Maandblad Vriend des Vaderlands van juni 1828 over de Belgische kolonies

Uit KolonieWiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Sjabloon:Maandblad Vriend des Vaderlands over de Belgische kolonies

Pagina 413. Le Philanthrope, recueil publié par ordre de la Comm. Perm. de la Société de Biensaisance, établie dans les prov. merid. du royaume des Pays- Bas. Vle année. 4e Livraison. Bruxelles, chez weissen BRUCH. Avril 1828.[bewerken | brontekst bewerken]

Beklaagden wij ons vroeger, en met reden, dat de Philanthrope ons zoo laat gewordt, hetzelsde geldt we. derom ten aanzien van het nummer, dat wij thans aan kondigen, daar wij hetzelve eerst op de helst der maand Mei hebben ontvangen. De berigten uit de koloniën in de Provincie Antwer. pen, in dit nummer bevat, luiden als volgt:

Over den toestand der vrije koloniën, gedurende de maanden Januarij, Februarij en Maart 1828.[bewerken | brontekst bewerken]

Gedurende de 2 eerste maanden des jaars zijn de inwoners der vrije koloniën meer in de fabrijken gebezigd geworden, dan tot den landarbeid, die eerst in het begin van Maart zijne volle werkzaamheid hernomen heeft; echter toont alles aan, dat de vrije kolonisten over het algemeen, in het voor hen moeijelijkste jaargetijde in hunne behoeften hebben kunnen voorzien, en dat de schulden, welke eenigen jegens de Maatschappij hadden gemaakt wegens voorschotten en onderstand aan hen, gedurende de wintermaanden verleend, van weinig aanbelang waren. De veldelijke werkzaamheden, die sedert de terugkoms der lente hunne dagelijksche bezigheid zijn geworden, hebben allen gestrekt, om de gronden voor de be zaaijing gereed te maken; deze arbeid geschiedt met alle mogelijke zorgvuldigheid, welke een goede landbouw vereischt. Mesthoopen, welke behoorlijk gereed zijn ge. maakt, zijn in voorraad op een der einden van ieder stuk land geplaatst geworden, dat ter bebouwing be. Itemd was; eindelijk is niets verwaarloosd geworden, om aan de ondernemingen der Maatschappij eene her nieuwde slaging te verzekeren.... Men wachtede op de eerste gunstige dagen der lente, om een begin te maken met het planten der aardappelen, welker opbrengst van zoo veel belang is, daar zij het voornaamste voedsel van de bewoners der koloniën uit maken, en tevens dienen, om het talrijke, aan de Maar schappij behoorende, vee te onderhouden. Onder de verschillende soorten van aardappelen, welke men beproesd heeft in de koloniën te telen, schijnt het, dat die, welke in der tijd aan de Maatschappij door den Hertog van UrseL is gegeven, de meest voortbrengende is. Drie à vier zakken van dit bolgewas hebben het laatste jaar ongeveer 200 Nederl. mudden opgebragt. Die, welke aan de Maatschappij insgelijks zijn gege ven geworden door den Burggraas VAN DER Sosse, ben, hoewel zij minder opbrengen, een beteren smaak; men is voornemens beide de soorten in de koloniën të vermenigvuldigen, en heeft tevens het plan, om aldaar eene groote uitbreiding te geven aan de teelt der mangel gelwortelen, der koolsoorten, der luzerne, der sainsoin, en vooral van het koolzaad en het ylas, daar de on dervinding aangetoond heeft, dat deze twee laatsten vol maakt geschikt waren voor den grond der koloniën. Op het oogenblik zelve, waarop wij dit verslag stellen, be merkt men met genoegen een bunder lands, behoorende tot de kolonie tot wering der bedelarij, bedekt mer koolzaad, waarvan de schoonheid vergeleken kan wor den met al wat de Provincie schoons in die soort van teelt aanbiedt; de aanblik van dat bunder koolzaad in bloei, juist tegen over het bedelaarsgelticht gelegen, biedt een geel tapijt aan, hetwelk ter bewondering strekt voor allen, die tegenwoordig dat gebouw bezoeken. Het koren en de klaver bieden reeds het schoonste vooruitzigt op goede Naging aan. De boomen, welke de groote wegen der koloniën om zoomen, zijn in vollen groei en verschassen fraaije wan. delingen. : Wij vernemen desgelijks, dat het vee, hetwelk talrijk iş, den winter is doorgekomen, zonder dat de Maat schappij verliezen heeft geleden, ten gevolge der ziek ten, waaraan hetzelve onderhevig is. Deze gelukkige uitslag toont aan, dat de nieuwe maatregel, welke door de Perm. Komm. is genomen, om de koeijen, welke te voren aan de zorgen van ieder' hoevenaar in het bijzon der waren toevertrouwd, in stallen te vereenigen, de beste was om te volgen, ten einde de verliezen te ver mijden, welke de Maatschappij moest dragen, wanneer er beesten door de nalatigheid der kolonisten te sterven kwamen. Nu verschassen de koeijen, zorgvuldig opge past, goede melk, en de uitgaas, welke hupne voeding met zich brengt, is niet meer een last voor de vrije kolonisten. Ook kan de Maatschappij eerst sedert dezen nieuwen toestand van zaken jaarlijks aanmerkelijke voor deelen van haar vee verwachten.. Toen wij in ons laatste nuinmer de waarde hebben doen kennen van de opbrengst der oogsten in de ver schillende koloniën in 1827, hebben wij vergeten onze ležers te doen opmerken, dat deze waarde, gelijk men gezien heeft, berekend op s 23,534: 39 voor de 3 stich tingen' te zamen, tot op s 32,039: 67 zoude geklommen zijn, indien de verschillende, in 1827 ingeoogste voort. brengtelen, op denzelsden prijs waren geschat, als die van 1826. Wij meenen hier deze aanmerking te moeten maken, om de dwaling voor te komen, waarin zij zou den kunnen vervallen, die de waarde van de opbrengst dier twee jaren zouden willen vergelijken, ten einde de voordeelen te kunnen nagaan, welke de Maatschappij van hare onderneiningen verkrijgt. Wij merken ook op, dat de prijs der veldvruchten, dikwers van het toeval ashangende, de uitkomst dus niet tot maatstas van ver gelijking kan dienen, om over de vorderingen van den voorspoed der koloniën te oordeelen; men zoude dus alleen, door het vaststellen van eenen vasten, middelma. tigen grondslag voor de seliatting van de opbrengst des oogstes van ieder jaar, tot juiste en zekere punten van 'vergelijking kunnen komen. Deze redenering en deze berekeningen brengen ons tot de uitkomst, dat de waarde van den oogst der drie ke loniën in 1827 die van 1826 met- s 8,669:60 overtrest; na daarvan s 1,624 : 83 te bebben asgetrokken, welke de vrije kolonie Nº. 1 wezenlijk minder heeft opgebragt, dan in 1826. Gedurende de 3 eerste maanden dezes jaars is er in de koloniën slechts 1 persoon overleden en zijn er 4 kinde ren geboren. Drie huisgezinnen ( te zamen 24 personen uitmakende) uit de steden Brussel en Gend, alsmede 2 weeskinderen uit Doornik, zijn in de koloniën opgenomen, en 5 per sonen ontslagen geworden. Het gedrag der kolonisten was, over het algemeen, zeer wel; men heeft geene klagten, dan tegen twei huisgezinnen, die heimelijk de koloniën verlaten hebben, met zich nemende kleedingstukken, welke aan de Maat. schappij behoorden. Dezelye waren gezonden geweest uit Aubel ( Prov. Luik ) en uit Limburg (in dezelsde Provincie ). Op den 31 Maart 1828 waren er in de vrije koloniën 546 kolonisten,

Over de kolonie tot wering der bedelarij. gedurende de maanden Januarij, Februarij en Maart 1828.[bewerken | brontekst bewerken]

Op het einde van Maart leverden de velden der ko. lonie reeds het heerlijk gezigt van een wel bebouwd en veel belovend landgoed. • De gezondheidstoestand der bedelaars in het gesticht is zeer voldoende; gedurende deg eerste maanden van * 1828 zijn er slechts 29 bedelaars gestorven, te weten : ' in Januarij 14, in Februarij 9, en in Maart, 26.... : 13 zijn weggeloopen en 6 in vrijheid gesteld. Het getal bedelaars te Merksplas Rijkevorsel was op den 31 Maart 1817.6 %, sossor De Perm. Komm. heeft met smart ' gezien, door de melding, die er van gemaakt is in de Gazette des Tribus aux van den 10 April 1828, dat onder de wegloopers, wier getal wij hebben opgegeven, er zich bevonden had den, die verschenen waren op de banken van het Hos van Assises, beschuldigd van misdaden, welke zij niet hadden bedreven, maar waarvan zij zich zelven beschul digd hadden, om niet weder gedwongen te zijn, van naar een gesticht terug te keeren, waaruit zij gevlugt waren, omdat hun lot hun ondragelijk toescheen. Dat zelsde dagblad merkt op, 'dat dusdanige omstan dig digbeden droevige opmerkingen bij menschenvrienden moe ten doen geboren worden z. ook hadden wij ons inder, daad voorgesteld, om hierover eenige aanmerkingen te waken; maar wij zagen, door een stukje, geplaatst in het Journal de la Belgique van den 24 April 1828, dat de gedachten. van een ijverig lid der Maatsch. van Weld. in de Zuid. Prov. in dit geval juist overeenkwa. men met de onze, en dat het bijgevolg voldoende was, aan onze lezers dit stuk mede te deelen, door her zelve hier achter te doen volgen, hopende, dat het de goede meening, zal herstellen, welke. de leden der Maat schappij, over het algemeen, altijd gehad hebben ten opzigte der koloniale - stichtingen ssen het bestuur, het welk in dezelve, is daargesteld. Vijstig kinderen van bedelaars, welke zich in het ge. Sticht bevinden gi hebben dit jaar hunne eerste communie gedaan. De Perm. Komm. heeft het, ten einde de an dere kinderen aan te moedigen, om van het godsdien stig onderwijs gebruik te maken, dienstig geoordeeld, aan elk van hen, die dit jaar hunne eerste communie gedaan hadden, een nieuw paar schoenen te geven en een buitengewonen maaltijd op den dag der plegtigheid zelve.; Lucian Men heeft, over het algemeen,. zeer veel reden van tevredenheid over de vorderingen, welke het onderwijs onder de bedelaars maakt; ook moet de Maatschappij ich geluk wenschen over den ijver, waarmede H.H. Gesstelijken zich van hunnen pligt kwijten. Met dankbaarheid heeft de Perm. Komm. van de Maatschappij, ter bevordering der volksvlijt een gem schenk van s 1500 voor de Maatsch, van Weld. ont vangen.se : Lusselijke melding verdient de ijver der Provinciale ra den van toezigt over de subkommissiën; voornamelijk van die, welke zich te Brussel, Bergen, Luxemburg en Luik bevinden.

Ingezonden brief over Gazette des Tribunaux 10 april 1828 ontsnapte bedelaars[bewerken | brontekst bewerken]

Aan den Redacteur van het Journal de la Belgique, Brussel, 18 April 1828.. In uw blad, mijnheer van den 13 dezer een uittrek sel gelezen hebbende van de Gazette des Tribunaux van den 10, dat betrekking heeft tot het opvatten van eenige bedelaarskolonisten, welke uit de kolonie Merkplas ontsnapt waren, noopt mij de belangstelling, welke ik die menschlievende inrigting toedraag, u het volgende kje te zenden, hopende, dat gij hetzelve zeer spoedig zult plaatsen. Ontvang, enz.. Een uwer lezers en lid der Maatsch. yan Weld. in de Zuidel. Prov..

Het moet inderdaad smartelijk en zelfs ontmoedigend & zijn voor menschen, die door, eenen edelen ijver voor de lijdende menschheid, en zonder eenige beooging van bij zonder voordeel, zich hebben willen verledigen, om de zware taak op zich te nemen van het bestuur der kolo. niën van de Maatsch. yan Weld., welke onder het va derlijk toezigt van Z. K. H. Prins : FREDERIK staan, te zien, dat de dagbladen de gelegenheid aangrijpen, om aan het Algemeen omstandigheden mede te deelen, waar II van het verhaal, bij den eersten opslag, eenen kwaden dunk moet inboezemen van de kolonie tot wering der bedelarij, en dien ten gevolge strekt, om hen van eene goede daad terug te houden, die genegen zouden zijn om bij te dragen tot het onderhoud dier weldadige in stellingen, welke het voorwerp zijn van de standvastige zorgder achtingswaardige personen, welke er de ver schillende kommissiën van uit maken. Echter naardemaal deze stukken in de dagbladen, van de zijde der hoosden van de koloniën nog meer toezigt schijnen te vorderen op het bestuur der bedelaarskolonie- in het bijzonder, laten wij dan eens nagaan, os zelfs, indien men den toestand der bedelaars, aan hunne zorg toevertrouwd, aanmerkelijk verbeterde, die toch voor het grootste gedeelte gekomen zijn uit de laagste en meest bedorvene, volksklasse, men dan zoude kunnen hopen van op de banken van het Hos van Assises niet meer yoorwerpen te zien verschijnen, die uit dat gesticht ont, snapt zijn, en die zich gaan beschuldigen van misdaden begaan te hebben, om hun lot te verbeteren. Wij gelooven, dat het valdoende is, eene slaauwe kennis van het menschelijk hart te hebben, om niet te twijselen, dat, welke verbetering men ook ten laatste moge maken in zulke instellingen, er altijd onverbeterlijke wezens zullen overblijven, en die den arbeid haten; dat zij steeds middelen zullen zoeken om hunnen toestand te iveranderen, welk ook het vreesselijk vooruitzigt zij, dat zich aan hunnen geest voordoet, mits zij zich Nechts kunnen vrijwaren van den arbeid, dien zij verachten; en dit bedenkeude 'moet men zich niet verwonderen, dat zij -van de vrijheid, die hun gelaten wordt, misbruik maken om te ontsnappen. 9 Maar welk is het gesticht văn Weldadigheid, hetwelk niet tevreden zoude zijn over de uitkomsten, welke tot dus verre door de onzen verkregen zijn, waar, niette genstaande die moeijelijkheden, welke veroorzaakt wor den door de onzedelijkheid, waarin de meeste van die personen verzonken zijn, men van ongeveer zes duizend bedelaars, die achtereenvolgens zich in de gestichten der -beide Maatschappijen van Weldadigheid bevonden heb ben, er slechts weinig kan aanwijzen, die zich niet aan de orde der bedelaarskolonie hebben kunnen onderwer pen, daar allen toch dezelsde gelegenheid hebben om te ontsnappen. 5. Het zal niet ongepast zijn hier te herinneren, dat de bedelaarskolonisten, welke door de regering naar de ko Joniện gezonden worden, om aldaar te kunnen worden toegelaten, werkyatbaar moeten bevonden zijn en vooral om op het veld te kunnen arbeiden, en dat al deze men schen gewoon zijn geweest in luiheid te leven, als zich hebbende overgegeven aan de bedelarij als eenig middel van bestaan, 200 dat het onderscheid, hetwelk zij be merken tusschen hunnen rondzwervenden staat, die hun zonder moeite het noodige voedsel opleverde, en het re gelmatige leven, herwelk zij genoodzaakt zijn te leiden, benevens den dwang om te werken, ten einde een matig dagloon te verdienen, reeds voldoende is om hen tot die soort van wanhoop te brengen, en om hen de bui. tensporigheden te doen begaan, waarvan de dagbladen melding maken, en wier verhaal noodzakelijk schaden moet aan de belangen en het welllagen eener Maatschap pij, welker gelukkige pogingen men op beteren prijs moest stellen. * Het is misschien droevig, dat de regtbanken, aan de eenvoudige uitlegging der wetten onderworpen, voor een oogenblik aan die ongelukkigen, die zich zelven van denkbeeldige misdaden beschuldigen, de stras niet kunnen toestaan, welke zij verlangen, dan zoude men hen zon der twijsel binnen korten tijd nog levendiger het verlos zien asbidden om naar de gestichten te kunnen terug keeren, welke zij verlaten hadden, en vervolgens de weldaden beter op prijs zien stellen, en de hulp welke zij er ondervinden; dan zoude het verhaal van hetgeen zij er ondervonden hadden, voorzeker den heil zaamsten invloed op hunne makkers hebben. Ons oogmerk, met het openbaar maken van dit stukje, is, om den ongunstigen indruk weg te nemen, welke het algemeen zoude kunnen krijgen van de Maatschappij yan Weldadigheid, door Prins FREDERIK zoo te regt beschermd, en van liet bestuur der gestichten, door de openbaarmaking in de Gazette des Tribunaux, van den jo April 1828, waarin men al de zaken vereenigt, die betrekking hebben tot de ontsnapte kolonisten, en die bij lange tusschenpozen hebben plaats gehad. Wij 20u• den ons gelukkig achten, indien wij geslaagd waren om bet nadeel te 'herstellen, dat er voor de belangen der Maatschappij uit heeft kunnen voortvloeijen, en wij zul. sen eindigen met aan de leden, die tot onderhoud dezer inttellingen bijdragen, de verzekering te geven, dat niets van wege de Bestuurders verwaarloosd is geworden, om aan de bedelaars, die in de koloniën geplaatst zijn, een geschikt en voldoend voedsel te bezorgen en om voor te komen, dat geenë soort van schadelijk misbruik er inslui. pe; wij zijn daarenboven ernstig overtuigd, dat een on derzoek van wege de regering, zoo als de Gazette des Tribunaux hetzelve inroept, nog meer vertrouwen zal kunnen geven aan hetgeen wij verzekeren (*). ( * ) Wij meenen hier eene - omstandigheid te moeten doen opmerken, welke zeer overgesteld is tegen de leugenachtige verklaringen van vijs os zes dier personen, welke op de ban. ken van het Hos van Assises zijn verschenen, en waarvan de Gazette des Tribunaux melding maakt; dezelve is, dat het ze. ker is dat meer dan tien będelaarskolonisten, welke in het asgeloopen jaar uit het gesticht van Merksplas-Rijkevorsel in Vrijheid zijn gesteld, uit eigene beweging er in zijn terug ge keerd, alhoewel zij de verzekering hadden van niet voor den tweeden keer in vrijheid te kunnen gesteld worden, dan na 3 jaren verblijs in de kolonie. Geloost" men, dat zij in het gesticht zouden terugkeeren, indien zij er zich ongelukkig in bevonden? Overigens, indien de bedelaars in de koloniën der Maatschappij van Weldadigheid opgesloten, er een ondra gelijk lot ondervonden, hoe zoude dan het Bestuur er toe kunnen komen om de volmaakte orde te handhaven, die onder hen heerscht, daar het gezag zich alleen handhaast door een zwak getal krijgslieden, bestaande uit 15 mannen, om vrees in te boezemen aan een zoo groot getal personen, gewapend met vorken, spaden, enz. en bij troepen gaande werken op de velden ? Ook moet men opmerken, dat nooit de militaire magt hen vergezelt, en dat men er ook nimmer toevlugt toe heeft moeten hebben. Vier jonge lieden, met namen J. PASSOIR, C. SINISTERRE, D. VAN DER SUYPEN en P. J. PANDAEM, die zich den 7 April 1828 vertoond hebben op de banken van het Hos van Assises der prov. Antwerpen, waren een deel van het klein getal boosdoeners, die in de koloniën veroordeeld zijn cot het dragen der roode muts, als een teeken van verlaging. ( Aanteekening van den Redacteur des Philantrope.)