Maandblad Vriend des Vaderlands van november 1827 over de Belgische kolonies

Uit KolonieWiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De pdf van dit nummer staat hier op delpher.nl


Sjabloon:Maandblad Vriend des Vaderlands over de Belgische kolonies

Pagina 868. Le Philanthrope, recueil publié par ordre de la Com mission. Permanente de la Société de Biensaisance, ' établie dans les Provinces Méridionales du Royaume des Pays Bas. Vme Année. 5e Liyraison. Bruxelles, chez, weISSENBRUCH. Juin 1827.[bewerken | brontekst bewerken]

Zoo beknopt mogelijk willen wij de lezers van de Vriend bekend maken met den inhoud der berigten nopens de Zuidelijke volkplantingen nabij Wortel, Merks plas en Rijkevorsel in de Provincie Antwerpen, geplaatst in bovenstaande nummers van de Philanthrope.

Over den staat der Koloniën gedurende de maand Mei 1827.[bewerken | brontekst bewerken]

Drie dagen van elke week waren de Kolonisten bezig met het poten van aardappelen, en wel eerst in deze maand, omdat het werk dit jaar vertraagd was gewor den door de vochtigheid van den grond; bij het poten is de grootst mogelijke zorgvuldigheid in acht ge nomen. Gedurende de drie andere werkdagen der week, zijn de Kolonisten gebezigd tot het oñtginnen der gronden in de Kolonie tot wering der bedelarij. De hoeveelheid der, met aardappelen beplante, bunders zal nader opgegeven worden. De boomen langs de wegen der Koloniën, van welke laatste een uur lang is, vertoonen een grooten was dom, en beloven in de toekomst belangrijke voordeelen aan de Maatschappij. De tuinen, die zich in de nabij heid der hoeven bevinden, welke door de vrtje Kolonisten bewoond zijn, verschassen een fraai gezigt, door de ver scheidenheid der bloemen en groenten. Een bezoek, in het fraaije jaargetijde aan de Koloniën gegeven, zoude strekken, om door eigen oogen overtuigd te worden van het nut en het welgelukken der ondernemingen van de Maatsch. y. Weld. Men zoude er zien, dat de groote uitgestrektheid woeste gronden, welke er nog in de Pro vincie Antwerpen gevonden wordt, zeer goed kan ont gonnen worden; dat de arbeid der kolonisten de hoeveel heid levensmiddelen reeds zeer vermeerderd heeft, en dat, dien ten gevolge, hetgeen zij verteren niet het minste ontneemt aan het deel van de overige bewoners van het koningrijk. De Maatsch. heeft weder 2 huisgezinnen in hare vrije Koloniën opgenomen, te weten :: het huisgezin van n. J. CONEM, bestaande uit man, vrouw en 2 kinderen, voor gedragen door de Sub-Komm, van Doornik, en toegela ten uit hoosde van de aanzienlijke opbrengst der bijdra gen, door gemelde Komm. ingezameld, en het huisgezin van JAN DE WAELE, (man, vrouw en 5 kinderen) in de Koloniën geplaatst door den Burggraas DE NIEULANT, van Brugge, ersgenaam des Heeren J. DE L’espée van dezelsde stad, die in November, 1823, aan de Maatsch. y. Weld, in de Zuidel. Proy., een geschenk gaf van tien duizend guldens; de Maatschappij schonk tot erkentenis zoo edele weldaad aan den ersgenaam van de zen waardigen menschenvriend de altijddurende beschik king over zes hoeven. De kolonisten genieten eene volmaakte gezondheid, en hun gedrag was, op eenige kleine ongeregeldheden na, over het algemeen loswaardig. Er was a kind geboren en 1 persoon gestorven.

Over do bedelaars-kolonie in Mei 1827.[bewerken | brontekst bewerken]

Het gedrag der bedelaars en de ijver der ambtenaren verdienen allen los. Ongeveer 50 bunders zijn met aardappelen beplant geworden, zoodar de Maatsch. eene belangrijke som hoopt te ontvangen voor het deel van die vruchten, hetwelk, meer dan voor de behoesten zijnde, kan verkocht wor den. Het winterkoren beloost tot nu toe veel. De proeven, genomen met de teelt van koolzaad, tary en ylas, beloven ook eenen goeden uitslag, en zulks niettegenstaande de beide eerste gewassen veel te lijden hebben gehad van de strengheid des winters. Ook heeft men op eenige bunders haver, op andere erwten gezaaid, welke goed schijnen te gelukken. De klaver en ander groen voeder is zeer overvloedig in deze kolonie, en voorziet naar behooren in het voed sel der koeijen en paarden, welke zich daar bevinden. Eenige kleine stukjes lands zijn gebezigd tot het be proeven der teelt van wikken, luzerne en sainsoin os soin de Bourgogne; wij zullen de uitkomsten dezer proeven doen kennen. Men ziet dus, dat de Maatschappij hare werkzaamhe den niet op eenige weinige bunders uitoesent, maar op eenė uitgestrektheid lands, die zoo ver loopt, als het gezigt reiken kan, Vele vreemdelingen zijn, gedurende dit jaar, de stich tingen reeds komen bezoeken; onder deze de Graas DE MANTEUSEL, Senator van het Russische Rijk. De beste orde heerscht steeds in het Gesticht, werwaarts de bedelaars op de uren der maaltijden en van de rust zich begeven; zij, die zich niet volgens de gegevene be velen gedragen, worden steeds gestrast; want alleen door eene wel onderhoudene tucht kan men instaan voor het tegenovergestelde gewoonten hadden. Ilet volgende voorbeeld zou nog meer dan redene ringen bewijzen, dat eenige, zich in het Gesticht bevin dende, bedelaars er niet ongelukkig meenen te zijn. Bij de overeenkomst, tusschen 's lands regering en de Perm, Komm., wegens duizend bedelaars gesloten, is bepaald, dar jaarlijks aan den Administrateur voor het Armye zen eene lijst zoude aangeboden worden der personen, die zich gedurende een jaar in het Gesticht bevonden, en, na gedurende dien tijd bewijzen van goed gedrag gegeven te hebben, eene som van s. 25 overgewonnen hadden, ten einde hun ontslag uit het Gesticht, en dus hunne in vrij heidstelling te bekomen. Zoude men zich kunnen ver beelden, dat, toen men aan de personen, die op deze lijst opgeteekend waren, kennis gaf van de voordragt, die ten hunnen voordeele gedaan was, ' twee den Heer In specteur kwamen vragen, om in het Gesticht te mogen blijven, en wel, de een gedurende een jaar, en de ander gedurende drie maanden ? bij zulke daadzaken meenen wij ons geregtigd om te zeggen, dat, indien de bede laars zich in het Gesticht, ongelukkig bevonden, zulke aanzoeken niet aan den Heer Inspecteur der Koloniën zouden gedaan worden ! De Perm. Komm, heeft gemel de naamlijst, bevattende 69 personen, aan den Admin, yoor het Armwezen overgeleverd, en verwacht het be sluit, hetwelk omtrent hun lot zal genomen worden. Van 1 April tot en met 31 Mei, zijn er 22 bedelaars in het Gesticht overleden en 9 weggeloopen, zoodat er zich op 31 Mei 1. 1., 955 bedelaars en bedelaressen al daar bevonden.

De Perm. Komm. der Maatsch. yan Weld. in de Zuid. Prov. des Rijks, zich altijd beijverende, om ge legenheid te vinden ter betooning haror dankbaarheid. aan ben, mer sjver en werkzaamheden hare pogingen ondersteunen, meent deze hare gevoelens niet beter aan den dag te kunnen leggen, dan door uittreksels bekend te maken van de verslagen, welke door die achtenswaar dige personen gedaan zijn. Het volgende is een uittreksel van het verslag, gedaan in de zitting van den Provincialen raad van toezigt der Subkommissiēn yan Weldadigheid in Henegouwen, op den 31 Maart 1827 door den Heer AUG. SCARSEZ, lid van dien raad en tijdelijk de werkzaamheden van Se cretaris vervullende. De openbaarmaking van het uittreksel van dit verslag zal terzelsder tijd, op eene onwraakbare wijze, de leven dige belangstelling aantoonen, welke die raad van toe zigt stelt in het goed slagen der koloniën van Maatsch. van Weld.; hetzelve zal de beweegredenen in het geheugen terug roepen, welke aanleiding hebben gegeven tot de daarstelling der provinciale raden yan tvezigt, en zal eindelijk de voordeelige uitslagen beter op prijs doen stellen, welke zij te weeg brengen, wan neer de leden dier raden zich met een weinig ijver en standvastigheid op hunne werkzaamheden toeleggen.

Mijne Heeren!

Overeenkomstig de verordeningen yoor den raad yan toezigt der provincie, art. 6, heb ik de eer van aan uw onderzoek en uwe goedkeuring aan te bieden het al gemeen verslag van al de werkzaamheden van den raad, sedert deszelfs daarstelling. Om mijnen arbeid minder onvolmaakt te maken, en met meer regelmatigheid voort te gaan meen ik u de beweegredenen te moeten openleggen, die in iedere der Zuid. Prov. eenen raad yan toezigt der subkommissiën yan Weld. deden daarstellen. Voor deze instelling hielden de iredelijke en kantonnale subkomm. eenè dadelijke briefwisseling met eene Perm. Komm, belast met de uitvoering der maatregelen, door het bestuur verordend, en vertegenwoordigende de Hoosd komm., aan welke het algemeen bestuur der Maatschai yan Weld. is toevertrouwd; deze briefwisseling gaf aan leiding tot onregelmatigheden in de invordering der gel den, en tot een aantal zwarigheden ( van hoe weinig bea Jang dezelve ook waren ), welke : hare handelingen, en : voornamelijk die der kantons- subkommissiën, medebragten. Haar penningmeester, verpligt om zijne stortingen te schikken naarmate van het inkomen der contributiën en gisten, kon dezelve niet anders in de kas der Hoosd storten, dan gedeeltelijk en naarmate de gelden inkwamen. De aard dier betrekkingen moest den arbeid der Perm. Komm. Zamengesteld' maken, en er de kleinig heden van vermeerderen. De aanneming van eene meer eenvoudige wijze van handelen was noodzakelijk gewor. den. De daarstelling, in iedere Provincie, van een middel ligchaam, waarmede de subkommissiën dezelsde betrekkin gen zouden hebben, welke zij tot dusverre met de Perm. Komm. hadden gehad, scheen de beste instelling en het meest overeenkomstig met de inzigten der Maatschappij; de Hoosd -komm. vormde, in overeenstemming met de Gouverneurs, en onder hún voorzitterschap : provinciale raden yan toezigt. Deze nieuwe instelling beantwoordde aan de verwach ting van het Bestuur; bewerkte merkbare verbeteringen in den gang der zaken, en gaf aan dezelve eene gepaste beweging en snelheid. Het werk der Kommissie werd eenvoudiger, de dienst regelmatiger en gemakkelijker, en de ontvangsten bragten meer op. De Raad van toezigt in Henegouwen, sedert het aan vaarden zijner werkzaamheden, doordrongen van het oog. merk zijner instelling, rigtte zijne zorgen en pogingen naar al, wat hetzelve kon doen bereiken, en, om het wel gelukken van zijne eerste werkzaamheden te verzekeren, was het noodig, om dadelijk met de H. H. Disstrikts kommissarissen eene meer werkzame briefwisseling te openen1 (*). De ijver, waarmede zij zich leenden, om ons nuttig te zijn, hunne zorgen, om de gevraagde inlichtingen te ver zamelen, en hunne vlijt, om ons dezelve te doen toe. komen, deden duidelijk hunne goede geneigdheid blijken, om onze pogingen te ondersteunen. De raad gevoelde ook de noodzakelijkheid, om al gemeene brieven te zenden aan de gemeente- besturen, aan de verschillende geestelijken, aan de regterlijke magt aan bijzondere ambtelooze personen, ten einde hen uit te noodigen, om, volgens den aard hunner werk zaamheden en den graad van invloed, welken zij beza ten, alle middelen van oyertuiging te gebruiken, welke geschikt waren, om krachtdadig de ondernemingen der Maatsch. van Weld. te begunstigen. Deze eerste stappen hadden de gelukkigste uitwerkin gen, zij bragten een aantal personen, wier koele onver. schilligheid zoo nadeelig was voor de ontwikkeling van werkzaamheden in onze landbouwende koloniën, meer menschlievende gezindheden, en meer overeenstem. mende met den geest der Maatschappij. Door hen te on derrigten in het ware doel dezer weldadige vereeniging, wekten zij hen op uit hunne slaperigheid, vermeerder de merkelijk het getal leden, en vermenigvuldigden de bijzondere gisten. Alles eindelijk scheen zamen te loopen, om onze hoop en onze wenschen voor den voorspoed der koloniale instellingen te verwezenlijken. De goede uitslag onzer eerste werkzaamheden strekte zich, ongelukkig, niet over alle punten der provincie uit, gelijk wij hoop hadden gehad van te mogen verwachten. Onze ijver en onze middelen van overtuiging waren in eenige Kantons zonder uitwerking gebleven, en, het zij gebrek aan wil, hetzij onvolledigheid van middelen, het zij eindelijk het uitwerksel van geheime tegenwerking, de daarstelling van subkommissiën bood aldaar bijna on overkomelijke hinderpalen aan, en echter was de 'nood zakelijkheid, om in dezen staat van zaken te voorzien, even dringend als oomisbaar. Wij hadden nog een an der kwaad, dat niet minder noodlottig was, te betreu sen : een groot getal leden, behoorende tot de welge goedste en zelfs tot de, door het geluk meest begunstigde klasse der maatschappij, verzocht, sedert lang, hunne uitschrapping van de lijsten van inschrijving. Deze onbe grijpelijke asval, voor welken het moeijelijk zoude ge weest zijn eene geldende reden, en zelfs het meest ge zochte voorwendsel te vinden, konde noodlottige gevol gen hebben. Men moest middelen beramen, om, 200 spoedig mogelijk, den indruk tegen te gaan, welken een zog verderselijk voorbeeld aan andere leden zoude kunnen ge ven. Wij waren niet lang zonder te bemerken, dat deze asval op sommige plaatsen onstond door het niet daar zijn van subkomm., en op de meeste van die, waar dezelve be stonden, door derzelver gebrekkige os onvolmaakte daar stelling, os door hare volstrekte nietigheid. Om het kwaad in deszelfs wortel uit te roeijen, moest eerst subkommissiën daarstellen in de Kantons, waar dezelve tot dus verre niet bestaan hadden, en het personeel van diegenen veranderen veranderen,, aan aan welke men ongevoelige werkeloosheid te verwijten had. Om dę menschlievende inzigten der Maatschappij te zekerder te yerbreiden moest men het getal der subkommissiền, alsmede derzelver personeel, vermeerderen. Ten einde deze verschillende werkzaamheden nuttig uit te voeren werden de H. H. Commissarissen des Konings uitgenoo. digd, om in hunne verschillende Districten eene keus te doen van personen, geschikt, om werkdadig de plannen van den provincialen raad te ondersteunen; om lijsten op te maken en aan ons toe te zenden van hen, die zij het meest geschikt zouden oordeelen, om, door hun vertrouwen, hunne bezittingen en hunne maatschappe lijke betrekkingen, den meest heilzamen, en voor de be langen der Maatschappij meest gunstigen, invloed uit te Desenen. De meeste dier H, H, maakten den grootst mo gelijken spoed met het zenden hunner lijsten van aan biedingen, door middel van welke wij de onvermijdelijk geoordeelde veranderingen in het personeel der sub -kom missiën konden maken; en daarstellen op de plaatsen, waar er nog geene bestonden, en dezelve, in de voor naamste steden der Provincie, verdubbelen. Eene korte uitlegging, die, naar mijn oordeel, niet zonder nut is, zal genoegzaam de beweegredenen uiteen zetten, welke, in het nieuwe stelsel van zamenstelling, de gemaakte veranderingen noodzakelijk hebben gemaakt. Geene subkommissiën in verschillende Kantons zijnde, was dit weinig overeenkomende met de handhaving en het behoud der Maatsch. yan Weld., en den voorspoe digen staat onzer koloniën; het behoorde tot onze werk zaamheden, om dezelve in den kortst mogelijken tijd daarvan te voorzien; ook werden er dadelijk overal daar gesteld, waar het belang der Maatsch. zulks scheen te vorderen2 Het aanwezen zoo wel van eene stedelijke subkommissie als van eene kantonnále, te gelijker tijd in 2 os 3 steden der provincie, was zoo voordeelig voor de Maatsch., dat er niet geaarzeld moest worden over de daarstelling van eene dubbele subkommissie in de voornaamste steden. De raad gevoelde er al het voordeel van, en stelde twee subkommissiën aan in de steden, waar deze dubbele in stelling doenlijk scheen (+). Vele beweegredenen waren oorzaak van de vermeerde ring van het personeel der subkommissiën. De inachtne ming van beleesdheid en de geest van vastheid leiden ons eenigzins de verpligting op, om, zoo veel mogelijk, het meerendeel te behouden der leden, die dezelve tot dus verre hadden uitgemaakt; deze maatregel van om zigtigheid en verschooning bespaarde ons de onaange naamheid van aszettingen, welke altijd verdrietig zijn, hoe gegrond ook; en de wijze van hervorming door het vermeerderen van het personeel, voegde bij het voordeel van geene klagt en geene ontevredenheid te veroorzaken, nog dat van de souten harer eerste instelling te verbete ren. Dit Dit stelsel van verbetering, waarmede het behoud en de versterking, der Maatsch. zoo naauw verbonden zijn, is het onderwerp van den provinc, raad. Inderdaad M. H. ! de subkommissiën, welker nut en aanbelang men zich niet kan ontveinzen, en die men te regt kan beschouwen als de ziel der Maatsch., zijn ons tot mag tigen steun, om ons te verzekeren van den uitslag van onzen ijver en van onze pogingen, en hare medewerking is voor ons onmisbaar, om met alle wenschelijke kracht dadigheid, de weldadige handelingen en menschlievende ondernemingen der Maatsch. te ondersteunen. Zoodanig is M. H. het stelsel van hervorming der ste delijke en kantonnale subkomm., hetwelk wij ten alge meenen nutte hebben aangenomen. De personen, waar uit zij nu bestaan, beloven ons de meest krachtige me dewerking, om onze koloniale instellingen te doen bloei jen, en verzekeren aan onze verdere werkzaamheden den gelukkigsten uitslag3 (*). Ik mecn u eenige aanmerkingen te moeten mededeelen over de weldaad van deze instellingen en over de onbe rekenbare zegeningen, welke de voorspoed der landbou, wende koloniën over de geheele uitgestrektheid van het Koningrijk moet verspreiden. De Maatsch. yan Weld, verbond hare ondernemingen (door landbouwende en vrije koloniën te stichten, waar behoestige huisgezinnen in aszonderlijke woningen wore den opgenomen, en door de bedelarij uit te roeijen ) zoowel aan het belang van den Staat, als aan dat der behoes tigen zelve. Wie zoude de talrijke voordeelen kunnen miskennen, welke ondernemingen aan een geheel land verzekeren, die tot éénig onderwerp hebben, het wel zijn van ongelukkige huisgezinnen en de uitroeijing van dien geesel der maatschappij, op eene wijze, even voor deelig voor den staat, als voor de bedelaars ? Inderdaad M. H., ondernemingen, bestuurd met het oogmerk om deze menigte van ongelukkigen te ontrukken aan de ellen de en aan het meest verlagende beders; om hunne armen nuttig aan te wenden, hen te gebruiken tot landelijk werk, hunne vervelende en lastige ledigheid te doen die nen tot het ontginnen en bebouwen van heiden, en hen aldus van uit den staat der meest wanhopige liederlijk heid te doen overgaan tot een vlijtig, werkzaam en godsdienstig leven, hetwelk, door hun eene toevlugt en schuilplaats aan te bieden, hen terugbrengt in de klasse van eerlijke burgers en in de maatschappij, die hen uit haren boezem had verstooten, ondernemingen, die, als door betoovering, uitgestrekte, woeste, ondankbare en door de natuur als verlatene gronden herscheppen in lagchen de velden, bedekt met overvloedige oogsten, kunnen onze aandacht niet genoeg tot zich trekken, en vorde ren de aanhouding onzer zorgen en onzer pogingen. Ik zal mij onthouden van in grootere bijzonderheden te treden over eene instelling, welker aanbelang niet in twijsel kan getrokken worden indien het mogelijk ware, dat, in weerwil van de menigte daadzaken, over welker echtheid geen twijsel bestaat, giji. nog niet ten volle overtuigd waart van de aanmerkelijke voordeelen welke onasscheidbaar zijn, van het welslagen dezer on dernemingen, zoude ik hierbij kunnen aanvoeren, het getuigenis der verschillende personen in onze provincie die zich op de plaatsen zelve verzekerd hebben van den waren staat van zaken, en der verslagen van de Perm. Komm. over den voorspoedigen toestand der kolonie van Wortel; deze versagen, in de Philanthrope opgenomen, boezemen een belang in, hetwelk onze geheele aandacht verdient; de betuiging van verscheidene ooggetuigen, ge voegd bij de gemelde stukken, biedt een blijk van waar heid aan en eenen overvloed van bewijsstukken, onge twijseld zeer geschikt, om de overtuiging van een ieder onzer te voltooijen. De Perm. Komm. heeft, op het verzoek van Z. H. E. G. den Gouverneur, onzen achtingwaar digen Voorzitter, om eene algemeene lijst te mogen ontvangen van de door de Subkommissiën van Henegou wen, sedert derzelver eerste daarstelling, gedane stortin de vervaardiging van dezen nuttigen arbeid gelast, en dezelve op den 24n dezer maand overgeleverd. Dic stuk, ter secretarie nedergelegd, geest den betrekkelijken staat op van de jaarlijksche ontvangsten'; door de enkele inzage van dit belangrijk stuk, zult gij, M. H. ! de Sub kommissiën opmerken, die het meest hebben bijgedra gen, om de inschrijvingen te vermenigvuldigen, en die gevolgelijk, zich het meeste regt hebben verworven op den dank van den Provincialen raad en van het be stuur. Gij zult er ook de uitwerking in bemerken van den wijzen en verlichten invloed van een' onzer achtens waardige ambtgenooten, den Heer DE PUYDT, Directeur der regten van in- en uitvoer, accijnsen en directe be lastingen, welke met zoo goeden uitslag den ijver der ambtenaren, die tot zijne directie behooren, aanspoort; zoodat dezelve alle den grootsten los verdienen. Gij zult er eindelijk al de achtereenvolgens door den raad yan toezigt verkregene verbeteringen in zien. Het is zeer aangenaam voor ons, om het getal leden der Maatschappij zoo aanmerkelijk te zien toenemen, daar hetzelve meer dan driedubbel is van hetgeen het was, vóór de daarstelling van den Provincialen raad. De toekomst biedt zich niet minder voldoende aan; want onze betrekkingen met de Subkomm. geven ons reden, om, voor de dienst van het loopende jaar, nog grootere ontvangsten te hopen; men is op het punt van een grooter getal quitantiën te zenden op de aanvraag der Penningmeesterf van eenige Subkommissiën; alles doét hopen dat dezelve geheel zullen gebruikt worden. Zoodanig is, M. H. ! de uitslag onzer werkzaamhe den, sedert wij ons ambt hebben aanvaard; de begin : selen van voorspoed en de steeds voortgaande verbete. ringen, welke ik u zoo 'even ontvouwd heb, moeten zich hoe langer zoo meer vermeerderen door de stand vastigheid onzer pogingen en de aanhoudendheid onzer zorgen. Om billijk te zijn moet ik ook de aandacht van den Raad vestigen op de H. H. distrikts -Kommissarissen, op de meeste der H. H. Burgemeesteren, Pastoors en Ka pellanen ( desseryants ), die door hunnen ijver en de wijsheid, waarmede zij van hunnen invloed gebruik hebben gemaakt, en de zaak der menschheid hebben om heisd, zich bij de Maatschappij verdienstelijk maakten; en indien eenige ambtenaren en geestelijken tot nog toe geen deel aan onze Maatschappij hebben genomen, willen wij liever gelooven, dat deze nalatigheid daarvan as hangt, dat zij nog niet genoegzaam doordrongen zijn van al de voordeelen, welke de voorspoed onzer land bouwende Koloniën ons verzekert; het is buiten twijsel, dat zij vroeger os later onze menschlievende pogingen zullen ondersteunen.

Bergen in Henegouwen, 31 Maart 1827.

AUG. SCARSEZ.

1

(*) De Provincie Henegouwen is, even als N. Braband, Luik, 0. en W. Naanderen en Zeeland, in Districten verdeeld, waarvan zij er 6 telt. Andere Provinciën hebben wederom andere verdeelingen in Arrondissementen, Kwartieren, enz., ande. re geheel geen. ( De Redactie. )

2

Ook voor onze Maatschappij ware het allerbelangrijkst, dat in elke plattelands - Geineente eene subkommissie daargesteld werde. Er bevinden zich in de Noord. Prov. 1106 gemeen ten, en slechts in naam 847 subkommissiën, hoewel er inder daad wezenlijk veel minder bestaan. De steden niet reke nende, zijn er immers zelfs in het geringste dorp wel 2 os 3 menschenvrienden te vinden, die gaarne jaarlijks de bijdrage van s 2.60 cents aan de Maatsch. 2. Weld, zouden willen gee ven, en ook hunne medeburgers hiertoe opwekken. Dat men dezulken dan tot leden van subkommissiën benoeme. (De Redactie).

3

( * ) Ook in onze Noordel. prov. zoude de vermeerdering van het personeel der subkomm., door bijvoeging tot dezelve van eenige erkende menschenvrienden, van invloed van het hoogste belang zijn. Ook dat de vergroote subkomm. alsdan om de 2 os 3 maanden, vasçe bijeenkomsten hadden, om de belan gen der Maatsch. van Weld, te bevorderen, (De Redactie. )

Le Philanthrofe. Août 1827.[bewerken | brontekst bewerken]

Berigten uit de koloniën over Junij 1827,[bewerken | brontekst bewerken]

De vrije kolonisten zijn voortgegaan met de voorbereidende werkzaamheden voor de bebouwing van nieuwe gronden; ook zijn zij, gedurende deze maand gebezigd , tot het maken van den noodigen turf voor het gebruik der verfchillende ftichtingen der Maatfchappij tegen den aanftaanden winter, zoodat de Heer Kapitein v. d. bosch niet verlegen is geweest, om zoo aan de vrije kolonisten als aan de bedelaars arbeid te bezorgen. Echter, wanneer al de door de Maatfchappij gekochte grond omgefpit en ontgonnen zal zijn, zoude het misfchien moeijelijk worden , om de armen der gebrekkige perfonen, die zich in de koloniën der Maatfch. bevonden, nuttig te gebruiken, indien deze laatfte hare bezittingen niet uitttrekte door nieuwe aankoopen van heide ; maar men moet veronderftellen , dat de Hoofdkomm. geenszins voornemens is, om hare ondernemingen te_ bepalen tot den grond , welke zij thans bezit. Het fchijnt, dat de Perm. Komm. voornemens is, om aan de Hoofdkomm. een nieuw plan voor te dragen , ftrekkende, om eenige verbeteringen daar te flellen in het beftuur der vrije koloniën, alsmede 'mdt verordeningen, voor de kolonisten, daar gefield. Deze veranderingen fchijnen noodzakelijk te zijn geworden door de moeijelijkheid, welke de Maatfchappij ondervindt in het verbeteren van eenige perfonen van hunne luiheid en de onverfchilligheid, welke hun fchijnen aangeboren te zijn, en die, hun verhinderende voorfpoed te genieten, ben ten laste der Maatfchappij doen vervallen , door van dezelve voorfchotten te vragen in levensmiddelen en geld , waarvoor zij ja in fchuld worden aangefchreven , volgens de verordening op dat punt vastgefteld, maar welke de Maat- 

C «83 ) Maatfch. moeite zal hebben, om zich terug te doen. geven, of om beter te fpreken , welke zij waarfchijnlijk nimmer terug zal krijgen. Luiheid en onverfchilligheid vertoonen zich bij velen van hen in die mate, dat de H. Direkteur zich zelfs genoodzaakt gezien heeft, om hun de twee koeijen af te nemen, die, volgens de verordening, aan ieder huisgezin van vrije kolonisten zijn toegeftaan , en wel uit hoofde dat dezelve op ftroo gevonden werden, op het punt van uit gebrek aan oppasfing, om te komen. Na zulke Voorbeelden moet men niet verwonderd zijn van in de vrije koloniën eenige ftukken lands aan te treffen, welker flordig uitzigt genoeg aantoont, door welke kolonisten de hoeve bewoond wordt. Het is verdrietig voor de Maatfch. dagelijks te moeten opmerken, dat de meeste huisgezinnen , welke door de plattelands-gemeenten, en vooral door de fteden, in de vrije koloniën zijn geplaatst, gekozen zijn geworden uit die, waarvan zij zich wenschten te ontlasten, raat hoofde van hun fiecht gedrag en hunne weêrfpannige inborst. Het was, echter , niet uit die klasfe van menfchen, dat de Maatfch. van Weid. gehoopt had hare ftichtingen te bevolken; men had de indelling van vrije koloniën beter op prijs moeten dellen, en weten, dat een toevlugts-oord voor eerlijke huisgezinnen, welke tot ongeluk Waren vervallen geopend , met middelen, om hen weder op te heffen , geenszins eene plaats van opfluiiing was , om derwaarts de heffe des volks te zenden. Aldus , echter, fchijnen zeer vele fteden en gemeenten de zaak befchouwd te hebben , waardoor zij thans de oorzaak zijn van de moeijelijkheden en de verliezen, welke de Maatfch. van. Weid. ondervindt, door het flecht gedrag van eenige huisgezinnen (*> Volgens hetgeen hier voor gaat , zal men het (*) Ook ditzelfde is op zeer vele huisgezinnen in onze P p p 4 Noord- 

( 3S4 ) het voordeel kunnen berekenen, hetwelk voor de Maatfch. zoude kunnen fpruiten uit de veranderingen te maken in eenige artikelen der verordeningen voor de vrije koloniën. Echter, zal er niets moeten veranderd worden, ten opzigte van de kolonisten, die blijken hebben gegeven van werkzaamheid en kennis van den landbouw. Zoodra ,de noodzakelijke veranderingen door de Hoofdkomm. vastgefteld zullen zijn , zal men dezelve mededeelen. - De verfchillende voortbrengfelen der vrije koloniën vertoonen zich zeer gunftig, vooral de aardappelen en de klaver; wat de rogge betreft zijn er eenige Hukken, waarover men reden heeft tevreden te wezen , terwijl er andere zijn , welke blijken dragen van het Hechte beheer van den kolonist, die belast is , om dezelve te bewerken ; dit zal, echter, niet beletten , dat de Maatfch. uit den oogst van dit jaar veel meer voordeel zal trekken, dan uit dien van het vorige. Eindelijk toont alles aan, dat er niets dan zorg en nijverheid van de zijde der kolonisten noodig was, om de gronden der vrije koloniën tot een' hooger' trap van vruchtbaarheid te doen komen. — Men merkt zelfs in eenige tuinen vruchtboomen op , zoo als appelen-, peren- en perzikboomen en wijnftokken, die vruchten dragen. Het onderwijs, aan de kinderen der kolonisten gegeven, onder het beftuur van meester van den bos, maakt fnelle vorderingen; deze onderwijzer wordt geholpen door een Noordel. koloniën toepasfelijk, vooral op vele der arbeiders huisgezinnen. — En dit is het niet alleen ,• zulke ellendige wezens brengen ook minkundige bezoekers der koloniën, door hunne valfche en dikwerf zelfs ongerijmde kiagcen, in een verkeerd denkbeeld over den wezenlijken ftaat der gekolonifeerde armen. \_Dt Red.} 

( 885 ) een' ondermeester, alsmede door een'jongen kolonist, genaamd toussaint gadisseur , een Waal van geboorte en 14 a 15 jaren oud, die zulke verwonderlijke vorderingen in de kennis der Nederl. taal heeft gemaakt, dat hij thans in ftaat is , uitmuntende lesfen aan de jonge kinderen te geven. Verfcheidene vreemdelingen, die gelegenheid hadden, om de fchooloefeningen bij te wonen, betuigden hunne groote verwondering, op het zien van het fchrift van verfchillende jonge kolonisten , op het hooren lezen derzelve en na het onderzoek hunner kennis in de rekenkunde. Het godsdienstig onderwijs wordt niet minder verzorgd. Er is , gedurende de maand Junij ,» 1 kind geboren , in de hoeve N'. 26, kolonie N". 1, en niemand overleden. Het geheele getal der vrije kolonisten was 533.

Over de bedelaars-kolonie, gedurende Junij 1827..[bewerken | brontekst bewerken]

Alles gaat hier naar wensch ; deze kolonie wordt bijzonder gezegend; — graan van allerlei foort groeit welig; een talrijke koppel vee, welverzorgd, vertoont zich uitmuntend. Niets in deze (lichting heeft de treurige aanblik van eene plaats van opfluiting; . integendeel niets boezemt meer belangflclling in , dan het zien van uitgeftrekte velden , waarop hier en daar hoopen mannen en vrouwen zich bevinden, bezig met de dorre heiden in vruchtbare akkers te hervormen , en om reeds de kostbare vrucht hunner pogingen en van hunne vlijt te aanfehouwen. Volgens de uitkomiten , welke de ontginning der heiden in de bedelaars-kolonie verkrijgt , is het zeer waarfchijnlijk, dat de Maatfch. , in het volgende jaar, groote voordeden te wachten heeft van de opbrengst der verfchillende inzamelingen , welke men er â– P P P 5 doen 

( 886 ) doen zal, en dat alzoo deze kolonie, vün dien tijd af, in al hare behoeften zal kunnen voorzien. Wat de bedelaars-kolonisten betreft, men bemerkt eene aanmerkelijke verbetering in hun zedelijk gedrag, en zelfs zij?, die , bij hunne intrede in het gedicht, aangewezen waren geworden als zeer ondeugend en ongehoorzaam , toonen iederen dag , dat zij geenszins onverbeterlijk waren ; over het algemeen zijn zij ijverig bij hunnen arbeid, én vervullen ftiptelijk de bevelen, welke hun gegeven worden. Meer dan loo kinderen gaan ter fchool, en maken vorderingen in het lezen der Nederl. taal, in het fchrijven en rekenen. Ook voldoen zij ftiptelijk aan hunnen godsdienstpligt; — in een woord, de geheele inrigting beftaat tot genoegen der Perm. Komm. en van den Direkteur. Het is alleen te bejammeren, dat eene ziekte, beftaande in buikloop, gedurende de maand Junij, 16 perfonen heeft weg gerukt; echter, is niets van wege de Perm. Komm. verzuimd geworden', om te waken voor de zorg voor de steken, en om de oorzaak der ziekte uit te roeijen, of ten minde de befmetting voor te komen. Onafhankelijk van den geneesheer van het gedicht, begeeft die der gemeente Hoogflraten zich 2 malen ter week derwaarts, om de zieken te bezoeken , om met den geneesheer van het gedicht te beraadflagen over den ftaat der zieken, en middelen op te geven, welke hun diendig zouden kunnen zijn; — eindelijk , om befmetting voor te komen, heeft de Perm. Komm. goed gevonden, om de zieken, aangetast door buikloop, uit de ziekenzaal te verwijderen, en h'en over te brengen in eenige hoeven van de vrije kolonie N°. 2 , welke nog niet bewoond zijn, en werwaarts de geneesheeren twee maal daags gaan , om hen te verzorgen. Deze zeilde Komm. heeft, op den raa.1 van een' Brus- felsch 

( §8? ) felsch Geneesheer^ naar de bedelaarskolonie halk-chlorure gezonden, om,er zieh van te bedienen als behoedmiddel tegen befmetting ; en men mag hoop voeden, dat weldra de goede oppasfing en verzorging aan de lijdende kolonisten de gezondheid zullen wedergeven, welke de meesten der anderen genieten. Het getal der bedelaars en bedelaresfen in het gefticht, bedroeg op het einde van Junij, 970 perfonen. Ten gevolge van het verflag aan den Heer Admin. van het Armwezen gedaan, bij het inzenden van de lijst der bedelaars, die zich gedurende een jaar of langer in het gedicht bevonden, en die, zich altijd wel gedragen hebbende, eene fom van Æ’ 25 hadden overgewonnen , is de Perm. Komm. gemagtigd geworden, om 17 dier perfonen in vrijheid te ftelïen, in afwachting, dat de verdere fchikkingen van den Heer Admin. zouden gedoogen, om een grooter getal vrij te laten. De Perm. Komm. is zoo zeer te vreden geweest over den uitflag der werkzaamheden van de fubkommisfiên in het distrikt Leuven, waar het getal leden der Maatfch., gedurende het loopende jaar, aanmerkelijk vermeerderd is, dat zij meent, daarvan openlijk melding te moeten maken. Ook heeft zij met het meest mogelijk genoegen het verflag gezien , hetwelk op den 17 Februarij dezes Jaars gedaan is, door den Heer j. van nijvel, Pastoor te Herent en voorzitter der fubkomm. van het i". distrikt Van Leuven; dat verflag toont den ijver aan, welke die waardige geestelijke aanwendt, om met al zijne magt mede te werken ter verzachting van het lot der lijdende menschheid, zoo als ook van de fchranderheid, waarmede hij de oogmerken der Maatfch. y. Weid. op prijs fielt. • Tot dus verre de kolonieberigten; — de overige inhoud dezer nummers is mede zeer belangrijk.