaxis (Woordvocgingslccr), die men onder deze wilden niet zoude zoeken.

Ai deze volkjes leven onder Kaciques of Voriten, soms onder twee tegelijk. Volgens de Zendelingen zou de

veelwijverij door. hen verfoeid worden. Hij de meeste ftammen worden de huwelijken gefloten tuslchen de hoof. den der heide faunliën en jonge lieden, federt derzelver InndsGhheid zamen opgevoed. Niet zeldzaam is het paren te zien, die elkander tot in den dood beminnen, en meer dan eene wilde artemisia begroet' in haar ingewand de

assche van haren man, Van den anderen kant echter

kunnen de echtgenootennaar het regt, met wederzijdsche bewilliging scheiden.

Hun godsdïcnftig geloof is geëvenredigd aan hunne.Kkk 5 p*


C S«8 )

gebrekkige beschaving* Zij ftellen zich het Opperwezen voor als een oud man, die, na de bergen en vlakten 'onzer aarde gevestigd te hebben, den hemel voor zijne behendige woonplaats gekozen heeft. Zij noemen hem Vader of Grootvader, doch wijden hem geene tempels noch altaren, De aardbevingen ontdaan, volgens hen, door zijne tegenwoordigheid op onzen aardbol, en zijn de schreden van eene vergramde Godheid op het gebergte. Om hem hun ontzag te toonen, verlaten zij, bij het voelen eener aardbeving, hunne hutten, danfen, springen, dampen met den voet, en roepen uit; hier zijn wij/ hitr zijn wij! -— Vele ftammen aanbidden de maan. -— AI deze Indianen gelooven aan eene foort van duivel, die onder de aarde huisvest, en aan al het levende tracht kwaad te doen. Zekere personen, Mohanen geheeten, worden geacht, gemeenfehap met den duivel te hebben, en zijnen invloed te kunnen weren; dit zijn de eenige Priesters dezer volken; men raadpleegt hen over oorlog en vrede, over den oogst, de volksziekten en liefdeszaken. Gevaarlijk is het beroep dezer waarzeggers; indien hunne tooverkunften het beloofde gevolg niet hebben, wreekt de door hen bedrogene zich door hunnen moord. — Hunne talismans (Piripiris), uit planten zamengcfteld, dragen zij op armen, voeten, en wapenen; fummige kaauwen die, en werpen ze in de lucht; van eenige drinkt men het aftrekfel; daar zijn er, die verliefd moeten maken, de jagt doen gelukken, den goeden oogst verzekeren, regen verwekken, of de vijandelijke legers veritrooijen.

Vaa al de wonderen der JSIohanen, door hunne talisman?, zijn de geneeskundige de schitterendfte, maar ook ée gevaarlijk-fte, p£3r ji de ziekten aan hunne en 's duivels


< 8*9 )

veis invloed worden toegeschreven, is het eerftc onderdek bij eene ziekte, wélke Mohane den kranken betocverd hebbe. Te dien einde drinkt de naaste bloedverwant een aftrekfel van de datura arborca L. j door deze foort van plantaardig vergif bedwelmd, valt hij neder en blijft vaak twee, drie dagen, in eenen staat van schijr^ dood, Bijgekomen, berigt hij zulk of zulk een' Mohane gezien te hebben; men fpoort dien op, welke naar de beschrijving gelijkt, en men dwingt hem, de genezingvan den zieken op zich te nemen. Is deze inmiddels ge* ftorven, dan tracht de familie den Mohane te dooden. Indien het vifioen geene duidelijke uitüuiting gaf, dwingt men den eerften Mohane den besten, om voor geneesheer te fpclen.

Waarschijnlijk bezitten deze tooveraars, bij overleve-. ring of ervaring, de kunst, om sommige zieken te genezen, andere te dooden. De geweldige en talrijke vergif, ten uit het groeijend rijk, die deze luchtftreken opleve, ren, kunnen, onder zekere bepalingen, hevige, maar vaak heilzame hulpmiddelen opleveren, Intusschcn vertoont zich de Geneeskunst hier^flechts als een ftelfel van bijgeloovige handgrepen.

Zijn alle middelen vergeefs beproefd, en vertoonen zich gèwisfe teekenen des doods, dan redt zich de Mo'tam met eene foelie ylugt, doch niet dan onder de ftókflagen en lleenworpen der familie (*),

Ettelijke dammen aan de Amazonen-mier gclooven,

dat

(,*â– ) Na dit alles zqu men zeggen: Wie zou dan nog een Mohane willen zijn? En echter maakt het faaathmus ook dien ftand onder de Ipdianen begeerlijk! O bijgeloof!

Dg VERT-


( Sjo )

«dat de ziel in-de andere wereld onder eene tncnschclijkfi gedaante blijft bcftaan. Deze Indianen zeiden aan de zendelingen: „ Wij vreezen den dood niet; onze voorva,„ ders en vrienden wachten ons in de andere wereld. Zij.,, houden er gekookte pifang en brood van Cas/ave gereed, „ om ons te ontvangen. Wrj zorgen, dat men in ons graf „ plaatfe eene koperen bijl, een' boog, en eene volle \va„ penrusting, om onverwijld onzen zegepralenden intogt „ in den hemel te kunnen doen, langs den melkweg, „ die verlichtige gaarde, waar onze voorvaders zich met „ danfen en feesten vermaken. Intusschen zullen onze „ nazaten ons soms de dooden der vijandelijke ftammen „ zien verdaan; dan zal men uit donkere wolken een' ge„ weldigen orkaan zien opkomen; de blikfcm zal in onn ze handen Uitteren; en het gedruisch van den val onzer „ vijanden, uit den hemel neêrgeftort en in woeste dieren,, herlchapen, zal door de lucht dreunen als een ver„ schrikkelijke donder."

Bij deze denkbeelden, vrij algemeen onder de Indianen, voegen dip aap de boorden van den Ukayal, zoo het lèhijnt, nog de leer der zielsverhuizing,

„ Waarom," zeide er een tegen eenen Jezuit, „ zoo,, veel van mijne zonde gesproken? Al uw gepraat van „ de hel is een hoop fabelen. Ik ben verzekerd, dat „ mijne zonden mij niet zullen doen branden; ik zie „ rondom mij, wat mijne voorouders na hunnen dood „ geworden zijn. De regtvqardige en wijze V(uilen, de „ dappere krijgslieden, de getrouwe vrouwen, leven, na hunnen dood, in de ligchamen der dieren, wcike door „ derzelver kracht, vaardigheid, of bevalligheid, onder„ schciden zijn. Bovenal ontzjen wij de groote apen, „ wij buigen voor hen, en brengen hun allerlei eerbe-

„ wijs


C 3

„wijs toe, omdat hun ligchaam door de zfélefi'ön^êf „ voorvaderen bewoond wordt. De zielen der boozen erf „ der 'verraders zwerven in de lucht of op de aarde om, ' of zij zuchten geketend onder in de rivieren. Maat * niemand van ons wordt in de toekomftige wereld ver„ brand."

De rouwklagten dezer volkcd oiidêrscheiden zich alleert door de groote vcrscheidcnheid van geluiden. De eenë bootst het gehuil des tijgers ha, de andere het neusgckriisch der apen \ een derde kwaakt als de ldkvorschen, Door dit mengelmoes van geluiden Willen zij zeker aanduiden, dat al de elementen den overledenen beweenen.

Na de rouwkreten vernietigt men al wat aan den dooden behoorde, en verbrandt zijne hut. Het lijk wordt In een groot aarden vat, voor kist dienende, gelegd, op eene eenzame plaats begraven; en, daar de overige volken der aarde hun laatfte verblijf trachten te vereeuwigen, verbergen. deze Indianen hetzelve met de grootfte zorgvuldigheid, zelfs door het graven van eene floot er over henen, opdat het niet ontdekt worde; ieder vermijdt de oorden, die ter begraafplaats dienen (*), en bij de meesten dezer volkjes is het minfte reppen van den overledenen verboden.

De Roa-Maines hebben eene eigene, zeer opmerkelijke gewoonte. Na eenig tijdsverloop delven zij het lijk weder

SPiÈ#^W^«> « -.Of»,

C*) Schijnbaar wel niet fentinïenteel, maar echter zeer **èfoga**ta het denkbeeld van. de ««f der dooden, een denkbeeld, zelfs den Christen dierbaar, en zoo eigenaardig bij het begrip van ontkieming des lijkftofs ter h:>rieving, als een zaad, in de aarde gestrooid.

/ DE VtRT.


C 33i )

op j, én wanneer zij nieenen, dat de vlèeschdeelen zijn afgescheiden, reinigen zij het ligchaam, leggen het in eene kist van leem, bedekt met beeldschrift in den Egyptischcu trant, stellen het dn hunne hutten ter vereering der nageblevenen ten toon^ en begraven het eindelijk voor de tweede maah De Kapandguds eten hét gebraden vleesch der dooden op; voorgevende hen daardoor të vereeren.

Verscheidene hammen worden gezegd hunne krijgsgevangenen op te eten, onder andere, de Guagas, die wclligt een tak zijn der wreede Giagas van Afrika. Zij binden hun middel in, om eene zeer ranke gedaante te hebben.

De landbouw der Indianen van de Ukayat en Htiallaga bedoelt juist niet het bekomen van voedfeh Zij vinden dat. in het viervoetig gedierte en de visschen van hunne bosfcbcn en rivieren overvloedig. Zij bedoelen daardoor vooral het verkrijgen van een' meer gezonden drank,dan dien, welken hunne vaak flikkige of moerasfige wateren 'hun aanbieden. Zelden drinken zij zulk water, cit zij doen het niet dan tón koste hunner gezondheid. Hun gewone drank, mitfato, wordt op eene walgelijke wijze uit de 3«H/7-wortel bereid: men kookt van dien wortel eene gelei, mengt er fpeekfel tegen, en laat dit mengfcl drie dagen gisten;. waarna men het in water ontbindt* Deze drank is bitter en bedwelmende*

Zij bekomen van de bewoners der Cordilliéras kleine koperen bijlen (Chambosj, door middel waarvan zij uit dc platte, maar zeer harde ftecnen, die zij in hunne rivieren hier en daar aantreffen, eene foort van bijlen vormen; zij scherpen die door een lang en- moeijelijk flijpen en herflijnen. Ziet hier eene proeve, hoe veel prijs de


( «33 )

Indianen op eene ijzeren bijl ftellen. Een hunner kw$sü aan den Jezuitschen vader richter zijn' oudften zoon aanbieden in ruiling voor zulk eene bijl. De gestat berispte hem wegens gebrek aan vaderlijke liefde. „ lk bc„ min mijne kinderen," zeide de wilde, „ maar ik kan „ er teelen, zoo veel ik wil; eene bijl te teelen, is mij „ niet mogelijk. Voorts, zal ik mijn' zoon slechts voor „ een' bepaalden tijd bezitten, terwijl de bijl het geluk „ mijns geheelen levens uitmaken zal."

Zeer aanlokkelijk zijn voor deze volken de woelingen van den oorlog, van jagt en vislcherij. Vol vertrouwen op hunne vergiftigde pijlen en lanfen, vallen zij zelfs den woesten Amerikaanschen tijger (Taguar~) aan, en naauwelijks heeft het in gif gedoopt wapen even de huid des diers doorboord, of her valt ftervende neder. De visfehen kunnen aan het vergif hunner grove hengels,en bccnen angels ontfnappen; maar zoodra zij den kop uit het water fteken, zijn zij verloren.

De dorpen zijn gebouwd in de manier van halve-maansche redoi/ten, met het bolrond leunende tegen bosfehen, met twee uitgangen, de ééne naar de vlakte, de andere naar het gebergte. Langs dezen laatften weg bergen zich de Indianen, wanneer zij zich niet meer kunnen verdedigen; in het gebergte herzameld, ftorten zij zich van nieuws op de overwinnaars, die dan soms hun flagtoffcr worden.

Twee trekken van menschelijkhcid kenmerken de Amerikanen: zij gebruiken nooit vergiftigde pijlen tegen meniehen; en zij dooden hunne gevangenen niet, maar behandelen die broederlijk.

Hoe nader de zendelingen tot de U ka jat doordrongen, hoe meer tegenftands zij vonden, vooral, toen zij die ri-


( 334 3

Vier wilden overtrekken.- Élocijendc zendclingschappen -aki de boorden der Manos j in de XVIIde en XVHIde eeuwen, zijn verloren gegaan; doch latere zendelingen hebben de gemcenfebap niet deze volkjes; onder anderen met de Panos, dierheid, en in den iegenwóordigen haat van zaken zullen waarfcilijrdijk verlichte gil ondernemende kooplieden of kuhivateurs vele verlatene kantons beriïellen, gelijk Don j#m kezarès reeds, gedaan heeft.

Sedert de afschafttg der Jezuikh- orde kwijnen do ^bicci-ende xendehngfthappen der Chiqüitos en Moxös.: Wat de natuurlijke geftcldheid des binnenlands van PSru betreft % Ook hier heërscht het dfoögé iaiznert van J->Idj tot December, en het regenachtige in de Overige maeudem Gedurende dit laatftc maken al de vlakten te zamef» een onmetelijk meer uit* 'De brsfcbcü, beeêtérS en fltaSerplanteu (Hanoi) schijncn op het watcf tc drijven; de Viervoetige dieren vlugten naar de hoogten^ terwijl « krabben^en oesters zich aan de hagfl* takken hechten.Blaast de koude droog-makende o'ostCwi^U dan valt het Water terftond, de heuvels langs de rivieren vcrt< Bö* zich* de eilanden étt banken zelve verrijzen Weder BÉ midden der' rivieren.- Ã�Je grootc -Vochtigheid en warmte vart dit klitifaat zouden bij dc EuropeBts cenigc voorzorgen' vercischen, om er hunne krachten te- bewaren; — Wat da wegen van gemcenschap betreft, derze «ijtl van den kant des Oceaans zoo menigvuldig, ais weinige aan de landzijde. van Iloag-Pcru. Men vindt hier alleen iTortvlocden \ watervallen, fteüe afgronden; in de wateren bahds of vlotten, van.riet zamengeftcM.' Laat men: zich op den rug van een" man door de bosfehen dragen, men in. gevaar van door dc takken, of van doornachtige ftruiker., éekwetst te worden.

; 1 w


C 835 )

De heuvels dct Ooster-Jmtes bevatten goudmijnen, en ook aders van Sal gemme. De vlakte, telkens overftroomd, biedt sroote vruchtbaarheid aan. Thans rs..alles met bosfcben overdekt. Op de bergen vindt men vele onvergankelijke houtfoorten; in de laagte dwaalt men door kreupelbosschen van kakao- en palmboomen. Men vindt er de keurigfte foorten des kinabooms. De wasboom der Andes groeit ook langs het lager gedeelte der Huallaga, hetgeen een bewijs is van eene aanmerkelijke verhevenheid. Vele boomen leveren gommen en ballems op; menige andere (treefen, door den luister en den geur hurtner bloemen, reuk en gezigt te gaden

Onder de zonderlinge voonbrengfelen van deze landftreken verdient gemeld te worden het ft, lekt, dat papier voortbrengt, en waarvan de zendelingen het volgende verhalen: Nabij de landflad Haanako en aan de boorden van de o^lluallaga, vindt men in de vallei van Pompaiuiko, én vermoedelijk ook wel in vele andere, een rnHu, door de Spanjaarden Sastillo genoemd, veel geRjkeri'dé naar onzen zijdeworm. Het leeft alleen, op den boom Pukat, beschreven onder den naam vnfrMimvfs toga, in de Flora Perimam. De Indianen, d;e hetzelve' voor een lekker beetje houden, vernielen er jaai> lijks eene groote menigte van, zonder dat het getal merkbaar afneemt. De ichoonfte boomen.zijn;er geheel van overdekt. Wanneer de SüsüMs, in den staat vali worm, verzadigd zijn van eten, vereenigen zij zich onder aan den boom, en kiezen eene plaats uit, geichüu om het,verwonderlijk weefiél op te hangen, dat het inftinkt hun leert zamenlMicn. De beste orde heerscht m hunnen arbeid- zij nemen üiptclijk de. wetten der jymmetrie in

DE STAR-, 1820, N°. XL 1.11 «ht.


( *tf )

acht, en hoezeer de uitgebreidheid, de fijnheid en buigzaamheid hunner weeffels verft tuilen naar het getal der infekten, die er deel aan nemen, en der bladen, die hen gevoed hebben, ontffaat er toch immer eene papierfoort, welke in glans, digtheid en (lerkte, naar het Chinfscht gelijkt, doch veel duurzamer is. Deze luchttent dient den Sustillo voor schuilplaats gedurende zijne inkleeding; zij hechten zich er onder aan vast in horizontale envertikale trosfen, zoodat zij een' volmaakten kegel vormen. — In dezen haat wikkelen zij zich ieder in zijn grof zijden bekleedfel, het tijdftip hunnes overgangs in eene pop, en daarna in een' vlinder, afwachtende. Uit' hunne gevangenis verlost, maken zij zelve grootftendeels de draden los, waarmede zij aan haar dekkend vveeffel waren opgehangen; dit weeffel, intusfcben, blijft bijna altoos aan de takken der boomen vastgehecht, en, door de lucht uitgebleekt, hangt het in den wind te {Tingeren, gelijk een gescheurd vaandel. De natuurkundige anïonio pineda zond een vlies van dit oorspronkelijk papier naar Madrid, ter lengte van i§ el. Ook bezit men te Madrid een volledig nest der Sustillo's. Deze lucht-nesten hebben altijd eene langwerpige gedaante. Vader kalancha bezat een ftuk Sustillo-papier, waarop ten brief geschreven was."

Wij weten niet, of er reeds een beloofd verllag van vader th. haenke het licht ziet, die, onder andere merkwaardigheden van het binnenland van Peru, in de Pro-, vincie der Chiqaitos eene onmetelijke vlakte gevonden heeft van zoutmakende plasfen, welker gekristallifeerde en onbewegelijke oppervlakte den winter vertoonde. Zelfs de boomen waren, tot^op een' grooten afhand; bedekt

met


C 837 )

met kleine zoutkristallen, die, op het gezigt, de uitwerking deden van eenen witten rijm4

(Met een beknopt veröag wegens Chili, Paraguay en de Magcllaansche Landen, eindigen wij, in een volgend Nommer, de beschrijving van Spaansch-Z,uid-Atnerika)k

över wetgeving op het stuk van leeftogt»

tËeh idttrckfel uit de W&Iiothèquè Uritverfelte van November 1819; bij de berigtgeving van eert Werkje, in het Itafiaansch geïchreven, en gedrukt te Florence, in 1817^ onder den titel: dei PROVEBlMENTt.annonabx» door den Ridder j. fabbroni).

[Toegezonden^. \

\

13e Heer fabbroni, die, onder de regering van den Groot-Hertog pieter leopold, gewerkt had, oiu den graanhandel in Toskane van alle banden te ontdoen j en alzoo het zijne had toegebragt tot de wijze wetten van dien weldadigen Vorst, floeg de uitwerkingen daarvan gade, en wist, hoeveel dezelven töt den voorfpoéd van zijti vaderland hadden bijgedragen. Maar, in het jaar 1804* dus na het Overlijden van dezen Prins, en na den tijd der regering van deszelfs zoon, toen het beduur döor flechtë oogden moeilijker was geworden, en miefyaansche Prinfes, wegens Staatszaken, meer te rade ging met de vooroordeelen Van dwecpachtige Priesters, of het gefehreeuw van een onwetend gepeupel, was zij-op het h 11 £ punt


v ( S3S )

punt om een werk te vernietigen, hetwelk zij niet ken» de. De Heer fabbroni, verlangende het algemeen gevoelen tenuoen deel nemen in de zucht vooreenen vrijen graanhandel, en zijne landgenooten te doen gevoelen, welke gevaren men door die vrijheid afgewend, en welke voordeden, integendeel, men door dezelve verkregen had, ondernam het Iclvrijven eener Verhandeling over de Wetten, tot welker vastftelling hij had medegewerkt. De uitkomst beantwoordde aan zijne verwachting. Zijne landgenooten beschouwden den vrijen graanhandel als een der voom-efrelijkde gedeelten van hunne wetgeving; zij bouwden daarop hunne hoop op zekerheid en voorfpoed; en niemand durfde meer de hand liaan aan het werk van 1.EOPOLD.

Desniettegenflaande,bragt de hongersnood, welke in de jaren 1816 en 1817 in geheel Europa bijkans algemeen geheerscht. heeft (*), de meest gevestigde gevoelens aan hét wankelen. Hetgeen men werkelijk lijdt, en de vrees voor nog zwaarder lijden, geeft geen gehoor aan eenige redeneringen. Overal viel men der Regeringe lastig met vorderingen, om, in deze buitengewone omftandigheden, ook buitengewone maatregelen te gebruiken. In die jaren is naauwelijks één-Landsbedunr getrouw gebleven aan de beginfelen, welke het, in kalmeren tijd, had gevolgd; naauwelijks één Beduur, het-

1 welk

(*) Meer een gevolg van de verwoestende oorlogen, die, vooral 111 de laatfie jaren, in de overvloedig graanteelende Landen, gewoed hebben, (en welker gevolgen toen nog niet geëindigd waren;, dan van éénen ilechten en éénen zeer middelmatigen oogst, als waaruit nimmer zoo groot gebrek ontfeaan kan.


( S39 )

welk niet getracht heeft werkzaam te zijn tot afweering dezer eliende, doch dat tevens door die poging geene misdagen begaan heeft, waarvan de gevolgen thans nog gevoeld worden. De Heer fabbroni nam te dien tijde de pen weder op, ter handhaving van de beginfelen, waarin hij onwankelbaar volhardde, en hij gaf eenen tweeden, voorts eenen derden vermeerderden druk uit van zijne Provedhnenti Annonary.

Dit Werk is welligt de beste Verhandeling, welke wij tegenwoordig bezitten over de wetgeving op bet ftuk van leeftogt, de beste voordragt van de beginfelen, waarop de onbeperkte vrijheid van den graanhandel rust, en het beste betoog van detzelver voordeden, als op de ondervinding gegrond. De geschiedenis dezer wetgeving van alle ^Landen en van alle tijden is daarin vereenigd met eene zeer opmerkelijke geleerdheid.

De volksvooroordeelen en de ongerustheid, verwekt door de aPwisfelingen dér marktprijzen, dringen de Landsbesturen onophoudelijk, om met hun gezag tuslchen beide te komen, en hunne onderhoorigen van levensmiddelen te voorzien; eene voorziening, die altijd eenzijdig is ten bate van de deden, doch ten bezware van het "platte land: alle Landsbesturen zijn in de deden gevestigd, en derzelver bewindvoerders (agenten) hebben meer gemeene belangen met de dedelingen, dan met de boeren; ook worden dezelven meer beangdigd door het geschreeuw en de bewegingen der deden, dan door die van het platte land# [welks klagten, hetzij meer of minder gegrond, «Ut verschcidene oorzaken min. der komen tot derzelver kennis]. â–  De Heer faisbcvqni Helt alzoo als een' algemcenen llelregel vast, dat een Dl 3 ' Lauds-


( «40 )

LandsBestuur de granen nooit brengt onder eenige wetgeving of eene bijzondere policie, zonder de teelt daar? van minder voordeelig te maken; en dat elk Reglement, als het ware, een prijs is, welke aan den landbouwer wordt uitgeloofd, om, in plaats van die voortbrengfelen, weike eene Regering waant te beduren, ieder' anderen tak van produktie, waarmede het hoog gezag zich piet bemoeit, bij voorb. den veebouw, aan te kweeken. Het was, zegt hij, juist de zorg van den RomeinjchenRaad, om het volk van Rome tot een' goedkoopep prüs 'te voeden, welke cato bragt tot het befluk, om de veehoederij te beschouvyen als den eenigst-voordeeligen tak van den landbouw, en dat de graanteelt, onder de regering der Keizeren, in het grootfte gedeelte van Italië, werd nagelaten (bi. 9).

De Heer fabbroni gaat vervolgens over tot de monftering en afzonderlijke behandeling van de volgende ondeifgheidene middelen van het reglementair helle'.

i°. Nu en dan heeft 1.1 LandsBestuur getracht den prijs der levensmiddelen zelf te bepalen. [Dit had hier te Lande, onder de Grafelijke Regering, meermalen piaats]. Maar de verhouding tusfehen de koopvvaarde van de verschillende voorwerpen, gegrond op den arbeid, en den tijd, daaraan bedeed, op de gevaren, daaraan verknocht, en de voorschotten, tot aller welker prijs ieder ding heeft moeten voortgebragt worden, zou-» de nooit kunnen bepaald worden, dan door berekeningen, Sie zelfs den beraamden Wiskundigen zouden afschrikken, terwijl ce mededinging dezelve regelt en afwisfelt met eene naauwkeurigheid, welke de verbeelding doet verbaasd daan. De uitmuntende lagrange wilde J '\, * ".,', â–   - et'


C s4i )

er de hoofdregels van vastheden; maar zijn vernuft, getroffen door de mocijelijkheden van deze taak, ftond daarvoor ftil. En hoe zou dezelve dan door hetLandsbelluur kunnen vervuld worden? Hoe zoude eene berekening, welke de eerde wiskundenaar wanhoop» op te maken, op iederen marktdag kunnen herhaald, en voor iedere plaats veranderd worden? Inderdaad, zoo dikwerf de. prijzen door wetten zijn bepaald geworden, heeft een blind toeval daaraan grootelijks deel gehad; en het is aitijd ten nadeele van een' kooper of verkooper uitgevallen; men heeft den derken arm moeten te hulp roepen, om koopverdragen te doen nakomen, waarbij eene der handelende partijen geen voordeel meer had; de tegenftand eindigde in oproer; de markten werden ledig gelaten, er. de wet, welke men die van overvloed noemde, bragt niets dan hongersnood voort (bi. 24).

a°. Dikwijls hebben de Regeringen, voor hare rekening, graan van buiten 's Lands doen komen. Maar daardoor hebben zij ook deszeïfs prijs doen dijgen [een vermeerderend getal van koopers, en wel voor aanzienlijke partijen, moet noodzakelijk de markt veihoogen; vooral bij geringen voorraad], en daarenboven da fpekulatien van den koophandel tegengewerkt. Beoogt men daarbij op den verkoop te winnen, dan drukt men de armen met eene onbillijke en wreede belasting; doch zoo er bij verloren is, heeft men ook den koopman* wiens medewerking tot het voorzien van de markt altijd noodig blijft, gedrongen, om mede op zijnen handel te verliezen, en dien eindelijk te laten varen. ^ Men heeft dus daardoor de middelen van voorziening, die men wilde vermeerderen, met de daad verminderd, en zich alL 11 4 zoo


( 342 )

Zoo in de noodzakelijkheid gebragt, om in deze thans meer drukkende fehoeften alleen te voorzien. Dit doet men zeldzaam van pas, Mtn denkt niet aan de noodige maatregelen, voordat'de omlieitenis algemeen is; en zoo komt de aanvoer niet ter regter tijd, om in den nood te «voorzien. Ook moet er, ca den nieuwen oogst, altijd een gedeelte in de Lands-pakhuizen overblijven, hetwelk niet dan met verlies kan verkocht worden, of men moet de gebruikers dwingen, om zich daarmede te belasten:, in beide gevallen lis het de Gemeente, welke de verkeerde fpekulath der Regering duur betaalt, en de toeftand van de armen wordt er des te erger door. (bi. 43).

3°. 'Vele Regeringen hebben de eigenaars of landbouwers onder de verpligting gefield, om jaarlijks eenen staat van hunnen oogst aan haar op te geven. Deze opgaven moesten dienen ten grondflage van zekere bere. keningen, op welken de vrijheid of het verbod van uitvoer gebouwd werd; maar zij drekteiï tevens tot een' maatregel van belemmering en kwelling, waaraan de landman het gansche jaar was blootgefteld; en de ongerustheid van het best uur heeft bij de onderhoorigen altijd een daaraan gelijkdaand wantrouwen verwekt. Hoe geftreng deze wetten ook mogen geweest zijn, nimmer zijn zij getrouwelijk achtervolgd. Te M"tlaai} werd, in het jaar 1749, eene bekendmaking gedaan, dat de valsche opgaven gedraft zouden worden met de wip (estrapadc, eertijds eene draf van krijgslieden), de galei, en zelfs met den dood; en desniettegendaande had men al fpoedig bewijzen, dat ceze Staten een millioen mudden tarwe minder opgaven, dan de oogst wezenlijk had opge-


( 843 )

f ebragt. Zoodanige bedriegelijfce opgaven veroorzaken, beurtelings, of ongegronden kommer, of valsche gerustheid; en alle maatregelen, welke een Beduur, dien ten gevolge, neemt, zijn door even grove dwalingen bedorven, ' * ' s

4°. Andere 'Landsbeduren, welke al de granen voor hunne eigene onderdanen wilden behouden, verboden den uitvoer op eene zeer algemeene wijze; doch in omdandigheden, waarover men zich bet oordeel voorbehield, werd, bij wege van uitzondering, vrijheid vergund tot uitvoer van eene bepaalde hoeveelheid, welke geacht werd voor eigen gebruik niet noodig te zijn. Deze vergunningen noemde men uitvoeren (traites). Men heeft déze traites, te Rome, in Piemont, Lombard \6 en Spanje het voorwerp zien worden van eenen schahdelijken handel tusfehen de mindere ambtenaars en de groote eigenaars; zij zijn de gmndflag van eene onregtvaardige ongelijkheid tusfehen de landbouwers; de ééu kan zijne granen niet, dan met verlies, binnen 'sLands verkoopen, en de andere geniet alleen het voordeel van de vreemde markten. Met Beduur, bijkans altijd bedrogen door de berigten, welken het ontvangt, en waarop liet nogtans deze traites vergunt, houdt dan eens eeèe al te groote hoeveelheid op, welke niet kan verkocht worden, en de eigenaars te gronde helpt; dan weder geeft het vrijheid tot meerderen uitvoer, dan gemist kan worden, en veroorzaakt daardoor gebrek, hetwelk bij eenen vrijen handel niet bedaan zoude hebben. Want, daar bet evenwigt van de markt door deze monopolie verbroken is, â–  rijst de prijs van het graan niet evenredig aaa deszelfs schaarschte; er is geene verandering van prijs, LH $. / en


( §44 )

en men wordt dus niet gèwaarschuwd, wanneer het tijd is om den uitvoer te ftaken. Bovendien is de groote eigenaar, die de vergunning tot uitvoer verkregen heeft, daardoor nog geen graanhandelaar geworden: hij verkoopt zijnen oogst wel, maar in tijd van nöod koopt hij niet weder in; hij kent den staat van de markt niet, en bekommert zelfs zich deswege niet, noch geeft zich moeite om denzelven te kennen. Terwijl het bij hem bekomen voorregt alle andere eigenaars uitfluit, om, ia mededinging met hem, den graanhandel te drijven, valt het niet onder zijn bereik, dat hij zelf, door dezen handel, het kwaad herftelle, hetwelk door deze dwaling begaan is, of het gebrek, hetwelk daardoor voor de gebruikers van zijn eigen Land veroorzaakt is, weder aanvuile (bl. 63).

5°, Somtijds is een gemiddelde prijs bepaald geworden bij eene bijzondere wet. Wanneer het dien te boven ging, is de uitvoer bezwaard geworden met uitgaande regten, of wel geheel verboden, en integendeel de invoer bij het inkomen bezwaard, of wel geheel verboden, wanneer het graan beneden dien middenprijs gedaald was. Hoezeer dit middel zekerlijk het verftandigite is van het geheele reglementaire ftelfel, is hetzelve echter niet vrij van ongelegenheid. ■ Bij den aanvang weet men naauwelijks, waaraan zich te houden, noch tot welke opgaven ter vaststelling daarvan zich te bepalen. Deszelfs uiterften, of de hoogde en laagde prijzen zijn, daarom, bijna altijd verkeerd gefield geworden. Evenmin is men verzekerd, dat men door de marktbrieven niet bedrogen wordt, omdat de belanghebbenden het altijd in hunne magt hebben, om, op een

ze-


zeker gegeven tijdftïp, de markt, naar hun welgeval. Jen, te doen rijzen of dalen. Doch van dezen maatregel is dit het grootde bezwaar, dat de invoer, tot op een zeker punt, zelfs in tijden van fehaarschte, wordt afgelchrikt, Indien de handel volkomen vrij is, zullen de â–  zeehandelaars een' onmetelijken voorraad opdoen [dit is juist dafgeen, hetwelk thans in het midden van het jaar 1S20 in ons Vaderland gebeurt], om denzelven' vervolgens te brengen op die markt, alwaar zy het meeste geld zuilen kunnen maken, Dit moet zelfs plaats heb» ben in Hechte jaren. En het is hierdoor, dat L/varno in 4e jaren i8id en X817 de korenfehuur geweest is voor de geheele Middellartdj'che zee [[gelijk ook onze kooplieden, door het wijs beleid van onzen geëerbiedigd den Koning, in weèrvvil der heftige tegenllribbeling van eenigen der ZuidrNederlandsche Wetgevers, zulks zijn gewpest voor verscheidene Landen in Duïtschland, iq Frankrijk, Engeland, enzv.] j en dat de Taskaners [ge* Juk ook de Nederlanders] altijd verzekerd zijn geweest van eenen overvloedigen voorraad. Want, zoo de kooplieden hadden moeten vreezen, dat de granen, welken zij perst te Livorno [te Am/Ier dam, te Antwerpen, enzv.] hadden ingevoerd, van daar niet weder uitge* voerd konden worden, zouden zij zich wel gewacht hebben, om hier zelfs ééne cjijccle partij in te voeren, zonder vooraf verzekerd te zijn, dat zij dezelve alhier piet voordeel zouden hebben kunnen verkoopen, (bl. 7a en 90).

6°. Men heeft, in andere Landen, ptemiën toegeftaan op den invoer, ten einde zich een' overvloed van graan te bezorgen, en op den uitvoer, om den'landbouw


( §46 )

bouw aan te moedigen. Deze beide tegen elkander inloopende middelen zijn even schadelijk. De eerfte is guriffiger voor den vreemden dan voor den eigen' landbouw, en ftrekt dus regtftreeks om dezen te ontmoedigen; en de tweede laat niet alleen toe, dat de Engelsche tarwe, bij voorb., te Calais beter koop verkocht v orde dan te Douvres, maar is ook oorzaak, dat de kunilenaar te Calais, die van brood leeft, allerlei werk, waarin, hij met dien van Do vres om den prijs dingt, beter koop kan maken: en om dit voordeel aan den vreemdeling te bezorgen, betaalt het Eigelsche volk zeer aan. zienlijke sommen voor deze premiën.

7°. Eindelijk heeft men elders voorraadschuren aang:de_;d, om in de behoefte van Hechte jaren te voorzien. Maar daar, waar ze opgerigt zijn, dienen ze alleen voor de hoorühad, omdat men bevonden heeft, dat het niet.mogelijk is, voor de geheele bevolking een' genoegzamen voorraad aan te (chaffen. De menigte van bergplaatfen, de onmetelijke voorschotten, de groote kosten van Onderhoud der gebouwen, en riet bewaren der granen, welke er vereischt zouden worden, als men voor het gansche voik wilde zorgen, hebben zelfs den ftoutmoedigfren staatsman afgeschnkt, om daaraan te denken. Nogtans hebben al de inwoners van den Staat regt op dezelfde bescherming; en zoo de maatregel goed is voor den ëénen, dan moet hij het" ook voor den anderen zijn. Maar de ongelijkheid van dezen maatregel is geenszins deszelfs grootfte zwarigheid. Indien men het graan in die* bcrgplaatfen voor altijd koude goedhouden, zoude men wijsielijk handelen, zich buiten de mogelijkheid van hongersnood te stellen, al moest men

daar-


( 847 )

daaraan aanzienlijke schatten opofferen. Maar de granen bederven, door ze lang over te houden. De magazijnen beginnen met flecht brood te geven, en eindigen met geheel ledig te worden. Hierom is men in alle Landen, alwaar zulke voorraadfehuren zijn aangelegd, genoodzaakt geworden, om die grgjn, na verloop van eenigen tijd, wederom ter markt^ brengen. Dit) heeft men meestal om de drie jaren gedaan; dat is te zeggen, wanneer de regering uit het gewas van dit jaar aankoopt, verkoopt zij het graan van den oogst der drie vorige jaren. Maar dat oude graan komt niet gemakkelijk tot het verbruik. Zoo de markt vrij is, zullen de bakkers dat oude graan niet koopen, orndat zij uit jonger graan beter brood kunnen bakken. [De schrijver voegt er wel bij: ook tot minde' ren prijs, omdat dan niet behoeven betaald te worden de kosten voor het uitfehot der gelden en het bewaren van het graan; maar dit komt ons niet juist voor: al deze kosten komen ten laste van de schatkist, dat is van het geheele volk, schoon maar een gering gedeelte, gelijk te regt boven is aangemerkt, namelijk dat van de hoof 1ftad, in geval van nood, daarvan het genot zoude gehad hebben]. Hierbij komt, dat de markt altijd voorzien is van de vrucht van'twee jaren, waardoor eene schadelhjke metledinging voor den landbouw geboren wordt. Dit heeft men zoo wel gevoeld, dat overal, waar zoodanige lands-magazijnen zijn gevestigd, te Florence, Sic na, Lucca, 'Genéve en Konjlantinopel, men genoodzaakt geweest is, den graanhandel aan eene monopolie te onderwerpen, en de bakkers te dwingen, om hun graan, bij uitiluiting, uit deaeJLandsmagazijnen te koopen. Te Lucca moesten de 'burgers, die hun eigen brood bakten, eene geldboete betalen, en te Napels

wer-


( Uè )

werden zij, bhder de regering der Svaanjëhe Ónderkobkrgen, met den dood geflraft. Ëen bestttUf* hetwelk alleen de eenige kooper en verkoöper is, ontmoedigt den landbouw-s, en jaagt de hulpmiddelen weg;, welke het anders door eenen vrijen handel, in jaren van schaarschheid j gehad zou hebben: het belMMötrt de algemeene vrijheid op eene vreesfel'tjké wijze;,^fn voedt het volk mét veel duurder en Hechter brood, dan hetj bij eenen vrijen graanhandel, zou gegeten hebben (bh 204).

Onder de Reglementen van den tweeden rang, door Welken de Regeringen zich voorgeiteld hebben, de markten aan hare politie te onderwerpen, telt de Heer fabbroni de volgende:

i°. De rijding of zetting j dat is j de wekelijksché Vastdelling van den prijs van het brood * volgens der* marktprijs van de tarwe en rogge. De Narmandicrs j die in de elfde eeuw Engeland en Napels veroverden, voerden dit gebruik, in beide Rijken, in * onder den naam van asfljc, Welke aldaar tot heden nog in gebruik is; De ondervinding heeft getoond, dat dezelve alleen voordcelig is voor de bakkers: de prijs, welken de Regering hun toelegt, is altijd hooger dan die, waarmede zij zich vergenoegd zouden hebben, indien hun handel vrii geweest was; want zij zouden dan het gemeen hebber! doen dcelen in de voordeelcn van voorgaande lagere markten, waarvan zij, of door hunne bekwaamheid van koopman, of door hun gereed geld * gebruik hadden kunnen maken (bl. 282).

a°. De normaal-bakkerij en, gevestigd in eenige ktoööc ters in Toskanen, om.^oor te komen, dat de bakkers het brood niet al te duur verkoopen. Dit middel is even ongeschikt als de zetting. Er is een groot verschil in dé

bos-


C S49 )

hoeveelheid van de voedende zelfstandigheid der veischillende foorten van tarwe. De Heer fabbroni geeft des» wege opmerkingwaardige waarnemingen (bl. 295), en hij befluit, dat, zoo dikwerf men voor eenen koopman de rekening opmaakt, en dat men een voorbeeld fielt tot eene regelmaat voor het gedrag van anderen, men altijd afwijkt van de billijkheid; iets, hetwelk niet gebeurd zoude zijn, indien de handelende partijen aan zichzelven waren overgelaten (bl. 311).

3a. liet verbod van voorloop. Dikwerf heeft men de korenkoopers verboden, zich van graan te voorzien op de markten, die alleen den verbruikeren waren voorbehouden. Somtijds heeft men zelfs rondom de fteden eenen kring getrokken, binnen welken een voorkoopcr of tusschenhandelaar niet mogt komen, om zich te plaas* fen tusfehen den landbouwer en den gebruiker. Men heeft daarbij vergeten, dat de een dikwijls gedrongen wordt om te verkoopen, vóórdat de ander gereed is om te koopen; en door alzoo de voorkoopers van de markt te verdrijven, heeft men de belangen van dc beide partijen, die de voorkoopers te gemoet gekomen zouden zijn, benadeeld (bl. 314).

4°. De schuldboekjes Qivretten). Men heeft, eindelijk, aan de armen een onderscheidings-teeken gegeven, door middel van hetwelke zij het brood voor minderen prijs konden bekomen, dan het gros der verbruikers. Hierdoor wordt eene aalmoes veranderd in een verdrag; het getal dergenen, die dezen bijlland vorderen, wordt oneindig vermeerderd; de schaamte, die anders de minvermogenden terug houdt qm onderiland te vragen, is vernietigd; en de alzoo onderfleunden worden in flaat gefteld, om voor minder loon te wtiken, ten nadeele

vaa


C s5o )

Van dezulken, die, zonder dezen.bijltand, denzeifderi arbeid verrigreden; met één woord, de gebêélè maatschappelijke h'ti&ttöuding wordt aldus het onderlte boven gekeerd (bh 319).

De lieer fabbroni bcOuit zijn Werk met de herhahng der vraag, waarmede hij het begonnen had, namelijk; wat moet dan eene Regering 'doen, in het ftuk van leef* tègt? Ln hü antwoordt: niets, in alle mogelijke gevallen, voljJrckt niets. De juistheid.en onregenzeggelijkheid van dit antwoord deunt op' zoo onwankelbare gronden der Geschiedcnis, waarvan de Heer fabbroni de bewiizen van rondsomme heeft aangevoerd, dat alle Regeringen, tot nog toe, bij iedere gelegenheid getoond hebben, dat 'zij de werenschap des markt-handels (théorie des mar' "chés~) niet.verdaan, en dat zij nooit eene wet vaii policie over den graanhandel gemaakt hebben, zonder den voortbrenger of den gebruiker, en zeer dikwijls beiden te gelijk, te benadeeien; dus het allezins te wenfeben is, dat zijne wijze raadgevingen overal en algemeen gevolgd mogen worden.

Ten Hotte moeten wij van dit Werk nog meidei:, rat daarin, behalve de hoofdzaak, zeer opmerkingwaardiga verhandelingen voorkomen; als, over de oorzaken van de ongelijkheid en de afwisfclingen der prijzen der gra* nen; over de gevolgen van hooge marktprijzen; over het voordeel, hetwelk de overdaad van den rijken den armen aanbrengt; over den vasten (land der verhouding van den prijs van het geld tot dien van de tarwe. Doof zijne verzameling van deze prijzen, in verschillende eeuwen, vooral té Florence, is de Heer fabbroni tot uitkomden gebragt, geheel Verschillende van die van deh Heer ai>.\m smith; zoodat hij, met dezen, tot nog toe


( s5i )

anders voor klasfiek gehouden, niet fclüjnt in te {temmen,' dat de ontdekking van Amerika de waarde van het geld zoo aanmerkelijk heeft verminderd- Doch dit onderzoek behoort niet tot het oogmerk, waarmede wij dit uittrckfel aan onzen Lezer hebben medegedeeld.

.[Wij hebben gecne zwarigheid gemaakt, om dit Stukje in ons Tijdichrift op te nemen, zoo wegens de gezonde aanmerkingen, die het. op zich zelf bevat $ als pit hoofde der zamenftemming van fabbroni's gevoelens over het onderwerp met die van dumont, te vinden in Be star. N°. VII,.voor 1826, bladz. 4S1-—511. Dit is dan ook de reden; Waarom wij van een gelijktijdig ons toegezonden üittrekfel uit de Essais sur le Code 'pénal% par Mr. Ie Profcsseiïr p. j. destrueaUx, h Lièg'e, als geheel in een' tegen gefteldeh geest geschreven, geen gebruik hebben kunnen maken; blijvende dit laatfte bij ons ter dispofitic 'des inzenders liggen,

. ȃ RED.j

ï>k star,' rS^ó, IV0. XT.

M rd m

fit


C §52 y

III. MENGELINGEN.

STATISTIEKE BIJZONDERHEDEN WEGENS DE VERËEN�GDE STATEN VAN AMERIKA.

(Ontleend uit a. seyberts Statistieke Jaarboeken, en overgenomen uit het EdMargh-Review, ISo. 65. (*))

Bevolking. â–  Dewijl volks-vertegenwoordigers en di-

rekte belastingen onder de verschillende Staten verdeeld zijn in evenredigheid van derzclver bevolking, zoo is ra de Amerikaansche Staatswet bepaald, dat elke tien jaren

eene volks-telling zal plaats hebben. Het is de pligt der Regtcrlijke beambten in iederen Staat, de ingezetenen van hunne refpektive diftrikten te tellen, en een naauwkeurig afschrift van de lijsten, inhoudende de namen der bevoudene personen, moet in elk dihrikt, op eene openbare v plaats, worden opgehangen, vóór dat zij aan den Sekre, ta-

(*) Verlangende ons Mengelwerk zelf deels in verband te brengen met den overigen inhoud en het doel van dit Maandwerk, en deels ook, daarin trekken van geest en vernuft te' verzamelen, die een gezouten vermaak voor den beschaafden Lezer opleveren, - kwam ons het hier geplaatfte Stukje allezins geschikt ter overneming vooï- Indien het grootfte gedeelte daarvan belangrijke Statistieke merkwaardigheden bevat, is het overigé in eene* ff'Weken trant gefehreven, die niet van fel attique ontbloot is.

be red.


c m )

taris van Staat worden ingezonden. -— Vervolgens worden dezelve door den Prefident aan het Kongres overgelegd. Ingevolge deze wet zijn drie volks-tellingen reeds aan het Kongres overgelegd, over dc jaren 1790, 1800 en 1810. In het jaar 1790 bedroeg de bevolking van Amerika 3,921,326 personen, van welke 697,697 Haven waren; in 1800 bedroeg het getal 5,319,762, waaronder 896,849 flaven; 'in 1810 had men eene telling van 7,239->9°35 waaronder 1,191,364 Haven: zoodat naar elen maatiftaf van vordering der vrije bevolking tusfehen de jaren 1790 en 1810, dezelve in de Vereenigde Staten, in den loop van een weinig minder dan twee en twintig jaren, is verdubbeld. De Haven-bevolking zoude, naar deszelfs maatftaf van toeneming in denzclfden tijd, binnen omtrent zes en twintig jaren verdubbeld worden. De aanwas der Haven-bevolking, in deze opgave, is toe te schrljven aan den invoer van negers tusfehen 1800 en 180S, voornamelijk in de jaren 1806 en 1807, uit hoofde van het verwacht wordende verbod van invoer. Het getal haven was toen insgelijks vermeerderd door de aanwinst van grondgebied in Louifiana, waar zij omtrent de helft der bevolking uitmaakten. Van 1801 tot 1811 namen de inwoners van Groot-Brittannië met veestien ten honderd toe; de Amerikanen waren in denzelfden, tijd tot zes en dertig ten honderd aangegroeid.

Vólks-verhuizing schijnt voor de Vereenigde Staten van zeer klein belang te zijn. In bet jaar 1817, zeker het aanmerkciijkfte verhuizings-jaar, landden er in tien der voornaamfte havens van Amerika, uit de oude wereld, 22,000 menfehen aan als pasfagiers. Het getal verhuizers, van 1-90 tot 1810, wordt gelehat dc zes duizend jaarlijks niet te hebben overtroffen. Gecne van de afzonderlijke Mmm 1 Sta-


, ( S54 )

Staten is gedurende deze drié tellingen achteruit-gsgss: f hoezeer sommigen omtrent op gelijke hoogte zijn gebleven. De aanmerkelijk^ vermeerdering heeft plaats gehad in den Staat van Newyorb, welke van 340,1=0-m het jaar 1790, tot 959,0,19 in 1810 is aangegroeid. De verguizingen van de oostelijke naar de westelijke Staten worden berekend op 60,000 in het jaar. In al dc uitvet*, kaansche tellingen heeft het mannelijk gcfïacht ccuftcmmig de overhand in dc evenredigheid van omtrent honderd tot twee en negentig. In Grool-Brittatmiè en Ierland^vi men beter bedeeld, waar bij de schatting van 1811 gebleken is, dat de vrouwen tot de mans honden in de verhouding van 110 tot 100. Dc mdeeSng der bevolking in de Vereenigde Staten is minder dan van vier personen op eene vierkante mijl; die van Holland, in 1803, was 275; die van Engeland en Wallis is 169. Zoodat de vijfden Gewesten, welke ïn 1810 dc unie uitmaakten, indien dezelve even digt bevolkt waren als Holland, 135 nitlhoenen zielen zouden bevatten.

Het volgende flatistieke hoofdpunt is dat van Neering en Handel. In het jaar 1790 bedroeg de uitvoer van de Vereenigde Stalen meer dan 19 milliocnen Doïlars; in 1791 meer dan 20 miilioenen; in 179a, -(> miliïoenèn; in i793, 33 miilioenen, Vóór 1795 ^d ™ in de Amerikaan/the Theiaurie-rekeningen geenc onderscheiding gemaakt tnsfehen den uitvoer van inlandfehe en den wederuitvoer van vreemde artikelen. In 1795 was de gezamenlijke waarde van uitgevoerde koopmanfehappen 67 miïüoencn Dollars, van welke de wedernfegevoerde vreemde voortbrengfeien 16 miilioenen beliepen. In 1800 was er eene totale waarde van 94 miilioenen uitgevoerd; in 1805, *§* miilioenen, en ia iSaS, toen de grooÉfte


C «55 )

hoogte bereikt werd, ip'8 miilioenen. In het jaar 1*09 daalde de uitvoer tot 52 miilioenen Dollars, door dc werking der Franfc/ie en Engtlsche Raadsbellaitcn; in 1810 tot 66, in i8ix tot 61 miilioenen. In bet ccrfte jaar van den oorlog met Engeland tot 38' miilioenen; in het tweede tot 27, en in het jaar 1814, toen de vrede gefloten werd, tot zes miilioenen. Zoodat de uitvoer van de Republiek in zes jaren van 108 tot op zes miilioenen was nedergeftort. Na den vrede in de jaren 1815, 1816 en 1817, ftccg dc uitvoer op 52, 81 en 87 miilioenen Dollars.

In 1817-werden.er 85 miiiiocnen ponden katoen uitgevoerd. In 1815 werden er 10 miilioenen ponden fuiker op de oevers van de Misftsjippi gemaakt. In 1792, toen de neering in tarwe op het hooghe was, werden er anderhalf miilioenen schepels uitgevoerd. De evenredigheden van uitvoer naar Grofit-Ihïllawiië, Spanje, Frankrijk-, Holland en Portugal, tien jaren door een gerekend tot 1S12, ftaan als 27, 16, 13, 12 en 7.; de werkelijke waarde van uitvoer naar dc Landen onder het gebied van Groot-Briitaunis in de drie jaren, eindigende niet 1804, was ach ter volgelijk 16, 17 en 13 miilioenen Dollars.

Invoer. In X791 beliep de invoer der Vereenigde Stalen 19 miilioenen; drie achtereenvolgende jaren, tot 1804. ingelloten, door. elkander gerekend, 68 miilioenen; in 1806 en 1807 bedroeg dezelve, 138 miilioenen, en in 1815, 133 miilioenen Dollars. De jaarlijksche waarde van tien invoer, drie jaren (eindigende met 1804) door één, was 75,000,000, van welke de Landen onder het gebied, van Groot-Brit temde bijna de helft aanbragtcn. Drie jaren, eindigende in 1804, door één gerekend, voerde Amerikè uit Grool-Brittatmiè in ten bedrage van omtrent 36 mdlioencn, en gaf daarvoor yvedefkecrig waren ten beloo.Mmm 3 pc


( 85ö )

pe van omtrent 23 mdliocnen. Beide Landen kunnen voorzeker hun' tijd.en hunne krachten beter belleden, dan met elkander dood te flaan, zij kunnen elkander tot nuttiger emden ontmoeten. - De Jmerikaanjche invoer, uit het gebied'van Groot-Brittanniè, bedroeg, vóór den grooten ^Amerikaanschen oorlog, omtrent drie milhoenen fterlffl'g**, kort na den oorlog eveneens.- van 1S05 tot 1811, beide ingefloten, bedroeg dc jaariijkithe uitvoer uit Grool-Brittamm naar alle gedeelten der wereld (de jaren door één gerekend) omtrent 4 3 miilioenen Stcrlmgs, waarvan één vijfde, of voor omtrent negen milhoenen, naar

Amerika ging.

Scheeps-inhoud en zeekaart.. Vóór den omwentehngsoorlog bedroeg de Amerikaanfehe schecps-inhoucl, zoo Brüsche als Amerikaanfehe eigendom, omtrent 127,000 tonnen: onmiddellijk na dien oorlog 108,000. In 1789 had dezelve 437,733 tonnen bdoopen, waarvan 279,000

Amerikaanfehe eigendom was. In 1790 bedroeg het geheel 605,825 tonnen, van-welke 354,°°° Amerikaanfehe eigendom was. In 18x6 had men 1,300,000 tonnen, alle Amerikaameh. Drie jaren door elkander, van 18x0 tot l8xo, beide ingefloten, beliep de geregistreerde icheepsinhoud van het Britsche Rijk 2,459,°°° > of weini§ meï dan het dubbeïd van de Amerikaanfehe.

Landerijen. Alle landerijen van den.Staat worden opgemeten eer zij worden te koop geveild, en verdeeld in fladsgronden van zes mijlen in het vierkant, welke geonderdeeld worden in zes en dertig afdeelingen van eene m in het vierkant, inhoudende elk 640 akkers of gemeten De volgende landerijen worden van dc verkoopmgen uitgezonderd: Een zes ÓL dertigfte gedeelte van de lander: n, of eene afdeeling van 640 gemeten in eiken ftads-


( 8i7 )

jsavl, wordt bcftcndig afgezonderd tot onderftcuning der 'scholcn; zeven geheele ftadsgronden, elk inhoudende on ooo gemeten, zijn voortdurend afgezonderd tot ondcrfteuriuig' van geleerdheid;— alle zoute bronnen cn lood^ mijnen "worden insgelijks uitgezonderd. De Msfifippi, de Ohio, alle bevaarbare rivieren en wateren f eene derzelve, of in de rivier Su Laurem leidende, blijven gemeen als groote wegen, en voor altijd vrij voor alle burgers ^Vereenigde Staten, zonder betaling van eenige lasten. Al dc andere landerijen van den Staat, die met onder de bovengemelde uitzonderingen vallen, worden openbaar verkocht m vierde-deelen van 160 gemeten, ten prijzc van niet minder dan twee Dollars het geniet, en 7Jo veel meer als zij bij openbaren verkoop gelden kunnen. Te voren was het de pligt van den Sekretaris tier Thefaurie, te haan over de verkoopingen van landerijen. In 1812 is er een kantoor opgcrigt, oneler de benaming van het Algemeen Kantoor van Landerijen. De landerijen van den Staat, welke vóór de opening der landelijke kantoren verkocht zijn, bedroegen anderhalve miilioenen gemeten. De gezamenlijke verkoopingen federt dien tijd, ten Noordwesten van de rivier Ohio, hebben, tpt het einde van September 1817, 8,469,644 gemeten bedragen, en de koopschat 1.8 miilioenen Dollars. De landerijen, in de ftfeek van de Misfisfippi verkocht, federt dc opening der Landskantoren, bedraagt 1,600,000.-emeten. De voorraad van onverkochte landerijen, die nog voorhanden is, wordt berekend op vier honderd miilioenen gemeten. In het jaar 1817 werden er meer dan twee milhoenen gemeten verkocht.

Postkantoor, hi 1789 waren er 75 postkantoren in de Vereenigde Stalen;' het bedrag der postgelden was 38,000 Mm m 4 ' Dol-


( 858 )

Dollars; de postwegen bcflocgcn 1,800 mijlen. ]n was bëf getal der postkantoren 3,459; het bedrag der postgelden -961,000 DoHars, en de uitgehrekthekl der postwegen 51,600 mijlen.

Inkom{len. â–  De inkom Hen der Vereenigde Staten bestaan' in dc inkomende en uitgaande regten; in regten op gedistilleerde wateren', rijtuigen, fnuiftabak, geraffineerde Imkers, verkoopingeh, gezégeld papier, goederen, waren en koopmanschappen, dn de Vereenigde Staten vervaardigd \ huismeubelen, gouden en zilveren uurwerken, en postgelden van brieyen; in geiden, spruitenue' uit den -verkoop vin 1 ndèrijen, en uit patent-brieven.

De volgende regten worden aan her Tol-kantoor betaald voor eenige der voornaamfre artikelen van invoer: $ pCt. op verfwaren, juweelen en uurwerken; 15 pCï. op hern nipkleeden, en op alle artikelen, vervaardigd uit ijzer\ tin, metaal, en lood; op knoppen, gespen, pèrcalein, aardewerk, en glas, uitgezonderd' venfterglas; 25 pCt. op katoenen en wollen goederen, en getwijnde katoenen; 30 pCt. op rijtuigen, leder, lederen manufakturen, enzv.

Het jaarlijksch bedrag van de inkomende en uitgaande regten tusfehen de jaren 1S01 en 18to, die jaren door elkander gerekend, en beide ingefloten, was omtrent 12 miilioenen Dollars. In het jaar 1814 beliepen die regten slechts vier miilioenen, en in het jaar 1815, het eerfte, jaar na den oorlog, liegen dezelve tot 37 miilioenen. Van het jaar 1789 tot 1814 hebben de inkomende en uitgaande' regten 65 pCt. van de Amerikaanfehe inkomften beloopen; de leeningen 26 pCt.", en alle andere takken | tot 9 pGt. Zij stellen hunne inkomende en uitgaande regten voor

omtrent vier ten honderd; de Engelsche kosten van

heffing zijn L. 6. 2 f. en 6 d. ten honderd.

Het


( S59 )

Het ragt 'op etc geestige dranken is zeek gering, voop den gebruiker geen penning per gallon. Het getal van distilleerderijen is omtrent 15,000. De Licérichs bren* gen eene niet noemenswaardige som op. De belasting,- op rijtuigen in f814 gelegd, veischilde van 50 DoHars tot ééne Dollar, naar de waarde van het rijtuig, In het jaar waren er meer dan vijftien duizend rijtuigen van onderieheidene foort-, die de' belasting betaalden. Die op huisraad schijnt eene zeer bijzondere- belasting te zijn gc-s weest, opgelegd in den laatften oorlog. Het was eene belasting ad vaTérèm op al het huisraad, dat men bézat boven de waarde van 600 Dollars. Huisraad kan niet geschat worden zonder huisbezoekingen, —- en huisbezoekingen kunnen niet worden toegeftaan zonder dwingelandij en kwellingen. Een geregts-onderzoek, aangelegd tegen een' nieuwen armftoel, of eene niet aangegevenc aanregt-

tafel, een lastbrief tot dat onderzoek, en eene daarop

volgende verwijzing, — gelijken veel meer naar Engelfehe, dan naar Amerikaanfihe Vrijheid, De licencc voor 'een uurwerk is insgelijks zuiver Engelsch. Een waarlijk 'Vrije Engehchman wandelt, bedekt met licences. Het is â– onmogelijk hem te bekeuren. Hij heeft een' guinée betaald voor zijn gepoeijerd hoofd, eep' gidnée voor het wapen pp zijn fignet, eene licenée van drie guinées voor het geweer, dat hij op zijnen schouder draagt om wild te schietcn, en hij is zoodanig verschanst met verlofbrieven en oiheiële bekrachtigingen, dat" de verklikker niet de beste arendsoogen niet het geringfte voerdeel op hem behalen kan. "'"''â–  ' -'"''.::-..t. -

Amerika heeft tusfehen 1791 en 1815 honderd en zeven miilioenen Dollars te leen opgenomen, van welke M m rij 5 4 0


, ( 8öo )

49 miilioenen geleend zijn in 1813 en 1814. De inlandfelie inkomften beliepen in het jaar 1815 acht miilioenen Dollars; dc bruto-inkomften van hetzelfde jaar, dc lecaing daaronder begrepen, waren 51 miilioenen.

Het leger. Gedurende den jongften oorlog met GrootBrittannie' gaf het Kongres volmagt, om 62,000 man

voor de legers der Vereenigde Staten aan te.werven;

ofschoon het werkelijk aangeworven getal nimmer de helft daarvan bedroeg, hi Februarij 1815 beliep het leger der Vereenigde Staten niet meer dan 32,000 man; in januarij 1814, 23,000. De rekrutering gaat in Amerika, waaide arbeidsloonen zoo hoog zijn, zeer langzaam, gelijk men begrijpen kan. Het krijgswezen in vredestijd werd in 1815 op 10,000 man vastgefteld. De Amerikanen zijn gelukkig vrij van de dwaasheid, om kleine rotfen en eilanden de geheele wereld door in bezit te nemen,, en zij z uden geene miilioenen verfpillen aan het ellendig uitersteinde van het spaansche Schicr-eiland, de nutteloos-

ïtc en buitenfpoiigfte bezitting, met welke ecnigc Europi; ehe Mogendheid ooit werd bezocht. In 1812 werden aan ieder rekruut, die zijn eerlijk ontflag had bekomen, drie maanden foldij en 160 gemeten lands toegedaan. In 1814 werden aan elk onder-officier, muzikant en gemeen foldaat, welke dienst nam en eindelijk zijn eerlijk ontflag bekwam, 320 gemeten vergund. De dienstneming geieliiedde voor vijf jaren, of zoo lang dc oorlog duren *zoude. De weduwen, kinderen of ouders van de dienstnemenden, welke lheuveldcn of overleden in den dienst der Vereenigde Staten, hadden regt op dezelfde gift van landerijen.. 1

Eik vrije blanke, tuslchen de 18 en 45 jaren, is onder


( 86i )

de-hevi- ora opgeroepen te worden tot dc militie (burgerkrijgsdienst), welke in officiële papieren wordt opgegeven 748,000 personen te bedragen.

Zeemagt. Gp den 8 Junij l#S & Amenka-

ren flechts één oorlogschip, the Alliage; en daar men dit te kostbaar vond, werd het verkocht! De aanvallen der Barbarijfehe Mogendheden noopten hen het eerst om eene zeemagt op te rigten, welke in 1797 drie tregatten fte* was. In 1814 beval men behalve eene groote vermeerdering van fregatten, den aanbouw van vier vier en z vemigcrs. In 1816 was, ten gevolge van cemge fehitterende° gevechten hunner fregatten, de zeedienst ƒ eer m den fmaak gekomen in de Vereenigde Staten. Een milhoen Dollars 's jaars werd, voor acht volgende jaren-, tot de trapsgewijze vermeerdering der zeemagt befiemd: van negen vier en zeventigers (*) en. twaalf vier en veert».ers werd de aanbouw bevolen. Woeste en ongeëigende hnderiien, aan de Vereenigde Staten behoorende, gekrukt. om eiken- en cederhout voort te brengen, moesten ten gebruike der zeemagt uitgekozen worden. Het baart verwondering, Dr. sevberï over gebrek aan ichcepsürnmcrhout in Amerika te hooren klagen. „ Vele menldicn. (zegt hij) gelooven,dat onze voorraad van levendige eiken zeer aanmerkelijk is; maar men heeft ons van goeder hand in 1801 verzekerd, dat men met groote moeite voorraad van levendige eik mt -Georgië zoude bekomen, en dat cc groote (tukken zeer schaarsch zijn." Terwijl hu over zee* zaken handelt, betaalt Dr. seïBERT, met een geheel au-

der

m De Amerikaanfehe vier en zeventigers 7.ijn zoó groot als onze driedekkers, en hunne fregatten-bijna -coo fcro<»t als onze liriieschepen.


der oogmerk, de volgende onwillige ichatting aan de werkzaamheid en de uitkomftcn van den jongften öréfog der Ehgclsche:i ter zee tegen de Amerikanen (*).

„ Een' tijd lang was de meerderheid des volks van de Vereenigde Staten tegen het aanhouden van eene uitgebreide zeemagt; en de magt, door de Wetgeving toegeftaan, was, tot.nu onlangs, voor tijdelijke oogmerken befiemd. Eene zeemagt werd gerekend de geldmiddelen van ons Land te boven te gaan; en men vooronderdeide, dat het volk zich. niet aan eene belasting voor haar onderboud zoude onderwerpen. Ons schitterend geluk in den laatflen oorlog heeft het volks-gevoelen te dezen opzigte veranderd: vele menfehen, die te voren zich tegen de zeemagt verzettcden, beschouwen dezelve thans ais een wezenlijk middel onzer verdediging. De jongde gebcurtepisi'Sri op de oevers van de Chefapeak-baai kunnen niet worden vergeten; dc uitgebreidheid van die kust (lelde den vijand in Haat, om zegepralend in het hart der Vereenigde Staten in te zeilen. Op honderde mijlen langs de ftranden van die, groote baai werd ons volk beleedigd; onze heden werden geplunderd en verwoest; eene aanmerkelijke bevolking werd getergd en verbitterd; van uur trtt uur werden er rooverijen gepleegd door eenen vijand, die in liet hart van het Land kon doordringen, zonder dat wij hem iets konden tegenftellen, zoo lang-bii zich op het - water hield. Zoodra er zich eene genoegzame

i magt

(*) Of echter de Britten reden hebben, öfn niet' deze sch'atting, ais beschaafde natie, in alle opzigten gekapt te Zijn, daaraan ïnoetcn wij wel zeer twijfelen. Men leze en eordeele,

' BE R.EÜ.


C 853 )

Itlagt verzameld had, om zijne bewegingen in de éèhi fceek' te (luiten, hadden zijne fehepen hem reeds naar eene andere, die zwak was, en hun buit aanbood, gevoerd. Een leger kon aan deze wijze van oorlogen geen wederftand bieden; het volk werd moedeloos gemaakt, en zij leden ongemak in het veld, alleenlijk om overtuigd te worden van hunne onbekwaamheid, om diegenen te, keef te gaan, die liet gebied op onze wateren voerden. De inwoners, welke in de onmiddellijke nabuurschap waren, werden niet slechts door den vijand aangedaan; zijne bewegingen (trekten zich uit tot op onze groote heden aan de kusten der Atla?itischc zee; huislelijk verkeer en binnenlandschc handel werden afgebrolfen, terwijl de omgang met vreemde volken, in sommige gevallen, geheel Was opgcfehort. Dc papieren van de Theiaurie over iS 14 vertoonen het vcrichijnicl, dat de Staat van Penfylyanië in de lijst der uitvoerende Staten niet wordt opgenoemd. Wij waren niet slechts van inkomften verdoken; maar onze uitgaven waren ook zeer vermeerderd. Het is waarichiirlijk, dat het bedrag van onze onkosten op de oevers van de Chcfapeak genoegzaam zoude zijn geweest, om middelen van verdediging op die wateren daar te stellen; elan had het volk te huis kunnen blijven, cn in het verrigten 1 hunner ftille betïrijven veilig voor de rooverijen kunnen zijn. De onkosten der Regering, zoowel als van bijzondere personcn, waren zeer vermeerderd voor alle (oorten van vervoer. Alles moest over land worden aangevoerd. Onze gemeenfehap met den Oceaan was afgefneden. Duizend Dollars werden betaald voor het vervoeren van elk der twee en dertig-ponders van dc ftad Washington naar het meer Ontarw, ten diende van den Staat. Ónze wegen werden bijna onbruikbaar door de zware vrachten-* * -j - die


( a#4 )

die over dezelve moesten gevoerd worden. Deze zaken behoorden ons in rustige tijden aan tc zetten, om in de nationale verdediging te voorzien, en zulke bicccnlandjsche verbeteringen daar te stellen, als gedurende de hitte eens oorlogs niet kunnen worden bcwerkftelligd."

Uitgaven. De Prefidcnt van de Vereenigde Staten ontvangt" omtrent L, 6,000 'sjaars; de Vicc-Prefident omtrent L. óco; de Gedeputeerden op het Kongres hebben 8 Dollars 's daags, en 8 Dollars reisgeld voor elke twintig mijlen. De eerfte Klerk van het Huis der Reprefcntar.ren ontvangt omtrent L. 750 'sjaars; dc Sekrctans van Staat L. 1,200; de Postmeester-Generaal I,. 750; dc OpperRegter van de Vereenigde Staten L. i,oco; een Gevolmagtigd Minister L, 2,200 'sjaars. Dc gchcele uitgave van de Vereenigde Staten vcrfehïldc, tusfehen 1790 en 1S11, beide ingefloten, van 11 tot 17 miilioenen Dollars, Van 1812 tot i8t4, beide ingefloten,-en al die jaren van oorlog met Engeland, beliepen de uitgaven achtervolgelijk 22, 29 en 38 miilioenen Dollars. Al do uitgaven van de Vereenigde Staten over veertien jaren, van 1791 tot 1814, beliepen 333 miilioenen Dollars; van welke, in de drie laatlle jaren van oorlog met Engeland, van Ã�BÜ tot 1814, honderd miilioenen Dollars zi'n uitgegeven, waarvan flechts 35 door de inkemhen zi'n gedékt, dc overige door leeningen en Gouveruemer.ts-papier. Dc geheele som, door de Amerikaa/.fcle Thcfautie ontvangen, van den 3den Maart 1789 tot den 31 Oen 'Maart 1,816, was 354 miilioenen Dollars, waarvan' 107 miilioenen dóór leeningen zijn erlangd, cn 222 milUocr.cn door inkomende en' uitgaande regten en schccpstonnengckl: zoodat, het inkomen door middel van leeningen afgetrokken, gedeelten der Annrikaanjcl.e iHkomfl.e'n getrok, J4 ' {<" - â–  ' ken


C 865 )

kal zijn van den vreemden handel, fn het brem van ieder verftandig Amerikaan behoort deze beschouwiug eer/ overwegenden invloed te hebben boven de weinige schitterende gevechten van hun half dozijn fregatten, welke bij een' voortdurenden oorlog, in weerwil.van alle hunne dapperheid en dadigheid, door de zoo veel grootcre magt en gelijke dapperheid der Engel/i/ien, van de oppervlakte des Occaans hadden moeten worden weggevaagd (*) liet zoude een toppunt van dwaasheid in de Amerikanen zijn, zich in een' nieuwen zee-oorlog met Engeland te wikkelen, zoo lang het kan worden afgekeerd door eenig ander middel, dan eene opoffering van eigene waardigheid [grondbezitting ook, niet waar?] en karakter. Hunne lands-inkomften komen in gcene vergelijking, en in fpijt van de Franklin en de Guerrier, ofschoon met cederhout gezoomd, met metalen gcfehut gewapend, moeten zij fpocdig tot denzelfdcn toeftand worden terug gebragt, welke door Dr. seyhert beschrèven is, en uit welken zij in tijds door den vrede van Gend zijn gered geworden. David- porter en anderen zijn zeer brave mannen; maar zij zouden tot onuitsprekelijk ongeluk van hun Land ftrekken, indien *  ' zij

(*) Niet* is waarachtiger, zoo als de zaken nu ftaan j maar de tijden veranderen. Engeland staat op den top zijncr jnagt, die alleen voor daling vatbaar schijnt. Wat kan, in den loop van 25 jaren, eene opkomende natie worden, ook in hare marine, wier bevolking in de laatfte 20 jaren meer dan verdubbeld is? Zal de Amerikaanfehe zeemagt niet fteeds aangroeijen, en eindelijk in den Jtlantischen Oceaan, op eigen kusten, den Bnge'schsn wélltgt met glans- het. hoofd bieden?

DE RED,

, %. '" â–  â– â– â–  â–


zij jonathan (*) tot ëëne zucht naar roem ter zee zou-, tien willen ontvlammen, en hem ëeiieri anderen 'oorlog zouden willen doen beminnen, dan welke gegrond rnogt zijn op een befiüit, van zich niet aan ernfiige beleedigingen of verkortingen të onderwerpen (f).

Wij [Engelschch], vervolgen de Schrijvers van hét Rèvkw, kunnen jonathan bekend maken met de onvermijdelijke gevolgen van te veel roembejag. -— Belastingen op elk artikel, dat in den mond gaat, of den rug bedekt, of onder den voet gtplaatst is; belastingen op'

alles, wat aangenaam is voor het gezigt, het gehoor, hef gevoel, den reuk, of den fmaak; — belastingen op warmte, licht, cn beweging; —- belastingen op alle dingen.; die op de aarde of in dë wateren onder de aarde zijn; — op alles dat Van buiten inkomt, of binnen 's Lands groeit; — belastingen op de ruwe Mof "en; — belastingen óp elke nieuwe waarde, die er door menschelijke nijverheid aan wordt toegevoegd j — belastingen op de fans, die den mcnschcUiken eetlust prikkelt, en op de droogerijen, die zijne gezondheid herftellen; — op den hermelijnen mantel, die den Regter verfiert, en op de koorde, waaraan de misdadiger gehangen wordt; — op het zout van

den

r) Dit is een bijnaam, welken de Engelschen gewoon' ïi]n aan de ^fnérikanén te geven, vooral wanneer zij den laatfrèn hunne minderheid willen doen gevóélen.

DE VEB.T.

tt) Dat willen de Amerikanen ook niet; zij vergrooten Kilgne zeemagt ter dekking van eigen' handel en kusten, en dit is, zien wij het wél in, zeer roemwaardig. Zoo deden ook eens onse. Vaderen „ en zij werden er groot door,

»E RED.'


den. armen., en de fpecerijen??van den rijken; — op de metalen fpijkers van de doodkist, en de  linten van de

bruid; te bed of aan tafel, hêderliggeridé of opftaah-

rJe, wij moeten betalen. — Dé schóoljongcn drijft zijn' belasten tol; — de baardélooze jongeling berijdt zijn belast paard, met een*belasten toom, op een' belasten Weg; — en de dervende Engchchman, dié zijn geneesmiddel, van hetwelk 7 pCt. betaald is, in een' lepel giet, die i5pCtV heeft betaald, draait zich om op zijn cliitfen béd; dat 22 pCt. betaald heeft, — maakt zijn' uiterften wil op een' zegel van acht pond St., blaast den" adem uit in de armen van eenen Apotheker, die eene ïiccfxe vaii honderd ponden heeft betaald, om het voorrégt té erlangen van' hè'ni ter dood te brengen. Dan wordt zijne gehcëlë bezitting belast van twee tot tien ten honderd. Behalve de uitérdcwiis-registratié, Worden er groote kosten vcreis'clit oïii hem te 'begraven; zijné deugden worden aan'dé'nakohie-» lingschap overgeleverd op belast marmer; en nü Wordt hij tot zijne vaderen verzameld, om niet méér belast té worden;—â–  Hierbij komt; dat de hebbelijkheid, om in groote somniën' te handelen, dé Regeringen fteeds gierig en verkwistend te gelijk zal maken; en het ftelfel is in zich zelf onfeilbaar geschikt; om het laag gewormte van verfpieders en verklikkers te doen geboren worden h mitsgaders een nog pestaardiger gedacht van Staatkundige berispërs van de laagde en hatelijkde foort j — terwijl het overgroot patronaat* schap, hetwelk de inzameling van deze luisterrijke inkomften in dé handen dér Regering zal Brengen, aan dezelve zulk eenen wijduitgedrekten invloed zal geven, en zulkë middelen en aanlokfelen tot omkooping zal aanbieden dat het Voor al de deugd en den volksgeest, zelfs van repu-» blikéinen, onmogelijk zal zijn dezelve te wederdaan» tea si-ar, 1820, N*. XI» Nhh fcdef


C 263 )

Ieder yerflandig jonathan behoort dit wél te bedenken, als hij het gemeene volk achter den waarlijk eerbiedwaardigen decatur het hoezée hoort aanheffen, 0f de ijdelheid van dien nog meer geliefkoosden geleider ziet aanprikkelen, wiens regtvaardiging het'karakter zijner Regering bij alle befcliaafde volkeren der wereld' vernederd heeft.

Eindelijk, Schulden. Amerika was,-na den omwentelingskrijg, 4a miilioenen Dollars schuldig; in 179°» 79 miilioenen; in 1803, 70 miilioenen, en in het begin van Januarij 1812 was de Staats-schuld tot 45 miilioenen Dollars verminderd. Na den jongften oorlog met Engeland was dezelve tot 123 miilioenen gellegen; en zoo ftond dezelve op den 1 Januarij 1816. Het geheele bedrag, op het krediet der Rommisfarisfen van het zinkendfonds overgebragt, was, op den 31 December 1816, omtrent 34 milhoenen Dollars.

IV.


IW BËRIGTEN uit de K LONIÉ'n,

De oogst afgeloopen, en alles in de Koloniën wél zijnde, is er voor deze maand weinig te berigten. Het winter-gezaaf is volbfagt, "gelijk ook de aankoop van koeijen.

Een ooggetuige V' dié tóet kennis van zaken oordeelen kan,' schrijft, ondér dagteekening van den 22 November, aan de Penha?nelite vKómmisfie, uit de Kolonie N°. 3: „ ik ben federt maandag avond met veel genoegen in deze Kolonie, -tfe SratSïfbggè- flaat hier boven alle verwachting zoo goed als op onze best-gekultiveerde gronden. Ik heb mij ook vërwönderd, dat de klaver op dezen nieuwen kouden grond zoo goed voortkomt. Ook hééft de fioryn tegen mijne verwachting den grond bedekt."

„ Zoo ver ik er över kan oordeelen, gaat het hier met het schoo'lwezen, de spinnerijcn, en over het geheel niet de Kolonisten, die' zeer tevreden schijnen te zijn, uitnemend goed. AWes is zoodanig,1 dat het waarlijk voor mij een groot vermaak is, hier eenige dagert'te kunnen verblijven."

Men kan uit den goeden staat dezer pas aang legde Kolonie met grond tot dien van de vroeger gevestigde en du» reeds verder gevórderde N«s. 1 en 2 beüuiten.

Den 8 dezer inaand heeft de eerfte uitloting plaats gehad der eerfte Negociatie van / 80,000.00, ten behoeve ' Nnn a dfcr


C 870 )

der Maatschappij door het Huis der Heereri vUttt en Icol te Utrecht, in 1819 tot hand gèbragt; zijnde daarbij de 8 volgende nommers, N'. 3 & 43? 52 ». 54 5 56» 62? 63, 74, uitgeloot, ten einde ha den' 1 Januarij aanmaande met 5 pCt. interest en 5 pCt. premie te worden afge* lost, ten hunnen kantore of bij de Asfociatie-kasfa te Amflerdam, ter keuze der belanghebbenden* -y::--. " li H ébm 1 r' -; -i

Dezer dagen ontving de Permanente Kommisfie wederom eene gift van ƒ 300.00, ten behoeve van het Maatfehappelijk fonds, overgemaakt door eenen Donateur te. Utrecht, die onbekend verkiest te blijven, en de aankonj dking zijner gifte alleen verlangt „ ter aanmoediging," gclUk hij zegt., „ van zijne Land-, en Stadgenooten tot „ eene ruimere bijdrage ter uitbreiding der Maatschappij „ van Weldadigheid, wier.belangen, regt gekend en be* grepen, geene andere zijn dan die van het algemeen,j, en daarom ook door onzen verhchten Koning op eene " z00 edele wijze bevorderd worden, ter navolging voor.rallen., die op den eernaam van Vriend van Vaderland „ en Vont billijke aanspraak maken. willen." — Eere eri dank zij dezen waardigen weldoener toegebragt, en zijn edel voorbeeld vinde vele navolgers!