Maandblad de Star van januari 1819
| De pdf van dit nummer staat hier op delpher.nl |
|---|
Pagina 1. Inleiding[bewerken | brontekst bewerken]
Wij meenen aan het hoofd van dit Tijdschrift geene betere Inleiding te kunnen plaatsen, dan het volgende stuk, door de Leeuwaarder Sub-Kommissie der Maatschappij van Weldadigheid medegedeeld in de Kourant dier stad van den 25 December 1818. Niet alleen, omdat hetzelve eene beknopte en juiste voorstelling van het edel doel en de weldadige strekkirig dier Maatschappij in zich bevat; maar ook, omdat de voornaamste bedenkingen, tegen de schoone onderneming derzelve ingebragt, hier kortelijk in hare kracht worden voorgesteld en grondig wederlegd. Het stuk verdient dus, zoo wel ter Voorlichting van het algemeen, als ter eere der Sub-Kommissie, aan welke wij hetzelve te danken hebben, der vergetelheid onttrokken te worden. -— Tevens kan hetzelve als de tekst of het thema worden aangemerkt van de onmiddellijk daarop in dit Nommer volgende, meer uitvoerige Verhandeling des Heeren J. VAN DEN BOSCH, waarvan wij de belangrijkheid aan onze Lezers wel niet zullen behoeven aan te wijzen.
De Redaktie van DE STAR.
-—
'De Sub-Kommissie van de Maatschappij van Weldadigheid, te Leeuwarden' — dus luidt dit meesterlijk opstel, — 'met genoegen hebbende ontwaard de wel-
(pagina 2)
willendheid van verscheidene hunner Stadgenoten, welke reeds hebben ingeteekend op de lijsten, zoo voor vrijwillige giften, als ter aanneming van linnens, beide ter ondersteuning en ten dienste van welgemelde Maatschappij, — en haren dank daarvoor bij dezen uitdrukkende, heeft nogtans vermeend eene poging te moeten doen ter nadere inlichting van velen, welke, hoezeer even welwillend, tot nog toe echter, waarschijnlijk wegens gebrek aan genoegzaam inzigt in deze zeer gewigtige zaak, hunne bijdragen en medewerking hebben uitge-steld.'
'Vergunt ons te dien einde, waarde Stadgenooten en alle, die deze mogten lezen, dat wij ulieder aandacht eenigen tijd opzettelijk bezig houden met eene meer bepaalde aanwijzing van de edele bedoelingen van onze Maatschappij; — dat wij voorts trachten aan te toonen, dat de wijze, waarop zij haar oogmerk poogt te bereiken, zeer doelmatig is; — en dat de bedenkingen, welke daartegen doorgaans worden gemaakt, van genoegzamen grond zijn ontbloot.
'Onze Maatschappij heeft ten hoofddoel: "om aan de zorgelijk toenemende verarming en verlaging der arbeidende volksklassen van onze.natie, alleen door de vereenigdc inspanning der krachten van vele welwillenden, tegenstand te bieden, de heillooze bedelarij te bestrijden, en den natuurlijken en zedelijken toestland van duizendtallen ongelukkige familiën te helpen verbeteren." ' —
Als het voornaamste middel tot bereiking van dit doel, heeft zij gekozen de oprigting van landbouwende koloniën op nog onbebouwde velden, welke Koloniën bestemd zijn ter opneming van zeer vele armoedige huisgezinnen uit onderscheidene oorden van ons Vaderland,
(pagina 3)
aan welke alzoo de gelegenheid wordt verschaft, om, door verdienste van nuttigen arbeid, hun eigen brood te eten, en de smartelijke vernedering te ontgaan van afgesmeekte giften, terwijl tevens door wijsselijk ingerigte verordeningen gezorgd wordt, niet alleen om gevoel van zedelijkheid, pligt en eer bij deze lieden op te wekken, maar ook wel inzonderheid, om bij derzelver kroost zedelijke en verstandelijke beschaving te bevorderen.'
'Zie daar hoofdzakelijk voorgesteld het doel der Maatschappij van Weldadigheid, en de wijze, waarop zij hetzelve wil treffen.'
Het eenvoudig voorstellen van de bedoeling, namelijk, duurzaam helpende verzachting der armoede, gepaard met verbetering van bet opgroeiend geslacht der lagere volksstanden, is op zich zelve reeds voldoende, om ulieden het hoog aanbelang daarvan te doen gevoelen(*).
Wij zullen echter straks gelegenheid hebben zulks nader aan tc dringen; — vooraf willen wij ulieden trachten te overtuigen, (hetgeen meer twijfelachtig konde schijnen) dat het gekozen middel, landbouwende volkplantingen namelijk, aliezins doelmatig, of liever, het eenige doelmatige is.'
'Te dien einde verzoeken wij u, in de eerste plaats, slechts hierop te willen letten, dat alle andere, meestal
(*) 'Die dit meer opzettelijk wenscht aangetoond en ontwikkeld te vinden, dien wijzen wij naar de zeer lezenswaardige verhandeling over den aard en de vereischten van, en het hoog belang der Maatschappij, in een doelmatig volks-onderwijs, door H.W.C.A. VISSER, Zutphen 1816, en naar de Redevoering over het lot der Armen, enz. van denzelfden Schrijver, Sneek, 1818.'
(pagina 4)
plaatselijk genomene maatregelen, en bestaasde armeninrigtingen, zij mogen dan eenigen tijd lang verzachting en hulp hebben aangebragt, nogtans op den duur en over het geheel genomen, volstrekt ontoereikende zijn bevonden, om aan de ontzettend-aangroeijende armoede der lagere volksklassen perk te stellen.'
'Om zich daarvan te overreden, behoeft men niet in een diep onderzoek te treden omtrent den aard zelve van die tot hiertoe ter wering van armoede ingevoerde maatregelen en inrigtingen (*). Genoeg is het, dat de ondervinding het ontoereikende en dus ondoelmatige van al die gebruikte
(**) 'Hoezeer b. v. de meeste fabrijkmatige inrigtingen, stedelijke werkhuizen, publieke bedelaars-huizen, enz. gebrekkig zijn, en, zoo al plaatselijk nut doen, tevens aan fabrijken van partikulieren schaden, en elders de armoede vermeerderen, enz, is door velen, uit den aard zelve dier inrigtingen. beweerd. Een onzer wetgevers (zie Staatsk. 1818 , N°. 294) durfde wel onze bedelaars-gestichten rangschikken onder die kwalijk overlegde instellingen, welke ledigloopers en bedelaars vermenigvuldigen. Hij durfde onbeschroomd zeggen: "dat, indien men iedere tien jaren, in eene onzer groote steden, een dergelijk bedelaars huis oprigtte, men iederen keer meer bedelaars op straat zoude vinden, dan zoodanig gelucht zoude kunnen bevatten." — En wat voorts betreft onze vondelingshuizen, weeshuizen, enz. men leze b. v. het gedrukt berlgt van eenen der mederegenten van het Aalmoezeniers-weeshuis te Amsterdam, en men zal verbaasd staan over het zeer gering getal van hen, die van zoo vele duizenden uit dat Gesticht, in weeiwil van enorme kosten en moeiten, aan hunne opvoeding besteed, als nutte leden in de burgerlijke maatschappij plaats bekomen en behouden.' 'Van onze weeshuizen willen wij zwijgen.'
(pagina 5)
middelen volledig bewijst. Immers leert dezelve, dat, niettegenstaande de ijverige pogingen van onze Armenbesturen, niettegenttaande vele met wijsheid ingevoerde fabriekmatige inrigtingen ter verschaffing van arbeid in vele oorden, niettegenstaande de vermeerderde liefdadigheid van vele welbemiddelden, — nogtans, vooral sedert ongeveer eene halve eeuw, en zulks ook op tijden en plaatsen, wanneer en waar vermindering van algemeene welvaart geene oorzaak opleverde, waar zelfs de rijkdom van de bevolking, in massa genomen, was vermeerderd, — dat, zeggen wij, desniettegenstaande het getal der behoeftigen, welke, hetzij dan door gebrek aan arbeids-verdiensten, hetzij door physiek onvermogen, hetzij door onwil, een kommerlijk leven voortslepen, op eene verbazende wijze in de meeste plaatsen van dit ons Vaderland, even zoo als in de meeste oorden van Europa, is vermeerderd geworden.'
'Wie heeft niet terug op het tafereel, hetwelk deskundigen schetsen, van de meer en meer toenemende ellende der lagere volksklasse, wanneer zij beweren, dat immers meer dan zeventien millioenen behoeftigen zonder toereikend bestaan in het beschaafd Europa aanwezig zijn? Wie ontzette zich niet, toen men zag, hoe het overrijk en overmagtig Brittanje nog onlangs sidderde bij het oproerig geschreeuw hunner sans-culottes, en bij de ervaring, dat veel -meer dan een derde gedeelte van hunne bevolking tot deze klasse van hulpbehoevenden behoorde? Wien deert en bekommert het niet, wanneer hij acht geeft, welk zeer aanmerkelijk gedeelte ook van de bevolking in ons Koningrijk, en wel voornamelijk in de rijkste Provinciën van hetzelve, onderhoud of ondersteuning behoeft?— Zevenmaal honderd en vijf en veer-
(pagina 6)
C 6 ) tig duizend menfchen, cn dus één van de zeven inwoneren, werden in den jare 1817 in dit Rijk onderhouden bf onderfteund! (V) En echter hebben de mil- Jiöenen fchats, welke vijf duizend plaatfelijke adminiftratiën tot bedeeling beftcedden, — echter hebben de millioenen fchats, welke de mededoogende Nederlander bovendien aan liefdegiften of aalmoezen gei' of fpödë, — • niet kunnen verhoeden , dat niet nog een zeer groot aantal, behalve de bedeelden, dikwijls met nijpend gebrek worftele, en een leven voortflepe,. dat naauwelijks een menfchen-leven mag heten!" ‘‘ Daar dit alzoo bij ondervinding bleek , zal cf wel geen verder betoog rioodig zijn, dat de tot hiertoe genomene maatregelen , en beftaande inrigtingen , onvoldoende zijn , om het inkankerend kwaad der toenemende armoede des volks te fluiten." Wij zeggen: het inkankerend kwaad: want behoefte waarde Vrienden 1 is de vruchtbare moeder van zedeloosheid en allerlei, euveldaad. — En, wat nog flimmer 'is, de eenmaal in vadzigherd en ondeugd verzonkene ellendige kweekt al weder een gedacht aan, nog erger ' dan hij zelf. — Niet alleen menfchelijkheid en mededogen met die ongelukkigen, maar ook het eigenbelang der begoedigden (d)', vordert meer en meer gebiedend, cm dit kwaad eindelijk in den wortel aan te tasten. De tijd is O) ‘‘ Blijkens officieel Rapport van den 9 Maart 1818. Dat voorts in fommige onzer «eden bijna de helft, in andere, (b. v. Leemardeti) , een derde deel van de bevolking wel eens ondertand genoot, is bekend." f<f) ‘‘ Zie het .betoog daarvan in de vorige, in noot a aarge- 
(pagina 7)
is daar, dat men moet trachten, liet gebroken evenwigt in de burgerlijke maatschappijen te herstellen.'
'Geen wonder, derhalve, dat sedert lang wijze en edeldenkende mannen bedacht zijn geweest, om meer doelmatige middelen in het werk te stellen, tot keering van dit kwaad. Wij zullen niet treden in breed verslag, van hetgeen over dat onderwerp meermalen is voorgedragen, maar alleen ulieden verzekeren, dat de uitslag van al hunne overweging, redenering en proefondervindelijke kennis, nederkomt op deze grondstellingen: —
1° Dat, wanneer men de zaak over het geheel beichouwt, de armoede op de meeste plaatsen ontstaat door gebrek aan gelegenheid van door geschikten arbeid genoeg te verdienen, om daarvan behoorlijk te kunnen bestaan. — 2°. Vervolgens: dat alle duurzame vermeerdering van arbeid, welke men wenscht te verschaffen aan de behoeftigen, ook in ons vaderland, even zeer als in een groot deel van Europa, alleenlijk kan worden voortgebragt door eene vermeerdering van de eerste levensnoodwendigheden; — met andere woorden, dat alle maatregelen om aan behoeftigen door meerderen arbeid onderhoud te bezorgen, wanneer men de zaak in haren geheelen omvang en niet partiëel beschouwt, vruchteloos en onbestaanbaar zullen worden bevonden, indien niet, immers tevens, door eene kuiture van vele woestliggende gronden, eene meerdere ruimte van de noodigste levensmiddelen wordt bevorderd. (*)'
(*) Men kan dit een en ander Staatshuishoudkundig en met wijsgeerige juistheid bewezen vinden in de voortreffelijke Verhandeling van dien schranderen en uitmuntenden man, aan wien onze Maatschappij, en het geheele vaderland, in dit opzlgt
(pagina 8)
‘‘ En, nu nader komende tot hetgeen wij ons voorfielden te betoogen, vragen wij, wat meer doelmatig in dezen kupne zijn, dan juist deze kuiture, waarvan wij zoo even fpraken, ook door handen van hehceftigen te laten verrigten ? Hier wordt dan immers het middel reeds aanvankelijk bereiking van eicel, cn heeft ten gevolge, dat naderhand velerlei arbeid, eek van anderen aard, met vrucht kan worden vermenigvuldigd; terwijl mede, uit een ander oogpunt befchouwd, uitzeilde middel, wanneer het wdjsfelijk wordt bewerkftelügd, bij verine van eene landbouwende Kolonie onder verllandig toevoorzigt, tevens den besten maatregel oplevert, om te zorgen voor zedelijke verbetering en yerttaiidelijke beiebaving, niet alleen van vele volwaslenen, maar wel inzonderheid van nog grooter aantal kinderen, waarvan de rneesten zonder deze zorge zouden opgegroeid zijn , als zoo grpote verpligting heeft; wij bedoelen de Verhandeling van den lieer j. van hen boscu, Generaal-Majoor en Ridder, enz., e:>er de mogelijkheid, de beste wijze van invoering, en de be. hngrijke voordeden eencr algemeens Armen inrigting, door het vestigen van eene landbouwende Kolonie, enz. And;. i3i8. 1 Voorts vermeenen wij bij deze-gelegenheid te mogen vermeiden, dat, zoo wij wel onderrigt zijn, de Kpramisfie van Landbouw in deze Provincie, bereids in Augustus 181Ö, aan Hceren Gedeputeerde Staten gunflig heeft voorgedragen het denkbeeld , om door het emploi van vele onzer behoefdgen tot huid-arbeid en ontginning, de toeneming der armoede te (luiten; — terwijl ook aan eenen onzer Vriefche landgenooten, den Heer u. w, c. a. visser, de eer toekomt, van reeds in 1817 aan Z. M. tot een gelijk doeleinde te hebben yoorgefteld de oprigring van eene landbouwende Kolonie van armoedige huisgezinnen op een' thans woest liggenden domeingrond in deze Provincie." 
(pagina 9)
pis flachtoffers van verwaarloosde opvoeding, in onkunde en luiheid, tot nog zwaarderen last der zamenleving,dan hunne ouders'voormaals waren." ‘‘ Wij achten het overtollig meer aan te voeren, om her doelmatige te bewijzen van de tot waarachtig menfchcnseluk leidende ónder-neming van onze Maatfcèappij van Weldadigheid; — kunnende ieder,'die zich nader bekend wil maken met de wijze verordeningen voor hare Kolonie, daarover lezen het Algemeen Verjlag der pmh [tonde Kommisjie van 22 Junjj itiiS (ƒ)•" ‘‘ Eere en «iank zij dus gewijd aan die voortreffelijke mannen, welke na rijpe overlegging het edel en groot ontwerp vormden , volgens hetwclke onze Maatfcbapptj handelt , en die met vasten tred voortfh'cvon, om hetzelve tot volmaking te brengen!" ‘‘ Hulde en erkentenis vooral aan het edel hart van den welbeminden Vorst, dien men aan het hoofd ziet geplaatst van deze vereeniging van menfehenvrienden, en die met het hooge aanzien van zijnen Hand, met alles >vat zijne verlichte volksliefde vermag, en met eigene onvermoeide werkzaamheid, de pogingen dezer Maati'chappij onderfchraagt!" I ‘‘ Eer e 1 dank mede aan nlieden allen, welke door deelneming aan, en krachtdadige, onderfteuning van onze Maatschappij , derzelvcr werking tot verzachting van nienfchelijke ellende wilt bevorderen, en 11 alzoo aantrekt het deerniswaardig lot van zoo vele, als het ware, uit de zamenleving verftotcne ongelukkigen !" ‘‘Ver- (ƒ) ‘‘ Hetzelve is, met de bijlagen daartoe betrekkelijk, |<drukt bij de gebroeders van CLEEF , in 1818, en overal te be komen." A 5 
(pagina 10)
‘‘ Vergunt nu verders, dat wij nog eene korte wipte «lieden onderhouden, met aan te wijzen, hoe weinig gegrond eenige bedenkingen en tegenwerpingen zijn , welke mogelijk ibmaiigén uwer terug hielden van deelneming aan, of verdere onderltcuning van onze Maatschappij : ‘‘ i. Men werpe dan niet tegen: ‘‘ Dat in deze Pro‘‘ vincie weinig- armoede uit gebrek aan gelegenheid tot ‘‘ arbeid outflaatd' Dit toch is zeker, dat pok hier, even zeer als elders, een overgroot aantal behoeftigen, die hunnen arbeiden, of zeer kommerlijk leven, of zelfs broodsgebrek lijden, indien niet door aalmoezen of ai'ge- drongene bedeelingen in hunnen nood werd voorzien Laat nu deze toelland bij velen door onwil, zorgeloosheid of' Wangedrag, veroorzaakt worden: — die toeftand beflaat toch, bedroeft en verontrust den mehfehenvricnJ, die derhalve niets vuriger moet verlangen, dan de uitbreiding der werking van eene Maatschappij , welke juist ten doei heeft, om de gelegenheid te geven, dat deze onwil, zorgeloosheid of wangedrag, overal met kracht kunnen worden tegengegaan. En behalve dien, al ware het, dat de vermeerdering van arbeid niet hier, in dezelfde mate ais wel elders, onmiddellijke hulp aanbrenge voor onze armen; wie kent niet het naauwe verband, in hetwelk al de deelen van éénen Staat tot eikanderen Haan, zoo dat de vcrligting der armoede in naburige oorden ook middellijk den bloei bevordert van andere plaatfen ?" ‘‘ 2. Men werpe voorts niet tegen velerlei zwarigheden, welke tle uitvoering van de ondernemingen der Maatschappij van Weldadigheid zouden beletten. Het doorzigt en de wijsheid van die manhen, welke zich we! aan het hoofd dezer vereentging hebben willen laten stellen , 
(pagina 11)
.len, en welke al die welgewogene zwarigheden voor geenszins onoverkomelijk achteden, waarborgden ons reeds vooraf genoegzaam de waarschijnlijkheid, dat zij wel zouden slagen, mits bijgestaan door de medewerking van veie welwillenden. Eene waarschijnlijkheid, te grooter wanneer men let, dat de gevreesde zwarigheden bestaan: 10 'In de kostbaarheid van landontginning, waarbij zelfs partikuliere ondernemers zelden voordeel vinden.' — Men kan immers, in de eerste plaats, daarop antwoorden, dat deze zwarigheid eigenlijk hier geene toepassing. heeft. Men ontgint hier niet tot financiëel voordeel, maar om nuttigen arbeid dadelijk te verschaffen, en in de gevolgen te vermeerderen, voor die volksklasse, welke nu, door gebrek aan welbeloonden arbeid, noodlijdende is, en aan welke thans, in alle gevallen, door ondoelmatigen onderstand, oneindig meer wordt verspild, dan het financieel nadeelig saldo ook van de kostbaarste landontginningen zoude bedragen. — Wij antwoorden wijders, dat uit vroegere ondernemingen van landontginning, meestal in het klein door partikulieren gedaan, geen gevolg kan worden getrokken tot die, welke de Maatschappij van Weldadigheid bij wijze van kolonisatie, wil bewerkstelligen, en zulks in eenen tijd, nu sedert eenige jaren de wetenschap van den landbouw, vooral van de middelen ter kulture van woeste gronden, van bemesting, stalvoedering enz. zoo groote vorderingen heeft gemaakt en maakt. — 20. Eene andere voorname zwarigheid zoude gelegen zijn: ‘ In de physieke en zedelijke ongeschiktheid der personen, welke men tot dezen veldarbeid wilde gebruiken." Wij erkennen, dat dit wel, vooral in het vervolg, bij minder ruime keuze, eenige zwarigheid oplevert, doch deze over-
(pagina 12)
winnen is door verftandige maatregelen van tucht, tercgtwijzing en opbeuring. Hoe zulke maatregelen niet alleen vadzige en verzwakte bedelaars tot noeste landbouwers, maar zelfs de meest verworpene misdadigers tot arbeidzame en nutte leden der zamenleving kunnen vormen,zien wij uit liet voorbeeld van de Engelfche landbouwende volkplanting in Nieuw-Zuid-Wallis (g)* En waarom zouden wij dan wanhopen aan de verbetering en opbeuring van zeer velen onzer thans door kommerlijke leefwijs verzwakte en in moedeloosheid néêrgèbogene natuurgenooten, wanneer aan ben, cn tevens aan gade en - kroost, een kommerloos beilaan, als loon van vlijrigen arbeid, kan worden verzekerd?" ‘‘ Doch wat behoeven wij hier langer bij ca oplosfing van zwarigheden ons op te houden, om de waarschijnlijkheid van het welfiagen der onderneming te bewijzen? Die waarfchijnlijkheid immers is reeds tot genoegzame zekerheid gebragt door het aanvankelijk zoo wel gelukken der eersle proef. Men leze slechts de berig- ten (/;) omtrent den tegemvoordigen toeftand van de eerst Qf) ‘‘ Men leze daarover de belangwekkende berigten, voor eenigen tijd medegedeeld in het Mengelwerk der Faderl. Letteroefeningen? (/O 3> Zoo leest men b. v, in de Stnatskourant, 1818, N°. 288 , onder den datum van 1 December: ‘‘ Door onze nabijheid aan de Kolonie," dus berigt de Sub - kommisfle van Weldadigheid te Steenwijk, ‘‘ zijn wij althans in ftaat gefteld , onze landgenooten te kunnen verzekeren , dat de proef, om in het heideveld, behoorlijk toebereid, dadelijk koorn te verbouwen, uitnemend' wel is uitgevallen. De rogge tiert, op de beste ons omringende gronden, niet weliger dan die , welke, in het laatst van 
(pagina 13)
eeVst zoo onlangs opgerigte landbouwende Kolonie hl Drenthe, — of hoore daarover de goedkeuring en bewondering van ooggetuigen - of overtuige zich zeiven door eigene bezigtiging." Men zegge niet, ‘‘dat het verzorgen van weinige \.^e&inncn op Frederiks-oord eene geringe verligting * 0pUvert tot hulp van zoo vele armen in ons Land.; — * dat zelfs in die plaat/en, waaruit één huisgezin der’’; waarts ging, de bijdragen van de leden der Maat‘‘ fchappij, datzelfde huisgezin, en meer dan dat, kon- den onderhouden; — dat men daarmede plaatfelijke " armen-inrigtingen met meer vrucht koude, onderjlett- â– nen, enzd' Die zulke bedenkingen aanvoert, verliest geheel uit het oog, dat de landbouwende Volkplanting op Frederiks-oord hechts een proefnemend begin is der uitvoering van meer en grooter plannen»; — en dat van September en den aanvang vnn October, in den nog onlangs woest liggenden grond is gezaaid. De fpin-arbeid wordt reeds vlijtig verrigt, en wij waren meermalen getuigen vande algemeene tevredenheid der Kolonisten, die in veler gekat uitgedrukt, uit veler monden betuigd werd; wij hoorden reeds, bij herhaling, hun gedrag binnen de Kolonie roemen door den man, aan wien de Maat fchappij van Weldadigheid zoo onbefchrijfelijk veel te danken heeft, en die , tot heden toe , in dezelve dagelijks werkzaam was, met eenen ijver en eene menschlievendheid , welke eerbied en bewondering wekken. Buiten de Kolonie maken zeer velen zich bemind door hun betoon van dankbaarheid voor hun tegenwoordig lot, gepaard aan een gefchikt uitwendig gedrag, dat wij van tijd tot tijd mogen opmerken in hen, die alhier den openbaren godsdienst komen bijwonen, enz." — Vergelijk meerâ– dergelijke voldoende berigten in die en andere, ook in dit Nieuwspapier geplaatst." 
(pagina 14)
dat liet oogmerk aanvankelijk niet is geweest, ook rtfet konde zijn , om in deze eerde'proef de opneming vs.i huisgezinnen in naauwkeurige evenredigheid te stellen met de hoeveelheid der bijdragen uit de onderfcheidene plaatfen, — hetwelk in het vervolg', bij de uitbreiding van deze maatregelen, meer ftaattwkeurig' kan en zal worden in acht genomen ; dat de bijdragen der leden dus niet ten onmiddeilijkcn doel hebben, om van het onderhoud van dén of meer arme huisgezinnen uitkunne refpektive plaatten te worden ontilagcn, maar om te onderfleunen al de ondernemingen van cle Maatschappij van Weldadigheid, in derzclvcr geheeien omvang, en in al derzclver heilzame gevolgen, al ware het dan ook, dat die gevolgen niet clan middellijk , en in later' tijd, ten voordeele onzer plaitfeüjke behoeftigen zich lieten bemerken. En wat eindelijk betreft de laatHe be¬ denking , wie zal ernftig beweren, dat zijne bijdrage voor de Mp.alfchapp.ii van Weldadigheid hem zal be. lemmcren in etc onderdeuning der plaatfelijke armen-inrigtingen?" 4. Nog minder gepast dan de vorengetnelde bedenkingen, zoude die zijn': ,d^Dat in ons Vaderland geen ‘‘ yeocstliggend terrein genoeg voorhanden ware, om daarâ– mede aan de ondernemingen der Maatschappij van ‘‘ Weldadigheid eene voor het doel genoegzame uitbrei‘‘ ding te kannen gevend' — Alleen in deze onze noordelijke Provinciën zijn ten minfte zeven honderd en vijftig duizend morgen onbebouwde gronden, het een min, het and'cr meer gefchikt, om , door ontginning, levensmiddelen en nuttige proclukten voor mensch en vee voort te brengen, en alzoo niet alleen in de gevolgen velerlei welbcloonden arbeid voor de lagere volksitauden te 
(pagina 15)
te vermenigvuldigen, maar ook dadelijk bij de ontginning zelve, nuttigen en gezonden arbeid aan eene taibioze menigte menleken te verfebaffen. Wij zeggen : ma* tivm en gezonden arbeid, want welke is zulks in grootcr mate dan de landbouw en veldarbeid, de aloude en oorfbronKeUjke beftemming des menfehen? In het zweet des aangezigts zijn brood met lust te eten, na vermoeijeiKkn arbeid in het ruime veld, is toch meer verkieslijk, dan den foberen kost te hebben uit vervelend fpinflen of weven in beslotene Werkhuizen, welke op zijn best slechts plaatfelpe en kortftondige hulp opleveren (ï), het kwaad niet in den wortel aangrijpen, en noch Hgchamelijke, noch zedelijke verbetering van het opgroei* jend gedacht kunnen bevorderend" ‘‘ En hiermede , Landgenooten ! meenen wij genoeg te hebben aangevoerd, om uliedcn te overreden van het hoogs aanbelang en de allerheilzaamfte ftrekking, van hetgeen door onze Maatschappij van- Weldadigheid wordt beoogd, als ook van de ongegrondheid van vele daartegen gemaakt wordende bedenkelijkheden." • Wij vertrouwen alzoo mede genoegzaam te hebben betoögd de verpligting van alle verftandigen, om, niet alleen uit menschlicvendhcid ‘‘ maar ook om welbegrepen eigenbelang, naar vermogen, de pogingen van onze Maalfckappü van IVeldadigheid te onderdennen." n Want, — en dit was het laatfte, hetgeen wij onder uwe aandacht wilden brengen , — zonder zeer algemeene en blijvende onderfteuning van zeer vele weiwillenden , zal de werking van de Maatschappij of een' gcruimen tijd ver- CO ‘‘ Zie de aanmerkingen hier voren met lett. b" 
(pagina 16)
vertraagd cn beperkt blijven, of zelfs gevaar kunnen loonen van mislukking. — Dit te verboeden door uwe hulpe, en aizoo den gelukkigen uitslag te verzekeren cn te vervroegen van de menfehen - verecrendfte onderneming , zat voor bet welgeplaatfle hart de zaligde bclooning met zich brengen!" ‘‘ Wel is waar, dat bij de deelneming aan deze Vereeniging niets meer gevorderd is of wordt, dan de zeer geringe bijdrage van 52 huivers jaarlijks. Maar wie uwer zal, wanneer bij overreed is, -gelijk wij wenfehen, van bet voortreffelijke der onderneming, en daarvan, dat dcrzelver goede uitslag, immers de fpoedige uitbreiding, alleen afhangt van de ruimte der fondfen ter beschikking der Maatschappij wie uwer , vragen wij, zal dan niet wenfehen, iets meer te mogen bijdragen, dan deze weinige duivers '?" ‘‘ Dan , ook buitendien kan eene zeer gewigtige onderttenning worden bevorderd, bijna zonder eeiv'ge merkbare financiële febade * door deelneming , 'namelijk , aan het debiet van eenige linnens 4 die bij de "inrigtingen op • Frederiks-oord worden bearbeid* Wie uwer kan niet daarvan in zijne huishouding eene meer of min aanmer-J j kelijke hoeveelheid dienftig gebruiken ? Door, op deze wijze, het vertier van bet gewerkte' te verzekeren, al is het dan met betaling van eene zeer geringe kleinigheid boven de waarde, kunt gijlieden op de nuttigde wijze medewerken tot den bloei der inrigting, welke daardoor in daat'wordt gefield, aan al die leden der huisgezinnen , welke tot veldarbeid niet gcfehikt zijn, of van denzei ven rusten, voordeejigen arbeid te verfchaffen, waardoor zij, zonder vernederend gevoel van aal- 
(pagina 17)
aalmoes, met eigene nijverheid, den ruimen kost verdienen. (T)" ‘‘ Wijders , öm nog meer én beter iedereen bekend te maken met al hetgeen dit gewigtig onderwerp betreft, ên tevens met den tegcnwoordigen en voortgaanden toeHand van de ondernemingen en inrigtingen onzer Maatschappij « vermeenen wij te dien einde aan ulieden gunftigst te mogen aanbevelen het Maandfchrift, hetwelk, onder de benaming van de Star, met primo Februari) 1819 ftaat uit te komen, en van welks beloofden en zeer belangrijken en onderhoudenden inhoud een Profpectus bij de meeste Boekverkoopers te bekomen is; — bedragende de prijs van ieder Stukje, voor de Leden der Maatschappij , die-fpoedig daarop intéekenehflechts i& ftuivers, en voor anderen 15 ftuivers."' [Het (lot is eene uitnoodiging van Stad- en Lahdgeiiooten tot het Lidniaatfchap der Maatschappij ; tot rui'inerc bijdragen aan haar Fonds, dan de infehrijving vaii 52 ftuivers jaarlijks; tot aanneming eener hoeveelheid linnens, in de Kolonie gemaakt, waartoe bijzonder allë edeldenkende vrouwen worden aangeboord; en eindelijk, ter inteekening op dit Tijdfchrift. De onderteekening is van de Heeren j. romkes, als Voorzitter, en t>< li. BEUCKEit andre^e , als toen waarnemend Schrijver der Sub-Komftislie.] Ut) if Omtrent het vóörtrefFelijkë ook van dit gedeelte der inrigting op Frederiks-oord, verwijzen wij voor het overige naaide uitmuntende verordeningen, over dat alles ontworpen, (zie Algemeen Verslag, hier voren aangehaald), en reeds aanvankelijk in de beste werking , blijkens vele berigten"
Pagina 18. Verhandeling van den Generaal-Majoor J. van den Bosch, Tweeden Assessor der Kommissie van Weldadigheid, over den werkelijken staat der Kolonie Frederiks-Oord, - de proefondervindelijk bewezene uitvoerbaarheid van het Kolonisatiestelsel op de aangenomene grondbeginselen, - en de middelen, om aan dat stelsel verders eene spoedige en aanzienlijke uitbreiding te geven.[bewerken | brontekst bewerken]
De gunstige wijze, op welke het Publiek mijne vroegere Schriften ontvangen heeft, over de beste wijze en middelen, om in de behoeften van zoo vele natuurgenooten te voorzien, en hen van den diep vernederden staat, waartoe zij vervallen zijn, tot een eerlijk zelf bestaan veredelend op te leiden, -- en nog meer de aanvankelijk - gelukkige slaging der door mij voorgestelde proefneming, om door middel van eene Landbouwende en Fabricerende Kolonie dit heilzaam doel te bereiken, -- verstrekken mij ter aanmoediging, om aan de openbare beoordeeling thans voor te dragen de verdere ontwikkeling en uitbreiding van een gewigtig ontwerp, dat, indien éénmaal aan de dringende behoefte van onzen tijd, en aan de wenschen van ieder wel geplaatst hart voldaan wordt, geheel de ondersteuning en medewerking dierzelfde openbare meening (publieke opinie) noodig heeft, welker krachtige arm zoo zigtbaar zich doet kennen in de belangrijke voortgangen ter bereiking van het einddoel, welke de Maatschappij van Weldadigheid nu reeds
(pagina 19)
door derzelver onderstening in staat geweest is te maken.
Mogt ik al mijne tegenwoordige Lezers vooronderstellen als bekend met mijne vroegere Verhandeling en het Algemeen en Nader Verslag, door de Maatschappij van Weldadigheid in het licht gegeven, dan zou ik dadelijk tot het gewigtig onderzoek kunnen overgaan, op welke wijze de aangevangene onderneming het geschiktst kan worden uitgebreid.
Dan, daar zoo velen hunner nog slechts gebrekkig zullen onderrigt zijn van het oogmerk, de middelen, de wijze van uitvoering, en de aanvankelijk-gunstige resultaten der reeds beproefde onderneming te FREDERIKS-OORD, zal het beter onderrigt gedeelte mijner Lezeren het niet euvel duiden, indien ik, ten behoeve der min ingclichten, vooraf eenige bladzijden wijde aan eene korte schets dezer laatste bijzonderheden, zonder welke de verdere ontwikkeling van het eigenlijk onderwerp dezer Verhandeling niet algemeen die belangslellihg zou kunnen inboezemen, welke wij daardoor ten beste onzer lijdende natuurgenooten zoo gaarne wenschten te verwekken.
Het hoofddoel onzer Maatschappij bestaat hoofdzakelijk daarin, om, door het overbrengen van behoeftigen, bekwaam en genegen, om te arbeiden (*), op de nog
(*) De vagebonden moeten, volgens het ontwerp der Maatschappij, aan de plaatselijke of algemeene Policie worden overgelaten, om, indien mogelijk, met den tijd tot eene afzonderlijke Kolonie gevormd te worden.
(pagina 20)
onbebouwde gronden van ons Vaderland, hen in staat te stellen tot het vinden van een eigen beftaan door middel van arbeid, en om aanvankelijk door eene proefneming de geschiktste wijze eener zoodanige inrigting te onderzoeken.Vele middelen te dien einde waren reeds eerder bij ons en bij andere volken, meestal vruchteloos beproefd; en geen wonder! immers had men doorgaans getracht aan de behoeftigen een bestaan te verschaffen, door hen tot de fabrijkmatige verwerking te bezigen van zoodanige stoffen, die ligt te bearbeiden zijn, maar die ook juist daarom overvloedig in de maatschappij voorhanden waren.
Van daar, dat gebrek aan debiet der verwerkte stoffen de meeste dezer instellingen, de ééne vroeger, de andere later, deed instorten en mislukken; hetgeen thans, bij de, tot het wonderbare toe in Europa voltooide fabrijkmatige machinerie, veel meer dan ooit het geval moet zijn.
Deze proeven hadden intusschen overtuigend doen zien, dat de behoeftigen over het geheel niet zoo ongeschikt noch onwillig waren, om te arbeiden, als men te voren onderstelde (*), en dat hunne verwaarloosde krachten, op eene gepaste wijze, zeer wel tot den arbeid waren op te leiden; en juist dit verdubbelde het onaangename der teleurstelling, daar men menschen aan hun noodlot scheen te moeten overlaten, die een beter verdienden.
Het is waar, meermalen had men ook den landbouw
(*) Ten bewijze hiervan behoeve ik mij slechts op het voorbeeld der Armen-inrigtingen in 's Cravenhage en te Deventer te beroepen
(pagina 21)
willen aanwenden als een middel, om het lot der behoeftigen te verbeteren; jammer maar, dat de proeven, ook in ons Vaderland daaromtrent genomen, doorgaans verbroddeld werden door derzelver gebrekkige inrigting: men begreep genoeg te doen, met de behoeftigen op onvruchtbare heidegronden, slechts van eenige levensmiddelen en zaadkoren, benevens een ellendig stroohutje, voorzien, over te brengen, hen voorts aan hun eigen lot en beheer overlatende.
Men scheen niet te begrijpen, dat, zou het groote doel bereikt worden, de Landbouw, even zeer als elke andere werktuigelijke veredeling van natuur-voortbrengselen, als een fabrijkmatige arbeid te beschouwen is, en dat, zal dezelve door behoeftigen gelukken, zij ook als zoodanig moet behandeld worden, dat is, dat deze menschen uit de steden en plaatsen, waar zij door arbeid geen bestaan vinden konden, naar daartoe geschikte oorden moesten worden overgevoerd, aldaar onder een gepast opzigt tot den arbeid opgeleid en bekwaamd, en hun arbeid zoodanig geregeld, dat de bekwaamsten hunner aanvankelijk tegen eene geëvenredigde vergelding den moeijelijksien arbeid verrigteden, en anderen daarin onderwezen; zoodat op deze wijze, en bij een strikt toezigt en goede Policie, de zekerheid wierd verkregen, dat ieder stuk gronds op de vereischte manier werd bearbeid, terwijl elk een naar de mate van zijnen arbeid in de billijke vergelding deelde, wordende dus door zijn eigen belang in de noodzakelijkheid gebragt, om de hem opgelegde taak te verrigten.
Op deze grondsiagen was het dan ook, dat de inrigtingen betrekkelijk den landbouw in de eerste Kolonie FREDERiKS-OORD gevestigd zijn geworden.
(pagina 22)
Hiermede is tevens vereenigd eene fabrijkmatige bereiding van kieedingsstoffen, zoo tot eigen gebruik, ais voor dat van volgende Kolonisten, het spinnen van garen en de bereiding van linnen, waarvan het debiet is verzekerd geworden, door middel van vrijwillige inschrijvingen onder menschenvrienden en begunstigers der Maatschappij , strekkende deze arbeid tot een middel van verdiensten voor de vrouwelijke leden, de kinderen, de ziekelijke leden der huisgezinnen, en voor allen in dat jaargetijde, waarin de landarbeid moet stilstaan; dezelve levert tevens in den beginne der kolonisatie een middel op ter vermeerdering der verdiensten tot onderhoud der behoeftigen, als hulpmiddel van des te grooter belang, daar de landbouw niet dan na verloop van eenige maanden vruchten kan opleveren, waarin het huisgezin zijn bestaan vinde.
Ten aanzien van den opbrengst des landbouwenden arbeids was men niet in onzekerheid; men wist bij ondervinding genoegzaam, wat en hoeveel gronden, zelfs naauwelijks ontgonnen en toegemaakt, in ons Land, aan produkten konden opleveren.
Dan, minder was men onderrigt nopens de hoegrootheid der onkosten, die zouden vereischt worden om eene stichting van dezen aard daar te stellen, en welke inrigtingen ten aanzien der inwendige huishouding als de beste waren te verkiezen. Omtrent dit één en ander kon eene dadelijke proefneming alleen beslissen.
Blijkbaar moest door die proefondervinding worden beslist;
1) Of de uitvoering van zoodanig een ontwerp niet met al te zware onkosten gepaard ging.
(pagina 23)
2) Of de behoeftigen, veelal in de steden opgehoopt en met den veldarbeid onbekend, altoos daaraan ontwend, onder de leiding van gepaste inrigtingen tot denzelven konden worden bekwaam gemaakt. En
3) of aan voltallige huisgezinnen, op deze wijze in de Kolonie overgebragt, een genoegzaam middel van bestaan kon verschaft worden.
In de oplossing dezer drie vraagstukken ligt blijkbaar het betoog opgesloten van de al of niet mogelijkheid der onderneming.
Immers, indien het bewijsbaar is, dat deze niet te veel kost, dat is, met minder, opofferingen verkregen kan worden, dan het onderhoud der armen thans vereischt, -- dat deze zeer wel zijn in staat te stellen, om de vereischte hoeveelheid gronds behoorlijk te bebouwen en langs dien weg een toereikend middel van beftaan voor hen te erlangen is, -- dan toch mogen wij veilig aannemen, dat er met grond niets is in te brengen tegen een ontwerp, hetwelk niet alleen ten aanzien der verarmde standen het onberekenbaar voordeel aanbiedt van duizende menschen, thans voor zich zeiven en voor den Staat verloren, aan de groote maatschappij terug te geven, maar tevens eene zeer rijke bron ontsluiten zoude ter bevordering van de nationale welvaart, door de massa der produktive gronden met eenige duizende morgens, nu woest liggende, uit te breiden, de voortbrengselen van onzen bodem met millioenen schats te vermeerderen, en alzoo den nationalen rijkdom aanmerkelijk te vergrooten.
Voorzeker ware het wenschelijk, dat de thans genomen wordende proeve omtrent dit één en ander reeds
(pagina 24)
geheel ware afgeloopen, waardoor, ik twijfel er geenszins aan, den kortzigtigsten voor altijd de mond zou zijn gestopt.
Ik zelf zoude in elk geval van minder dringende aangelegenheid, tot na den uitslag, de verdere doorzetting van het ontwerp wenschen vertraagd te zien; -- dan, zullen wij het lot van duizendtallen onzer medemenschen, wier treurige toestand eene spoedige hulp vordert, opofferen aan de grillige uitspraak van onkunde en vooroordeel?
Zullen wij niet liever, indien het gezond verstand na een onpartijdig onderzoek beslist, dat de reeds verkregene resultaten genoegzaam het wel gelukken waarborgen van eene onderneming, die uit haren aard niet te vroeg verwezenlijkt kan worden, hoe eerder zoo beter dezelve voortzetten?
Wij wenschen den Lezer in staat te stellen, om dit gewigtig vraagstuk zelf te beslissen; en wij achten ons gelukkig, dat wij onze meening, dienaangaande, niet op los gewaagde stellingen, maar op daadzaken, te algemeen bekend en kenbaar, om nog betwijfeld te mogen worden, vestigen kunnen, en dat alle overblijvende twijfeling door ons, vertrouwen wij, ten volle kan worden opgeheven.
Ten aanzien van het eerste punt, de kosten der onderneming, behoeven wij thans niet meer in het blinde rond te tasten. Een aantal van 52 koloniale huisgezinnen, benevens die van vijf Onder-opzieners, zijn op de onbebouwde heide van Drenthe overgebragt. Het getal der in Frederiks-oord zich thans gevestigd vindende Kolonisten bedraagt, buiten de zoo even gemelde Onderopzieners en verdere in dienst der Maatschappij staan
(pagina 25)
den, driehonderd drie en dertig personen. De meeste werkzaamheden aldaar zijn voltooid.
Waar in het begin der maand September nog niets dan eene woeste, eenzame oppervlakte van veen- of heidegrond te zien was, daar staan thans vier reijen van woningen; daar wemelt het van arbeidende mannen, vrouwen en kinderen; daar liggen uitgestrekte velden omgeploegd, deels bezaaid en begroeid met welig wintergraan; kortom, men ziet hier het leven uit den dood verrezen.
De koloniale huisgezinnen zijn alle behoorlijk gehuisvest , gekleed, van brandstoffen en arbeidsgereedschappen voorzien. Voor hunne voeding is gezorgd. De administrative inrigtingen en koloniale werkzaamheden hebben reeds een' geregelden loop.
Veel heeft hiertoe bijgedragen de geschiktheid der opgezondene huisgezinnen; op eenige weinige na, min gelukkig door de Subkommisiën gekozen, bezitten zij alle de vereischte physieke en zedelijke hoedanigheden, die ons verzekeren, dat de genomene maatregelen toereiken, om den Kolonisten door eigen' arbeid een genoegzaam bestaan te verschaffen.
De administratie en regeling van werkzaamheden, volgens besluit der Permanente Kommissie ingevoerd, hebben ten volle aan het doel beantwoord, en ten bewijze hiervan dient, dat het graan op den bemesten en bezaaiden heidegrond der Kolonie thans even schoon staat, als op de beste naburige bouwlanden.
Reeds waren er (in den aanvang van December) 334 ponden vlas en 158 ponden wol gesponnen, en zelfs 80 ellen voerlaken geweven. Het getal der spinners was tot 83 aangegroeid. Aan een getal van 67 kinderen werd onderwijs gegeven.
In de maand November zijn er 27 mudden heidegrond
(pagina 26)
omgeploegd; 2400 vierkante roeden plaggen zijn er geftoken ; er is eene lengte van 65 roeden wegs nieuw opgemaakt; meer dan aoo roeden greppen zijn er gegraven. Dit en nog veel meer ander werk is er, in ééne maand verrigt door menfchen, bij hunne aankomst met den veldarbeid veelal onbekend, en dat onder het geftadig gewoel van nieuw aankomende Kolonisten en derzelver noodige verzorging. Al deze menfchen zegenen het uur hunner overbrenging in de Kolonie. Geene fchaduW van geftrengheid is er noodig geweest, om hen tot hunnen pligt te houden; en de ervaring heeft met daadzaken bevestigd, dat een matig geluk, door arbeidzaamheid verkregen, onder een vaderlijk, maar altijd werkzaam toevoorzigt, en in de hoop op mildere belooningen , onfeilbaar genoegzaam is, om menfchen, voor genot vatbaar, tot hunne beftemming op te leiden, en hunne pligten met genoegen te doen vervullen.
Ook op de zedelijkheid der Kolonisten hebben deze middelen de beste uitwerking gehad. Alle kolonisten maken van den Godsdienst, ieder bij zijn eigen kerkgenootfchap, vrijwillig een flipt gebruik. De Wei-eerwaarde Heer de kemper , Hervormd Leeraar te Vkddcr, predikt voor de Protejlantfche kolonisten afzonderlijk en naar hunne vatbaarheid, om de 8 of 14 dagen, en onderwijst hunne kinderen in de godsdienst-waarheden; terwijl de Wei-eerwaarde Heer muller, R. K. Pastoor te Steenwijk, met gelijken ijver voor de ledematen en kinderen van zijn kerkgenootfchap zorgt. De hraëliten zullen mede eerlang dit voorregt, volgens de inrigtingen hunner kerk, genieten.
Ook het School-onderwijs heeft reeds aangevangen, waartoe de Maatschappij uitmuntende talenten en het
(pagina 27)
beste karakter in den School-onderwijzer te Vledder, J. H. VAN WOLDA, vereenigd vindt.
Men zal uit de hier achter gevoegde Tabcllarifche opgave, N°. i, zien kunnen, dat de arbeids-verdienlten dermeeste Kolonisten reeds de kosten hunner voeding merkelijk te boven gaan, dat de meesten die verdienen, en dat eenige hunner reeds eenen fpaarpenning' hebben opgelegd.
Het is derhalve proefondervindelijk bewezen, dat, volgens de aangenomen' beginfelen der Maatschappij, noodlijdende huisgezinnen te redden en op te beuren zijn uit derzelver ellende en diepe vernedering.
Reeds nu, zijn meer dan 300 menfchen daaraan onttrokken, wel gehuisvest, bij uitftek goed gekleed en gevoed, van al het noodige voorzien, en tot eenen ftaat gebragt, die hunne volle tevredenheid wegdraagt.
Ja, reeds toonen zij zich gevoelig en vatbaar voor die hoogere zedelijke opleiding, waarvoor 's menschen aanleg hem bestemt, en die wel door een' zamenloop van ongunstige omstandigheden kan worden onderdrukt, maar nimmer geheel wordt uitgewischt, en. welke aan de onderneming der Maatschappij op den duur den besten uitslag verzekert.
Op de Tabel N°. 2, hierachter gevoegd, zal men al de uitgaven vinden, reeds gedaan, om het étabüsJement te voltooijen (*). Wanneer men nu daarvan aftrekt ƒ 10,000. 00 of ƒ 12,000. 00, bedeed, deels tot het bevaarbaar maken der rivier de. Aa, deels aan het bouwen van een Magazijn, voorzien van ruime
(*) Eene meer volledige rekening zal, na die voltooijing, door de Permanente Kommisfie worden uitgegeven.
(pagina 28)
C 23 j kelders; en eindelijk de meerdere kosten, die de overhaasting wegens kortheid des tijds noodwendig moest na zich (Iepen , dan zal men. zien, dat de begrootingen , zoo als die bij besluit der Kommisfiè zijn aangenomen geworden, niet zijn te boven gegaan. Bij het genoemde bellnit (*) was de volgende begrooting aangenomen: Voor het huis ƒ 500- 00 Voor mist • 200.00 Voor grond en zaadkoren . . . i ' 100.00 ƒ 800.00 Welke fom, als op den grond gevestigd, zou worden aangemerkt. Bovendien zou aan de Kolonisten op rekeningworden verftrekt, cn door hen vervolgens in arbeid, in produkten of geld betaald worden voor kleeding, huisraad en gereedfchappen . • * ïoo.oo Voor koeijen, in zoo verre die hun worden ' toegedaan '200.00 Makende'totaal .... ƒ1200.00
Voor deze fom heeft de ondervinding doen zien, dat een huisgezin kan gevestigd worden, zoo men namelijk niet in rekening brengt andere voorfchotten, gelijk die van het graven van groote kanalen, het aanleggen van iiïtgeftrekte wegen, die elke toenemende uitbreiding der kolonifatie kan noodzakelijk maken, gelijk mede de uit-
(*) Vergelijk de Reglementaire beginfelen, voor de Kolonie ontworpen.
(pagina 29)
gaven voor vlas en wol, voor de fp'mnerii, waarvan het bedrag wel in de kas terug keert, zoodra de gefabriceerde goederen worden afgeleverd, dan, die niettemin voorfchot vorderen; gelijk ook het gebouw der fpinnerij zelf, waarvan de rente dient gevonden te worden op de Gefabriceerde linnens .en wollen ftoffen. -- Ook de voeding , hoezeer in arbeid betaald wordende, vereischt eenig voorfchot. -- Eindelijk moet de arbeidsloon der fpinnerij gedeeltelijk worden voorgefchoten, eer het produkt daarvan in de kas terug keert. Ik zou derhalve de rekening, in het vervolg, op de volgende wijze wenfehen gefteld te zien: Voor het huis ƒ 500- 00 ' Voor mist * ao°-00 Voor grond 100.00 Algemeene uitgaven voor arbeidsloon, om te liaan over al de Kolonisten (*) . . . . « 200.00 ƒ1000.00 On rekening aan de Kolonisten te verftrekken kleeding., meubelen en gereedfcHappén . * 200.00 Nog, voor een huisgezin, dat koeijen erlangt » 200. 00 Totaal .... ƒ1400.00
(*) Deze uitgaven worden eigenlijk door de, Kolonisten zelve verdiend, als llrèkkende ter vergelding van arbeid, door hen te algemeenen nutte verrigc, b. v. het graven van kanalen, het maken van wegen, enzv.; welke uitgaven noodwendig later moeten worden omgellagen, zal men het zuiver bedrag daarvan kennen, ten behoeve van ieder huisgezin gevorderd.
(pagina 30)
Nog zou in de kas der Maatschappij moeten voorban-., den blijven , om de noodige uitfchotten te kunnen doen: Voor ieder huishouden, aan vlas en wol . ƒ 100. co Tot voorfchot voor fpinarbeid 100. co Voor voeding en onvoorziene uitgaven . . * 100. co Totaal .... ƒ 300. co Zoodat, om eene familie naar behooren te vestigen , ƒ 1700.00 zouden moeten worden uitgegeven. Van welke fom echter reeds het volgend jaar in de kas terug keert de aan vlas en wol befteede fom, wordende de daarvan gefabriceerde goederen aan eene volgende Kolonie , of aan partikulieren, bij infchrijvïng afgeleverd. Zoo ook de gelden, ter voeding befteed, omdat iedere week de waarde der levensmiddelen gekort wordt op den fpinloon; benevens de algemeene arbeidsloon, welke over de Kolonisten wordt omgeslagen , uit welken hoofde dan ook voor levensmiddelen eii onvoorziene uitgaven hechts ƒ 100.00 is gebragt, als kunnende het begroote voor fpin- en arbeidsloon (trekken, om deze uitgave groot(lendeels te beflrijden. Ook van de op rekening verffrekte kleediiig zullen almede de gelden, door middel van arbeid, fpoedig in de kas terug keeren, gelijk wij nader zullen doen zien. -- Ten aanzien van de koeijen, echter, zijn nog geene bepalingen gemaakt. Naar mijn inzien zou het billijk zijn, op de melk de renten van het kapitaal te korten, den Kolonist in ftaat te (lellen om een jong beestje aan te fokken, en vervolgens om de drie of vier jaren een der oudfte koeijen te verkoopen, waarvan de opbrengst voor de ééne helft te zijnen voordeele, en voor de andere
(pagina 31)
( 3i ') helft ten voordeele der Maatschappij gcbragt zou kunnen worden, en gebezigd tot een fonds, om onvoorziene verliezen, betzij van vee of andere zaken, goed te maken. -- Op deze wijze zou de Kolonie altijd in goeden ftaat blijven, en de last, daaruit fpruitende, voor den Kolonist ligt te dragen zijn. Ik moet nog hierbij voegen, dat de opgegevene begrooting op een toereikend aantal van gegevens (donnés') berust, om geene vergisfing van belang te doen vreezen , en dat ik mij, op de ondervinding afgaande, vleijen durve, dat dezelve eerder mede dan tegen zal vallen. Het zou hier de plaats zijn, om te doen zien, dat, door het vervaardigen en. bakken van fteenen door de Kolonisten zelve in het aanftaande voorjaar, en door hen zeiven. fabrijkroatig de kleeding te doen bereiden, welke de volgende Kolonisten dragen zullen, er'eenige bezuinigingen hierop te maken zijn. Daar echter in het vervolg , bij eene grootere uitbreiding der lcolonifatie, weiligt ook onvoorziene tegenfpoeden te beltrijden zullen vallen, zal het verkieslijk zijn, zich altijd- eenige middelen voor te behouden. De eigenlijke uitgave voor een huisgezin zal dus, na afbetaling van deszelfs fchuld, de fom van ƒ icoo.oo weinig te boven gaan; hoewel aanvankelijk, met de noódige uitfehotten voor vlas, wol en voeding, die verftrekt moeten worden, om de Kolonisten in Haat te ftellen, van in den beginne door fabrijkmatigen arbeid tebe* üaan, en volgende Koloniën vóór te bereiden, de geheele uitgave, gelijk wij zoo even gezegd hebben, op ƒ 1700.00 voor ieder huisgezin dient gefchat te worden.
(pagina 32)
Wij loopcti te minder gevaar, van ih deze bcgrootfng ons te misgisfen, daar dezelve gegrond is op datgene, wat de (lichting van frederiks-oord werkelijk gekost heeft, en hetwelk te veiliger tot bafis kan worden aangenomen, daar, gelijk ieder weet, de eerde onderneming eener inrigting nimmer de minst kostbare is.
Wel nu ! Het onderhoud van een gewoonlijk bedeeld huisgezin kan per hoofd gewis op niet minder dan ƒ20.00 gefchat worden, gelijk uit vele opgaven der Armbefturen in onze Noordelijke Provinciën blijkt (*). En tot welk een' eilendigen toeffand doorgaans iemand gcbragt is, die van deze fom een jaar lang gevoed, gekleed en gehuisvest moet worden, blijkt uit het walgelijk voorkomen van zoo velen dier ongclukkigcn maar al te zigtbaar, en meer nog uit den zedeloozen, als het ware, dierlijken (iaat, waartoe de meeste hunner afdalen; en in weerwil eener zoo ontoereikende onderfteuning, veroorzaakt het onderhoud eener familie van 7— 10 perfonen niettemin eene jaarlijkfche uitgave van ƒ 120.00, ƒ140.00 tot ƒ200.00, terwijl het (leeds aangroeijend getal der verarmden, wel verre van eenige verhitting in de toekomst aan de nu nog welvarende ingezetenen van den Staat te beloven, hun integendeel zulke jaar op jaar verzwarende lasten oplegt, dat duizende, die thans nog van hunnen arbeid beftaan, gevaar loopen , om zelve , of hunne kinderen, tot diezelfde laagte weg te zinken. Een (leeds toenemend kwaad, — en hierop behoort elk regtfebapen burger van den Staat we! bedacht te zijn , — grijpt, even gelijk de kanker, allengskens dc nog gezon
(*} Zie , onder anderen , het Magaziin voor het Amemvezcth
(pagina 33)
de deeleh aan,' en zulk een daatskanker moet éénmaal eindigen met al de grondslagen van onze welvaart te tloen indorten, gelijk de genoemde ziekte het geheels beftaan des ligcbaams vernietigt. Welk gezond verdand zal het dan niet verkieslijker achten, de jaarlijkfche renten eener hoofdfom van ƒ1700.00, en 2 of 2i pCt. daarboven tot aflosfing van het kapitaal, gedurende eenige jaren, ter vestiging in de Kolonie van zulk een huisgezin te betalen, hetwelk, langs dien weg, behoorlijk gevoed, gekleed, gehuisvest, Verwarmd en onderhouden wordt, zelfs genees- en heelkundige hulp geniet, door eigen1 arbeid zich dit alles zelf verzorgt, en tot gezellige, zedelijke , befchaafde wezens wordt opgeleid; — dan jaar op jaar van ƒ 140.00 tot ƒ 200.00 op te brengen tot onderhoud van datzelfde' gezin, maar op eene wijze, die deszelfs aan-> •wezen hoogst ellendig en zelfs gevaarlijk maakt? > Immers kan de keus hier geenen oogenblik twijfelachtig zijn, . althans niet, indien er kan Worden aangetoond, dat het door ons voorgedekte oogmerk met zekerheid kan bereikt worden. Èn dit geleidt niij dan Van zelf tot het onderzoek der tweede vraag: ‘‘ of, namelijk, de behoeftigen, in de de,, den geboren, en veelal onbekend met den veldarbeidi s, waarlijk zijn in ftaat te dellen ter behoorlijke beboa}, wing van den grond?" Hierop heb ik slechts één antwoord te geven: Ëómi en ziet! Gaat naar frederiks-oord; befchoüwt, waf daar verrigt is.en nog gefchiedt;,en maakt dan uw befluk Op, Wat er gefchieden en verrigt worden kan. Ziet daar
(pagina 34)
zelfs wevers en Israëlieten den grond naar eisCa bebouwen , en oordeelt dan — - of deze vraag nog eene verdere beantwoording noodig nebbe! Hij, die tot zulk een plaatfelük onderzoek geene gelegenheid heeft, fla het oog op de achter deze Verhandeling gevoegde TabelU N°. 2, en hcrinnere zich, dat, gelijk reeds gezegd is, voor, allen arbeid eene gecvenredigde belooning is bepaald, in evenredigheid der in dien oord gewone daghuren , waaruit dan zal blijken, dat de arbeid der meeste Kolonisten (veld- en fpinwerk zamen genomen) reeds nu toereikt, om in hun onderhoud te voorzien (*). En deze arbeid is geenszins onproe/i/ktief, daar de fpinarbeid de volle waarde heeft Van het daarvoor aan de Kolonisten betaalde, cn de veldarbeid flrekt, om woeste gronden, die het eigendom der Maatschappij zijn, in vruchtbare gronden te herfcheppen (f). Deze Tabel doet dus
zien,
(*) Men zal hier achter, in de ideTabelle, vinden aangewezen : de waarde van den in den loop eener week verrigten veldarbeid , — desgelijks van den fpinarbeid, — de algeheele verdienfle der Kolonisten, — de kosten der voeding , — het in geld aan de Kolonisten uitbetaalde, — en wat door hen is te goede gemaakt of fchuldig gebleven ; benevens het overige door hen verrigte werk.
(f) De vruchten van dezen arbeid, of het produkt van den grond, waarin de Maatschappij anders vergoeding voor hare uiefchotten zou gevonden hebben, Haat zij wel af aan de Kolonisten, maar debiteert hun daarentegen voor het bedrag dier uitgaven. Hierdoor wint de Kolonist al hetgene, wat de produkten meer waardig zijn dan het uitfehot bedraagt; en de Maatschappij verliest zeer weinig, daar hare overige uitgaven aan gebouwen , mist, enzv., vergoed worden door de huurbe. taling van den Kolonist.

(pagina 35)
Steili dat zes weken voldoende zijn geweest, om 52 huisgezinnen uit den diep vervallen' Haat, waarin zij gezonken waren, op te beuren, cn Hen in Haat te stellen, b'm hun eigen onderhoud te verdienen.
Over het algemeen stellen wij ons de bezwaren van eenen arbeid, waarmede wij niet bekend zijn, al te groot voor. Meest alle veldarbeid vordert slechts da duurzame beweging van eenen matigen last met eene bepaalde snelheid. Hiertoe wordt eene harmonische beweging tusschen de onderscheidene deelen van het ligchaam, dat den arbeid verrigten zal, gevorderd, waartoe de hebbelijkheid of takt alleen door oefening te verkrijgen is.
Zelfs de kunst van gaan, dragen, zwemmen, in eene gekromde houding te arbeiden, enzv., hangt geheel hiervan af, gelijk ieder bij bevinding weet. Alleen in den beginne, eer deze harmonie tusschen de onderscheidene, tot zekeren arbeid te bewegene deelen, is daargesteld, wordt men door de ongelijkmatigheid dier beweging meer dan gewoon vermoeid; maar is de hebbelijkheid daartoe éénmaal verkregen, dan zijn de gewone soorten van arbeid (vooral bij eene genoegzaam krachtige voeding des ligchaams) niet bijzonder vermoeijende, en iemand, die b. v. tien uren daags, daaraan gewoon zijnde, den akker bebouwt, zal doorgaans minder vermoeid zijn, dan indien hij eenen togt van zoo vele uren te voet had afgelegd.
Om menschen tot den veldarbeid op te leiden, wordt er niets meer vereischt, dan eene oordeelkundige besturing der daartoe vereischte ligchaams-oefening, en ieder mensch, gezond van ligchaam en leden, kan in den tijd van ééne maand de twee of drie hoofdsoorten van arbeid, tot den veldbouw noodzakelijk, volkomen leeren
(pagina 36)
verrigten, gelijk de kolonisten in FREDERIKS-OORD zulks bewijzen.
Zelfs de Israëlieten, wien men anders de min11e gefchiktheid voor den veldarbeid toekent, hebben , in dien tijd, het graven of fpitten zoo wel geleerd, dat zij in éénen dag ij gewoon dagwerk verrigten kunnen (*), Trouwens, wanneer de Lezer ftraks nader omtrent de inwendige koloniale inrigtingen onzer Maatschappij zal zijn ingelicht, zal hij overtuigd zijn, dat, zelfs bij mindere gefchiktheid van een gezin voor den veldarbeid, b. v. van dat eener weduwe met jonge kinderen, er niettemin door eene gepaste fchikking toereikende middelen voorhanden zijn, om in het hiertoe ontbrekende te voorzien ; gelijk men dan ook in den aard dier inrigtingen de natuurlijke verklaring zal vinden, waarom zoo vele behoeftigen, gelijk de in onze Kolonie overgebragte, aan wie men over het geheel weinig lust tot arbeid toekent, en van wier gedrag men doorgaans weinig goeds verwacht, zich zoo zeer onderfcheiden hebben door ijver en welwillendheid, zoodra zij in eenen toedand zijn geplaatst geworden, die natuurlijk gefchikt was, om cleze gezindheden bij hen te verwekken. En inderdaad, na in onzen tijd zoo vele duizende jongelingen van alle ftanden, ontfeheurd aan hunne betrekkingen, ten diende van een' vreemden geweldenaar, #1 de vermoeijenisfen van eenen onafgebroken' oorlog te hebben zien torfchen, den dood zelfs op de Üagvelden braveeren, en dat door middel eener krijgstucht, veel minder dreng dan men eer-
(*) In de Kolonie wordt de belooning alleen naar de hoeveelheid van goed verrigten arbeid geregeld, en dit fpoort de Israëlieten aan, om, inzonderheid 's vrijdags, meer dan een gewoon dagwerk te verrigten,
(pagina 37)
tijds voor vrijwillige dienstnemers had noodig gekeurd, — moest men wel ten volle overtuigd zijn, dat, met gepaste en in het eigen belang der voorwerpen werkende inrigtingen altoos, de mensch in die mate tot eene werkzame .beftemtning is op te leiden, welke hem voor zich zeiven en de zijnen nuttig, en voor de maatfchappij onfchadelijk maakt. Men werpe mij hier niet tegen: ‘‘ dat de Kolonisten, ‘‘ thans in frederiks-oord gevestigd, uit de beste ‘‘ foort der volksklasfe van hunnen ftempel beftaan, en ‘‘ dat dus de met hen genomene proeve te dezen aan- ‘‘ zien niet alles bewijst." In vele opzigten moet ik bet eerde gedeelte der Helling toeftemmen; dan, ook onder deze Kolonisten worden er gevonden, die voorheen zelfs van den bedelftaf beftonden, en bij wie de oude wanhebbelijkheid nog niet geheel is uitgebannen; met dat al is er geene familie in frederiks-oord, die niet behoorlijk arbeidt en gehoorzaamt; en hetgeen meer zegt, daar is er geene, die niet met haar lot tevreden is, noch die door gestrengheid tot den arbeid behoeft gebragt te worden. Tot bewijs hiervan kan ik berigten, dat de Permanente Kommissie, om de Vaccine in de Kolonie aan te moedigen bij de zoodanigen, die daartegen vooroordeel koesterden, het toereikend geoordeeld heeft, den arbeid in de spinzalen en elders, met anderen vereenigd, aan eiken Kolonist te ontzeggen, die, de natuurlijke ziekte niet gehad hebbende, van dit middel geen gebruik verkoos te maken, welke maatregel volkomen aan het oogmerk heeft beantwoord; en dit bewijst, dat - niet te mogen arbeiden, aireede als eene straf beschouwd wordt.
— Zoo zou ook het eergevoel onzer Cwfcrih beleedigd zijn geweest, indien men hun verbo
(pagina 38)
den had, immer aan het hoofd eener koïonne te marfcheren, dat is, zich aan het gevaar bloot te Bellen van voor eene zaak, ftrijdig met hunne eigene belangen, te worden dood gefchoten.
Zoodanig is de gefteldheid van het menfchelijk hart, dat , indien men hechts de middelen kent cn ter hand heeft, om de drijfveêrcn, die den wil bepalen, met onze bedoeling te doen zamenftemmen, men den mensch vrijwillig zelfs tot opofferingen, ftrijdig anders met zijn belang, brengen kan; hoe veel te gemakkelijker moet dit dan niet zijn, wanneer hetgeen men van hem vordert alleen zijn eigen geluk bedoelt, blijkbaar zonder eenige bijmenging van het eigenbelang zijns gebieders. — • De ondervinding heeft, meen ik, dit gevoelen zoo voldingend geftaafd, dat wij het vraagftuk voor opgelost mogen houden, en dus
Kunnen wij tot de derde vraag overgaan; dat is, tot het onderzoek : ‘‘ of de middelen, welke aan onze Kolo‘‘ nisten verfchaft kunnen worden, toereikende zijn, om ‘‘ in hunne behoeften te voorzien?"
Ten betooge hiervan is het noodig te weten, dat de Maatschappij aan ieder koloniaal huisgezin, behalve een' moestuin van ico tot 150 roeden, een' morgen bouwlands en een' morgen gronds tot ftalvoeder heeft afgeftaan (*), en dat ,deze bepaling zich grondt op de zekere
over-
00 Onderfcheidene omftandigheden hebben het raadzaam doen achten, om ook eene proeve te nemen, of het houden van koeijen op den duur meer met de belangen der Maatschappij en der Kolonisten ftrookt, dan eene fabrijkmatige mistbereiding, zoo als die vroeger was voorgefïeid. Beide middelen worden thans onderzocht. Mogt echter het Piorm-gras hier gelijke
(pagina 39)
overtuiging, dat zulk eene hoeveelheid van grond toereikt, om een vol huisgezin te doen beftaan, en twee koeijen met ftalvoeder te onderhouden.
De da*elijkfche ervaring in de Kolonie leert ons, dat een huis-ezin van 6 of 7 peidbnen behoorlijk gevoed is met /ponden roggebrood, i fchepel aardappelen, we-
gen-
voordeeien opleveren, als men ons uit Engeland meldt, waarom bijna niet te twijfelen is, dan zal voorzeker het verfchafica van koeijen aan de Kolonisten, hoewel in den aanvang kostbaar verkieslijk zijn. Uit dien hoofde hebben wij dan ook daarop onze berekeningen gebafeerd. Zoo het in het vervolg bieek, dat de andere wijze de voorkeur verdiende, ais met minder kosten het oogmerk bereikende, dan zullen de luervan overfchietende penningen, voor elke kolonie te petitioneren kunnen worden aangewend ten behoeve van het Bedelaars intlituut, waarvan beneden nader. - De Maatschappij heeft geoordeeld, liever deze gronden in vruchtgebruik dan in eigendom te moeten uitgeven, omdat in het I^tue geval cr zeker kolonisten zouden gevonden worden, die hun eigendom aan anderen verkochten, en tot den voorgaanden (land van arbeiders terug keerden. Ook zoude men al ras rijkdom en armoede in deze (lichtingen ontmoeten, en wel verre van er in het vervolg eene tocvlugt open te houden voor behoeft?een en een middel ter beteugeling der bedelarij, zou men het getal van dorpen wel vermeerderd, maat niet de verpestende gebreken der maatfchappij weggenomen hebben, hetgeen evenwel het hoofddoel onzer Inrigting is. Men zie mijne Vcrhandelin* bladz. 85. t- isdntusfehen het opgegeven doel bereikt, «Lm Val het niet moeijelijk zijn, ook de overige voor kuituur vatbare en verkrijgbare, gronden te bebouwen , en grooter perceelen in vollen eigendom af te ftaan aan zoodanige kolomsten, die door werkzaamheid cn fpaarzaamheid eenige middelen ver ‘‘meld hebben, om ook van hunne zyde hiertoe bij te dragen.
(pagina 40)
gende 18 ponden, 5 of 6 ponden knollen, of peen, of een' kool, benevens f pond vetvleesch of fpek , 'sdaags , en 1 pond boter in de week.
Het is bekend, dat een halve morgen wel bebouwde, middelmatig vruchtbare grond - oplevert 125 tot 150 gakken aardappelen, of wel , niet rogge bebouwd, 30 tot 50 fchepels graan. Daar nu tot de geheele voeding van een fterk huisgezin slechts gevorderd worden, volgens de boven opgegevene hoeveelheden, voor elk jaar, 24 fchepels rogge, en 36 of 40 zakken aardappelen, benevens de voortbrengielen van den moestuin; en tot mesting van een varken 13 zakken aardappelen en 7 fchepels rogge of garst: zoo bedraagt de konfumtie maar ruim de helft van hetgeen een morgen lands oplevert; en het is ook daarop gegrond, dat de Maatschappij gemeend heeft, het §• gedeelte van de opbrengst des akkers (*) als huur van grond en huis te kunnen vorderen, welk § echter, in tijden van fchaarschheid, zal kunnen vervangen worden door 1'pin-, veen- of anderen arbeid, zóódanig, dat in alle gevallen de Tentbetaling voor den Kolonist gemakkelijk, en aan de Maatschappij verzekerd zij, gelijk men beneden nader uit de huishoudelijke iarigtiö'g der Kolonie zien zal. — Bij eenen minder gelukkigen oogst zal niettemin het onderhoud van den Kolonist verzekerd blijven, daar hij, in gewone jaren, nagenoeg het dubbel produceert, van hetgeen tot zijne voeding vereischt wordt,
(*) Indien dit §• de waarde van ƒ50.00 te boven gaat,worde het meerdere aan den Kolonist uitgekeerd, gelijk hij het mindere , op fchuld gefield, door arbeid aan de Maatschappij vergoeden moet.
(pagina 41)
Tevens heeft ons de ondervinding doen zien, dat het huisgezin, boven de.voeding, voor kleine behoeften wekelijks nog 24— 30 ftuivers noodig heeft, en deze kan hetzelve door de opbrengst der koeijen erlangen. Ook de hoeveelheid grondstot voeding van deze beftemd, is meer dan toereikende. Behalve meer andere autoriteiten en bewijzen, die biervoor zouden kunnen worden aangevoerd, heeft de Heer serrurier (*) op 5 morgen iands met ftalvoeder 20 beesten onderhouden. Ook hier derhalve geeft de Maatschappij aan den Kolonist het dubbel van hetgeen, ftrikt genomen , noodig is (f). Twee koeijen kunnen dus een meer dan toereikend onderhoud erlangen van een' wel bebouwden morgen lands, en de opbrengst dier koeijen slechts gematigd ttcllcnde, zal dezelve ƒ 100.co in het jaar bedragen.
Tot de kleeding van een koloniaal huisgezin worden jaarlijks gevorderd 50 ellen linnen en 30 ellen vocrlaken en karfaai. Beide doffen leeren de Kolonisten zelve bereiden. Het vlas voor het eerde kunnen zij zelve tcelen, waartoe slechts eene geringe oppervlakte gronds gevorderd wordt. De gchcele koste, aan hunne kleeding te bededen, kan, op de voorgedekte wijze, de fom van ƒ 25.00 jaarlijks niet te boven gaan; zoodat de kolonist, zelfs in jaren van middelbare vruchtbaarheid, nagenoeg alles op zijn' eigen grond vinden kan, wat tot
Z'j*
(*) Zie deszelfs Werk : BoerethGoudmijn , bladz. 441. Ct) Het ftalvoeder voor den winter kan verkregen worden door eene teelt van knollen na den rogge-oogst, cn door het ftroo der rogge, gevoegd bij hetgeen één morgen ftalvoeder meer dan het noodige voor den zomer oplevert, C 5
(pagina 42)
zijne voeding en kleeding vereischt wordt, en bovendien in veldvruchten eene rente aan de Maatschappij betalen, die hem in een' tijd van fcbaarschhcid kan gelaten worden, en waarvan hij het bedrag, des noods, in andere foorten van arbeid vergoeden kan, gelijk nog nader zal worden aangetoond.
‘‘Dan," zal men welligt zeggen , — ‘‘ uwe opgcgcve‘‘ ne rcfultaten wegens de opbrengst;der bouwlanden zijn ‘‘ bekend en voor oud teelland niet te hoog gefield5 maar welke zekerheid heiraat er, dat ook de heide* ‘‘ gronden, pas ontgonnen, het vooronderllelde zuilen ‘‘ opleveren ?"
Hierop moet ik antwoorden , dat in de Provinciën van Groningen en Drenthe werkelijk meer dan 25,000 morgen tot op het zand afgeveende gronden, en dus van denzelfden aard als die, aan onze Kolonisten af te flaan , tot vruchtbare akkers zijn aangelegd , en nog dagelijks meer aangelegd worden, cn dat deze akkers in alle gewone jaren een gelijk produkt hebben opgeleverd, als, wij zoo even vooronderftcld hebben. Daar nu de Maatschappij dezelfde wijze van behandeling volgt, zoo ktinnen er geene redenen beftaan, waarom men, in gelijke omftandigheden en bij gelijke middelen, op haren bodera een ander refultaat dan elders verwachten zoude. Trouwens, dc vruchten, op die gronden reeds groeijende, bewijzen voorioopig, wat men te dien aanzien verwachten mag, daar dezelve zoo fchoon flaan, als men die op de beste oude gronden vinden kan. - Voegen wij hierbij, dat de Kolonist, zijn vee winter en zomer door op ftal houdende, de dubbele hoeveelheid mist verkrijgt, die bij eene enkele winterftalhng kan verkregen worden, en J dus
C 43 )
dus meer dan genoegzaam, om zijne akkers op den duur in goeden ftaat te houden.
Niets, voorzeker, ware voor de Maatschappij ligter, dan de hoeveelheid gronds, aan ieder huisgezin afgedaan, te vermeerderen, indien zulks noodzakelijk ware geacht, daar huisgezinnen, zoo talrijk als die onzer Kolonisten , met de aan hen verleende hulpmiddelen, meer dan het drievoudige van den hun toegelegden grond bearbeiden kunnen; dan, met'de onderneming, om op den duur behoeftigen op onbebouwde gronden over te brengen, moest het tweeledig doel bereikt worden, vooreerst, om het hulpmiddel onzer bruikbare onbebouwde gronden zoo ver immer mogelijk te doen (trekken, cn om te zorgen, dat, door eene zorgvuldige kuituur, de grond de meest mogelijke vruchten opleverde; en ten tweede, om den Kolonisten eenen (terken prikkel te verfchalFen, om in het vervolg den veldarbeid, welke thans in onze veen-, gras- en graanlanden door zoo vele duizende buitenlanders jaarlijks verrigt wordt, en waardoor millioenen fchats uit het Land worden gedragen, over te nemen: een oogmerk, niet te bereiken, indien men aan iedcren Kolonist zoo veel gronds had toegelegd, dat de bebouwing daarvan hem en zijne zonen onafgebroken bezig hield, en een te ruim inkomen hem de lust benam, om elders te gaan arbeiden (*).
Thans, nu hij wel het noodzakelijke heeft, maar gecnen overvloed, zal hij zelf medewerken ter begunltiging van het oogmerk der Maatschappij , om zijne kinderen op te leiden tot eenen arbeid, welken zij gefchikt
wcl-
(*) Met één woord, herwas even doelmatig als (laatkundig, van de Kolonisten goede arbeiders, en geene groote boeren te maken, gelijk ik elders betoogd heb.
C 44 )
verrigten kunnen, en waardoor de welvaart der huisgezinnen en de nationale belangen gelijkelijk zullen bevorderd zijn.
‘‘ Maar, zal de hoeveelheid van mist," zegt men welligt, ‘‘ gebezigd ter vestiging der Koloniën , geen na‘‘ deel toebrengen aan den reeds beftaanden Landbouw?"
Ik moet hierop antwoorden, dat in verfeheidene lireken van ons Noordelijk Vaderland de mist overvloedig is, en dikwerf ongebruikt, tot nadeel van den landman, blijft bggen, b. v. in de ommeftreken var. de Kainderl, Blokzijl, en elders. In de nabijheid der Moeder-Kolonie liggen duizende voeders mist onverkoopbaar, daar de transportkosten van dezelve de vervoering voor bijzondere perfoncn te kostbaar maken. Van dezen voorraad zullen, bij eene verdere uitbreiding, de Koloniën kunnen gebruik maken, door dezelve met eigene vaartuigen door de Kolonisten zelve tc doen aanvoeren, en hierdoor zullen de vervoer-kostcn aanmerkelijk verminderd worden , daar, terwijl het hoofd des huisgezins dezen arbeid verrigt, de vrouwelijke leden en kinderen den kost met fpin-arbeid verdienen. — - In de tweede plaats levert Groningen jaarlijks 5000 lasten liraatvuil, en geniet hiervan een zuiver voordeel van ƒ 18,000.00. in een der volgende Nommers van dit Tijdfchrift zullen de daartoe betrekkelijke Reglementen dier fhd worden medegedeeld. Het is te verwachten, dat alsdan de overige fteden dit loffelijk, cn voor de fteclclijke financiën zoo voordeeïig voorbeeld zullen navolgen, en zoo zal al ras de hoeveelheid verkrijgbare mist verdubbeld worden, cn het debiet daarvan zal verzekerd zijn door het gebruik in onze Koloniën, terwijl de middelen ter uitbreiding van den landbouw daardoor ook voor anderen zullen zijn
ver-
C 45 )
verzekerd. Het vermogen en de invloed van bijzondere perfonen reikt zelden toe, om in zaken van dezen aard nuttige vetbeteringen te maken; dan, wat kan men niet hopen van eene Maatschappij , door het Gouvernement onderfteund, en welker belangen met de welvaart van elke ftad niet alleen ten naauwfte verbonden zijn, maar welker beftaan ook geheel van de openbare meenïng afhangt, en die dus alle middelen zal aangrijpen, om algemeen? en bijzondere belangen gelijkelijk te bevorderen (*)!
Daar wij nu hebben doen zien, en door bewijzen, op daadzaken rustende, geftaafd, dat de onderneming, om, door middel van landbouwende en fabricerende Koloniën, aan behoeftige huisgezinnen onderhoud te vcrfchaffen, geene te groote onkosten veroorzaakt; dat de behoeftigen, ook uit de fteden, met geringe moeite tot dien arbeid zijn - te bekwamen, en dat dit middel hun. een zeker beftaan belooft, — moge het gezond verftand bellisfen, of het verkieslijker geacht kan worden, het geluk van eenige duizende menfchen nog een geheel jaar te vertragen, hen aan de ellende ter prooi te laten, in afwachting, dat de ondervinding nog éénmaal, bevestige, wat geene bevestiging meer noodig heeft; dan of het billijk is, de middelen, onder ons bereik, aan te grijpen, en voort te gaan, om den weg, met^ulk een' goeden uitflag betreden, zonder uitftel te vervolgen. . Weiligt
(*) Verre van deze afhankelijkheid als vernederende te befchouwen, ben ik er trotsch op tot eene Vereeniging te behooren, en tot derzelver daarllelling te hebben bijgedragen, 'dia de publieke opinie als haren regter, en het geluk harer medeburgeren als het eenig doel harer lire ving erkent.
( 46 ;
ligt zal de Lezer, nader bekend wordende met bet HUW houdelijkc onzer Inrigting, daarin eene nieuwe drijfveer vinden , om de oogmerken der Maatschappij te help a bevorderen, en zoo al een vroeger opgevat vooroordeel bij hem eenigen, twijfel aan den goeden uitflag der onderneming mogt hebben doen overblijven, zal de kennis daarvan hem tot nadere overtuiging dienaangaande (hekken kunnen. • Wij gaan dan thans tot dit tweede
gedeelte ,oazer Verhandeling, eene fchets van de huishoudelijke inrigtingen der Kolonie, over.
Huishoudelijke inrigtingen der kolonie[bewerken | brontekst bewerken]
Het Reglement voor de Maatschappij ; van Weldadigheid is zoo algemeen verfpreid, dat wij den Lezer mogen bekend achten met de wetten en verpligtingcn , zoo van hare Leden , ais van de Kommisüën, met het beheer en toevoorzigt harer aangelegenheden belast. Minder a^-emeen is tot dus verre verfpreid het Reglement van inwendige huishouding in de Kolonie, gepaard met eene voordragt der Reglementaire beginfelsn, op welke dat Regiemem gebouwd is, en waarbij de regten en pligten der Kolonisten 1 bepaald worden. Wij hebben derhalve gemeend ^ het een en ander, als Bijlagen, achter deze Verhandeling te moeten voegen. Uk beiden, vertrouwen wij, zal het den Lezer blijken, dat de hoofdbedoelingen der Maatschappij geene andere zijn geweest, dan om, zonder eenige zelfzucht, de Kolonisten, langs den zachtftcn weg, tot een eerlijk beftaan en tot zedelijkheid op te leiden, en den goeden uitflag dier poging, zoo veel mogelijk, te verzekeren, door de vervulling der behoef-

C 47 5
hncftcïi voof tetteren Kolonist te verbinden aan dé noodzakelijkheid om te arbeiden (*}.
Tot dus verre bebben deze genomene maatregelen volkomen aan bet oogmerk beantwoord, en de ondervinding heeft ons geene verandering in de gemaakte bepalingen voorgefchreven. De fpoed, met welken in drie maanden tijds de geheele Kolonie is tot (land gebragt, de hoeveelheid van den reeds verrigten arbeid, en de geregelde orde der adroinillratie, zijn genoegzame bewijzen voor de deugdzaamheid der inrigtingi
Bij het Reglement en deszelfs Bijlage, echter, hebben niet kunnen worden vastgefcekl zoodanige Ichïkkingen, die meer onmiddellijk naar de plaatfelijke gelegenheid en omftandigheden zich moesten voegen, gelijk, b. v. de vorm der gebouwen, de fnede en kleur der kleedingen, de fpijsbereiding, de handelwijze in bet bebouwen van den grond te volgen, en eindelijk, alle zoodanige details, waaromtrent vaste wetten nutteloos zouden zijn geweest, en die daarom aan de befchikking der Permanente Kommisfie zijn overgelaten. Daar de kennis dezer
bij-
(*) Ten aanzien der wijze, hoe iri het vervólg met de, tot meerderjarigheid gekomene, kinderen der Kolonisten te handelen, is nog niets bepaald, omdat de Kommisfie, alvorens hieromtrent een bepaald befluit te riemen , door de ondervinding wenscht te zijn ingelicht, op welken voet de belangen der Kolonisten duurzaam met die der Maatschappij kunnen worden overeengebragt. Ter beoordeeling mijner voordellen, dienaangaande gedaan, verwijze ik den Lezer tot mijne Verhandeling, bij den Boekverkooper j. van der hey, te Amflerdam, in 1817, uitgegeven, en reeds hierboven, bladz. 8, aangehaald.

C 45 )
bijzonderheden niettemin belangrijk is, om den aard de» zer Inrigting in baren geheelen omvang wel te beoordeelen, en de uitwerkfeien in verband met derzelver oorzaken te beschouwen, achten wij het noodzakelijk, onze Lezers ook daarmede nader bekend te maken. Ten aanzien van den vorm der koloniale woningen heeft men aanvankelijk ten voorbeeld genomen de gewone arbeiders-huisjes, bestaande uit een vertrek van 15 voeten lang en breed, de haard genoemd; den zolder, voorzien van twee kamertjes, en achteraan een schuurtje.
Aan de Permanente Commissie echter, in het laatst van october, door den Heer Smachausen van Borchette (bij Aken), toegezonden zijnde eene Verhandeling van den Heer G. Tappe, Architekt te Detmold-Lippe, over de beste wijze, om voor de mindere volksklasse geschikte huisjes te bouwen, heeft dit stuk aanleiding gegeven tot een nader onderzoek omtrent de methode van bouwen, daarbij voorgeslagen, en schoon dezelve niet volkomen op onze inrigting toepasselijk bevonden is, heeft men nogtans besloten tot eene naar dezelve gewijzigde proefneming.
Het huisje, op deze wijze (achtkantig) gebouwd, voldoet gewis beter aan het oogmerk, doch kost tevens ƒ100.00 meer dan de gewone, zijnde hetzelve aangenomen voor ƒ590.00, daar de andere voor het vervolg, met bijlevering van al het benoodigde tot den bouw, voor ƒ490.00 ieder zijn aangeboden. Indien echter de steenen voor rekening der Maatschappij in Frederiksoord zelve gebakken kunnen worden, waartoe de gelegenheid gunstig schijnt, dan zal het verschil minder belangrijk zijn, daar aan het nieuwe model eene grootere hoeveelheid stenen en minder hout, en omgekeerd aan de gewone huisjes minder steenen en meer hout, verbruikt worden.
Voorzeker is het nieuw model duurzamer en gemakkelijker, bij eene toereikende inwendige ruimte, om den geheelen omslag der bouwerij te kunnen bevatten. Wij zullen, in het vervolg, zoo wel van dit als van het gewoon model der koloniale huisjes, eene afbeelding in dit tijdschrift mededeelen, waardoor de lezer volkomen zal worden in staat gesteld, om dit onderwerp te beoordeelen. In de veronderstelling, dat de steenen op den bodem van Frederiksoord zullen worden gefabriceerd worden, zal de nieuwe bouworde gewis de voorkeur boven alle andere verdienen.
Ten aanzien der kleeding, zal men in de R-é* glementaire beginftlen kunnen zien , dat het hoofd* doel geweest is, de Kolonisten van goede verwarmende ftoffen, die zij, ten minfte grootftendeels, zelve bereiden kunnen, te voorzien, en tevens aan den uiterlijken vorm een bevallig voorkomen te^geven. Wij deelen hem, bij deze gelegenheid, de afbeelding eener ^ra/w in het koloniaal kostuum mede, ten einde hij beoordeelen kunne, in hoe verre dit laatfte oogmerk is bereikt geworden; zullende een volgend Nommer eene dergelijke mannelijke afbeelding bevatten. Ten aanzien van de deugdelijkheid der ftoffen wete men, dat dezelve voornamelijk of uit goed linnen, of uit wel gevuld voerbaken beftaan. Door deze bepalingen, omtrent vorm en ftof, is dan ook het groot oogmerk bereikt, om den Kolonist een betamelijk, zelfs behagclijk voorkomen te verfehalfen, en hem onafhankelijk te maken van die wufte veranderingszucht in kleeding (de mode), welke eene zoo fchadclijke uitwerking heeft op den gemeenen man; terwijl -de gemaakte fchikking het voordeel met zich brengt, om aan vele de star , i8ij>, N°. I. D ham»

( 5° ) .
handen , waaronder dc kinderen van 6 jaren cn daarboven , een' genasten arbeid te verfchaffen , door hen niet alleen de doffen te doen bereiden voor volgende Kolonisten, maar tevens den zoodanigen arbeid te verfchaffen, die, min gefchikt tot het akkerwerk, dit middel tot htm onderhoud behoeven; welk denkbeeld wij draks nader ztilïen ontwikkelen.
Vooraf, echter, dient gezegd , dat wij ons een des te beter' uitflag van deze inrigting mogen voordellen, daalde Drentfche landman, federt onheugelijke tijden, gewoon is", zijnen grond zelf te bebouwen, zijn eigen vlas te teelen, dit en zijne eigene wol te fpinnen, cn zelfs linnen en voerlaken tot eigen gebruik te bereiden, waardoor aan al de leden van zijn huisgezin in de verfchillende fatzoenen een gefchikte arbeid verfchaft, en c-roote uitgave aan kleeding belpaard wordt. Omringd van dergelijke voorbeelden, kan bet niet moeijelijk vallen, den Kolonist het voordeel daarvan te doen befeffen, en hem zelveïi dit gebruik te doen omhelzen.
Ten aanzien der inrigtingen voor den landbouw heeft het hoofddoel moeten zijn, den grond op de best mogelijke wijze te doen bebouwen. Het is meermalen
waargenomen, dat kleine boerderijen, hier ook wel koterijen genoemd, bij gebrek van toereikende middelen, niet behoorlijk door de bezitters bearbeid worden, cn dat daarentegen, die van meerdere uitgebreidheid meer en beter vruchten opleverden; hoewel het, aan den anderen kant, zeker is, dat een meer bepaalde grond, met toereikende middelen, heter wordt bearbeid en meerdere vruchten oplevert, gelijk de toeftand der warmoeziersgrinden, over het algemeen, doet zien. — Het was dus van belang, de zaak zóó te fehikken, dat de voordcelen
van

van beide wijzen van bebouwing gelijkelijk behouden bleven. Uit dien hoofde is dan ook aan eenen Onder* Direkteur of Bouwmeester , die aan het onmiddellijk toezigt van den Direkteur onderworpen is , opgedragen de befturing van den Landbouw. Hij geeft aan eiken Kolonist op, welke arbeid dagelijks op zijnen grond moet verrigt worden; en mogten daartoe de eigen' krachten van hem, wien zulks aangaat, te kort fchieten, dan wordt door den Direkteur daarin voorzien, door in dit geval te befehikken, tegen billijke vergelding, over den arbeid van anderen, die op hunnen eigenen grond niet te arbeiden hebben, of, des noods, over de paarden, aan de Kolonie behoorende. (*;
Een Onder-opziener, aan den Onder-direkteur Verantwoordelijk, is, benevens zes der bekwaamde Kolonisten, met al den arbeid, die meer dan gewone gefchiktheid vereischt, b. v. het ploegen enzv., belast. De overigen, in escouades van 9 of 10 man fterk, verrigten mede, onder toezigt van de over hen gefielde Onderopzieners Cf), in den arbeid ervaren, alle zoodanige werkzaamheden, welke men gewoon is in groote bouwerijen aan arbeiders op te dragen. — Drie of vier daEen in de week arbeidt ieder op zijn' eigen' akker, en * den
(*) In Frederiks-oord worden Zes paarden, ten diende der Kolonisten, in zulke gevallen, door de Maatschappij onderhouden.
(|) Deze Onder-Opzieners beftaan grootftendéels uit Onderofficieren, met den veldarbeid bekend , bij fpeciale vergunning Van Zijne Majefteit uit de armée getrokken, zijnde hier de Militaire discipline, rnet de vereischte wijziging, bij het Reglement van inwendige orde der Kolonie, ten grondllag gelegd.
D a

( 5* )
den overigen tijd tegen betaling van daghuur, onder het toezigt van Onder-opzieners , aan zoodanige werken, waartoe het vermogen van een' enkelen Kolonist, althans bij den aanvang eener ontginning, zou te kort fchieten. Voor het overige heeft alle arbeid een' vastgeftelden prijs, en het geheele bedrag der alzoo te beftedene onkosten , ten behoeve der gemeenfchappelijke Kolonisten , wordt over derzelver masfa omgeflagen, en moet in het vervolg worden vergoed.
Door dezen maatregel worden de volgende voordeden verkregen. Vooreerst kan, op die wijze, alle grond op de best mogelijke wijze bebouwd worden, ook die van zoodanige Kolonisten, die anders min gefchikt mogten zijn, of door ziekte verhinderd"worden, om hunne taak .behoorlijk te volbrengen. — Ten tweede, daar de las- s ten, of liever de gedane uitgaven over al de akkers gelijkelijk worden omgeflagen, en die fom, door de gezamenlijke Kolonisten verdiend, in evenredigheid van hunnen arbeid verdeeld wordt, zoo bekomt de ijverigfte en oppasfendfte daarin het grootfte aandeel, en wordt dus fchadeloos gefteld voor den meerderen arbeid, door hem verrigt.
Stellen wij b. v., dat, op deze wijze, ƒ 1250.00 aan arbeidsloon is omgeflagen, dat is / 25.00 voor ieder van 50 koloniale gezinnen, zoo is het blijkbaar, dat, indien A de helft meerder' arbeid verrigt heeft ten behoeve van B, dan met ƒ25.00 betaald kan worden, enB, daarentegen, de helft minder, dan met de opgegevene fom vergolden worden kan, als dan de verdiende loon van A ƒ 37.50. bedragen zal, en die van B slechts ƒ12.50. Beide, intusfchen , met ƒ 25.00 bezwaard zijnde, zoo heeft A voor deze fchuld ƒ 37.50. terug ontvangen, dus ƒ 12.50. daarbij

C 53 )
gewonnen, terwijl B , slechts ƒx2.50. terug verdienende, ƒ 12.50. daarbij verloren heeft.
Hierin is een zeer fterke prikkel tot arbeidzaamheid gelegen, dewijl,.. bij het onmiddellijk belang, dat ieder heeft, om de grootst-mogelijke fom te verdienen, de naijver zich paart, om dit voordeel niet ten eigen koste aan den buurman af te ftaan; tevens wordt hierdoor het middel verkregen, om in elk geval, waarin een individu te kort fchiet, een grooter of kleiner getal Kolonisten, buiten hunne fchade, te zijnen behoeve te doen werkzaam zijn, terwijl tevens de hulp-arbeid der paarden, op eene zeer zuinige wijze, door ieder' Kolonist, te zijnen nutte kan worden aangewend.
Dan, misfehien zal men zeggen: ‘‘ indien een Kolonist ‘‘ door ziekte of andere omftandigheden voor een' gerui ‘‘ men tijd buiten ftaat wordt gefield, om zijnen akker ‘‘ zelf te bebouwen, en daardoor met meerder of minder ‘‘ fchuld bezwaard wordt, hoe kan hij dan deze van de, ‘‘ vruchten zijns akkers betalen, althans zonder ver‘‘ mindering van dat §., dat hij als rente betaalt ?"
Hierop dient tot antwoord, dat, indien de fchuld van een' Kolonist op de vruchten van zijnen akker gekort moest worden, zulks in vele gevallen, neem eens in langdurige ziekten, moeijelijk zoude kunnen worden. Juist daarom is het van zoo veel belang, alle vrouwelijke leden des huisgezins , ook de jongens, tot den fpin-arbeid bekwaam te maken, en de mannen, na het bebouwen van hunnen eigen' grond, in ftaat te ftellen, om een aanzienlijk daggeld te verdienen, en alzoo eenen noodpenning te goede te maken. Hiermede kunnen, gelijk ik nader zal doen zien, 'swekelijks aanmerkelijke fommen door de huisgenooten verdiend, cn deze grootftendéels D 3 Sc-

( 54 )
gebezigd worden ter afbetaling eener fchuld, die anders, in vele gevallen, als al te drukkend zou moeten befchouwd
worclen, Dan, om dit duidelijker te maken, zal het
niet onvoegelijk zijn, den aard der overige inrigtingen meer volledig te ontwikkelen.
Alle arbeid heeft, gelijk men weet, boven des arbeiders eigene konfumtie, alleen in zóó ver waarde, als daarvoor, debiet kan worden gevonden. De Maatschappij yan Weldadigheid vindt dit gelukkiglijk, behalve door vrijwillige deelneming , grootftendéels in zich zelve , door elke voorgaande Kolonie voor eene volgende te doen arbeiden.
Indien b. v. dit jaar iooo familiën gevestigd zijn, en in het aanftaande najaar op nieuws iooo andere gevestigd zullen worden, worden tot den arbeid, dien het bouwen der huizen vordert, als opperlieden, fjouwers, fteenbakkers, enzv., vele handen vereischt. — De loon, op deze wijze aan ieder huis en erf te verdienen, is ze^ ker op ƒ 150.00 niet te hoog gefehat. Tot dezen arbeid zijn de eerfte Kolonisten des te beter in ftaat, daar zij door den aard der inrigtingen en door de talrijkheid der huisgezinnen een groot gedeelte van den zomertijd overhouden, om in daghuur te kunnen arbeiden. Bovendien kunnen de reeds gevestigden de wollen ftoffen, koufen en linnens bereiden voor diegenen, die in het volgende jaar gevestigd zullen worden; en de gezamenlijke, alzoo. te verdienen loon is voorzeker op ƒ 100.00 voor elk huisgezin niet te hoog aangellagen, ongerekend nog hetgene, wat buiten de Koloniën, door middel van vrijwillige infehrijvingen, te debiteren valt. — Zoodra de oogst binnen is, kunnen er zoodanige fchikkingen gemaakt worden, dat zij, die door ziekte of andere orn-
ftau-

( 55 )
ftandwbeden tot nieuwe fchulden vervallen zijn, gelegenheid vinden, om dezelve af te leggen, daar, na den oogst, hun onderhoud hechts weinige uitgaven vordert, en de fpin-arbeid, zoo als dezelve thans mgerigt is, voor ieder huisgezin eene verdiende van 4 of 5 g»ldMS 'sweeks kan opleveren. Op deze wijze kan door de ééne fop* van arbeid vergoed worden, wat aan de andere toógt verloren zijn. Voor het eerfte jaar is dus m dit hulpmiddel een genoegzame toevlugt gelegen tegen ongevallen van den opgegevcnen aard; doch, mogt eene ücpende ziekte of zwakheid van het huisgezm m de toekomst een dergelijk ongeval doen vreezen, dan zou zulk een huisgezin niet meer aan deszelfs beftemmmg beantwoorden , en zou men, iri dat geval, moeten gebruik maken van een ander hulpmiddel, reeds met het beste ^evolg beproefd, het inlijven, namelijk, van een gefchikt man, tot den veld-arbeid in Haat, bij hetzelve. Reeds hebben wij doen opmerken, dat de akker^ tot voedin<* van een talrijk huisgezin toereikt, cn dus * dit Jldei , in foortgeiy.ee gevallen , eene zekere toevlugt; te meer daar wij hopen kunnen, dat, in het vervolg, jongens uit de Godshuizen in de Koloniën zullen worden" geplaatst/ en er, te rekenen naar het groot getal van liefhebbers, die zich dagelijks tot eene indeehng op de omfcln-evene voorwaarde aanbieden, nog m lang geen gebrek aan ttof van dien aard te vreezen is.
Trouwens, daar de uitgedeelde grond aan een bepaald getal huisgezinnen behoort, gezamenlijk talrijk genoeg, om veel meer dan denzelven te bebouwen, en daar ae voortbrengfelen van dien grond meer dan toereikende zijn, om hen allen te voeden, zal het bij eene ve,fVdige mrigting niet moeijelijk vallen, daarvan aan ieder D 4

f &! \ .
gezin zijn aandeel te bezorgen (*), al ware het "dab ook, dat van eenig huisgezin twee of drie leden bij andere moesten worden ingelijfd, en deze wederom door andere
gefehikte leden, van buiten ingenomen, vervangen. .
Ook hiervan is reeds, met het beste gevolg, de proef genomen bij het overlijden van een' der Kolonisten, zekeren stellinga, van Stavoren herkomftig, zonder dat zulks de minfte hindernis ontmoet, of eenige moeijelijk» Iieid veroorzaakt heeft.
Mogt echter de verdere afbetaling der fchuld op den duur voor eenige der Kolonisten een al te groot bezwaar opleveren, dan zen men alleen de rente daarvan kunnen vórderen, en, des noods, den arbeid van zoodanige huisgezinnen aanwenden, hetzij tot graven van turf voor do Martfchappij (f), of ter bebouwing van een ftuk
gronds,
(*)Zoo, b. v.,l;an men aan een gezin, welks aandeel aan den veld-arbeid te gering zoude zijn, toeftaan het houden van eenen winkel, ten behoeve der Kolonisten, onder behoorlijk toezigt over de verkocht wordende waren en derzelver prijzen , en zonder verpligdng echter der Kolonisten, om hunne waren, elders, beter of beter koop zijnde, binnen de Kolonie in te koopen. Andere huisgezinnen kunnen, bij mindere gefchiktheid tot den veldarbeid , geholpen worden , door hen tot het weven te gebruiken. Eenige kunnen tot Opzieners, Schoolmeesters, enzv., worden opgeleid. Met dén woord, daar genoegzaam alle ambachten vereischt worden ter voorziening in de nooden eener Kolonie , moet het gemakkelijk vallen, iemand, van gezonde leden voorzien, al ware hij dan ook tot den veld-arbeid weinig g. ëhikt, een middel tc verfchaffen, om op eene andere wijze een, beftaan te verwerven.
Cf) De hooge veeuen beloven onuitputtelijke hulpmiddelen aan de Maatschappij . Een morgen hoog veen levert dikwerf
van
% â– *

C 57 )
gronds^ dat in elke Kolonie van vijftig huisgezinnen daartoe kan worden bewaard.
Met ée'n woord, daar de Maatschappij zich deze renten in arbeid kan doen betalen, en ieder huisgezin, na het bebouwen van zijnen grond, veel tijds overhoudt, is de gelegenheid, om deze renten in te vorderen, zoo menigvuldig, dat wij, bij een goed beduur, weinige mnvaleurs meenen te moeten vreezen.
De goede bebouwing van den grond is dan door de inrigtingen zelve genoegzaam gewaarborgd, en de Kommisfie bezit tevens toereikende middelen, om zich van de betaling eener matige rente van hare voorfchotten te verzekeren; terwijl door diezelfde inrigtingen ook de onkosten der onderneming merkelijk worden verminderd, als reeds dadelijk een middel verfchalfende, om den Kolonist .terftond bij zijne aankomst in de gelegenheid te stellen tot het verdienen door fpin-arbeid van dat onderhoud, hetwelk hij anders alleen van zijnen oogst in het volgend jaar zou kunnen verwachten. Zelfs is de aanwending van dezen arbeid door den aard onzer inrig-
. tinvan 12 tot 15,000 guldens op; hieraan kan zekerƒ10,000 aan arbeidsloon door de Maatschappij befteed worden; de hooge prijs van dit artikel doet zien, dat de hoeveelheid, welke daarvan aan de markt gebragt kan worden, zonder gevaar met twee of drie tonnen gouds jaarlijks kan worden vermeerderd; te meer, daar het debiet daarvan naar Hamburg en Breinen jaarlijks toeneemt. De voorraad van hoog veen is, in ons Land, zoo groot, dat nog in verfcheidene eeuwen dit hulpmiddel niet kan worden uitgeput; en hetzelve is van te meer waarde, daar de ondergronden met den besten uitflag tot weüg wei- en bouwland worden aangelegd.
D 5
â– i

( \ ; ^8 }
tingel tot eene noodzakelijkheid voor hem gemaakt, dewijl daarin voor hem zeiven zoo wel, als voor de Maatschappij , meer dan één voordeel gelegen is.
Wij gaan derhalve thans over, om den Lezer ook met de overige koloniale inrigtingen bekend te maken.
Het doel dier inrigtingen was hoofdzakelijk, het beftaan en onderhoud der Kolonisten bij hunne aankomst in de Kolonie zoo min kostbaar mogelijk te maken, behoudens nogtans hunne zeer goede voeding ; ten tweede , door dezelven een' toereikenden waarborg te vinden, dat ieder hunner genoodzaakt zij, aan zijne pligten te voldoen; ten derde, den arbeid der Kolonisten gemaiebciyk te maken, en hun daarvan de meest-mogelijke voord.eelen te verzekeren; ten vierde, te zorgen voor eene rigtige, weinig omflagtige hmptabiliteit; en, eindelijk, ten vijfde, dcn°Kolonisten, inzonderheid van het opkomend geilacht, eene gepaste, zedelijke opvoeding te verfchaffen, om tot noeste bouwlieden en goede burgers gevormd te worden.
Ter bereiking van het eerfte doel, heeft men, blijkens het Reglement voor de Kolonisten, trachten te zorgen, door de fpijzen van wege de Maatschappij zelve te doen toebereiden, zoodat dezelve wel minst kostbaar waren, maar toch altijd uit goede, voedzame ftoffen, bij afwisfeling, waren zamengefteld, gelijk men in de Reglementaire beginfclcn nader ontwikkeld vindt (*> — Tevens heeft men dat middel gezocht dienstbaar te maken aan het tweede doel, de aanprikkeling, namelijk, van ieder Kolonist tot het volbrengen zijner pligten. Te dien cm-
â– de
(*) Beide deze Hukken, ditmaal alleen bij mangel van plaats tettig gehouden, zullen in Nommer II hunne plaats vinden.
& DE REDAKTIE.

( 59 )
de is de grondregel aangenomen, dat alle onderhoud alleen in vergelding van arbeid wordt gegeven. Het van wege de Maatschappij voor den Kolonist bereide voedfel, namelijk, is vöor niemand, die arbeiden kan , vermijdbaar, dan na zijne verrigte taak. Bij ongelleldhcid of ""andere verhinderingen moet het verzuimde daarna worden ingehaald; en daar dus, aan den éénen kant, de gelegenheid in ruimte wordt aangeboden, om te werken, zoo is, aan de andere zijde, het gebruik van dit middel onvermijdelijk gemaakt; terwijl tevens, daar de fpijs voor de huisgezinnen bereid wordt, de vrouwelijke leden der huisgezinnen in de gelegenheid gefield zijn,om zeer veel met fpinnen te verdienen.
Door oppasfendheid, dat is, door zich in (laat te hellen, oin van de vruchten zijns eigen' akkers te leven, en zijne lehulden te betalen, kan de Kolonist zich van alle vreemd toezigt ontflaan. Blijft hij echter hierom, trentin gebreke, dan keert hij dadelijk tot den afhankelijken ftaat terug, die hem noodzaakt aan pligten en verbindtenisfen te voldoen. Zelfs behoort hem, in geval van misbruik der vrijheid, de befchikking over dc vruchten van zijnen akker ontnomen te worden, en deze moeten hem niet dan bij gedeelten worden uitgereikt, cn wel, naarmate hij door nieuwen arbeid in zijne eigene nooden voorziet. Tot nu toe is het onnoodig geweest, dezen Brengen maatregel op één' der Kolonisten toe te Pasfen ; ieder heeft met gewilligheid de hem opgelegde
taak volbragt. Zoo waar is het, dat de mensch,
niet geheel door bartstogten weggelleept, doorgaans hechts behoeft overtuigd te zijn, dat de gevolgen van zijne verkeerde handeling onvermijdelijk in zijn eigen nadeel uitloonen, om hem allen lust daartoe te benemen. •
. Ken

C 60 )
Een groot gebouw, in het midden der Kolonie geplaatst , en van ruime kelders voorzien, is gefchikt ter oplegging der vereischte levensmiddelen en van andere noodwendigheden; zelfs kan hetzelve, in het vervolg, dienen tot eene bergplaats voor de akkerproclukten der zoodanigen, aan wie de bewaring derzelve niet zou kunnen worden toevertrouwd (*). Dit gebouw, waarvan twee kamers ter bewoning van den Direkteur der fpinnerij dienen, firekt tevens tot bereiking van het derde oogmerk, om, namelijk, den arbeid gemakkelijk te maken. Hier is de fpinzaal geplaatst. — Ieder daartoe gefchikt perfoon is verpligt, zich in het fpinnen te laten onderwijzen. — Zoodra echter de noodige bekwaamheid daartoe verkregen is, en eene matige hoeveelheid vlas of wol behoorlijk gefponnen wordt, mag men dezen arbeid te huis verrigten; blijft iemand hieromtrent in gebreke, dan wordt het te kort der bedorvene of ontbrekende hoeveelheid vlas of wol op zijn' loon gekort, eh hij is op nieuws verpligt, voor eenigen tijd, in de fpinnerij onder toezigt te arbeiden.
Heeft de landbouw, in het vervolg, den fabrijkmatigen arbeid onnoodig, en eenen minder grobten invloed op den arbeid der Kolonisten noodzakelijk gemaakt, dan zal dit gebouw een gefchikt verblijf uitmaken voor den Direkteur of Oppertoeziener der Kolonie. En daar tevens
C*) Men zal, in het vervolg, eene afbeelding van dit gebouw geven. De .gefteldheid van den grond vorderde, hetzelve eenigzins buiten het middelpunt der Kolonie te plaatfen. Aan de ée^ie zijde heeft men het Onder-Direkteurs- en aan de andere zijde het kookhuis. De aard onzer inrigting btengt mede, alle l.ixe bij de inrigting der gebouwen te vermijden, waarom dan ooit de eenvoudigfte bouwtrant gevolgd is.

C 61 )
vens de veréisehte grond, tot onderhoud van eenige paarden, daaraan verbonden is, kunnen deze met geringe kosten onderhouden, en tegen eene kleine vergelding gebruikt worden, om voor de Kolonisten te ploegen, vracht te rijden, en alle foorten van veldarbeid te verrigten, waartoe paarden noodig zijn. Op deze wijze zullen ook dan nog, wanneer ieder Kolonist reeds door zijnen akkerbouw beftaat, en dus bijna geheel onafhankelijk geworden is, al de voordeden te zijner befchikking blijven, welke anders alleen aan groote boerderijen verbonden zijn.
Ook de melk der koeijen zal aan dezen Opziener, tegen kontante betaling van een' billijken prijs, kunnen worden afgeleverd, ten einde daarvan een beter en kostbaarder zuivel te bereiden, dan indien deze bereiding' door elk afzonderlijk gefchiedde; ieder Kolonist bekomt dus daarvoor de hoogst-mogelijke waarde, terwijl men, niet al de karnemelk en wei kunnende gebruiken, hem deze zal terug geven, en hem daardoor in de gelegenbeid {lellen, om, boven het huishoudelijk gebruik, nog een varken te messen.
Ook bij de adminiftrative inrigtingen is alle omüagtigheid vermeden geworden, zonder eene flrikte kampt abl~ Uttit uit het oog te verliezen. Alle verftrekkingen aan den Kolonist zijn volkomen geregeld, en zoo veel mogelijk aan vaste bepalingen onderworpen. Niets ook kan den Kolonist, buiten zijn weten, op rekening worden gefield. Ieder heeft een fchuldboekje, waarop wekelijks wordt aangeteekend, wat hij verdiend, genoten en te goede gemaakt heeft, of fchuldig gebleven is.
Ieder Onder - opziener heeft eene daglijst, waarop dagelijks wordt aangeteekend, wat ieder man verrigt

tigt en verdiend heeft, en daar, voor zoo veel rïio» gelijk , elke foort van arbeid een' vasten prijs heeft, zoo kan , de invulling dezer lijst slechts weinig tijds en arbeids vorderen.
Ook de Direkteur der fpinnerij houdt eene lijst, waarop wordt aangeteekend , hoeveel vlas • of wol ieder huisgezin ontvangen en geleverd heeft, en wat daarvoor betaald is. Hij ontvangt de vlas of wol Van den Onder-Direkteur , cn is verpligt eene bepaalde hoeveelheid garen en gefponnen wol daarvoor aan denzelven terug te leveren, met vergoeding van het minder geleverde. Daarentegen kan hij in rekening brengen, Wat deze of gene aan vlas of wol bedorven heeft, hetgeen op den verdienden loon gekort wordt. — Bij de ontvangst van garen of wol is hij gehouden op ieder pak een briefje te hechten, door wie hetzelve is ingeleverd, inet bijvoeging van het gewigt, in bijzijn der inbreng" fter gewogen., en van den daaraan verdienden loon.
De fchaftbaas houdt al mede eene lijst, en teekent daarop aan, hoeveel eiken dag uit het Magazijn genomen is; hij verantwoordt dit door eene opgave%aan wie zulks is afgeleverd. — Ook de ftaat van het Magazijn wordt alle acht dagen op de wekelijkfche fchaftiijst verantwoordUit deze drie Tabellen, eindelijk, wordt door den Direkteur eene algemene Tabel vervaardigd (zie N°. 2), en deze aan de Permanente Kommisfie toegezonden. Uit dezelve kan men zien, dat het gcheele beheer der Kolonie wekelijks als het ware onder haar oog wordt gebragt, en deze maatregel zal des te beter aan het oogmerk beantwoorden , zoodra de Tableaux voltooid zullen zijn, waarop de vorderingen in het bebouwen van den grond van maand tot maand zullen worden aangewezen.
Voorts

( 63 )
Voorts wordt door den Onder-Direkteur eene rekening -houden met ieder hoofd eens Kolonialen gezins m het: bijzonder, waarvan het fchuldboekje de contróle is; en daar den Kolonisten eene onbepaalde vrijheid gegeven wordt om met ieder, naar goedvinden, te korresponderen ' zoo is het te verwachten, dat, al ware het ook, dat de Maatschappij op hare geëmployeerden geenen vasten ftaat konde maken, alle maherfatie, van dien kant, fpoedig zon ontdekt zijn, daar deze alleen de belangen der Kolonisten zou kunnen krenken, moetende nagenoeg alles, wat de Maatschappij uitfehiet, als op rekening gegeven, in het fchuldboekje worden gebragt, en gevolgclijk ter kennisfe van de Kolonisten komen.
Overigens worden de goederen den Direkteur tegen derzelver waarde aangerekend, en op beftelling of ftelhgc autorifatie der Kommisfie gekocht, zoodat ook te dien opzigte genoegzaam de weg tot alle misbruik is afgemeden, en met eene matige oplettendheid alle abmzeit kunnen worden voorgekomen.
De geheele adminijlratk is zoodanig ingerigt, alsot iedere Kolonie van vijftig of zestig huisgezinnen een ligehaam op zich zelve uitmaakte. Hierdoor zal het by vol-ende '{lichtingen gemakkelijk vallen, om zonder merkelijke verandering denzelfden vorm in alle Kolomen in
te voeren. ... ,
De Kommisfie van Weldadigheid zal, in het vervolg, eene afzonderlijke rekening houden met elke Sub-Kommisfie, en na afloop der eerfte proeve kunnen de gelden door ieder arrondisfement of dïltrikt opgebragt, alleen uitfluitend ten dienfte der behoeftigen van dien oord worden aangewend, -r- De rekeningen deswege moeten ieder jaar aan - iedere Sub-Kommisfie, welke die

( 64 )
betreffen, worden overgezonden.; vervolgens door eene tweede Kommisfie, die van Toevoorzigt, bij .kiezers van de gezamenlijke leden der Maatschappij te benoemen, worden geëxamineerd, en vervolgens door den druk worden openbaar gemaakt ; waaromtrent, gelijk mede ten aanzien der overige huishoudelijke fchikkingen , wij den Lezer verwijzen tot het algemeen Reglement, en de beiluiten der Kommisfie van Weldadigheid, te vinden in het Algemeen Verflcg van 22 Junij, door de Kommisfie vari Weldadigheid uitgegeven.
Indien de Lezer deze verordeningen in haar verband wel begrepen heeft, dan zal hij, gelijk ik mij vleije, overtuigd zijn, dat er geene moeite gefpaard is geworden ter daarffelling eener adminijlratie, die door de openbaarmaking van alle handelingen der Kommisfie, en dooide gelegenheid voor eiken belanghebber, om voor zijne belangen te waken, op de beste wijze een rigtig beheer van zaken waarborgt.
Dan, welke ook de voordeden zijn mogen der opgegevene inftellingen, onvolledig, nogtans , zou het oogmerk zijn bereikt geworden, indien men niet tevens voor een gepast natuurlijk en zedelijk onderwijs, inzonderheid van het aankomend gedacht, gezorgd had, door deszelfs vermogens te ontwikkelen, en hetzelve tot een' hooger' trap van zedelijkheid op te leiden. Dit oogmerk heeft men dan ook getracht, zoo veel doenlijk, te verwezenlijken , zoo door het oprigten van leerfcholen, als door gebruik te maken van de welwillendheid der naburige kerkelijke Leeraren, die zich aangeboden hebben, om de koloniale jeugd in de godsclienltige beginfelen, ieder van het Kerkgenootfchap , waartoe hij behoort, te onderwij» zen, en door gepaste onderfcheidingen te verléenen aan

( 65 ) ^
allen, die zich door een goed zedelijk gedrag doen uitmunten (*). — Ook heeft de Maatschappij een zeer gefebikt jongeling, onder de bekwaamde leerlingen van den Hoogleeraar van swinderen uitgekozen, naar het Inftituut van den Heer fellenberg, te Ho/wij/ in Zmtferland (f), gezonden, om aldaar eene opvoeding
te
(*) Men zie hierover nader de Reglementaire beginfelen en het Reglement voor de Kolonisten.
(f) Het Inftituut van den Heer fellenberg , te Ho/wijl, in het Kanton Bern gevestigd , tot hiertoe in ons Vaderland nog weinig bekend zijnde, en echter van eenen zoo uitmuntenden als in zijne foort volftrekt éénigen aard, meenen wij onzen Lezers eenen waren dienst te bewijzen, met hun in één der volgende Nommers van dit Tijdfchrift daaromtrent een meer ontwikkeld ' denkbeeld te geven. Thans zij het genoeg, te zeggen, dat het kenmerkende dier inftelling daarin gelegen is,. dat de verftandelijke en zedelijke opvoeding der jongelingen aldaar, op de gelukkigfte wijze , met de natuurlijke Qph^/ieke') , voor zoo veel die de gezondheid bevordert, en tot de praktifche beoefening van den Landbouw, dus tot een werkzaam leven en goed beftaan opleidt, — en tevens met eene voortreffelijke vorming van hart, zeden en karakter wordt verbonden. Het is dus meer eene praktifche Landbouwkundige Akademie, dan eene fchool in den eigenlijken zin. Èen aantal brave jongelingen , ook uit andere Landen, zijn daar reeds tot goede Qeka* uomisten en Landbouwers gevormd, en worden er nog, van tijd tot tijd, toe opgeleid. De theorie wordt hier, dagelijks, met de praktijk vereenigd \ de jeugd leert er de beste wijze van Agrikultuur, en de voortreffelijkfte werktuigen daartoe onciervindehjk kennen en aanwenden. Het Injlittiut heeft federt verfeheidene jaren de fchatten zijner kennis over den geheelen omBE star, fSip, N°. I. E vai1S

( 66 )
te ontvangen, gefchikt, om in het vervolg Leermeesters voor de Koloniën te vormen, zoo als de aard onzer inrigting vordert. Een waardig Menfchenvriend, die niet wenscht zijnen naam openlijk bekend te zien, heeft de onkosten daarvan wel voor zijne rekening gelieven te nemen.
Indien ik mij vlcijen mag, tot hiertoe den Lezer een tamelijk naauwkeurig denkbeeld te hebben gegeven van den aard der koloniale inrigtingen, en de gunftige verwachting gewettigd te hebben , die men zich daarvan , met grond, voorftelde; dan dtirve ik tevens hopen, dat mijne verdere pogingen, te zijner overtuiging van de mogelijkheid en de gepastheid der middelen tot eene fnelle en aanzienlijke uitbreiding van dat ftellël, mede niet vruchteloos zullen zijn. En het is tot dat belangrijk gedeelte mijner Verhandeling, dat ik thans overga.
Over de verdere uitbreiding der kolonisatie.[bewerken | brontekst bewerken]
Het doei der eerde kolonifatie was hoofdzakelijk — eene proefneming omtrent de beste wijze van overbrenging der behoeftige familiën naar onbebouwde gronden; en reeds heeft de ondervinding den weg, daartoe in te liaan, duidelijk aangewezen. — Tot die eerfte proeve waren over het algemeen behoeftigen van de beste foort beftemd, en hoezeer niet alle Sub-Komnhsfiën in derzelver keuze even gelukkig zijn geweest, is echter doorgaans, ' <â– â– '• ' ' â– ;-, ' "... en
vang der Landbouwkunde aan Europa medegedeeld , in een Tijdfchrift, onder deszelfs opzigt uitgegeven, en getiteld: Hcfwcikr Biattcrn.
', De Rcdaktie van de stak.

C 67 )
en zelfs door eenige plaatfen bij nitftek wèl, aan het verlangen der Kommisfie van Weldadigheid voldaan géworden.
Dan, niet tot deze weinige gezinnen alleen bepalen zich hare zorgen; elk ander onzer behoeftige Landgenooten, in staat om te arbeiden, al ware hij ook door ongelukken en eigen toedoen tot die diepte van ellende gezonken, dat hij zijn rampzalig aanwezen al bedelende bad moeten verlengen, is een voorwerp, dat op ons medelijden aanspraak heeft.
Alleen gebiedt de voorzigtigheid, geene bedelende vagebonden op te nemen, die, mijns inziens, aan het toezigt van den Staat behooren te worden overgelaten, dewijl anders, bij eene onbepaalde verzorging van die allen, ons land alligt met de behoeftigen van, een groot deel van Europa zou overstroomd worden.
Echter behoort aan zoodanige behoeftigen, die aan de Sub-Kommissiën als plaatfelijke ingezetenen bekend zijn, zelfs al mogten zij gebedeld hebben, eene toevlugt verschaft te worden.
Wij mogen het ons nogtans niet ontveinzen, dat het moeijelijker wordt den mensch tot een zedelijk, braaf burger op te leiden, naarmate hij dieper gevallen is, en minder gezind om tot zijn eigen herstel mede te werken: want, hoewel het buiten bedenking is, dat iemand, verpligt om tusschen den arbeid en den hongerdood te kiezen, zeker tot den eersten besluiten zal, indien zulks van hem afhangt; en schoon het eene bewezene daadzaak is, dat bij een behoorlijk, oplettend toezigt, ieder mensch tot zijnen pligt kan gehouden worden; zijn echter de middelen tot dit laatste uit derzelver aard te moeijelijk, en op den duur te kostbaar, om in talrijke Burgermaatschappijën de plaats te vervangen dier groote zedelijke drijfveer, welke den beschaafden mensch tot een nuttig lid der zamenleving vormt, hoezeer zij in alle gevallen als de geschiktste, om hem daartoe te brengen, moeten worden aangemerkt, en ieder dus naar den graad zijner mindere beschaving langer en met meer strengheid daaraan moet onderworpen blijven, om hem tot een' verbeterden staat des levens te brengen.
De bedelaar onderfcheidt zich van. andere, wel verzorgde behoeftigen, die nimmer tot deze laagte vervallen jsijn , door eene grootere mate van fchaamtelooshcid. Gewoon, zich in de afzigtigfte houding aan zijnen even.mensch te vertoonen, en elke vernedering geduldig te ondergaan, js hij voor fchande minder gevoelig, voor eergevoel dus even weinig, en hoe ook ons medelijden voor hem pleite, meestal een verachtelijk voorwerp voor alle ftanden der maatfchappij.
Wij moeten derhalve de behoeftigen, die, offchoon bedeeld geweest, echter nog niet tot de laagte des omzwervenden bedelaars vervallen zijn, niet met deze vermengen, Voor beide foorten behooren afzonderlijke Koloniën te worden aangelegd, en de huishoudelijke inrigtingen van elke dezer foorten moeten noodwendig gewijzigd worden naar den aard der voorwerpen, daarin ter kolonifatie op te nemen.
' De bedelaars zelve behooren in twee klasfen ondcrfebeiden te worden, en wel in de zoodanige, die uit eigen' vrijen wil de hulp der Maatschappij inroepen, en die, welke daartoe zullen moeten gedrongen worden, wanneer eehmaal door de Stedelijke Bcfttiren de vereischte middelen zullen zijn verfchaft , om het bedelen krachtdadig te beletten.
De laagfte klasfe van bedelaars , — de zoodanigen namelijk ,

( 69 )
lijk, die zich daarftaö nog fchuldig maken, nadat aan ieder' 'behoeftigen;, in ftaat om te arbeiden, de gelegenheid zal zijn aangeboden, om door middel van arbeid zijn beftaan te verdienen, alsmede de zoodanigen, die zich wel vrijwillig hebben aangeboden, maar echter uoo* fien door zachte middelen niet tot een betamelijk arbeidzaam leven gehouden te kunnen worden, â– — zouden, naar mijne gedachten, in eene meer bepaalde ruimte dienen te worden opgefloten, waarin zij eenig akkerwerk konden verrigten, en overigens zoodanige ftoffen vervaardigen, als bij de uitbreiding van deze en andere Koloniën konden worden gebruikt. Met de noodige wijziging zou bij deze lieden de Militaire discipline behooren te woorden ingevoerd, en hunne vereeniging aan een onafgebroken toezigt onderworpen te blijven. Dit toezigt zou kunnen worden uitgeoefend, door over ieder vtiental een' Korporaal te ftellen , gekozen uit de gefchiktfte gegageerde. Militairen, die, hetzij door wonden of ouderdom, voor den werkclijken dienst onbekwaam geworden warenb Over vier Korporaals zoude een Seriaut, en over vier Serjanten een Serjant-Major, mede uit de invalides gekozen, moeten gefield worden. Eene zoodanige af deeling zoude den naam van Kompagnu \ Linnen dragen, en eenige dier Kompagniën onder de furyeillancé van eenen Onder - Direkteur kunnen wor* den gefield (*).
De
C) 'Bij c'-e tegenwoordige duurte der levensmiddelen zoude" zoodanige invaliden, inzonderheid getrouwde, zich zeer gelukkig rekenen van op deze wijze te worden geëmploijeerd, al ware het dan ook flechts, dat zij daarvoor den kost genoten. Trouwens, hunne familiën zouden daarbij, des noods, me' fpin-rrheid-wekelijks nog iets verdienen kunnen.

( 7Q )
De vrouwen zouden, op dezelfde wijze kompagniesgcwijze in dit Injtïtuut geplaatst, van de mannen dienen gefeheiden te worden, zijnde dit het éénige middel, om heiden op den duur onder een behoorlijk toezigt te houden. De kinderen onder de twaalf jaren , geene zuigelingen meer zijnde, moesten onder een bijzonder opzigt worden gefield, en voorts alle werkzaamheden zoo h> gerigt, dat die, zonder vermoeijende te zijn, onafgebroken aanhielden, en moest elk hunner, zoo wel 'snachts als hij dag, door perfonen van zedelijker aard dan zij, worden gade geflagen.
Onder zulk een onafgebroken en billijk toezigt wordt de verpligting tot een ondergefchikt gedrag, en tot aanhoudende bezigheid, even zeer eene gewoonte als elke andere eigenfehap, door gedurige herhaling verkregen.
Het onderwijs, bijzonder het zedelijke, zou met oordeel hier moeten worden toegediend. Niets is gemakkelijker , dan dezer klasfe van menfchen eenige formulieren te doen naprevelen; doch dit doet den waan bij hen geboren worden, dat godsdienst en deugd in het verrigten van eenige plegtigheden beftaan; niets, daarentegen, is moeijelijker, dan hun een denkbeeld in te drukken van den invloed, dien het befef hunner pligten jegens God en menfchen op hunne daden behoort te hebben. (*). —
Het
(*) Het onderwijzen der Kolonisten in eenig leerfte'fcl van deze of gene kerk valt niet moeijelijk , maar wel, aan weinig befchaafde menfchen ware godsdienftige beginfelen in te Hezemen. Gezag is hier immer ontoereikend, en dikwijls fchadelijk geworden, omdat het wel huichelarij , maar geene overtuiging voortbrengt. Mijns inziens, behoorde er minder ftelligs omtrent het befpiegelênd deel van de Godsdienstleer bepaald,
maar

( 7i )
Het is waar, hiertoe wordt eene bijzondere gefchiktheid in den onderwijzer vereischt: dan, om zulke gefchikte perionen te vinden, zou geene moeite behooren gcfpaard te worden; en ik vleije mij, dat er die dan ook, wel zullen te vinden zijn.
Voor het overige zou aan de Direktie, over zoodanig eene Kolonie te benoemen, door Zijne Majefteit diezelfde magt dienen verleend te worden, welke Regenten der Werkhuizen te Amperdam en Hoorn uitoefenen , en daartoe 'sKonings bewilliging, indien het ontwerp Hoogstdeszeffs goedkeuring verdienen mogt, verzocht te worden.
Aan al de leden van dit Bedelaars-In/litmit behoorde wijders het uitzigt geopend te worden, om door oppasfendheid en goed gedrag zich tot eene hoogere klasfe te kunnen verheffen, cn wel tot die dergenen, welke, offchoon van den bedelftaf levende, zich ter opneming in de Kolonie vrijwillig hadden aangeboden.
Het fpreekt van zelf, dat bij deze laatften geene affcheiding der familiën plaats hebben kan , daar deze , mijns inziens, enkel als eene daad van gezag, ten gevolge van overtreding der heltaande wetten, moet worden aangemerkt. — Dewijl zij, die zich vrijwillig aanbieden , om in de Kolonie te worden opgenomen, niet als misdadigers kunnen befchouwd worden, zal de discipline bij
hen
maar de leeraars der onderfcheidene gezindheden aangemoedigd te worden, om ieder den feeken zijner kerk zoodanig onderwijs te geven , als hij het meest gefchikt acht, om het zedelijk doel van den Godsdienst te bereiken. De uitwerking van deze leermethode kan men dadelijk in Frederiks-oord onderzoeken, en den godsdienftigen zin dier Kolonisten met dien van 'andere Arinen-Inrigtingen vergelijken.
Ê 4

( 7* )
hen minder ftreng dienen te zijn. Bij menfchen , aan wie men gevoelens van betamelijkheid wil inboezemen, moet men de geheimen der huishouding eerbiedigen, en dus zijn dezelve noodwendig veeltijds onttrokken aan her oog van Opzieners, die hen alleen in zekere gegevene omftandigheden kunnen en moeten gadeflaan. En juist om deze reden is bij de laagfte klasfe de affcheiding der familiën volftrekt noodzakelijk.
De huishoudelijke inrigting dezer betere klasfe zou derhalve veelal dienen overeen te Hemmen met die der vrije Koloniën, zoo als thans te Frederiks-oord. Alleen de ondeelige vrijheid behoorde meer beperkt te blijven. Om geene redenen b. v. moet, gedurende het eerfte jaar, vrijheid verleend worden om uit de Kolonie te gaan, en altoos niet, dan na voorafgaand bewijs van goed gedrag. — Ieder lid van het ïnfiituüt, die op deze wijze niet tot zijnen pligt te houden was, zoude, gelijk ik reeds gezegd heb, door den Direkteur bij de laagfte klasfe moeten kunnen worden terug geplaatst. Daar echter in alle gevallen de ftraf alleen den fchuldigen behoort te treffen , zoo moest slechts dat ondeelig lid des huisgezins, hetwelk zich onbetamelijk gedroeg, aan deze ftraf voor een' min of meer langen tijd onderworpen worden; hetgeen dan tevens de noodzakelijkheid nader aantoont, om de beide fekfen in dit établisfement van elkander te fcheiden.
Alle overige inrigtingen betrekkelijk den arbeid, de verdienften , de voeding, enzv. zouden met geringe wijzigingen dezelfde kunnen zijn, als in de thans opgerigue Kolonie in -Frederiks-oord; moetende, naar mijn inzien, het verfchil tuslchen deze en die der Bedelaars hoofdzakelijk alleen beftaan in een fcherper toezigt, ttrengtrc dwangmiddelen, minder perfoonlijke vrijheid, en eené
lanrp-

( 73 )
langduriger voorbereiding, om hen tot gefchikte landbouwers te maken. De ondervinding zal ook hier, beter dan de beste théorie, ons de middelen aanwijzen, om bet doel te bereiken; en om die te verkrijgen, zou men ook hier aanvankelijk de proeve met 30, 40, of 50 huisgezinnen dienen te nemen.
De arbeid zou in den aanvang, mijns achtens, hehooren te beftaan in het fpinnen van vlas of wol ten diende van volgende Kolonisten, en het graven van turf in aan de fnede liggende veencn, (waarbij, ter verrigting van den zwaarden arbeid, in het eerde jaar waarfchijnlijk dc onderfteuning van eenige deskundige arbeiders zou noodig zijn), en in het ontginnen van eenigen grond ter bouwing van aardappelen, enzv.
Ik durvc vertrouwen, dat op deze wijze de ondervinding zal doen zien, dat er toereikende middelen voorhanden zijn, om ook deze foort van armen hun eigen brood te doen verdiepen, en zonder merkelijk bezwaar tot landbouwers op te leiden, waarna zij, den vecn-arbeid voor rekening der Maatschappij aan anderen overlatende , als vrije Kolonisten op denzelfden voet, als die in frederiks-oord, zouden kunnen behandeld worden,
Tot het nemen eener zoodanige proeve doet zich eene gimftige gelegenheid op. Een der verlatene Forten namelijk van het Gouvernement bevat nagenoeg de daartoe vereischte gebouwen. In de nabijheid van hetzelve ligt eene toereikende' hoeveelheid van onbebouwden grond 5 en van aan de heide rakende veenen. Die proefneming zou dus geene bezwarende uitgaven veroorzaken, cn de kosten, ter verdere uitbreiding van dit ontwerp vereischt, kunnen genoegzaam door die, welke iedere andere Kolonie vordert, goedgemaakt worden.
E $ O ik

c n y
Ook fchijnen mij de reeds aangenomene admintfiralhe inrigtingen, als aan het oogmerk voldoende , hier van toepasfing te zijn, zoodat ik, ter vermijding van herbalingen, den Lezer daartoe verwijzen kan, en thans overgaan, om een ontwerp op te geven, hoe, in het aanftaande jaar, de kolonifatie-ondernemingen der Maatschappij over het geheel verder uit te breiden.
Wij hebben boven doen zien (*), dat de kosten der vestiging van een huisgezin, alle mogelijke voorfchotten daaronder gerekend zijnde , op f 1700.00 te fchatten zijn. Wanneer wij nu aannemen, dat er in het jaar 1819 even zoo vele bedelaars in het daartoe op te rigten gefucht zullen geplaatst wordai, als huisgezinnen in de Koloniën gevestigd, en dat voor ieder hoofd de kosten op ƒ 300.00 ongeveer bepaald worden, dan zal er, tot vestiging van 50 koloniale huisgezinnen, en van 10 zoodanige in het Bedelaars -inftituut, eene fom van ƒ 100,000.00 noodig zijn. Niet, dat deze vestiging werkelijk zoo veel kosten zal : de voeding, de wol cn het vlas, worden reeds in bet volgende jaar grootftendéels terug betaald, en de kleeding welligt in twee of drie jaren; zoodat, na aftrek daarvan, de wezenlijke onkosten de fora van ƒ 60,000.00 of ƒ 70,000.00 welligt niet zullen te boven gaan; dan, wij nemen de fom voorbedachtelijk zoo ruim, dewijl dit het best ftrookt met de nader te ontwikkelen oogmerken en belangen der Maatschappij .
Vestigen wij nu het oog op de inkomften der Maatschappij , dan zal men Kgtelijk ontwaren, dat, hoe
aan-
(*) Zie biadz.. 29, 30.

( 75 )
aanziend ook in getal, dc geringheid der ptrfoonlijke kontributiën in aanmerking genomen , deze alleen geenszins toelaten, om de kolonifatie met dien fpocd en in dien omvang uit te breiden, welke algemeen, zoo. wel door de Leden onzer Maatschappij , als door de behoeftigen zelve ' verlangd wordt. — Slechts één hulpmiddel is mij voorgekomen, gefchikt te zijn, om aller wensen'in dezen te bevredigen, eene negotïütk namelijk van penningen , onder behoorlijke garantie, en onder verband van de gezamenlijke inkomhen en bezittingen der Maatschappij .
‘‘ Dan, hoe kan zulk eene ncgotiatie, zal men wel‘‘ ligt zeggen, op een inkomen gevestigd worden, dat ‘‘ jaarlijks afhangt van de willekeur der Leden van de ‘‘ Maatschappij , en dus gedeeltelijk, ja geheel kan te ,, niet gaan?" — Voorzeker is Zulks alleen mogelijk door de garantie van een' derden, die een toereikend belang heeft bij het welgelukken der onderneming, >en zelfs, dm, wanneer de gebeele last daarvan op hem viel, dan nog daarin voordeel zoude vinden, om er de kosten van te dragen; terwijl tevens het gevaar van verlies der leden, die thans tot het edel doel der Maatschappij bijdragen, verminderd kan en moet worden dooide wezenlijke voordeden, welke onze inrigting hun ieder in het bijzonder aanbiedt.
Laat ons zien, hoe deze garantie verkrijgbaar zijn zoude, en hoedanig eene inrigting er zoude noodig zijn, om de Leden der Maatschappij in hun eigen belang eene aanfporing te doen vinden, om, ter goedmaking van aflosfing en rente des ge-negotieerden kapitaals, te blijven kontrib tieren!
Het is genoeg bekend, dat hetgeen tot onderhoud der
be-

( 76 >
behoeftigen door liefdegiften verkregen wordt, — d* opbrengst der bedelarij buitengeiloten, — meer dan ƒ 20.00 's jaars per hoofd bedraagt , en dat derhalve eene ftad, die van 325 of 350 behoeftigen, cn van 4.0 tot 50 bedelaars ontlast wordt, eene fom van ƒ7000.00, of ƒ 8000.00 , in hare jaaijijkfche lütgaven befparen Zonde. — Voegen wij bierbij, dat de last der armen in bijna alle plaatfen onzes vaderlands 'sjaarlijks aangroeit, en dat de febatting, aldus bij aanhoudendheid door de behoeftigen op het nog welvarend gedeelte der bevolking gelieven, als eene altoosdurende belasting moet worden aangemerkt, die, gelijk wij elders betoogden, uit haren aard, blijkens ook de ondervinding, immer de ftrekking heeft, om wel te vermeerderen, maar niet te verminderen, gelijk de tegenwoordige toeftand van Engeland en andere Landen ten volle bewijst. En waartoe toch ftrekken deze zoo drukkende uitgaven, dan om een aanzienlijk gedeelte. der natie tot luijaards, tot fchadelijkc en gevaarlijke leden der Maatschappij te vormen, wier zedelooze geaardheid als eene befmettelijke ziekte rondwaart, en van dag tot dag de nog gezonde leden der Maatschappij aangrijpt, en 'allengskens tot denzelfden ftaat van ellende brengt.
Indien het mogelijk was, eene zoodanige ramp af te koopen, zonder tot grootere uitgaven verpligt te zijn, en met het zeker vooruitzigt, dat de last daarvan, die anders gewis voortduurt, en zelfs van jaar tot jaar'vermeerdert, flecbts weinige jaren zal behoeven gedragen te worden, — bij het aangenaam vooruitzigt, om de behoeftigen zelve, voor wie men den afkoop doet, eerlang in nuttige burgers van den Staat te herfcheppen, wier arbeid, gelijk elders betoogd is, in eene vierdubbele

( 77 )
dele reden zamcmverkt, om de nationale welvaart te bevorderen, — welke ftad of plaats zou zich elan niet gedrongen vinden, om zulk een kontrakt op eenen vasten voet aan te gaan? En hoe veel aanlokkelijker nog zou dit voordel worden voor menige plaats, thans dooiden last harer armen ter neder gedrukt, indien zij slechts deze fom behoefde te garanderen, terwijl de opbrengst daarvan gedragen wierd door medeburgers , die in hunne middelen, hun belang of hunne weldadigheid, eene aanlporing vonden, om zich daarmede te belasten!
Dit laatfte fchijnt mij even zeer uitvoerlijk, indien de interesfen en aflosfing der negotiatie door de kontributiën der Maatfchappelijke leden worden verzekerd, en zij, die deze hebben opgebragt, in de inrigtingen der Maatschappij zelve een' waarborg vinden, van voor zich zeiven of hunne kinderen toevlugt te kunnen nemen tot de Maatschappij , in geval van toekomftige verarming. Te dien einde nu zoude ik voordellen, deiateresftn, door de Kolonisten op te brengen, na aflosfing der hoofdfom, te hunner vestiging genegotiëerd, aan tejeggen tot een familiefonds, waaruit aan zoodanige leden der Maatschappij , die zelve, of hunne nakomelingen, i-ot een' behoeftigen ftaat vervallen mogten, onderftand zou kunnen worden verleend.
Duidelijker zal dit voorftel den Lezer worden, wanneer hij zich uit het voorgaande herinnert, dat de Kolonisten in ftaat zijn, om 'sjaarlijks, voor huis en land, hun in vruchtgebruik afgeftaan, eene billijke rente te. betalen, en dat de Maatschappij een groot aantal middelen bezit, om hen, door nuttigen arbeid, in ftaat te ftellen ter vergoeding der voorichotten, aan kleeding en voedfel hun verftrekt.
Stêb

C 7S )
â– Stellen wij ons dus voor, dat ter vestiging van 50 behoeftige femtHen en van 10 bedelaars-gezinnen, eene fom van ƒ 100,000.00, genegotieerd ware tegen 5 pCt. interest, en ai pCt. jaarlijkfche aflosfing; dan zoude voor het één en ander, tot de volle aflosfing der hoofdfom toe, ƒ 7500.00 jaarlijks gevorderd worden.
Wij hebben reeds aangetoond, dat hetgeen van de voorfchotten der Maatschappij in de eerfte twee. of drie jaren terugkeert, voor fabrijkltofien, voeding, kleeding enz., 30 of 40 pCt. bedraagt; doch stellen wij hetzelve voor het eerfte jaar slechts op 15 pCt. oï f 15,000.00, en in de volgende 10 jaren ƒ io,ooo.bo, zijnde ƒ20.00 'sjaars voor ieder huisgezin. Op deze wijze rekenen wij de overige ƒ 15,000 00, als nonvaleur, en het verlies dus hooger, dan met eenigen fchijn van reden kan gevorderd worden. — De hoofdfom der ƒ 100,000.00, derhalve, zal reeds in het eerfte jaar met ƒ 15,000.00, boven de gewone aflosfing, kunnen worden verminderd; en wanneer wij voor het tweede jaar de huur, door de gezamenlijke Kolonisten op te brengen , op ƒ 3000: 00 ftellen , en die fom voegen bij de f iaoc: 00, welke zij jaarlijks in mindering hunner fchuld betalen, dan zullen deze penningen, gevoegd bij de ii pCt. aflosfing, m het tweede jaar een aflosfmgs-kapitaal uitmaken van ƒ6,700.00, en dit kapitaal zal jaarlijks vergroot worden met hetgeen de hoofdfom, door afloshng fteeds klei-
net wordende, minder aan interesfen vordert. Om
zoodanig eene geldlecning aan te moedigen, zou het dienftig zijn, eene uitlotings - premie toe te flaan van ƒ 100.00 aan ieder elTekt van ƒ 1000.00, dat jaarlijks wierd afgelost. - De Tabel N\ 3, op dezen voet berekend, doet zien, dat aldus binnen 12 jaren de genee*-

( 79 )
bccle aflosfing zoude zijn volbragt (*); en tot betaling der jaarlijkfche rente en aflosfing van dit kapitaai zouden 2885 Leden der Maatschappij , ieder jaarlijks 52 Huivers opbrengende, in elf jaren ongeveer ƒ 28.60 ieder hebben bijgedragen, en daarvoor gezamenlijk een familiefonds bezitten, rentende ƒ 3000.00 in het jaar (f).
Indien dit familiefonds in het vervolg jaarlijks met de kontributie van één' gulden per hoofd vermeerderd werd, zou daarin een middel te vinden zijn, om denzulken onder hen, die zulks behoefden, eene naar hunnen ftand gefchikte onderfteuning te bezorgen, hetzij door eenige hunner kinderen in eene daartoe wel ïngerigte School een gepast onderwijs te doen genieten, hetzij door eenige jonge dochters op te nemen in een gefchikt Inftituut, waarin zij door vrouwelijke handwerken zich in een' rampfpoedigen tijd ecnig onderhoud zouden kunnen verfchaffen, — of ook op eenige andere wijze.
Dan, laat ons een bepaald geval ons voorfleilcil, ten einde al de voordeden, aan het ontworpen'plan,, zoo plaatfefijk als perfoonlijk verbonden, duidelijker in het licht te stellen. Kiezen wij daartoe cene Had, b. v. als
Leif-
(*) Indien tot de aflosfing alleen de 2ï pCt. jaarlijks werden gebruikt, met het furplui der interesten , dat door de vermindering van het kapitaal jaarlijks overfchiet, zoude niet te min de geheele fchuld in 20 jaren zijn afgelost; en hetgeen door de Kolonisten opgebragt was, het zij voor fchuld of voor rente, zou tot andere nuttige einden kunnen worden gebruikt.
Cf) Aan de zoodanigen , die verkiezen mogten liever de rente van hunne kontributie te genieten, zou men 4 pCt. in li.ee jaar kunnen betalen.

Lei/den, die zeker onder de, door een groot aantal behoeftigen meest gedrukte, behoort. Stellen wij, dat da geheele fom , welke aldaar door de Leden onzer Maatschappij jaarlijks wordt opgebragt, tot ƒ 7500.00 zij aangegroeid, en dat, onder garantie dier ftad, met goedkeuring des Konings, eene fom van ƒ 100,000.00 zij genegotiëerd, welke wij aangetoond hebben toereikende te zijn, om 300 of 350 behoeftigen, benevens 50 bedelaars, op onbebouwde gronden ter kolonifatie over te brengen. Al aanftonds zouden door dezen maatregel de fledelijke en godsdienftige Armenkasfen ontheven worden van die uitgaven, welke anders aan dezelven worden hefteed, en die niet wel minder dan op ƒ 8,000.go of ƒ 10,000.00 jaarlijks te fchatten zijn. — Dan, deze menfchen moeten onmiddellijk worden gekleed en van de noodige meubelen en gereedfehappen voorzien; en het bcnoodigde hiertoe kan niet wel minder dan op f 12,000.00 gefield worden. — Billijk zou de levering dier goederen aan de ingezetenen der ftad, voor welke de onderneming gefchiedt, kunnen worden opgedragen, en hierdoor het middel gevonden, om aan vele behoeftigen aldaar werk te verfchaffen, die, bij eene volgende gelegenheid, gefchikte voorwerpen tot de kolonifatie zouden zijn, als reeds in het fpinnen en bearbeiden van (lollen eenige vaardigheid bekomen hebbende.
Ook de jaarlijkfche levering van zoodanige verdere benoödigdheden, als de Kolonisten behoeven, en door deze {bedelingen even goed en tot gelijken prijs als elders konden geleverd worden, zon aan dezelven behooren te. verblijven, en in dit opzigt zou het hekel ven kolonifatie, dat wij ons nu hechts ten getale van 300 of 400 perfonen voordellen, doch hetwelk voor groote uit-
brci-

C n )
brciding vatbaar is, veel debiet aan de ftad vêffchaffeü kunnen. Ook kunnen, langs dezen weg, de Godshuizen van een overbodig getal kinderen ontlast, en deze voor o-erin*e kosten onderhouden worden; terwijl daardoor tevens de gelegenheid wordt verkregen, om de zoo onaangename als gevaarlijke bedelarij, in het vervolg, te
beteugelen. . .1
Welk eenen weldadigen invloed, eindelijk, zou ZUlK eene onderneming niet hebben op de ftedelijke financiën, indien ter verdere uitbreiding van dezelve de penningen gebezigd werden, die thans tot Jhbfidie der armenfondlen worden betaald! Stellen wij ons b.v. de ftad Amftcrdam voor. De burgerij dezer ftad brengt jaarlijks eene fom op van ƒ600,000.00 tot fubfidh der armenkasten.Een verzekerd jaarlijks inkomen van dit bedrag zou toereiken ,-om op de voorgeitelde wijze een kapitaal van acht mOiomm gulden te negotiëren, en daarvoor zou een getal van 32,000 behoeftigen en bedelaars gevestigd worden, welker onderhoud thans, indten men daarbij voegt de behoeftigen uit het Werk- en Aalmoezeniershuis, deze fom te boven gaat.
Op de voorgeftelde wijze zou, na verloop van 12 jayen, niet alleen de hoofdfom zijn afgelost, en zouden dus de thans daarvoor gevorderde belastingen kunnen worden afschaft; maar de ftad zou dan zelfs jaarlijks ^en Jiver inkomen van ƒ ,40,000.00 van de Kolonisten genieren. En wilde men de aflosfing alleen bepalen tot die fom , welke door de Kolonisten zou worden opgebragt-in mindering hunner fchuld tien hetgeen door hen jaarlijks als rente betaald zoude worden, dan zou de hoofdfom in ongeveer 16 jaren op de voorgeftelde wijze zijn afgelost, en er zouden jaarlijks slechts vier.
C 8* )
tonnen gouds aan renten gevorderd wórden, waardoor derhalve de Stads-financiën reeds dadelijk met twee tonnen gouds jaarlijks zouden zijn bevoordeeld. En dus zouden hierdoor'in 16 jaren tijds ƒ 3,200,000.00 befpaard zijn. Na afloop van dien tijd zoude de uitgave van 6 tonnen, welke de Stad thans jaarlijks aan fubfiüm betaalt (*), geheel vervallen,, en vervangen worden door een inkomen van ƒ 240,000.00, en alzoo der ftads financiën met meer dan 8 ton jaarlijks bevoordeeld zijn. En deze gewigtige voordeden zouden kunnen verkregen worden, niet alleen zonder opoffering van de zijde der ftad, maar zelfs, desnoods, met eene jaarlijkfche befparing van twee tonnen gouds. Ongerekend nog, dat de jaarlijks op te brengen fom zou kunnen worden verminderd , indien men, ten aanzien van het ftraatvuil, dezelfde verordeningen invoerde, als te Groningen, en dat de meerdere hoeveelheid mist, op deze wijze verkregen, gebezigd'wierd ten behoeve der Kolonisten, waardoor bij derzelver vestiging aanzienlijke fommen zouden bezuinigd worden.
Ik weet zeer wel, dat een ontwerp van dezen breeden omvang niet dadelijk kan worden verwezenlijkt, en dat door de Maatschappij geene ^00 behoeftigen in dén jaar op de heigronden zoudenkunnen worden overgebragt; dit is ook geenszins noodig, daar met de kolonifatie van
twee,
(*) Ik meen op goede gronden te mogen vooronderllellen, dat, indien het getal der behoeftigen te Amfterdam met 30 duizend zielen verminderd werd, het onderhoud voor de overigen, gefchikt om te arbeiden, zeer wel te vinden zou zijn, terwijl de ouden en gebrekkigen in de verzorging der weldadige ftichtingeu eene genoegzame toevlugt zouden vinden.

C 83 )
twee , drie of vier duizend menfchen jaarlijks , — zei ft b den aanvang alleen van zoo vele honderden het oogmerk ,zal kunnen bereikt worden. Het is mij genoeg, betoogd te hebben , dat onze behoeftigen te redden znn zonder bezwaar der ftedelijke financiën, en er dus meer dan één middel overblijft, om de verdere uitbreiding van het groote doel der M<Mtfcha$plj van Wddadigkaa op den duur te bevorderen (*>
Inderdaad, de ftreving naar dit doel biedt geene geringe voordeden aan, die te meerder aandacht verdienen, wanneer wij overwegen, dat, gelijk reeds elders door mij betoogd is , zonder de krachtdadigfie hulpmiddelen, het aantal behoeftigen, en dus ook de last van derzelvef onderhoud, bij aanhoudendheid moet toenemen, gelijk in-het vooronderfteld geval beide zouden verminderen, en eene zware uitgave door een zuiver inkomen zou vervangen worden.
Van welk eenen invloed, eindelijk, moet niet het wèl flagen der voorgeftelde onderneming in het groote zijn op bet lot der behoeftigen, op den zedelijken toeftand der Maatschappij , en op de bronnen Van onze welvaart zelve, daar de voortbrengfelen van onzen grond, langs dezen weg , zoo aanzienlijk liaan vermeerderd te wor-
dCnl . Dit
(*) Zoo zouden b. V. de Beduren Van Godshuizen, vat! Armenkasfen, zelfs Gemeentebelluren, met de Maatschappij kunnen kontrakteren wegens het verzorgen der armen, met web kë zij belast zijn. Aanbiedingen van dien aard zouden natuurlijk aanleiding geven tot onderfcheidene wijzigingen es fchikkingeu in de behandeling van zaken, waarbij het algemeen belang niet dan winnen kan, en die daarom ook gaarne zullen worden aangenomen

( s4 )
Dit ontwerp heeft dus niet alleen de ftrekking, om de nationale armoede krachtdadig te keer te gaan, maar tevens, om de welvaart der overige ingezetenen te bevorderen. Bij eene geftadige uitbreiding toch van dit ftelfel, keeren jaarlijks de voordeden, die hetzelve verfcbaft, althans gedeeltelijk terug tot die lieden, welke daartoe bijdragen; en wanneer wij aannemen, dat de kapitalen werkelijk afgelost zijn, en dus de Leden der Maatschappij , die daartoe bijdroegen, aanfpraak hebben verkregen op die onderfteuning, welke uit de interesten, door de Kolonisten op te brengen, kan worden verleend: _ hoe menigvuldig en veelfoortig is dan , het goede, dat daardoor kan gedicht worden, inzonderheid bij die wei-opgevoede klasfe van menfchen, tot welke ' de Leden onzer Maatschappij behooren! — Aan hoe velen zou bovendien niet eene gefchikte plaatfing in de Kolonie, hetzij als onderwijzers, of als Opzieners, kunnen worden verfchaft; cn aan hoe vele anderen een min kostbaar onderwijs in gefchikte fcholen, of eene reddende toevlugt in tijden van ongelegenheid!
Ook de oprigting van een Inflituut, waarin fatfoendelijke jonge dochters eene eerlijke toevlugt zouden kunnen vinden, is een belangrijk onderwerp, waarop ik, bij eene volgende gelegenheid, de aandacht mijner Landgenooten hoop te vestigen, en waaromtrent ik al mede - eene kleine proefneming wcnschte te zien nemen. Naar mijn inzien zal het niet moeijelijk zijn, bij vrijwillige inichrijving een gepast vertier van vrouwelijke handwerken daarvoor te bekomen; en door aan deze (lichting den arbeid van eenige Kolonisten tot het kweeken der benoodigde levensmiddelen te verbinden, kon aan hetzelve een minder kostbaar onderhoud worden verfchaft.
Doch 5

( S5 )
Doch, tot het voordragen van zoodanig een ontwerp worden meer inlichtingen vereischt, dan bekrompenheid aan tijd mij tot dus verre heeft toegelaten te verzamelen. — Voor dezen oogenblik achte ik het dus voldoende, de aandacht van het algemeen bepaald te hebben bij de gewigtige voordeden, die in meer dan één opzigt uit dit plan voortvloeijen, en ik zal gaarne, in het vervolg, mijne gevoelens daaromtrent nader ontwikkelen.
Ik voege hierbij nog de aanmerking, dat ook voor de Dorpsgemeenten, naar mijn inzien, een groot voordeel in de voorgeftelde uitbreiding der kolonifatie gelegen is. Immers, deze zijn wel over het geheel minder overladen met behoeftigen, die in ftaat zijn om te arbeiden, doch daarentegen zeer belast met het onderhoud van weezen, cn met een onnoembaar getal van omzwervende bedelaars. De eerften zouden al mede bij koloniale huisgezinnen kunnen worden ingedeeld, en op die wijze, bij een veel minder kostend onderhoud, doelmatiger worden opgevoed; terwijl der laatften aantal fpoedig verminderen zal, wanneer het zal gebleken zijn door de voorgeftelde proeve, dat ook zij, door middel eener geringe opoffering, kunnen worden in ftaat gefteld, om hun eigen brood te verdienen,
Steden en Dorpen, beide, zullen alzoo ruimfchoots deelen in de weldaden, welke onze Vereeniging aanbiedt , cn wel in evenredigheid der fommen, die zij, zoo bij wijze van kontributie als anderzins, opbrengen, en naarmate zij genegen en in ftaat zijn, om voor het kapitaal , daartoe te negociëren, de vereischte garantie te
ftdlen. Het zou overbodig zijn hierbij te voegen,
dat de bepaling der te garanderen iomvmi geheel aaii elks vrije verkiezing moet worden overgelaten, waarnaar F 3 z'cb

( S6 )
gich dan het getal der op te nemen plaatleïijke behoeit;gen eigenaardig regelen moet. Ook fpreekt het van zelf, dat aan elke plaatleïijke Sub-Kommisfie het regt behoort te, verblijven, om aan de Kommisfie van Weldadigheid zoodanige voordellen te doen nopens het plaatién van behoeftigen, als zij vermeent met de belangen harer onder» aorige Leden te ftrooken,
Hoe veel goeds, eindelijk, belooft niet reeds de aanvankelijke goede uitflag der onderneming; en hoe gemakkelijk moet de verdere uitbreiding daarvan niet zijn in een Land, waar te allen tijde zulke aanmerkelijke fchatten, ten behoeve der armen, zijn en nog worden opge-. bxagt ?
Hetgeen thans, boven de bijdragen'der Armenkasfen, Godshuizen en liefdegiften tot onderhoud derzelven door de fteden in onze noordelijke Provinciën betaald wordt, zou welligt toereikende zijn, om al onze behoeftigen, in |laat tot den arbeid, in den tijd van Hen jaren op de onbebouwde gronden onzes Vaderlands over te brengen, Pe overige, gebrekkig, ziekelijk of afgeleefd, zuilen in het bekend liefdadig karakter onzer natie eene toereikende 'toevlugt en ruimere verzorging vinden, die te minder drukkende zal zijn, omdat de daartoe benoodigde fondlën d,aoy louter vrijwillige offers zijn of worden zamengebragt. Mag het mij gelukt zijn, in den loop dezer Verhandeling, mijne Lezers meer en meer van de uitvoerbaarheid en van de gewigtïge voordeeleu onzer onderneming te overtuigen , dan ben ik voornemens, mijn plan wegens de verdere uitbreiding van het kolonifatie-ftelfel in het groot, op den. voet, door mij aan de Kommisfie van Weldadigheidvoorgedragen, ter harer eerst volgende algemeene Vergadering aan te bieden, Aangenaam zou het mij zijn, indien
Tabelle No. 1: VOORLOOPIGE REKENING VAN ONTVANG EN UITGAVE DER PERMANENTE KOMMISSIE - niet opgenomen
Tabelle No. 2: WEEK-STAAT van verrigten Arbeid, Verdiensten, Voeding, Uitbetaling, en Kassa-Rekening der Kolonisten op FREDERIKS-OORD, in de nieuwe Kolonie - niet opgenomen
Kapitaal .... niet opgenomen
(pagina 87)
dien dezulken mijner Landgenooten, die' daartoe roeping en aanleg gevoelen, mij vereeren wilden met hunne aanmerkingen en inlichtingen, welke dankbaar zullen ontvangen worden, en zeker (trekken, om het gebrekkige van dit mijn werk te verbeteren.
Ik voege hierbij nog de aanmerking, dat ik bij het ontwerpen van dat plan en deze middelen tot eene foelie en aanzienlijke uitbreiding der koloniüuic in dien ruimeren omvang, waarvoor de zaak, door middel der voorgeftelde negotiatiën, vatbaar is, met vertrouwen rekepe op de medewerking der fteden, wier belang, gelijk wij zagen , zoo naauw daaraan verbonden is; en niet minder op de welwillende befcherming van Z. M. onzen Koning, die reeds zoo menig blijk gegeven heeft, hoe gaarne Hoogstdezelve bijdraagt tot alles, wat gefchikt is, cm het lijden der behoeftige menschheid te verzachten, en de bronnen van onze welvaart uit te breiden. — . Thans zou elke uitweiding daaromtrent voorbarig zijn; echter zullen de gepaste middelen en wegen daartoe den denkenden Lezer geenszins ontflipt zijn.
Ook aan onze Zuidelijke broeders behooren wij de behulpzame hand te bieden, om, indien het ontwerp hunne goedkeuring wegdraagt, hetzelve ook in dat gedeelte des Rijks te verwezenlijken. — Mijn oogmerk is, daartoe eerlang een ontwerp aan het verlicht oordeel mijner Landgenooten voor te dragen. Thans durve ik aan deze Verhandeling geene meerdere uitbreiding geven, opdat ook nog eenige plaats voor de overige rubrieken van da Tijdfchrift gefpaard blijve.
Pagina 88. Berigten uit de kolonie Frederiks-oord[bewerken | brontekst bewerken]
Uit eenen brief van den Wel-Eerw. Heer R. DE KEMPER, Predikant te Fledder, gedagteekend 5 Januarij II. aan den tweeden Adsessor der Kommisfie van Weldadigheid, is ons vergund, het volgende berigt, aangaande den Godsdienstigen staat der Kolonie, in dit Tijdschrift te plaatsen,
'Na het houden mijner eerste Leerrede ten dienste der Ingezetenen van Frederiks-oord, ontving ik van één' hunner, genaamd C. VISSER, eenen brief, welks inhoud mij niet dan aangenaam konde zijn. Dezelve bevattede zijne vreugde-betuigingen over de geschonkene gelegenheid tot het uitoefenen van den openbaren Godsdienst, en over de gelukkige verbetering zijner uitwendige omstandigheden; waarbij tevens zulke gevoelens worden aan den dag gelegd, die den schrijver tot eer verstrekken, en welker uitdrukking altoos een gunstig denkbeeld wegens hem moet inboezemen.'
'Met blijdfchap hoorende, dat het den Kolonisten een groot genoegen was, zoo nabij aan eene plaats te
(pagina 89)
wonen, waar zij den openbaren Godsdienst bijwonen kunnen, heb ik gaarne, te hunnen gevalle, van Zondag tot Zondag, 's namiddags, opzettelijk voor hen gepredikt, hoewel ik anders, wegens het moeijelijke eener dubbele preek op denzelfden dag in een zoo klein en dompig vertrek, als onze Schooi is, reeds iedert eenigen tijd slechts éénmaal predikte (*).
Ik zal intusschen mij dit moeijelijke blijven getroosten, en hun zoo veel gelegenheid geven ter bijwoning van a°n openbaren Godsdienst, als zonder benadeeling van mine overige gemeente immer geschieden kan; daar ik zulks voor hunne godsdienftige en zedelijke belangen nuttig oorieel niet alleen, maar ook tot mijne blijdschap mag vernemen, dat de Godsdienst met toenemende aandacht door hen wordt bijgewoond.'
'Door gebrek aan de noodige Kerkboeken, werden vele hunner verhinderd deel te nemen aan het openbaar godsdienstig gezang. Doch in dit gebrek is aanvankelijk voorzien, terwijl ik op de verdere vervulling daarvan durve hopen. Voor eenigen tijd ontving ik van den Heere A... eenige Bijbels en N. Testamenten met de Psalmen, uitgegeven door het Nederlandsen- Bijbelgenootfchap. Daardoor werd ik in de aangename gelegenheid gefield, om aan den wensen van eenigen reeds dadelijk te voldoen, en dezen te verheugen. Het was mij voorts een innig genoegen, te vernemen, dat deze menfchen niet zonder aandoening het beste der boeken ontvingen, en de redenen aanhoorden, die ik bij de tiitdceling daarvan
(*) De Kerk te Fledder is thans onbruikbaar; men hoopt echter, die spoedig hersteld te zien.
(pagina 90)
Tan tot hen fprak. Zij hebben mij verzocht, hmine dankbetuigingen daarvoor aan hunne weldoeners over te brengen."
‘‘ Bij gelegenheid der voorhanden zijnde bediening van het ft. Avondmaal. heb ik met ée'nen van de Ouderlingen der Gemeente ook in Frederiks-oord de huisbezoeking gedaan. Wij werden door allen op eene minzame vvij^e ontvangen, en zijn ten dezen volkomen over hen tevreden. De vermaningen en opwekkingen, die ik deei, werden in dank aangenomen. — Eenige ïed&naftri, tot ons Kerkgenootfchap behoorende, leverden de getuigfehriften van hun Kerkelijk LiJmaatfchap &, cn hebben met de Gemeente te dezer plaats het H. Avondmaal gebruikt. Andere, die de gemelde atteftatièn nog niet in handen hadden, zullen om dezelve vragen. Onder degenen, die nog geene belijdenis des geloofs hadden gedaan, deden er zich verfcheidene oP, die daartoe lust hadden, en naar de Katechifatiën verlangden. . Den Lutherfchen onder de inwoners van Frederiks-oord heb ik onderrigt van het belluit, den 16 Juüj 1817 door het Algemeene Synode genomen, betrekkelijk het toelaten van leden der andere Proteftantfche Kerkgenootichappen aan het Avondmaal in de Hervormde Gemeenten. Zij wilden dan ook om een bewijs van hun Lidmaatfchap bij hun Kerkgenootfchap vragen, en hetzelve aan mij behandigen, ten einde met de Gemeente
alhier het Avondmaal te gebruiken. Ook verlangden
zij hunne kinderen om godsdienftig onderwijs bij mij te zenden, hetwelk ik met genoegen van hen hoorde."
‘‘ Het doet mij leed, tot hiertoe de Katechifatiën ten dien're der Kolonisten nog niet te hebben kunnen beginnen; te meer, daar ik met blijdfehap verneem, dat
(pagina 91)
mén z-2cv naar dezelve verlangt. Dit uitf£el wordt veroorzaakt door gebrek aan exemplaren van het leerboekje, dat, volgens Klaslikaaf gebruik, onder het rei» fort dezer Elasfis, bij het 'geven van godsdienftig onderwijs , zoo door Predikanten als anderen, moet gebruikt worden. Reeds voor 4 weken zijn die ontboden, doch men was bezig met eenen herdruk; terwijl derzelver overzending daarna ongetwijfeld door het befloten water verhinderd is geworden."
‘‘ Gelijk ik meermalen, iemand uit Frederiks-oord ontmoetende, navraagde, hoe het dezen aldaar beviel, zoo heb ik, bij gelegenheid van het huisbezoek, meer algemeen daarnaar onderzocht. Men was, over het geheel , zeer tevrede , en achtte zich gelukkig in zijnen tegenwoordigen ftand. — Aan den anderen kant heb ik, tot hiertoe, nog niets ten nadeele der ingezetenen van de Kolonie gehoord, hetgeen een bewijs is voor derzelver goed gedrag. — Ook de Schoolonderwijzer is over het gedrag der leerlingen voldaan, en doet bij hen zijn werk met genoegen; terwijl ik van zijne pogingen den besten uitflag verwachte, daar zijn onvermoeide lust cn ijver in het onderwijzen onzer Schooljeugd, en om aan dezelve nuttig te zijn, mij ten volle bekend is."
(Is geteckend)
R. DE KEMPER,
Ook voor het godsdienftig onderwijs der Rootnfche Kolonisten en hunner kinderen wordt op de beste wijze door den Eerw. Heer muller , R.. K. Priester en Pastoor te Steemvijky gezorgd; zullende eerlang ook de
(pagina 92)
Israëïitifche jeugd gelegenheid hebben, om door den Joodjehen Leera'ar te Steemvijk onderwijs in hunnen vaderlijken Godsdienst te ontvangen.
Voorts heeft de Heer Direkteur de beste fchikkingen gemaakt, dat de Israëïitifche Kolonisten volkomen aan de rites van hunnen Godsdienst, zoo in fpijs- als kleederbereiding, kunnen voldoen.
Den 8 November reeds, weinige dagen na deszelfs aankomst in de Kolonie, overleed de Kolonist j. r. stellinga , van Stavoren. Hij was in eenen ziekeliiken, verzwakten ftaat aangekomen, na, vóór zijn vertrek, zijne huisvrouw door den dood verloren te hebben. — De beste medicinale hulp van den kundigen Steemvijkfchen, Geneesheer schuurman was, bij zijn geheel ondermijnd geftel, vruchteloos. — Zijn lijk is op'het kerkhof te Vledcler met den behoorlijken toeftel begraven geworden, en zijne kinderen zijn bij andere huisgezinnen ingedeeld.
Daar in de maand December de kinderziekte zich in de nabijheid der Kolonie ontdekte , werd , op aanbod van Dr. schuurman , om de onïngeënte kinderen der Kolonisten ' gratis te vaccineren, zulks ten aanzien van onderfcheklene huisgezinnen met het beste gevolg verrigt. Voor diegenen, welke daartegen nog eenig vooroordeel koesterden , was een befluit der Permanente Komviisjile, om aan alle ongevaccineerden het onderwijs cn den arbeid in de koloniale Scholen te ontzeggen, ge-
(pagina 93)
noëgzaatn, om hen tot deze heilvolle kunstbewerking hunner kinderen te doen overgaan.
Den 3 December beviel de huisvrouw van h. metz van eene dochter, en den 18 die vanj. bosch van eenen zoon ; welke beide kinderen daarop des zondags den 2öften te Vlcdder den H. Doop ontvangen hebben. — Aan de beide huisgezinnen zijn, bij die gelegenheid, zoodanige verzorgingen toegevoegd, als de omftandigheden vorderden.
Bij gelegenheid van het Kersfeest is, met voorkennis der Permanente Kommisfie, aan een twintigtal der meest oppasfende Kolonisten verlof gegeven en een reispas verleend, om voor eenige dagen hunne familiën of vorige woonplaatfen te bezoeken.
In het laatst van December is de School der Kolonie door den verdienfielijken Schoolonderwijzer van Vlcdder , j. ii. van wolda, georganifeerd geworden, met dat gevolg, dat, hoe ruim het lokaal ook is, hij de leerlingen in twee afzonderlijk onderwezene klasfen heeft moeten fchiften, wijl hetzelve de menigte van kinderen niet op ééns bevatten kan.— De avondfchool, inzonderheid, wordt zeer druk bezocht.
Op Nieuwjaars-avond had de Direkteur, met voorkennis der Permanente Kommisfie, den Kolonisten een feest
(pagina 94)
bereid. De Spinzaal was in de beste orde, gedeeltelijk met groene takken, vcrfierd, en met meer dan 30 kaarfen verlicht. Tegen 7 ure '3 avonds hadden zich voor den ingang wel 300 Kolonisten van allerlei fekfe en ouderdom verzameld. Ook hadden vele omwonende landlieden verzocht, aanfchouwers van het feest te mogen zijn. Langs de muren waren rondom de banken uit de School geplaatst. Op twee lange tafels, midden in dc zaal, lagen lange pijpen en tabak. De Muzijk deed zich van tijd tot tijd hooren. Eindelijk, alles gereed zijnde, trokken de Kolonisten, al zingende, op den aanhef van het Wilhelmus van Nasfoinven door de Muzijkanten, naar binnen. — De geheele avond is in ongeftoorde vrolijkheid, in de beste harmonie en geregeldfte orde doorgebragt. De vrolijke dans werd vooral niet vergeten. Eene fatfoenlijke familie van Vlcclder heeft, benevens vele andere landbewoners, het feest met hun bijzijn vereerd. De vreugde dezer dankbare en gelukkige menfchen was inderdaad de ongehuicheldfte, de ftreelendfte belooning van de milde zorg hunner weldoeners. — Men heeft de feestelingen op i§ ton bier, hetwelk men, met een weinig brandewijn en firoop, er bij, heet gemaakt had, vergast. Verders werden zij op krentebrood en befchuit onthaald. — Ten 11 ure is de partij , met volkomene voldaanheid van allen kant, geëindigd.
De weduwe ritmond , van Vlisftngen, en een bij haar ingelegerd jongman van ra jaren, aan de Permanente Kommisfie verzocht hebbende, zich in het hu* welijk te mogen begeven, is zulks hun toegeftaan, mits
(pagina 95)
ffiptelijk zich gedragende naar de burgerlijke en kerkelijke wetten, in dit Rijk en' bij hun Godsdienftig Genootfchap, op het ft.uk van den echt vigerende, én daarvan aan den Heer Direkteur behoorlijk doende blijken.
De Direkteur is over het geheel zeer tevrede qver de arbeidzaamheid, ondergefchiktheid, en het zedelijk ge-,,, drag der Kolonisten; en dien ten gevolge, over de goede keuze van ver de meeste Subkommisfiën in het ckfignéren der huisgezinnen voor de Koloniën. Hierop zijn slechts weinige uitzonderingen. Enkele huisgezinnen munten zelfs uit in gefchiktheid en vlijt.
Twee der kundigfte en gefchiktfte Huisvaders zijn tot mccte-Qnderopzicners bevorderd geworden.
CDU Artikel wordt vervolgd).