Maandblad Vriend des Vaderlands van mei 1830 over de Belgische kolonies

Uit KolonieWiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Sjabloon:Maandblad Vriend des Vaderlands over de Belgische kolonies


Le Philanthrope, recueil publie par ordre de la Comm. Perm. de la Société de Biensaisance, établie dans les Prov. Mérid. du Royaume des Pays- Bas. VllIe année 4e Livraison. Février 1830, Bruxelles, chez WEISSENBRUCH.

Hetzelfde Tijdschrift, VIIIe année, 5e Livraison, Avril 1830.

Pagina 329. Berigten nopens den toestand der landbouwende koloniên te Wortel en te Merksplas-Rykevorsel, in de Proyincie Antwerpen, gedurende December 1829 en Januarij 1830.[bewerken | brontekst bewerken]

De. oogst van het jaar 1829 heeft bedragen zoo als er volgt :

Vrije kolonie Nº. I. ƒ 9721,38.

Vrije kolonie Nº. 2 ƒ 2982,15.

Kolonie tot wering der bedelarij. ƒ 20.111,50½

Te zamen ƒ 32,815.03 ½ .

Wanneer men dezen opbrengst vergelijkt met dien van het jaar 1828 vindt men een overschot van ƒ 2510,02.

Men moet hierbij opmerken, dat het getal bebouwde bunders in de vrije koloniën dit jaar niet is vermeerderd geworden. Men zoude zelfs kunnen zeggen, dat het getal eerder verminderd is, uit hoofde er 20 bunders van de 245 der vrije kolonie Nº. I met dennen zijn bezaaid geworden.

Het getal bebouwde bunders in de kolonie tot wering der bedelarij is met 45 vermeerderd, maar hieronder bevonden er zich 25, mede met dennen bezaaid.



(pagina 330)

Wanneer men den ongunstigen zomer in aanmerking neemt, zat men zich niet verwonderen, dat de opbrengst niet grooter is geweest.

De dennezaaisels, welke nu nog geene waarde hebben, zullen binnen weinige jaren eene rijke opbrengst opleveren.

Het gedrag der kolonisten was over het algemeen zeer voldoende; alleen is de kolonist BINNEMANS, uit Antwerpen, in December 1829, wegens diefstal van verscheidene aan de Maatschappij behoorende korenschoven, tot vier maanden gevangenis veroordeeld.

Er waren twee kinderen geboren en even zoo vele personen gestorven.

Het huisgezin van BARO, bestaande uit 8 personen en geplaatst door de Subcommissie van Dendermonde, heeft verlof gekregen om de kolonien te verlaten; hetzelve is dadelijk door een ander uit dezelfde stad vervangen.



(pagina 331)


Tabel: Staat van den algemeenen toestand der koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid in de Zuidelijke Provinciën van het Koningrijk der Nederlanden, op den 31 December 1829.



(pagina 332)

In de kolonie tot wering der bedelarij zijn 17 bedelaars opgenomen; 3 zijn er in vrijheid gesteld en 4 weggeloopen.

De sterfelijkheid is gedurende December 1829 vrij groot geweest; 13 zijn er overleden.

Het gedrag der bedelaars was over het algemeen geregeld; er hadden slechts eenige kleine wangedragingen plaats, onvermijdelijk in eene zoo groote vereeniging van menschen, gewoon om zonder eenige orde te leven. Er is vroeger opgegeven, welke hunne bezigheden gedurende den winter zijn geweest.

Brief v Z. K. H. Prins FREDERIK der Nederlanden aan de H.H. Gouverneurs der 9 Zuidelijke Provinciën van het Koningrijk der Nederlanden.[bewerken | brontekst bewerken]

's Hage, 22 Dec 1829.

Ik heb, door middel van de berigten der Perm. Comm. van de Maatschappij van Weldadigheid te Brussel over den toestand der koloniën, met veel genoegen gezien, dat de gelukkige uitkomsten, welke ik van de daarstelling eener dusdanige vereeniging in het zuiderdeel van dit Koningrijk verwacht had, zich verwezenlijkten; dat de landbouwende koloniën reeds hulpmiddelen aan de behoeftige volksklasse verschaften, dat zij de bedelarij verminderden en dat zij eindelijk een gedeelte der heiden vruchtbaar maakten, welke men nog in een deel van dat land ontmoet.

Ik heb met niet minder voldoening de gelukkige uitwerksels gezien van de daarstelling der Provinciale raden van inspectie, belast met het toezigt over de subcommissiën van Weldadigheid uit te oefenen.



(pagina 333)

Ik heb echter met smart opgemerkt, dat de inschrijvingen in eenige provinciën verminderd waren. Ik durf hopen, dat deze staat van zaken niet zal aanhouden en dat de subcommissiën van Weldadigheid in ijver zullen verdubbelen om dit verlies te herstellen.

Ik heb gemeend dezen brief aan de H.H. Gouverneurs der Provinciën, in derzelver hoedanigheid van Voorzitters der raden van inspectie, te moeten zenden, ten einde hen uit te noodigen om de Maatschappij met geheel hunnen invloed te ondersteunen, door die middelen te bezigen, welke zij het meest krachtig zullen oordeelen, om den ijver der subcommissiën aan te wakkeren, alsmede om hen te belasten met aan de H.H. raden van inspectie kennis te geven, dat ik in mijne hoedanigheid van Voorzitter en Beschermer der Maatschappij, hun dank zal weten voor de moeiten, welke zij zich geven zullen om de werkzaamheden der Perm. Comm. te ondersteunen, en om eene instelling te ondersteunen en te doen bloeijen, welke zoo nuttig voor de menschheid is.

Ik heb de Perm. Comm. uitgenoodigd om mij eene lijst aan te bieden van alle de H.H. leden der Provinciale raden van inspectie, en om mij met den uitslag hunner werkzaamheden steeds bekend te houden.

De Voorzitter der Maatschappij van Weldadigheid;

(Geteek.) FREDERIK, Prins der Nederlanden.

Ten gevolge van dezen brief zijn de navolgende, door de verschillende Gouverneurs, gezonden aan de onderscheidere subcommissiën. Als door die van den Gouverneur van Henegouwen:

Bergen, den 4 Januarij 1830. Ik heb de eer u een uittreksel mede te deelen van



(pagina 334)

eenen brief, welken ik van Z. K. H. Prins FREDERIK, voorzitter der Maatschappij van Weldadigheid, ontvangen heb; gij zult er met eene levendige voldoening in zien, dat de uitkomsten, welke men van de daarstelling dezer Maatschappij verwachtte, zich verwezenlijkten, en dat Z. K. H., wiens menschievendheid zich nimmer verloochent, op den ijver der subcommissiën rekent, ten opzigte van de aanhouding en vermeerdering der inschrijvingen.

Ik verzoek u dan, Mijne Heeren ! om nieuwe pogingen te doen, om uwe zorgen en uwen invloed aan te wenden om het getal der leden te vermeerderen en nieuwe giften te verkrijgen. De instelling van onze Maatschappij, zoo wel in het belang der behoeftigen, als in die der Maatschappelijke orde, moet gemakkelijk op hare waarde kunnen geschat worden; en hare vorderingen in deze provincie, welke zich immer door de weldadigheid harer ingezetenen onderscheiden heeft, kunnen niet twijfelachtig zijn, bijaldien, gelijk ik mij overtuigd houd, gij er met ijver en aanhoudendheid toe medewerkt. Ik verzoek u te gelijker tijd om mij voor den 15 Februarij (indien gij het niet reeds gedaan hebt), uwe rekening van ontvangsten en uitgaven over 1829 te doen toekomen, gevormd naar het model, gevoegd bij het onderrigt over het geldelijk beheer der plaatselijke subcommissiën, en eene rekening van de ontvangene en gebruikte quitantiën over dit jaar, waarbij gij de niet gebruikte zult voegen.

Ontvang, Mijne Heeren ! de verzekering mijner volkomenste achting,

De Gouyerneur der Provincie Henegouwen,

Voorzitter van den raad van inspectie.

(Geteekend) F. DE MACAR.


(pagina 335)

Luxemburg, den 6 Januarij 1830.

Mijne Heeren !

Ik heb de eer u hiernevens over te leggen een afschrift van eenen brief, welke Z. K. H. Prins FREDERIK der Nederlanden, onder datum van den 22 Dec. 1829, heeft gezonden aan de Gouverneurs der Zuidelijke Provinciën in derzelver hoedanigheid van voorzitters der provinciale raden van inspectie, belast met het toezigt over de werkzaamheden der subcommissiën dier Maatschappij.

Deze brief betreft aan de eene zijde, de vermindering der inschrijvingen in eenige provinciën; aan de andere zijde de noodzakelijkheid om pogingen te doen, om er nieuwe te verkrijgen; twee voorwerpen, welke aan uwe zorg zijn aanbevolen geworden, door mijne brieven van den 5 Mei en 19 Aug. l.l., gelijk mede door die, welke de raad van inspectie aan u op den 19 Aug. en 16 Dec. l.l. heeft toegezonden.

De welwillende en vaderlijke stem van den doorluchtigen Voorzitter onzer roemrijke Vereeniging kan niet na laten uw hart te treffen voor de werkzaamheden, welke hij van u vordert, en uwe bezorgdheid met eenen nieuwen ijver te bezielen. Mogt ik gelukkig genoeg zijn van dergelijke bewijzen van uwe edelmoedige pogingen te verkrijgen, alsmede van den goeden uitslag, welke er zoo levendig van verlangd wordt.

Aarzelt niet, ik bezweer het u, om uwe aandachtige blikken te slaan op de beweegredenen, welke zoo sterk pleiten ten voordeele van dit vrome werk, en vooral op de middelen, welke u aangewezen zijn geworden om hetzelve te vervullen.

Doordringt er wel mede de leden van uwe achtenswaardige commissie en al de leden in het algemeen. Het



(pagina 336)

kan niet anders of de invloed van hunne kundigheden en van hunne deugden moet de gewenschte uitkomsten opleveren.

Wat mij betreft, ik zal er mij een, niet minder aangenamen dan heiligen pligt van maken om dezelve te doen gelden bij den doorluchtigen persoon, die dezelve uitlokt ten voordeele der lijdende menschheid en van eene onderneming, welke zich tot derzelver voordeel in al de deelen van het Koningrijk zal uitbreiden.

De Staatsraad, Gouverneur van het Groot- Hertog. dom, Voorzitter van den raad van inspectie.

((Geteekend) WILLMAR.

Luik, 13 Januarij 1830.

Mijne Heeren !

Gij zult hier bijgevoegd vinden een afschrift van eenen brief, geschreven aan de negen Gouverneurs van de Zuidelijke provinciën door Z. K. H. Prins FREDERIK der Nederlanden, Voorzitter van de Maatschappij van Weldadigheid. Dezelve heeft tot oogmerk om den ijver ten voordeele dezer Maatschappij op te wekken, eener Maatschappij, welker groote weldaden thans op den regten prijs geschat worden.

Gelijk Z. K. H. doet opmerken, strekt zij om de bedelarij te verminderen en om aanzienlijke deelen van het Koningrijk, welkę onbebouwd blijven, te ontginnen.

De ondervinding van verscheidene jaren regtvaardigt ten volle de onvermijdelijke uitgaven, welke dit gelukkig hulpmiddel in de beginselen vereischt, en hetwelk men mede bij andere volken poogt te bezigen.

In den tegenwoordigen staat onzer wetgeving en der omstandigheden is deszelfs aanwending vooral noodzake ' s Hage, 22 Dec 1829.



(pagina 337)

lijk; er moet bezigheid zijn voor de talrijke bedelaars, wier aanhouding door de wet gelast wordt. In bedelaarshuizen aan het werk gezet kosten zij meer dan in de koloniën, waar hun arbeid overigens niet in mededinging komt met de stichtingen, welke van nijverheid ontbloot zijn; en deze landelijke werkzaamheden zijn op dit tijdstip nuttiger, waarin de hand des menschen voor een groot gedeelte door de werktuigen vervangen wordt. Er zijn geene door de liefdadigheid bijeengebragte sommen, waarvan het gebruik meer uitwerkend en meer voordeelig is in het belang van de menschlievendheid, even als in dat .van de staatkundige vereeniging.

Het lidmaatschap van ieder op zich zelve beteekent weinig; maar wanneer hetzelve zich uitstrekte tot alle menschenvrienden en alle goede burgers, zoude zij een kostbare bron worden, welke zoude toelaten, om de ontwikkelingen te verwezenlijken, waarvoor de onderneming vatbaar is. Dit is het doel, waarheen wij ons met ijver en naarstigheid moeten rigten.

Wij moeten op U, Mijne Heeren ! bij deze gelegenheid rekenen, even als in die, waarin een edel voorwerp u bezielt; en het zal ons aangenaam zijn in den uitslag van hetgeen gij gedaan zult hebben, eene nieuwe aanspraak op de welwillendheid van Z. K. H. te vinden.

Het is door middel van eenen dadelijken invloed, dat gij eenen goeden uitslag kunt verkrijgen.

Wij laten aan uwe verlichte denkbeelden en aan uwe wijsheid over, wat gij zult meenen nuttig te kunnen doen, om dit doel te bereiken.

De Gouverneur der Provincie Luik, Voorzitter van den raad van Inspectie.

(Geteekend) SANDBERG.



(pagina 338)

Over den toestand der koloniën nabij Wortel, Merksplas en Rykevorsel, in de Provincie Antwerpen, gedurende de maand Februarij 1830.[bewerken | brontekst bewerken]

De gezondheidstoestand der kolonisten is zeer vol doende ; zij verheugen zich den moeijelijken winter, waarin zij echter aan niets gebrek gehad hebben, door geworsteld te zijn, om zich nu weder aan de veldelijke werkzaamheden te kunnen overgeven. 165 vrije kolonisten -kinderen en go kinderen in het bedelaarsgesticht, hebben gedurende den winter aanhou dend de school bezocht ; velen derzelve hebben zich on derscheiden door hunne vorderingen in het lezen, schrij ven en cijseren. » De Geestelijken van de Maatschappelijke Stichtingen hebben ook van dien tijd gebruik gemaakt, om hen in de beginselen van de Godsdienst te onderwijzen ; hunne leerzaamheid en geschiktheid hebben over het algemeen los verdiend. Het huisgezin van PUTTAERT, gezonden door de subcommissie van Brussel, en waarover wij reeds on derscheidene malen klagten hebben moeten inbrengen, is eindelijk uit de koloniën weggezonden, omdat alle de aan hetzelve gedane vermaningen, in de hoop van het te verbeteren, zonder uitwerking zijn gebleven. Dit huisgezin bestond uit zes personen, en zal op de hoeve, welke het heeft moeten verlaten, vervangen worden, zoodra ' de subcommissie van Brussel een ander zal zenden. De verliezen van allerlei aard, welke vele landbou wers ten gevolge van eenen zoo harden winter onder vinden, hadden in den beginne insgelijks aanzienlijke schaden voor de Maatschappij doen vreezen, bijzonder in haren grooten voorraad van aardappelen ; echter mel den de door den Heer Inspecteur aan de Perm. Comm. gezonden berigten, dat het door de Maatschappij geleden verlies ten dien opzigte gering is, maar indien zij, van dien kant, gelukkiger geweest is dan vele andere land. bouwers in den omtrek, moet men echter bekennen, dat de behoesten van allerlei aard, waarin zij verpligt is geweest te voorzien, om het groot aantal aan hare zorg toevertrouwde personen tegen de strengheid van den winter te beschermen, zijn oorzaak geweest van eene vermeerdering in de buitengewone uitgaven, welke het voor het oogenblik nog niet mogelijk is, juist op te geven. Het is echter gelukkig voor de Maatschappij, dat zij er in geslaagd is, om haar talrijk vee uit de opbrengst harer oogsten te onderhouden, zonder genoodzaakt ge weest te zijn van hare toevlugt te nemen tot den aan • koop van voeder, waarvan de duurte haar tot zeer aan zienlijke voorschotten zoude genoodzaakt hebben. Er bevonden zich op den 31 Dec. 1. l. in de koloniën 248 hoornbeesten, 843 schapen en 17 paarden. De Maatschappij kan zich insgelijks geluk wenschen over den goeden staat van haar vee, en wegens het on dervinden van niet dan ligte verliezen in hare schapen, terwijl het niet zoo gesteld is geweest bij vele hoeve naars uit hoosde van de ziekte, waarmede derzelver kudden zijn aangetast geworden ten gevolge van den vochtigen zomer van het laatste jaar, en van de buiten gewone koude, welke wij verduurd hebben. Het bestuurder koloniën meent deze gelukkige uit komsten te kunnen toeschrijven aan het gebruik van zout bij de voeding van het vee, gedurende een groot deel van het jaar ; alles toont ten minste de gelukkige uit werksels aan, welke men daarvan verkrijgt. Daar de veldelijke werkzaamheden, welke in het najaar hadden moeten eindigen, door het Nechte weder verhin derd waren geworden, is het niet mogelijk geweest, om de uitzaaijing der winterrogge ten einde te brengen, en het is niet dan met moeite dat men er toen toe ge komen is, om de helst van den grond, voor dat gewas bestemd, er mede te bezaaijen ; deze werkzaamheden zullen spoedig hervat worden. Men moet hier opmerken, dat, met uitzondering van eene kleine hoeveelheid koeken en ziltig poeder, geene andere meststof door de Maatschappij gekocht is gewor. den, om hare landerijen vruchtbaar te maken ; hare ko. loniën zijn voldoende geweest, om haar datgene te verschaffen, hetwelk zij noodig had. Laat ons hopen, dat een gunstige zomer weldra de verliezen en de onheilen zal herstellen, veroorzaakt door een’ winter, welke zijne noodlottigheden zoo wel over het zuiden als over het noorden van Europa heeft verspreid. Laat ons ook hopen, dat de ingezetenen van alle onze Provinciën zich zullen haasten van in te schrijven ten voordeele van eene instelling, welke zoo nuttig is voor de menschheid ; en mogt de opbrengst van hunne in schrijvingen en van hunne bijzondere gisten, weldra tot zelfs het aandenken aan de voorbijgegane onheilen uit wisschen ! Gedurende Februarij 1330. is er slechts één persoon in de vrije koloniën overleden. De bevolking bestond op den 1 Maart uit 556 zielen. 9 Gedurende de maanden Januarij en Februarij zijn er 50 bedelaars opgenomen geworden, twee zijn er in vrij-. heid gesteld en twee weggeloopen. Het groot aantal overledenen gedurende December 1829 heeft van de zijde der Perm. Comm. nasporingen te weeg gebragt, om er de oorzaak van te kennen ; wij vernemen, dat deze sterfgevallen aan de eene zijde voort komen uit den zwakken toestand van verscheidene perso nen ; aan de andere zijde, door dat vele kinderen door het roodvonk en den kinkhoest aangetast zijn geworden. Gedurende Januarij en Februarij zijn er llechts 8 per sonen gestorven. Weldra zullen de veldelijke werkzaamheden weder eenen vollen aanvang nemen en die in de fabrijken gaan vervangen. Ook hier had men in het najaar de noodige velden niet met winterrogge kunnen bezaaijen. De bevolking bedroeg op den 1 Maart 1830, 679 zielen.

Brief door de Perm. Comm. der Zuidelijke Maatschappij van Weldadigheid, gezonden aan de H. H. leden der Provinciale raden van inspectie. Brussel, 13 Maart 1830.[bewerken | brontekst bewerken]

Mijne Heeren, Daar het ter onzer kennis is gekomen dat verschei. dene Subcommissiën onzer Maatschappij de inzamelingen van gelden verwaarloozen, 200 zelfs, dat zij bij de leden het bedrag hunner inschrijvingen niet doen ophalen, en dat verscheidene van dezelve zich mede hoegenaamd geene moeite geven, om het getal der leden te vermeer deren, os om de gestorvenen, en hen, die bedankt heb ben, door nieuwe leden te vervangen, zouden wij, op onze beurt, aan het grootste verzuim jegens de Maat schappij in het algemeenschuldig zijn, en inder daad zeer onvolmaakt den last volvoeren, welke de zelve aan ons heeft toevertrouwd, alsmede de welwil lende inzigten van Z. K. H. Prins FREDERIK der Ne derlanden, indien wij in gebreke bleven van aan de Provinciale raden van inspectie, belast met het toezigt te hebben over de werkzaamheden der Subcommissiën, eene zorgeloosheid aan te wijzen, welke zoo. schadelijk is voor de belangen onzer Maatschappij. Het is dus om ons te beveiligen tegen alle verwijt ten dien opzigte, alsmede om ons getrouw te kwijten van den pligt, welken wij op ons genomen hebben, toen wij ons met het bestuur der Maatschappij belasteden, dat wij U, Mijne Heeren ! uitnoodigen, om u door iedere Subcommissie in uwe provincie eene zoo naauwkeurig mogelijke lijst te doen geven van alle in derzelver gebied wonende leden, ten einde u vervolgens, tijdens het in komen der gelden voor de dienst van 1830, te overtui dat de opbrengst overeenkomt met het getal leden. Om dezen arbeid meer nuttig te maken, zal het te pas ‘komen, dat iedere Subcommissie een dubbel beware van de lijst der leden, welke zij, u zal doen toekomen, om er tijdens de overgiste van hare rekeningen over die dienst, de personen op aan te wijzen, die niet voldaan mogten hebben aan de betaling hunner inschrijvingen, os die, welke nog ingeschreven hadden na de toezending der lijst van den Provincialen raad van inspectie. Daar wij den besten uitslag van de nakoming van de zen maatregel verwachten, twijselen wij geenszins, Mij. ne Heeren ! os wij zullen in u al de wenschelijke me dewerking vinden, om er den uitslag van te krijgen, die wij er van verwachten. > De Permanente Commissie, (Geteekend) P. LAUWERS.