Maandblad de Star van februari 1825 over de Belgische kolonies
Sjabloon:Maandblad de Star over de Belgische kolonies
Pagina 141. Staat der Koloniën van de Zuidelijke Maatschappij van Weldadigheid, in Augustus 1824[bewerken | brontekst bewerken]
(Uit den PHILANTROPE, 1824, 6o Livraison.)
De voortgang des Landbouws beantwoordt volkomen aan de verwachting. Daar onderscheidene omliggende Gemeenten in hare granen zeer geleden hebben wegens de koude en droogte van het voorjaar, heeft de Kolonie gelukkig in dit onheil niet gedeeld, en het schoone weder, daarop gevolgd, heeft de graangewassen over het geheel zulk eene ontwikkeling gegeven, dat zij zich te
(pagina 142)
dien aanzien met de beste oude landen meten kan, en die zelfs gedeeltelijk overtreft. --- Dit wordt ten volle bevestigd door eenen brief van den Heer Direkteur, van den 14 Julij, die zulks in bijzonderheden opgeeft; berigtende tevens, dat vele vreemdelingen de Kolonie bezocht hadden, en daaronder ook Hollanders, die desgelijks aan Frederiksoord een bezoek hadden gegeven, en die niet minder van het Zuidelijk dan van het Noordelijk Etablissement voldaan waren. De Prins heeft wederom een zeer deelnemend en vruchtbaar bezoek aan al de Koloniën gegeven.
In weerwil van Hoogstdeszelfs aanmoediging aan de aannemers, en van alle inspanning, om aan dezelve te voldoen, heeft men het hoofdgebouw voor 1000 bedelaars te Rijckevorsel tegen Oktober 1824 nog niet kunnen voltooijen, ter ontvangst van dezelven. Deze vertraging is voornamelijk veroorzaakt door de aanhoudende regens, en al ware het gebouw gereed geweest, zou de huisvesting der bedelaars in een zoo nieuw getimmerd verblijf hen aan ziekten hebben blootgesteld. De opzending der bedelaars is derhalve door den Minister van Binnenlandsche zaken verschoven tot het voorjaar 1825.
Voor 2½ jaren was de bodem der Kolonie een dorre heidegrond, nimmer door menschenhanden bearbeid. Deszelfs dorheid en gebrek aan mest schenen alle pogingen ter ontginning te moeten doen mislukken. Op dezen bodem zijn thans reeds 125 kleine en geschikte hoeven aangelegd, ieder voor 8 of 10 hoofden, Zij zijn op gelijke afstanden geplaatst op rijen, die zich kruisen, en straten schijnen te vormen, met opgaand boomgewas beplant. Bij elke hoeve zijn gevoegd 3½ bunders land.
(pagina 143)
De voortgezette ontginning van dezen grond, nevens den algemeenen veldarbeid en den fabrijkarbeid, is voldoende tot onderhoud der gezinnen, en ter afdoening hunner bij aankomst door voorschot gemaakte schulden.
De grootte moeijelijkheid die te overwinnen was, bestond in het gebrek aan meststoffen. 1500 schapen, de kalk en de heideplaggen zelve, hebben dit gebrek vervuld. Reeds is die behoefte minder bij de Kolonisten die ééne koe hebben; bekomen zij eene tweede, dan houdt dezelve geheel op; dit voordeel genieten reeds eenige, en allen zullen het genieten, zoodra zij voedering genoeg kunnen maken; alles doet hopen, dat in 1825, 60 huisgezinnen het genot daarvan zullen hebben.
De gezondheidsstaat der Kolonisten is naar wensch. Eene gevreesde smetziekte onder de schapen van Wortel heeft geene voortgangen gemaakt, of liever, de Koloniale kudde niet aangetast. Welligt is dit de vrucht van het inperken der schapen, zoolang het saizoen zulks toelaat; indien deze behandeling de wol niet verbetert, vermeerdert zij ten minste de natuurlijke kracht van het beest.
De zedelijke toestand der Kolonisten verbetert zich kennelijk. Een bijzonder pastoor, behoorlijk, ten deele door Z. M. en ten deele door de Kommissie bezoldigd, gaat voort, het bij deze lieden zoo zeer verwaarloosd godsdienstig onderwijs hun toe te dienen. De pastoor, zoowel als de schoolonderwijzer, zijn voldaan over hunne vorderingen, ieder in deszelfs eigen vak. --- De orde en zedelijkheid in de huisgezinnen was bijzonder aanbevolen, en wordt gewillig behartigd ; de arbeid wordt met volgbaarheid volbragt.
(pagina 144)
Een zeker Kolonist REKKINGER, van Brussel, is uit de Koloniën verwijderd geworden, dewijl hij, in spijt der algemeene tevredenheid van de Kolonisten met hun lot, niet alleen de nietigste en weerbarstigste klagten heeft aangeheven, maar ook door zijn in vele opzigten berispelijk gedrag een gevaarlijk voorbeeld in de Kolonie gaf. Hij was door den Heer Direkteur menigmalen vruchteloos ten goede vermaand, maar poogde zijne oproerige beginselen uit te breiden, en had reeds zijne vrouw en eenige zijner kinderen overgehaald, om de Kolonie te verlaten. Zij verlieten de Kolonie, alle Koloniale kleeding medenemende, onaangezien die nog niet' betaald was. De Korrektionele Regtbank te Brussel heeft hem wegens dezen diefstal in eene boete van 14 guldens verwezen; welk vonnis in de Kolonie is bekend gemaakt, ter waarschuwing voor anderen.
Op de heiden van Merxplas en Rijckevorsel, ½ uur van de Kolonie Wortel af, staat reeds een uitgestrekt gebouw. bestemd ter huisvesting en lotverbetering van 1000 bedelaars, van allerlei ouderdom en geslacht. Het is aangenomen geweest voor ƒ 78,600.00, buiten nog een huis voor den Onder-Direkteur, en eenige andere benoodigde gebouwen. Men zal daarvan in een der volgende Nommers van den Philanthrope eene gesteendrukte afbeelding geven.
Rondom dit gebouw is de ontginning onder de beste voorbeduidselen aangevangen van 500 bunders land. Hier op zullen tien of twaalf groote hoeven gevestigd worden. Een daarvan, tot model geschikt, heeft ruim ƒ 2534.00 gekost, en drie andere zijn aanbesteed voor ƒ 7500.00. Deze hoeven werden van huisraad en de noodige gereed-
(pagina 145)
schappen voorzien; bij elke worden twee paarden, de noodige schapen, en 16 koeijen gevoegd; gelijk dit tot vermeerdering van mest noodig is, zoo moet het getal van vee in het begin naar den voorraad van voedering getemperd geworden.
Bijzondere landbouwers, bij voorkeus uit de kundigste en verdienstelijkste Kolonisten zelve genomen zullen over de bebouwing dezer groote hoeven gesteld worden, en arbeiden onder het bestuur van eenen Onder-Direkteur; zij beschikken over een toereikend getal bedelaars, met welken rekening gehouden wordt, zoo wel voor den veldarbeid, als voor de handwerken, bij mangel daarvan hun uit het dépôt verschaft, en bestemd, deels tot hun onderhoud, deels ter bewaring voor hen in de spaarbank, deels tot andere, reeds onzen Lezeren bekende einden.
Om deze schadelijke wezens tot nuttige burgers der schappij te vormen, zal er in de eerste plaats voor hunne godsdienstige en zedelijke opleiding gezorgd worden.
Reeds is de Permanente Kommissie bedacht geweest, om dit Etablissement te voorzien van de noodige meubelen, gereedschappen en kleedingstukken. Verzekerd, dat de meubelen en werktuigen op de plaats zelve het goedkoopst konden worden aangemaakt, en tevens vele transport-kosten op die wijze vermeden, heeft men deze wijze gekozen, en was in Augustus 1824 reeds bezig met de uitvoering van dit plan.
Wat de kleederen en het linnen betreft, kan men in de groote steden veel beter en goedkooper te regt komen, zoo door de nabijheid en menigte der manufakturen als door de konkurrentie der spekulateurs in alle
(pagina 146)
vakken. Men zoude dus de levering dier kleedingstukken, en wat er toe behoort, in het openbaar te Brussel aanbesteden, volgens daartoe voor te leggen, modellen.
Weldra mag men meer uitvoerige berigten wegens de werkzaamheden der Permanente Kommislie te gemoet zien.
[Wij hebben dit berigt te liever in zijne bijzonderheden overgenomen, om te doen zien, hoe juist en naauwkeurig (plaatselijke afwijkingen uitgezonderd) de zuidelijke Maatschappij in alles het voetspoor der noordelijke volgt, en hoe zeer dus de doelmatigheid der maatregelen van de eerste, door de laatste bekrachtigd wordt. DE RED. ]