Maandblad de Star van maart 1819
| De pdf van dit nummer staat hier op delpher.nl. |
|---|
Pagina 260. Berigten uit de kolonie Frederiks-oord - Maart[bewerken | brontekst bewerken]
Het gaat met de gezondheid der Kolonisten over het geheel zeer wel. De veranderlijke weersgesteldheid van dezen winter heeft ook hier eenige ligte ongesteldheden veroorzaakt, doch niet in evenredigheid met de bevolking, en minder dan op andere plaatsen. De onlangs overledene WEENDER was van een ziekelijk, waterzuchtig gestel. Twee sterfgevallen in den tijd van genoegzaam zes maanden, op eene bevolking van 333 zielen; moet voorzeker ver beneden het gewone peil der sterfelijkheid geacht worden, en dit pleit voor de gezondheid van den oord.
―
De spin- en veld-arbeid gaat voorspoedig en naar wensch. De eerste geeft meer en meer verdienste aan de vrouwelijke leden en kinderen der koloniale huisgezinnen. Wegens vele regens en sneeuwjagten heeft de veld-arbeid in Februarij eenige dagen moeten stilstaan. Desniettemin was al de bouwgrond den 16 Maart omgeploegd, en gereed om bezaaid of beplant te worden. Ook waren de tuinen omgespit tot het poten van vroege aardappelen, en het zaaijen der keukengroenten. De noodige hoeveelheid mist was van Amsterdam en elders in de Kolonie aangevoerd.
(pagina 261)
Bij de laatste loting te Meppel zijn zes jonge Kolonisten, die daarin, volgens de wet, deelen moesten, alle vrijgeloot.
Aan de twee Israëlitische huisvaders is door den Direkteur, met goedvinden der Permanente Kommisiie, een verlof van zes dagen toegestaan, om hunne familiën te gaan bezoeken. Zoo wel van deze als van de overige Kolonisten is de Direkteur, wat arbeidzaamheid, zedelijkheid en ondergeschiktheid betreft, op den duur zeer voldaan. Nog is aan eene huismoeder eene afwezigheid van weinige dagen vergund, tot het bezoeken van haren ouden, stervenden vader.
Aan ettelijke huisvaders, die door ongesteldheid verhinderd waren hunnen akker of tuin tijdig omgezet te hebben, is een arbeidsman, ter aanvulling van dien arbeid, voor hunne rekening, toegestaan.
Er is eene nieuwe bezending van ruim 1500 pond vlasgaren, in de Kolonie gesponnen, bij de Permanente Kommisiie ingekomen. Dit garen wordt door alle deskundigen erkend zeer goed van kwaliteit en bewerking te zijn. Werkelijk is men bezig, daarvan stukken linnen te doen reeden. Eerlang zullen eenige duizend ellen ter aflevering aan de weldadige inschrijvers gereed zijn, waarmede dan ook een' aanvang zal gemaakt worden.
(pagina 262)
Het drukke aanzoek van alle kanten, om in de Kolonie te mogen geplaatst worden, duurt met toeneming voort, zoodat, bij de aanstaande nieuwe uitbreiding derzelve, die men hoopt, dat in dit jaar aanmerkelijk zal kunnen wezen, de Permanente Kommisiie meer met dc keuze dan om stof verlegen zal zijn. Ook mangelt het niet aan andere voorstellen van bijzondere personen, b. v. om jonge lieden, tegen betaling, te hunner opvoeding en oefening in den landbouw in de Kolonie op te nemen, spinfabrijken voor eigene rekening, waarvoor de Kolonisten dan arbeiden zouden, aldaar op te rigten, enzv. Over het geheel vertoont Frederiks-oord een tooneel van nijverheid en arbeids-gewoel, hetwelk, als éénig in zijne soort in ons Vaderland, in het aanstaande fraaije saizoen het bezoek van vele Landgenooten verdient, en ongetwijfeld zal uitlokken.
Men heeft in eenige nieuwspapieren het kort berigt gelezen van de feestviering,. die er op den verjaardag van Prins frederik der Nederlanden onlangs in de Kolonie heeft plaats gehad. Indien ergens in ons geheelc Rijk deze vreugdedag met hartelijkheid, en aandrift gevierd is geworden, en verdiende gévierd te wrorden, dan voorzeker was het in die volkplanting, welke van dezen braven Prins haren naam ontleent, cn bij die familiën, die aan dc Maatfehappij, onder Hoogstdeszelfs befchermend geleide opgerlgt en werkzaam, hare geheeie redding en opkomst té danken hebben. Dit hebben onze Kolonisten dan ook diep gevoeld en ongedwongen
(pagina 263)
getoond te befeJIen, daar zij vrijwillig hebben gewedijverd, om dit Feest zoo plegtig en heugelijk te maken, als het, naar den aard der omftandigheden in eene pas opgerigte Kolonie, zijn konde.
Reeds in den vroegen morgen kondigde bet gelui der nabijzijnde Vleddcrjche Dorpsklok, en het wapperen der Oranjeviag van den toren, de vreugdeftof van den dag aan. De dankbare, weltevredene Kolonisten, die dezen dag reeds met verlangen hadden te geraoet gezien, hadden, na een' vermoeijenden veldarbeid, bijkans den geheelen nacht met liet vlechten van kranfen, uit groene dennentakken, met Oranje-papier omwonden , doorgebragt, ten einde op dit feest den voorgevel hunner kleine woningen met een openbaar vreugdeteeken te kunnen verfieren. Van het Fabrijk-Magazijn cn van den ingang der Kolonie wapperden vlaggen. De woningen der Kolonisten waren als in een groen bosfehaadje herfeba-
pen. „ Geen oord in ons Vaderland," zegt de
' lieer Direkteur in deszelfs brief over dit onderwerp, .
„ van die uitgefirekrheid , bevattede ongetwijfeld zoo „ vele dankbare harten, als het kleine Frederiks-oord." — 's Namiddags waren de Proteftantfche Kolonisten in de kerk, waar de brave Predikant r. de kemper eene zeer toepasfelijkc, roerende Redevoering hield, door welke allen zigtbaar getroffen waren. Zijn Ew. bepaalde de Ko? lonisten bij de voorregten, die zij door de zorg- der Maatfehappij, aan welker hoofd zich de thans verjarende Prins bevindt!, genieten, en bij de verpligtingen, welke zij aan dezen Vorst hebben, die zich hunner belangen aantrekt, en hun weldoener wil zijn; hen tevens opwekkende tot liefde voor, en dankbaarheid aan dien zoo beminden Vorst, en tot zulk een gedrag in alles,
(pagina 264)
als het zckerfle bewijs van de goede gezindheid hunner harten zoude zijn.
Des avonds was de gcheele Kolonie op eene zeer eenvoudige wijze met kaarfen geïllumineerd. Ook het Magazijn , het Onder-Direkteurshuïs, en de zoogenoemde keuken waren, als bij elkander gelegen , aardig verlicht , en alles trof de aanfehouwers, die ten getale van eenige honderden waren zamengevloeid, om ooggetuigen van dit kleine landfecst te zijn. De Predikant van Vhd* der en andere fatfoenlijke familiën woonden desgelijks hetzelve bij, en gaven, met die van den Heer Dlrakteur, den meesten Kolonisten in derzelver woningen, waar eene betamelijke vreugde heerschte, een bezoek. De Direkteur had aan de huisgezinnen, naar mate van derzelver fterkte, eene gepaste hoeveelheid welbereide punch met de noodige befchuit doen uitdeelen, ten einde die, ieder met zijne huisgenooten, te gebruiken. Deze fchikking fcheen allen, nog meer dan eene algemeenc zamenkomst, te behagen. Twee of drie huisgezinnen hadden zich doorgaans vereenigd, en waren regt vrolijk met elkander. De jeugd, die zich voor het Magazijn verzameld had, danste daar, om een' behoorlijk verlichten boom, een patertje langs den kant.
Aan zeer vele huizen zag men, op chasfinetten van geolied papier, kleine, wezenlijk zéér toepasfelijke versjes, door één' der Kolonisten zeiven gedicht.
Door het fchoonlte weder begunftigd, eindigde dit vrolijk feest ten elf ure 'savonds; elk keerde vrolijk, hoogst voldaan, naar zijne woning, en hervatte den volgenden morgen met nieuwen moed zijnen arbeid.
Ook een gewestelijke Dank- en Biddag is onlangs dooide Kolonisten mede gevierd geworden.
(pagina 265)
In een der laatste brieven schrijft de Direkteur aan tte Permanente Kommisfie: „ Zeer groote vorderingen'ma„ ken inzonderheid onze jonge Kolonisten, onder den „ verdienftelijken Schoolonderwijzer van wolda. Het „ iS' eene zeldzaamheid, wanneer ée5n der kinderen of
jonge lieden het leeruur verzuimt. Vërfcheidene meis„ jes, meer dan 20 jaren oud, en ook eenige jongens n van dien Ouderdom, die nimmer eenig onderwijs ge*> noten hadden, en in den beginne niet zeer gaarne ter „ fchool kwamen, zijn thans almede de ijverigfte, eil „ hebben zulke ongeloofelijke vorderingen gemaakt, dat'„ eenigen hunner reeds zijn begonnen met fchrijven.,, Eenige kleine aanmoedigingen, door de Permanente Kommisfie reeds aan deze vlijtige leerlingen toegewezen, zul* len gewis den leerlust en naijver nog meer prikkelen. —— Ook de Wel-Eervv. Heer de kempër is ovef zijne leerlingen bij het Godsdienftig onderwijl zeer tevreden. —- De nieuwe bezending van Bijbels of Testamenten aan Zijn-Eerw. uit Amjierdam, ter ükdeelifiS aan de huisgezinnen der Kolonie, is gewis' onzen Lezers" uit de Kourant dier ftad reeds bekend.
Wij mogen deze Berigten niet eindigen, zonder ob!4 hier vereerd te hebben de nagedachtenis van wijlend den lieer g. kraals, in leven Oud-Rentmeester te, Hètihepè^ in Ovcrijsfcl, die aan het Fonds der Maatfehappij bij ■Testament een Legaat gemaakt heeft vau / 200.00 , Cèri jaar na zijn overlijden te ontvangen *
De Redaktie van DE STAR.
Pagina 268. Reglementaire beginselen, ter regeling en handhaving der inwendige orde van de kolonie te Westerbeeksloot[bewerken | brontekst bewerken]
(Gronden en bedoelingen inhoudende van het in No. II medegedeeld Reglement)
Het «roote doel der Maatfehappij van Weldadigheid is , aatJ
arbeidzame behoeftigen, die in de gemeenè samenleving geen toereikend middel van belton vinden kunnen , arbeid tot éiged onderhoud te verlchnffen, en wel, pfodakttven arbeid, door hen, bij wijze van Kolonie vereenigd, op onbebouwde, maar voor kuituur vatbare , gronden over te brengen.
Te dien einde zorgt zij- , dat zulke huisgezinnen, die daar» voor gefchikt en genegen mogten zijn, om van hare weldadige hulp gebruik te maken, van huisvesting, kiecding, huisraad, werktuigen, mist, zaadkoorn, en andere vereischten ter bebouwing der hun toegewezene gronden worden voorzien. — En daar° de opbrengften van den grond niet dan na een zeker tijdsverloop kunnen genoten worden, ftelt zij hare Kolonisten tot dien tijd toe , door middel van fabrijkmatigen arbeid, gelijk het fpinnen van vlas en wol,'in (iaat, om het noodig levensonderhoud te verdienen.
Een â– oogmerk van dezen aard kan niet bereikt worden, indien niet zij, die de hulp der Maatfehappij inroepen, door hunnen ijver en een goed zedelijk gedrag medewerken, om zich uit den Haat van armoede en ellende, waartoe zij vervallen zijn, op te beuren, en tot een eerlijk zelf bedaan te geraken- , ~ Alle maatfchappelijke inftellingen berusten op, eene zeKere orde, door welke de pligten van den een' jegens den -. eer7 eereeeld worden. Van het wederkeerig nakomen der d artoe
" . VOO�-

( )
roorgefchrevene regelen hangt hst geluk der menfchen in buia ie oüderfcbeidene betrekkingen grootftendeels af. Zonder dit is er geen maatfchappelijk geluk denkbaar ; trouwens, daardoor alleen wordt aan ieder de zekerheid verfchaft, dat hij de v:rc'.:ea van zijnen arbeid zal oogden, en dat het genot daarvan hem niet zal ontroofd worden.
De «'.r.pone znmenlcving berust op algemeene regelen , die verbindende zijn voor allen; de bijzondere betrekkingen in de Maatfehappij worden geregeld door bepalingen, alleen voor de EooJanigen verbindende, welke zich vrijwillig in deze betrekkingen ölaatlen. Deze laatfte wetten, hoewel op een vrijwillig verdrag Rennende, .hebben dezelfde verpligtende kracht als de eerfte , en zij zijn niet minder noodzakelijk ter bevordering van het algemeen en bijzonder geluk, daar de maatfchappelijke orde voornamelijk gegrond is op eene menigte van bijzondere inftellingen, die alle wel eenige bepalingen gemeen hebben, maar toch doorgaans aile naar bijzondere, aan dezen of genen ftand eigene bepalingen geregeld worden.
Zoo b. v. is de Militaire Stand onderworpen aan alle burgerlijke pligten, maar hij heeft er tevens nog bijzondere, die de veiligheid en verdediging der Maatfehappij hein gebiedend opleggen. Dit zelfde geldt ook ten aanzien van Regtsgeleerden, Geneesheeren, en van vele Ambachtslieden, inzonderheid derznlken, die, in vergoeding van zekere goederen of regten, hun afgeftaan, zich wederkeerig tot zekere dienften of vergeldingen verbonden hebben.
Niets is noodzakelijker, dan dat ieder de pligten kenne , verbonden aan dien (land, welken hij gekozen heeft; en hierom verlangt de Maatfehappij van. Weldadigheid, clat zij , die hare onderfteuning inroepen, daarvan in hunne nieuwe betrekking volkomen worden onderrigt; gelijk dit dan ook een gedeelte zal uitmaken van het onderrigt, dat van harent wege aan de jeugd zal worden gegeven.
De bijzondere pligten, welke de Maatfehappij aan hare KoloT 3 nis.

( C?0 >
nisteM oplegt, hebben geen ander doel, dan hunne welvaart en geluk te bevorderen. Ieder hunner behoort overtuigd te zijn, dat hare bedoelingen geene andere zijn, dan die van een welwillend vader, welke met zorgvuldige oplettendheid voor het welzijn zijner kinderen waakt. — De giften , die zij, ter uitvoering van haar plan, ten dienfte der behoeftigen heeft ingezameld , zijn offers van zuivere menschlievendheid, alleen gegeven met het inzigt, om ongelukkigen in een' beteren toeftand te verplaatfen, en zij zouden dus zeer ondoelmatig worden aangewend, indien dezelve de vergelding moesten worden eener flaaffehe , ellendige onderwerping aan de bevelen eener eigendunkelijke heerschzucht. Niet zoo zeer het belang der Maatfehappij , als wel dat der Kolonisten zelve vordert, dat alle voorfchriften , hun gegeven, ftiptelijk worden nagekomen, en zij moeten inderdaad overtuigd zijn, dat hun eigen geluk volftrekc verbonden is met hunne zedelijke onderwerping aan pligten, die aüeen door belangftelling in hun lot zijn voorgefehreven.
Trouwens, deze voorfchriften hebben geen ander doel, dan om de nijverheid aan te moedigen, en ieder te verpligten toe een regt zedelijk gedrag, zoo jegens zijne mede-kolonisten, als omtrent de Maatfehappij en de door haar ten toezigt over hen gefielde perfonen. Zelfs kunnen geene bijzondere bepalingen voor: den enkelen Kolonist langer verbindende zijn, dan tot nart het tijdftip, dat zijn gedrag eene voldoende mate van zedelijkheid ontwikkeld, eh eigen ijver en bekwaamheid hem in (laat gefteid hebben, om de fclmld, ten zijnen behoeve gemaakt, af te leggen, en door eigen' arbeid in zijne behoeften geheel te voorzien. Zoodra een Kolonist het daartoe gebragt heeft, wordt hij, in betrekking tot de Maatfehappij, een gewoon huurder, aan geene andere bepalingen onderworpen, dan die eene goede orde in de Kolonie gebiedend vordert, cn van welke ftraks afzonderlijke melding zal worden gemaakt.
De Maatfehappij van Weldadigheid befchoawt echter, in alle gevallen, de bejaarde Kolonisten als vrije lieden, en zij
acht

C m >
acht zich onbevoegd, om dezelven aan eenige Heilige (taffen, van welken aard ook, te onderwerpen. Zoo dit onverhoopt immer moge noodig zijn, zou zij eindigen met diegenen, die, blind voor hun zelfbelang, doof voor alle zedelijke voorfteliingen, in hun onbetamelijk gedrag bleven volharden, over te geven aan die Autoriteiten, welke door het Gouvernement ter wering of beteugeling van wandaden zijn aangefteld. De jYIaatfchappij oefent dus nimmer het eigenlijk gezegde ftrafregt uit, en zij hoopt in het edel begiufel van belooning, als prikkel van een betamelijk zelfbelang, het middel en den waarborg gevonden te hebben , o;n zich van het welgelukken harer pogingen te verzekeren; voornamelijk , door de verbetering in den toeftand van ieder Kolonist geheel afhankelijk te maken van zijne eigene nijverheid en van zijn goed gedrag. Zij vergeldt derhalve alleen ware verdienden; maar het gezond valland en de godsdienst zelfs verbieden haar, de luiheid te voe. den en ongeregeldheden aan te kweeken, door aan deze diezelfde gunden te bewijzen, waarmede Zij braafheid en vlijt beloont. Zij moet dus geacht worden met iederen Kolonist in het bijzonder de verbindtenis te hebben aangegaan, dat zij, in vergelding van een' billijken cn ondergefchikten arbeid, gepaard met een zedelijk gedrag, hem afilaat datgene, wat bij het met hem aangegaan kontrakt bedongen is, waartegen dan ook de Kolonist, van zijne zijde niet volbrengende de opgenomen pligten, vervalt van alle aanfpraak , die hij. anders op het bedongene zou gehad hebben.
Alvorens over te gaan tot de bijzondere Reglementaire bepalingen, die de voorwaarden van dit kontrakt moeten uitmaken, acht men het noodzakelijk, den Kolonist een beknopt denkbeeld te geven van de in te voeren huishoudelijke inrigting der Kolonie.
De Maatfehappij verfchaft aan ieder Koloniaal gezin de kleedingftukken, op nevensgaande lijst N°. i uitgedrukt. Dat gezin ontvangt dezelve op rekening, dat is, het verbindt zich , T 4 ora

c m )
om liet daarvoor verfchuldigde, met de interest tegen 5 ten honderd in het jaar, in het vervolg uit deszelfs overwinnen te betalen; waartoe de vereischte middelen nader zullen worden aangewezen. Deze' kleedinglhikken zijn, zoo in vorm (fatfoen) als in flof, de beste voor de gezondheid en omftandighe, den der Kolonisten geoordeeld. Zij verbinden zich, om die beftendig te dragen, en wanneer een Kolonist in de gelegenheid komt, om zich zeiven eenige kleeding aan te fchaffen, alsdan niettemin, noch in ftoffaadje, noch in vorm of fnede van de algeirïéehè bepaling af te wijken : eene wet, voor deszelfs eigen belang noodzakelijk, daar al de gekozene doffen vatbaar zijn, om door
het huisgezin zelf bereid te worden , waardoor de Kolonist dus zeer veel uitwint, en^ aan zijne vrouw en kinderen gedurende den winter eenen voordeeligen arbeid verfchniTen kan. Stond het eenen ieder vrij, vorm (fatfoen) of dof, zelf te kiezen , dan zou daaruit al ras de zucht voor eene dwaze klecder. pracht, bij verbeterde omlfandigheden , geboren worden, welke zoo menig huisgezin ton gronde hielp, terwijl het vou»hen, die thans bij een dikwerf fober bedaan toch het hunne bijdragen om anderer toedand te verbeteren, hoogst onaangenaam zoude zijn, te zien,"dat deze weidaad tot eenen nutte* loozen en verderfelijken opfchik aanleiding gaf. Een gezonde, in den winter verwarmende, en in den zomer doelmatige, nette, kleederdragt is dus alles , wat de Maatfehappij aan hare Kolonie burgers kan toedaan. Mogten derzelver om»and:guedcB zoodanig verbeteren , dat zij in het vervolg den hijftaad der Maatfehappij niet meer behoefden , en dat een huisvader meende buitendien zijn bedaan te kunnen vinden , «—• waartoe ftraks dc weg zal'worden aangewezen, — dan zal bet vrijflaan, ook ten aanzien der kleeding, eigene keus te volgen; doch, zoo lang men inwoner der Kolonie is, blijft ieder lid des huis-, gezin* aan de algemecne bepaling onderworpen.
Zoo lang de kleedingdukKen, aan een huisgezin verftrekt, niet zijn afbetaald, houdt de Maatfehappij daarop aanfpraak, en
is

C =73 )
is zij goregtigd, om wekelijks te doen onderzoeken, of dezelve behoorlijk onderhouden worden. Zindelijkheid is, behalve het aanbevelende van een goed voorkomen, voor de gezondheid van den mensch een zoo wezenlijk vcreiscbte, dat de Maatfehappij vermeend heeft, door alle gepaste middelen den Kolonist daartoe te moeten aaofporen. — Zoo eenig kleeding» ftuk door achteloosheid bedorven of verloren wordt, blijft de Kolonist niettemin verpligt, om hetzelve door arbeid te betalen, gelijk ook een ander, in plaats daarvan, op geene andere wijze kan verkregen worden.
Mogt een kleedingftuk worden verkocht of weggegeven, eer hetzelve betaald is, . dan ware dit eene ontvreemding van eigendom aan de Maatfehappij , en eene daad , welker ftraf aan de uitfpraak van den gewonen Regter dient te worden overgelaten, daar het der Maatfehappij niet vrijftaat, dergelijke bedrijven te dulden.
Onder dezelfde voorwaarden als de kleeding,. worden ook verftrekt de huisraden en gereedfehappen , op de Lijst N°. 2 uitgedrukt. De Kolonist is gehouden, ook hiervan de waaide door zijnen arbeid te vergoedendaarna eerst wordt het een en ander zijn eigendom, terwijl tot dien tijd toe ook deze goederen aan eene wekelijkfche infpectie onderhevig moeten blijven , en liet gebrokene of vermiste door den bruiker worden vergoed.
Uit de bijgevoegde lijsten blijkt, dat deze fishuid voor kleeding , huisraad en gereedfehappen, omftreeks de /' js00.00 bedragen zal.
Bij zijne aankomst in de Kolonie, ontvangt ieder Koloniaal huisvader of huismoeder een Memorieboekje. 3 waarop alles, wat en waarvoor men het ichukkg is, wordt opgeteekend , en van tijd tot tijd afgefchreven, wat er door het gezin in mindering is verdiend.
Behalve kleeding, huisraad en gereedfehappen, wordt ook •M den Kolonist, gelijk wij zeiden, eene gefchikte woning T 5 ver-

( =74 )
verfchaft. Deze heiraat aanvankelijk uit een ileenen huis, met riet gedekt, 15'voeten in het vierkant; op den zolder, onder het dak, heeft men drie bedfteden. — Zoodra een Huisgezin het zoo ver gebragt heeft, dat het door fpin- of anderen arbeid, waarvan ftraks nader, het noodig onderhoud verdienen kan, wordt achter hetzelve eene fchuur gebouwd van 30 voeten lengte en 25 breedte. Het meerder gemak, hierdoor verkregen , is alzoo de eerfte vergelding der nijverheid van den Kolonist.
Bij ieder huis is een groente-tuin gevoegd, 100 roeden groot, en nog een morgen lands, om beteeld te worden. De
noodige mist en het dikoren ter bebouwing daarvan , wordt
mede aan de Kolonisten verfchaft. Aan ieder huisgezin, da! door ijver en goed oppasfen Zulks verdiend heeft, zullen in het aanftaande voorjaar bezorgd worden twee melkkoeijen, benevens zoo veel weide- of hooiland, als vereischt wordt, om die winter en zomer op den ftal te voeden..
De Kolonist behoudt levenslang het vruchtgebruik van huis, grond en koebeesten. Van de fom, die de aanfchafling van dit alles kost, betaalt hij eene matige rente, en wel,- tot zijn gemak , de derde fchcof van den teelgrond, hem afgeftaau. Indien de waarde dier fchatting, naar den marktprijs, het verfchuldigde aan interesfen mogt te boven gaan, zal het meerdere {trekken tot mindering zijner fchuld voor kleeding, huisraad, enzv.; mogt dezelve integendeel minder opbrengen, dan zal dit te kort, door middel van fpin-arbeid , worden vergoed. In alle gevallen, echter, blijven f gedeelten van zijnen oogst aan hem verzekerd, en daarop zal nimmer, om wat reden ook, iets worden gekort.
Met opzigt tot het aanfokken van vee uit de koeljen, zullen er, ter vergoeding der grootere uitgaven, hierdoor vereischt, aan de Maatfehappij, nadere bepalingen gemaakt worden.
Het is der Komrnisfie tot nog toe niet wel mogelijk, met iuistheid de kosten op te geven dezer onderfcheidene voorwerpen ;

( "-75 )
pen* zij meent echter, dat dezelve nagenoeg op de volgende fommen te bepalen zijn, als:
Voor het bouwen van woning en ïïal . . , ƒ 500,00.
Voor twee melkkoeijen * 200.00.
Voor mist * • » 200.00.
Voor den grond en voor zaaikoren . . . . » iqo.oo.
Zamen /iood.co.
Zoodat het § der grondvruchten van een morgen lands zal moeten opbrengen ƒ 50.00, of wel, voor het daaraan ontbrekende , zoo veel ponden vlas, tegen 10 ftuivers het pond , zullen moeten gefpoiinen worden, als genoegzaam is om het te kort te vinden 5 gelijk dit mede zal moeten gefchieden voor de interesfen der fom , tot kleeding , huisraad , enzv. verleekt: ook zal, bij eenen tamelijk goeden oogst, eene matige hoe. veelheid linnen en wol moeten gefponnen worden, ter vermindering van het kapitaal zelf, voor huisraad , werktuigen, klecding en voeding uirgefchoten.
Deze bepaling is noodzakelijk, omdat het doel der Maatfehappij moet zijn, het grootst mogelijk getal van ongelukkigen te helpen, en dit oogmerk alleen kan bereikt worden, door aan ieder zoo veel lands en arbeids te verfchaffen, als vereischt wordt, niet alleen om hem onafhankehjk te doen beftaan, maar tevens, om de interest te vinden der fom, aangewend om hem daartoe in ftaat te ftellen. Zonder dit hulpmid-, del zou de Maatfehappij verpügt zijn, hare hulp tot zeer weinige menfeheu te bepalen, en wij durven vertrouwen, dat geen der Kolonisten , die bij eigene ondervinding het drukkende der armoede kent, dit verlangen zal; of wel, men zou verpügt zijn, aan ieder huisgezin flechts zeer bekrompenc middelen te verfchaffen, waardoor grootftendeeis deszelfs uitzigt zon verloren gaan, om eerlang een naar deszelfs toeftand ruim beftaan te erlangen,
Ove-

C 275 >
Overigens zorgt de Maatfehappij , dat ieder huisgezin , met aanwending van gepasten ijver, na afbetaling van het verfchuldigde , ten minde ƒ 250.00 in het jaar verdiene, ("wel méér, maar niet minder) door aan hetzelve, boven de vruchten der bouwerij en de baten der koeijen, eene toereikende hoeveelheid van fabrijkmatigen of anderen arbeid te verfchatfen, die, te zattien genomen, het zuiver overfchot der verdienden tot die fom brengen.
Boven dit alles wordt het aan ieder Koloniaal huisvader van een goed gedrag, met zijn gezin, vrijgelaten om , ter verbetering van zijnen toeftand , met de zijnen , in daghuur voor den hem' in de Kolonie overfchietenden tijd bij andereu te arbeiden.
Om de Kolonisten in flaat te dellen, van door fabrijkmatigen arbeid, in tijden van fchaarschheid, bij een Hecht gewas, of eer de oogst binnen komt, een bedaan te verdienen, zullen alle vrouwen, en meisjes van zekere jaren, worden onderwezen in het vlas fpinnen , en alle jongens van zekeren ouderdom in het wol fpinnen. De huisvaders zelve zullen hiertoe niec gehouden zijn, dan bij eigene verkiezing,; doch dezen zal aanvankelijk gelegenheid worden gegeven, om twee dagen in de week in daghuur voor de Maatfehappij te werkten.
Tot het fpin-onderwijs is een gefchikt gebouw opgerigt. Elk, die het fpinnen geheel niet, of alleen gebrekkig verftaat, is gehouden de lesfen,' aldaar gegeven, dagelijks bij te wonen, cn op de bepaalde uren te verfchijnen, en zijne dagtaak af te doen. De Kolonist behoort indachtig tê-zijn, dat alles wat hem gegeven wordt, de vergelding, is van arbeid; dat dus hij , die de bedongen' altoos matige taak niet afdoet, geene aanfpraak maken kan, noch cp huisvesting, noch op voeding. Uit dien hoofde zal dan ook zoodanig een, die door opzettelijke nalatigheid in gebreke blijft van die af te doen, gehouden zijn, zijnen intrek te nemen in één der kamertjes van de Onderopzieners-woningen, en zich aldaar met brood en water te
ver-

< *77 )
vergenoegen, totdat hij den verwaarloosden arbeid heeft ingehaald.
De taak, die als de minde graad van te verrigten arbeid door de Maatfehappij is vastgefteld, beftaat, na voorafgaande behoorlijke oefening in fpin-arbeid, tegen betaling van het vlas, tegen 10 duivers, en van de wol tegen 8 Huivers het gefponnen pond; het fchoonmaken daarvan , is dit noodig, zal afzonderlijk betaald worden.
De wekelijkfche arbeid moet opleveren:
Voor een kind van 6 tot 9 jaren 6 duivers.
i van 9 tot 12 9
van 12 tot 14 â– 11 â–
— van 14 tot 16 16 •
van 16 jaren en daarboven Æ’ 1: -
De huisvaders zullen mede gehouden zijn, na behoorlijke! voorafgaande oefening, op hun' eigen' grond wekelijks zoo veel arbeids te verrigten, indien het weder zulks toelaat, als drie dagwerken van een' gewonen arbeider bedragen. Zij kunnen zich daarin door hunne jongens, na dagelijks volbragten fpinarbeid, doen onderdennen. Wanneer zij m daghuur voor de Maatfehappij arbeiden, ontvangen zij het in den oord der Kolonie gewone dagloon. — De jongelingen boven de 15 jaren kunnen, des verkiezende, in plaats van fpin-arbeid, twee dagen 's weeks in daghuur arbeiden, wordende in dit geval hunne wekelijkfche fpin-taak cp 10 duivers bepaald.
Van allen arbeid, op deze wijze verrigt, zal § gedeelte in geld betaald worden. Het overige blijft daan, onder de ffiraEs nader op te geven bepalingen.
De voorgefchrevene taak wordt door ieder Kolonist op zich genomen als het minimum (dc kleinde mate) van arbeid, waartoe hij gehouden is, en het is onder voorwaarde van die, zoo lang zulks g'eëischt wordt,, te verrigten, dat de Maatfehappij hem huisvesting, voedfel, enzv. verfchaft.
Tot

C' 2-3 )
Tot meerdere bezuiniging en ten gemakke der Kolonisten, doet de Maatfehappij aanvankelijk de fpijzen bereiden. Dezelve zullen bedaan in:
's Maandags, wortelen met aard-appelen en vleescli (hutspot), 's Dingsdags , erwten-moes en vleesch.
's Woensdags, knollen (rapen) met aard-appelen en fpek of vleesch.
's Donderdags, grutte-moes met vleesch. 's Vrijdags, kool met aard-appelen en vleesch. 's Zaturdags, aard-appelen met uijen en vleesch. 's Zondags, groente-foep met vleesch.
De Maatfehappij zorgt, dat al deze Ipijzeii zindelijk en voedzaam worden toebereid.
• Bovendien bekomt ieder volwasfen mensch 's daags één pond roggebrood; die van 12 tot 16 jaren \ pond, en een kind beneden de 12 jaren \ pond, welk brood zal berekend worden tegen 6 duiten het pond. De kosten der voeding zullen worden afgetrokken van de . verdiende, die niet in geld betaald wordt. Mogt dit verdiende de fom te boven gaan, voor het voedfel verfchuldigd, dan wordt het meerdere aan het huisgezin, dat zulks te goede heeft, uitgekeerd, en zoo daaraan, na uitbetaling van § in geld, te kort komt, dan wordt dit te kort op het fehuldboekje van dat huisgezin gelleld , moetende hetzelve naderhand, wanneer de vruchten van den-akker aan het gezin een beftaan verfchafFen, door arbeid worden invotdiend. . >\s
Eike etensportie voor een volwasfen mensch , zal ruim 3 ponden wegen, en tegen 12 duiten de portie berekend w«r-
Aan een huisgezin, dat niet zoo veel verdient, als deszelfs voeding bedraagt, en hetwelk dus gedeeltelijk op rekening gevoed wordt, «al-voor een volwasfen man of vrouw dagelijks eene geheele portie, voor een jongen of meisje van 14 tot 1(5 jaren § portie, cn aan ieder' jongeren eene halve portie verdrela
wor-

C 279 )
worden. — Een huisgezin, dat vier guldens of meer wekelijks verdient, kan, des verkiezende , zelf koken.
De Maatfehappij houdt zich overtuigd, dat de Kolonisten, indien zij de opgegevene fchikkingen wel begrepen hebben, volkomen overtuigd zullen zijn, dat dezelve geheel de ftrekking hebben, om hunnen toeftand te verbeteren en hen op het fpoor des geluks • te leiden. Daarom moest tot grondflag van alles aangenomen worden de bepaling, dat alles wat gegeven wordt, de vergelding is van arbeid en verdienften. Even zeer zullen zij overtuigd zijn, dat, bij eene matige aanwending van krachten, zij volkomen rekenen mogen op een billijk beftaan. Immers, met den loon, dien de Maatfehappij hun toelegt, kan in een huisgezin, waarin drie perfonen gevonden worden, bekwaam tot fpinnen, zeer wel vier guldens 's weeks verdiend worden, terwijl het hoofd des gezins in den winter nog met twee of drie dagwerken^ in huur der Maatfehappij , een' gulden, of dertig ftuivers verdienen kan. Zoodanig een huisgezin, wanneer men er twee of drie kleine kinderen onder rekent, kan voor drie. guldens tien ftuivers in de week gevoed zijn, en dus ongeveer twee' guldens 's wekelijks voor andere geriefelijkheden overhouden.
De noodzakelijkheid, dat ook aankomende jongelingen het fpinnen leeren, is daarop gegrond, dat bij misgewasfen en andere onvermijdelijke noodlottigheden, hierdoor een hulpmiddel overblijft , om aan het huisgezin onderhoud te verfchaffen. Zij, die bij ondervinding het knellende der armoede kennen, zullen voorzeker eene fchikking toejuichen, zoo zeer gefchikt, om hun een vast beftaan te verzekeren, en zoo veel mogelijk onafhankelijk te maken van die toevalligheden, die eene der grootlie bronnen van de armoede is. Het zal derhalve niet dan om gewigtige redenen zijn, dat er ten aanzien van het wolfpinnen door de jongelingen, eene uitzondering kan worden toegelaten.
Om bij ieder huisgezin de nijverheid zoo veel mogelijk uit
te

te lokken, waartoe de prikkels niet te vee! kunnen zijn, zal Voor het eerfte jaar de brand gratis verfchaft worden, doch het licht moet worden verdiend, en gevonden uit het J. der waarde van den arbeid, die aan elk huisgezin in geld word: uitbetaald: zullende niet langer.dan ééne maand na de aankomst lamp-olie gratis worden uitgegeven.
Overigens behooren de Kolonisten wei te bèleffen, dat de Maatfehappij een hooger dagloon geeft, dan bij anderen kart verkregen worden; doch dat ook, in erkentenis daarvoor, wordt bedongen eene betamelijke gehoorzaamheid aan dc Opzieners , over hen aaugefteld ; daar zonder deze het weldadig
Oogmerk volflrekt niet kan bereikt worden, en alle Wanorde
onmiddellijk geleidt tot den ondergang der Kolonie, en dus tod bederf van eiken bijzonderen Kolonist.
Intusfchen wenscht de Kommisiie van 'hare zijde, dit gezag geenszins uk te (trekken tot zoodanige zaken, die een Kolonist in zijne gewone leefwijze of onfchuldige genoegens belemmeren zouden; neen, het gezag moet hier alleen (bekken , om de goede orde te verzekeren , de welvaart der Kolonie te bevorderen , en de gezamenlijke middelen ter bereiking van dit doel, in onderlinge zamenftemming te brengen.
Zoo, b. v., kan het niet geoorloofd zijn, dat ieder naar verkiezing zich buiten de Kolonie begevc; hierdoor toch zou niet alleen dikwerf de arbeid verzuimd worden, maar ook aanleiding worden gegeven tot ongeregeldheden , die den goeden naam der Kolonisten konden bevlekken , en het plan van be. hoeftigen op onbebouwde gronden over te brengen, a's gevaarlijk voor de zamenleving doen befchouwen. Niemand derhalve mag zich, bij dag of nacht, buiten de Kolonie begeven, zonder toeflemming van den Direkteur, en wie van dit voorredt , hem vergund , éénmaal ' misbruik maakte , dien kan het, om de opgegevene redenen, niet weder worden toegeftaan.
Even zeer vordert cle goede orde en het belang der Kolonisten zelve, dat ieder zich op den bepaalden tijd tot den arbeid
be-

C *8i )
begeve. Wie daaromtrent in gebreke blijft, dien weid: èért gedeelte afgetrokken van zijne betaling in geld, als allee i gegé» ven wordende onder voorwaarde, dat de Kolonist zich pligtmatig gedrage.
Zoo is ook ongehoorzaamheid aan de bevelen der Opzieners, of brutaliteit tegen hen, eene fchending van het aangegaan kontrakt, en vermindert dus de aanfpraak op beloning.
Neg veel minder vermag een Kolonist eigenmagtig de Kolonie te verlaten, zonder wetenfehap en konfent van den Direkteur. Zoo lang hij fchuldenaar der Maatfehappij is, doet hij haar te kort, indien hij zonder te betalen zich onttrekt aan den arbeid, dien hij op zich genomen heeft voor het hem ge» gevene te verrigten, en in dat geval zou de Maatfehappij het van haren pligt rekenen, hem in regten te doen vervolgen. Heeft hij echter zijne fchuld afbetaald, dan is hij vrij, en niemand zal hem alsdan weigeren, te gaan waar hij verkiest.
Het is evenwel geenszins het oogmerk der Maatfehappij, den Koionist aan eene naauwere bepaling te onderwerpen, dan volflrekt noodig is. Ter bevordering zelfs van eer en vrijheid â– op ware verdieuftea fleunende, zullen aan de Kolonisten , in vergelding van deze laatften, koperen, zilveren en gouden Me* daiiles worden uitgedeeld.
Ieder, die zich wel gedraagt, en de taak, hem opgelegd» vervult, ontvangt eene koperen medaille, die aan een oranjelint op dc linkerborst gedragen wordt, voorzien van de zinnebeelden der Maatfehappij, en met het omfekrift: Belooning van goed gedrag, benevens den naam des dragers. Deze medaille geeft het regt, om op zon- en feestdagen, na den kerktijd , buiten de Kolonie te gaan, zonder daartoe verlof tê vragen» •
Wie het, bij een goed gedrag, zoo vergebragt heeft, dat hij door eigen arbeid zijn beftaan werkelijk vindt, en door nij* verheid uitmunt, ontvangt eene zilveren medaille, met hetzelf*
OE STAR, iSlQ, N°. III. V d«s

( 2Sa )
de om- en 'opfchrift, welke op gelijke wijze gedragen wordt. Deze medaille regtigt den verkrijger, om dagelijks r.aar goedvinden buiten de Kolonie te gaan.
De gouden medaille eindelijk, wordt gegeven aan de zoodanigen, die reeds de zilveren medaille verdiend hebben, zoodra zij van hunnen grond, met den opbrengst der kceijen, een vrij inkomen van ƒ250.00, of meer verkregen hebben. In dat geval worden zij tevens van alle bijzondere bepalingen als Kolonisten ontheven, (met uitzondering echter van die op de kleeding en de opvoeding der kinderen). ■— Zij worden in dat geval gewone huurders en genieten alle regten , die aan gewone huurders en burgers der Maatfehappij toekomen, verkrijgende dus dezelfde voorregten als die Kolonisten, welke alle hunne fchuïden hebben afbetaald.
De medailles worden verleend door de Permanente Kommisfie van Weldadigheid, op voordragt van den Direkteur, en kunnen ook alleen door die Kommisfie, ingeval van wangedrag, ontnomen worden. De Direkteur zal nogtans het regt hebben, hec gebruik daarvan voor 8 dagen te ontzeggen, en voordragt te doen, om dezelve geheel te ontnemen.
Daar het echter geenszins het oogmerk der Maatfehappij is, om over de Kolonisten een eigendunkelijk gezag te oefenen , zullen twee der oudften en gefchiktften onder hen worden uitden uitgekozen, om, vereenigd met den Direkteur en twee onder-Opzieners, alle befchuidigingen , tegen eenig lid der Kolonie ingebragt, te onderzoeken. Deze vereeniging wordt de Raad van Opzieners genoemd. Indien de meerderheid van hea iemand voor fchuldig verklaart, dan, maar ook dan eerst, zal de belooning hem onthouden worden, waarop hij anders aanfpraak had.
Ook zal de briefwisfeling van en met de Kolonie altijd onbelemmerd zijn, en zullen de Kolonisten hunne bezwaren zoo wel aan de Kommisfie van Weldadigheid, als aan de Sub-Kommisfiè'n, onder welke zij behoord hebben, bij brieven kunnen
ken-

C =s3 )
kenbaar maken, en zoo dezelve gegrond zijn, zal gewis daarin worden voorzien.
Daar voorts de Maatfehappij overtuigd is, dat niets zoo ,zeer het geluk der Kolonisten kan en moet bevorderen, dan een goed, zedelijk onderwijs, is het hare ernftige begeerte, dat ieder hunner een gepast gebruik make van den openbaren godsdienst, overeenkom ftfg het ieerftelfel der Kerk, waartoe hij behoort. Niet alleen zal aan ieder daartoe de gelegenheid gegeven worden, maar de Maatfehappij zorgt tevens, dat het noodig onderwijs daarin worde verleend. Wie de vrijheid, om van den openbaren godsdienst gebruik te maken , misbruikt, zal in liet vervolg, ter kerke gaande, onder het toezigt van een' onder-Opziener gefield worden.
Voor de jeugd zullen fcholen worden opgerigt, en ieder' Ouder zal vetpligt zijn, zijne kinderen op den bepaalden tijd ter fchole te zenden. Te dezen aanzien zullen de reglementen gevolgd worden, voor het lager fchoolwezen in dit Rijk bepaald.
De Maatfehappij behoudt niettemin aan zich het regt, om in het vervolg zoodanige nadere bepalingen te maken, ten aanzien van het phyfiek onderwijs, ligchaarasoefening , gezondheidsrege}en, vaccinatie, enzv., als haar gepast zal dunken, om de gezondheid en he: geluk der jonge Kolonisten te bevorderen.
Eindelijk behoudt de Maatfehappij aan zich het regt, om onwillige of zich flecht gedragende Kolonisten weg te zenden, of wel, zoo daartoe termen zijn, hen aan hunnen wettigen Regter over te leveren, ten einde naar verdienden te worden geftraft.
Daar de dusver gemaakte bepalingen alleen de Kolonisten betreffen, zoo lang zij tot hun beftaan de hulp der Maatfehappij behoeven, zullen zij, zoodra zij in hunne eigene behoefte 'voorzien, de jaarlijkfche rente van huis en land betalen kunnen, en de fchuld, voor hen gemaakt, hebben afbetaald,
aan geen bijzonder toezigt meer onderworpen zijn, maarvzoo ten aanzien van den arbeid, als van het verder beheer hunner V £ za-
zaken, al die vrijheid genieten, welke aan gewone huurders of bruikers wordt toegekend, mits zij die vrijheid niet güsbrüiken. In welk onverhoopt geval de Maatfehappij zich het regt voorbehoudt, om hun de inwoning der Kolonie te ontzeggen, es hen zelfs dadelijk daar uit te zetten. — Alleen ten aanzien van het ouderwijs hnnner kinderen en van hunne kleeding, zullen zij met de hunnen, zoo lang zij in de Kolonie wonen, onderworpen blijven aan de algemeene bepalingen , daaromtrent hierboven gemaakt.