Maandblad Vriend des Vaderlands van juli 1827 over de Belgische kolonies

Uit KolonieWiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De pdf van dit nummer staat hier op delpher.nl


Sjabloon:Maandblad Vriend des Vaderlands over de Belgische kolonies

Le Philanthrope, recueil publié par ordre de la Commission Permanente de la Société de Biensaisance, établie dans les Provinces Méridionales du Royaume des Pays-Bas. Vme Année. 3e Livraison, Bruxelles, chez WEISSENBRUCH. Mars 1827. Hetzelfde Tijdschrift. 4e. Livraison, Mai 1827.[bewerken | brontekst bewerken]

Wij willen thans onze lezers slechts in eenige hoofdtrekken met den inhoud dezer beide nummers bekend maken, en wel alleen, gelijk wij steeds gewoon zijn, voor zoo verre dezelve betrekking heeft tot onze Zuidelijke Zuster-Maatschappij en hare Koloniën in de Provincie Antwerpen; namelijk de twee vrije Koloniën nabij Wortel: en die tot wering der bedelarij, tusschen de dorpen Merksplas en Rijkevorsel gelegen. Somtijds zullen wij de eigen woorden van den Philanthrope bezigen, meestal echter slechts in weinige woorden den hoofdinhoud mededeelen.

Over de vrije Koloniën, gedurende de maanden Januarij en Februarij 1827.[bewerken | brontekst bewerken]

Door het strenge jaargetijde is er genoegzaam niets op het veld verrigt. Vele voorschotten werden aan de Kolonisten gedaan. Het eenige middel van bestaan, zoowel voor de vrije als voor de bedelaars-Kolonisten was de fabrijkmatige arbeid. Dezelve was echter geenszins toereikende om in derzelver voeding enz. geheel te voorzien; waarom men dan ook aan een aanzienlijk getal voorschotten heeft moeten doen.Deze voorschotten zullen, voor een groot gedeelte, teruggekregen worden door inhoudingen op het verdiende gedurende den zomer vän 1827. Een klein gedeelte der dertig huisgezinnen, welke geheel vrijgelaten waren geworden en dus hoegenaamd geen onderstand van de Maatsch. meer genoten, hebben dezelve echter gedurende deze twee maandeni niet geheel kunnen ontberen. Dit werd voornamelijk veroorzaakt door den buitengewoon hoogen prijs van het beestenvoeder. Men voedt gegronde hoop, dat in volgende winters de vrije huisgezinnen geen’ onderstand meer zullen behoeven. De Inspekteur der Koloniën heeft alle mogelijke maatregelen genomen, om een juist toezigt te kunnen uitoesenen over de stallen, opdat aan het vee gedurende de hevige koude geen voeder' zoude ontbreken. Het mestmaken was niet zo ruim als in andere jaargetijden, daar de bevrozen opperkorst' van den grond het steken van plaggen tot strooijing onder het vee niet toeliet.

De geheele opbrengst van den oogst enz. der drie Koloniën in de Provincie Antwerpen gedurende 1826 was als volgt.

Vrije Kolonie No. I S 8852,79

Vrije Kolonie No. 2 S 2128,26

Bedelaarskolonie S 12389,02 ¼

Totaal S 23.370,07 ¼



(pagina 535)


Tabel: De opbrengst van iedere Kolonie in het bijzonder was:

Kolonie No. 1

Kolonie No.2

Kolonie No 3



(pagina 536)

De opbrengst zoude veel grooter geweest zijn, indien de geweldige droogte van den jare 1826 niet zoo zeer geschaad had. Onder de opbrengst is niet gerekend de waarde van het geteelde in de tuinen der Kolonisten, welke elk 60 vierkante -roeden groot zijn.. Daarenboven is mede niet opgesomd.het voordeel der 125 koeijen in de vrije Koloniën; daar dit zeer moeije lijk zoude geweest zijn, uit hoosde dat een groot ge deelte van het veevoeder in den omtrek der. Koloniën heeft moeten worden gekocht, en dus asgetrokken had moeten worden van de voordeelen, welke de koeijen en schapen hebben opgebragt. De prijs det voortbrengselen in bovenstaande staten is zoo gering mogelijk gesteld; ja bijna lager dan de markt prijzen waren. De Koloniën hebben overvloedig genoeg aardappelen opgebragt voor de voeding van alle Kolonisten. Nu men de wintermaanden doorgeworsteld heeft, is de moeijelijkste tijd weder voorbij. Het ontslag, door den Onderwijzer POTASCH in de Ko loniën genomen, en de moeijelijkheid, welke de Perm. Komm. der Maatschappij had ondervonden, om iemand te vinden, ten einde hem behoorlijk te vervangen, hadden de orde verstoord, welke er bestond omtrent het aan de jonge Kolonisten te geven onderwijs; maar wij kunnen berigten, dat de school weder in orde is gebragt, en dat het onderwijs toevertrouwd is aan den onderwijzer VAN DEN BỌS, omtrent wien de Kommissie zeer gunstige be rigten heeft ontvangen. Volgens de laatst uit de Kolo. niën ontvangene berigten scheen het onderwijs naar den zin van den Heer Inspekteur en van zijne leerlingen te gaan. - Wat het gedrag der Kolonisten in het alge meen betrest, kan de Inspecteur er niets dan goed van zeggen. Slechts eene vrouw ( LARONDELle ', hoeve No. 17) is door de regtbank van Turnhout tot cene maand gevangenis veroordeeld,.wegens mishandeling, een ' wijk meester aangedaan. Gedurende Januarij en Februarij 1827 zijn er 2 kinde ren geboren en 3 personen gestorven.

Over de Bedelaars-Kolonie gedurende de twee eerste maanden van 1827.[bewerken | brontekst bewerken]

Een gedeelte der bedelaars is in de Fabrijken gebezigd geworden; zij, wien men geen werk konde geven, zijn, in aswachting van het liervatten van den veldarbeid, ten koste van het door hen opgespaarde, gevoed. Er zijn reeds 20 bedelaars, die met de maand Mei aanstaande s25 zuiver zullen overgewonnen hebben, en dus volgens de wet van het Gesticht aan de Regering zullen worden voorgedragen ter in vrijheid stelling. De wet toch bepaalt, dat de 25 bedelaars onder de 1000, die de grootste - blijken van ijver en goed gedrag zullen gegeven hebben, en die daarenboven s25 zullen hebben overgespaard, telken jare door de Perm. Komm, aan de Regering zullen worden opgegeven, met verzoek om ze vrij te laten; dat hun daarenboven op het oogenblik, wanneer zij heengaan, een vereerend getuigschrist zal worden gegeven en het gespaarde hun uitbetaald, deels in geld, deels in kleedingstukken. Dit vooruitzigt onder houdt bij de bedelaars eenen grooten naijver en werk zaamheid, zoodat de beste gevolgen van dezen maatregel te wachten zijn. Alles eindelijk, wat men ten opzigte van de Kolonie tot wering der bedelarij verneemt, doet deze instelling als allerbelangrijkst voorkomen. Niettegenstaande de gronden van het gesticht slechts de eerste vrucht droegen, en de zomer van 1826 zeer droog en verbrandend is geweest, heeft de oogst van dat jaar aan de Maatschappij de som van s 12,389.02 ) opgebragt; vele bunders land hebben rijkelijk de kosten van derzel ver ontginning vergoed. En deze uitkomsten zijn slechts met weinig vee (8 paar den, 28 hoornbeesten en 1005 schapen) verkregen; hoe veel meer zal de opbrengst dan niet zijn, wanneer de geldelijke middelen der Maatschappij haar in staat zullen stellen om den veestapel op de noodige hoogte te brengen ? Daar de gronden der bedelaars- Kolonie veel beter zijn dan die der vrije Koloniën, is er geen twijsel aan, os zij zullen de laatste spoedig in opbrengst gaan overtressen. Ook de wijze van bestuur der vrije en bedelaars- Ko loniën zal hierop eenen aaninerkelijken invloed uitoesenen. Gedurende de maand Januarij zijn er 21 en gedurende Februarij 13 bedelaars gestorven. De zwakke toestand van een aantal personen en een buikloop, welke er onder hen geheerscht heeft, zijn de oorzaken geweest van vele sterfgevallen. Niets wordt verzuimd om alle soort van besmettelijke ziekte in de Gestichten voor te komen, en opdat er niets aan de zieken zoude ontbreken. De Perm. Komm. heeft door de zoldering van iedere zaal, waar de bedelaars slapen, pijpen doen plaatsen, die door het dak gaan en door middel van welke de bedorvene lucht, welke zich in die zalen mogt bevinden, zich kan verwijderen. Het getal bedelaars, 200 mannen als vrouwen, in het Gesticht, was mp den 28 Februarij 1.1. 923. Gedurende, de twee maanden was er slechts één ont snapt en de Heer Kapitein v. D. BOSCH, Inspekteur der Koloniën, heeft aan de Perm. Komm. hoegenaamd geene grove misslagen, door de bedelaars- Kolonisten begaan, behoeven op te geven; het verdient zelfs opmerking, dat gedurende de maand Februarij geene stras hoegenaamd heeft moeten toegepast worden.


Daar in eene vorige opgave fouten waren ingeslopen,



(pagina 539)

heeft het bestuur der Maatsch. noodig geoordeeld te moeten,berigten, dat het aantal bezaaide gronden enz. is als volgt :. In de vrije Kolonie Nº. 1 Zijn er 245 landen geheel ontgonnen, waarvan 50 bunders met winterrogge zijn bezaaid. In de vrije Kolonie Nº. : Zijn er 157 bunders land, die alleen omgespit en 48 bunders, die geheel ontgonnen zijn; van deze laatste zijn er jo met winterkoren bezaaid. In de Kolonie tot wering der bedelarij Zijn er 315 bunders omgespit en 120 bunders geheel ontgonnen, waarvan 30 bunders met winterkoren zijn bezaaid. In het geheel Bevinden er zich in deze drie Stichtingen te zamen 472 bunders land omgespit, 413 geheel ontgonnen, en van deze laatste go bunders met winterkoren bezaaid.

Verslag van de Kommissie, benoemd in den boezem der algemeene Vergadering van de Komin. van Toeyoorzigt der Maatsch. van Weldad. in de Zuidelijke Gewesten der Nederlanden, len cinde de Koloniale instellingen dier Maat. schappij te gaan onderzoeken.[bewerken | brontekst bewerken]

MIJNE HEEREN !

Om ons te kwijten van de Kommissie, waarmede güj ons in uwe laatste zitting belast hebt, hebben wij ons den 24 Julij begeven naar de Koloniën Wortel en Merks plas. Het is met eene groote voldoening, dat wij u bekend maken eene aanmerkelijke verbetering in de onderschei dene bebouwingen. De rogge was gedeeltelijk gemaaid, maar nog niet binnengehaald : hare hoedanigheid, zoo wel ten opzigte van het graan als van het stroo was beter dan die van het laatste jaar, en hoewel de koude en droogte der maand Mei, alsook de geweldige hitte van Junij, on voordeelig zijn geweest, kan dezelve wedijveren met die der, sedert vele jaren, in de Gemeente bebouwde landen. De hayer was gevoelig geweest voor de droogte, vooral in de Kolonie Wartel. De boekweit gaf eene schoone hoop, en wij hebben met genoegen opgemerkt, dat de proeven tot het bouwen van vlas geslaagd waren. De aardappelen vooral beloosden eenen der overvloedig ste oogsten, en indien de volgende jaren eene zoo ' vol doende uitkomst als dit jaar opleveren, zullen de Kolo. niën in weinig tijds in al hunne behoesten voorzien. Evenwel ontbreken er de weiden en beemden. De Kolonisten genoodzaakt zijnde, om het noodig hooi tot voedsel van hun vee te koopen, kunnen de weiden al leen hen beletten, om nieuwe schulden te maken, wel ke zij mogelijk niet meer in itaat zouden zijn as te losseri. Wij hebben opgemerke, vooral bij Merksplas, dat cenige gedeelten van heiden, met weinig kosten in weiden zouden kunnen veranderd worden, en die in korte jaren tot groote hulp zouden verstrekken. Indien de besturende Kommissie die zorg aan den ijver, werk zaamheid en juist verstand van den Heer Inspekteur toe vertrouwde, zijn wij overtuigd, dat de moeijelijkheden, die zich mogten opdoen, niet zouden vertoeven om da delijk veressend te worden. De dit jaar gezaaide klayer geest veel hoop; maar de hitte en de droogte zijn onvoordeelig geweest voor die van het laatste jaar. Vele gedeelten van landerijen, die niet geschikt geoor deeld werden tot eene toekomstige bebouwing, zijn met dennenboomen bezaaid, dic zeer wel groeijen; het zoude mogelijk nuttig zijn de zaaijing van lorkenboomen te be proeven. De beplantingen der wegen waren in vollen groei, zoo als ook die der heggen, welke bestemd zijn tot hakhout en tot beschutting voor de verschillende voort brengselen van den akkerbouw, en het is te hopen, dat in het volgende jaar ieder vierkant bebouwden grond met heggen zal voorzien zijn. De boomkweekerijen waren in eenen zeer goeden staat. De tuinen der Kolonisten worden met zorg bebouwd : zij beloven allerlei soort van groenten, welke sterk groeijen. Wij hebben er daarenboven eene proes ge zien van eenige voeten hennep, van het schoonste voor komen. Eenige bloemen versieren die tuinen en geven dezelve een aanzien van genot en voorspoed. De huizen worden zindelijk gehouden; allen zijn met het noodige huisraad voorzien, en zelfs van eenige voor werpen, die den voorspoedigen staat der Kolonisten aan duiden. Els hunner werken en bouwen reeds voor hunne eigen rekening, waarvan drie na twee jaren ver blijs in de Kolonie. Een voormalig timmerman nu Kolonist, heeft zijn oud ambacht weder opgevat, en werkt reeds 'met ver scheidene knechts; de opbrengst van zijn werk is vol doende tot onderhoud van zijn huisgezin, hetwelk uit tien menschen bestaat. Het water is verbeterd; evenwel meenen wij nog te moeten aandringen op het daarstellen van een grooter getal putten. De stossen tot de kleeding, zoo als linnen, kousen, schoenen enz. zijn van goede hoedanigheid, en in de Koloniën gemaakt. De school was voor het oogenblik zonder onderwijzer; die van het bedelaars-gesticht van Hoogstraten nam de zelve in het vorige jaar waar, maar hij heeft er zich aan onttrokken. Het zoude te wenschen zijn, dat men een? voldoend jaargeld zoude kunnen vaststellen, voor een ' onderwijzer, die uitsluitend, zoo wel aan de vrije Ko loniën als aan die tot wering der bedelarij, verbonden was, daar het onderwijs een der wezenlijkste takken is, die moeten medewerken tot den voorspoed van de stichting. De beide vrije Koloniën bevatten te zamen 125 wonin waarvan 73 in volle bebouwing zijn. De 52 nieuwe woningen, die nog ledig zijn, zullen zonder twijsel spoedig bewoond worden door Kolonisten van Merks plas, die door hun goed gedrag en hunne nijverheid, verdiend zullen hebben, om tot belooning in de vrije Koloniën te komen.

Merksplas, of Kolonie tot wering der bedelarij.[bewerken | brontekst bewerken]

Deze Kolonie, zoo als ook de twee voorgaande, is voor ons een voorwerp van verwondering geweest. Vel den, die in het laatste jaar bijna geheel niet anders wa ren dan eene groote heide, zijn reeds bedekt met schoo ne oogsten van koorn, vlas, haver, aardappelen en kla ver. De oppervlakte van de Kolonie tot wering der bedelarij is van betere hoedanigheid, dan die der vrije Koloniën. De schapen -mest en die der hoornbeesten is er voornamelijk noodzakelijk. Het zoude te wenschen zijn, dat men het getal der schapen vermeerderde, en dat het voorstel, hetwelk de Heer Inspekteur gedaan heeft, om de paarden door koeijen te vervangen, mogt aangenomen worden; de grond is ligt genoeg om door koeijen beplocgd te kun nen worden, en derzelver mest, met die der schapen ver mengd, zoude de goede Naging der oogsten begunstigen; eindelijk zullen de koeijen, na een werk van eenige ja ren, in waarde verdubbeld zijn, terwijl die van de paarden gevoelig zal zijn verminderd. Eene zeer ruime tursgroeve is pas ontdekt; dezelve zal gedurende vele jaren voor de benoodigdheden der Kolonisten voldoende zijn. De Perm. Komm. heeft de aankoop gedaan van een ' zeer ruimen vijver os diep moeras, die de Kommissie, belast met het onderzoek, in het vorige jaar sterk aange raden had. Deze koop zal zeer voordeelig zijn voor de bebouwing der landerijen van Merksplas. Reeds is er door de zorgen van den Heer Inspekteur eene groote sloot gegraven en door middel van eene sluis kan men de vochtigheid in een groot gedeelte van den grond onderhouden. De ingang van het Gesticht tot wering der bedelarij geest geen' schijn van aszondering; niets duidt er de droesheid aan, welke bijna onasschei. delijk is van de berooving der vrijheid; een groot gedeelte der opgeslotene Kolonisten geest zich aan de werken van den akkerbouw over, met een' verwonderlijken lust en paauwgezetheid; de vrouwen, die sterk genoeg zijn om den akkerbouw te kunnen verdragen, spitter de aarde en brengen alle dagen een verwonderenswaardig werk te voorschijn; andere worden gebruikt tot den oogst os tot den inwendigen dienst van het Gesticht. Kinderen, en eenige volwassene Kolonisten, houden zich met het maken van kleederen bezig : zoodat elke opgeslotene bezig is, en een loon trekt, meer os min genoegzaam tot zijn onderhoud. Een blik van ges zondheid en tevredenheid heerscht op de aangezigten, en ten tijde van ons onderzoek waren slechts yier vrou wen en twaals mannen, onder eene bevolking van goo opgeslotenen in het ziekenhuis. Een zeer wijze maatregel is door de Perm. Koinm. genomen geworden, namelijk, de vermindering der gelden, welke aan de Kolonisten toegestaan waren, tot aankoo pen in de winkels; wij denken zelfs, dat eene nog groo tere vermindering zoude kunnen worden bewerkstelligd. De groote uitgestrektheid der gebouwen, en bij gevolg die van derzelver daken, levert met elken regen eene groote hoeveelheid water op, dat verloren gaat. Men stelt zich voor om hetzelve in regenbakken te verzame len, en wij gelooven, dat het nuttig zoude zijn van er een ' zeer grooten te bouwen, aan ieder der vier uitwen dige hoeken van het gebouw. Er zal eene groote bezuiniging uit voortkomen in de uitgaas van de gedurige dranken, welke een zoodanig gesticht vereischt, en eene voorname hulpbron in geval van brand; want eene groote hoeveelheid water, verspreid op verschillende plaatsen van het gesticht, is onmisbaar om de geheele verdelging voor ce komen van een gebouw, welks houtwerk bijna geheel alleen uit het zoo ligt brandbare dennenhout bestaat. De brandspuit, welke in het ge. bouw geplaatst is, zoude slechts eene zwakke hulp in geval van brand kunnen aanbrengen, en wij moeten de geheele aandacht van de Perm. Komm. op dat gewigtig onder werp inroepen, als ook op de middelen van verbetering os vernieuwing van goten, die door gebrek in hunne zamenstelling, zich sleclits gedurende weinige jaren zullen goed houden. Wij zullen nog de aanmerking, die wij het vorige jaar maakten over het gebrek aan eene zoldering in het waschhuis herinneren; deszelfs timmerwerk aan de lucht blootgesteld zijnde,, zoo moeten de warmte en de damp, die gedurig uit de kookketels uitwasemen, het zelve in weinige jaren doen verrotten, en de planken doorgaande, verspreidt deze damp eenen onaangenamen en ongezonden reuk in de kamer, die een gedeelte uitmaakt van de woning van den Heer Inspekteur. Eene zolde ring, met kalk bestreken en met olieverw geverwd, is ons toegeschenen noodig te zijn, om dit ongemak te verhelpen. Wij zullen onze opmerking eindigen met de Perm. Komm. te verzoeken, om in hare wijsheid te over wegen, os er geen voordeel en bezuiniging uit zoude voortspruiten, in de groote hoeven de houten as sluitingen, naarmate er vernieuwingen moeten gedaan worden, te vervangen door steenen muren, daar toch veldovens voor steen op de plaats zelve kunnen ge maakt worden. De Heer Inspekteur Kapitein van den BOSCH verdient de grootste lostuitingen; Z. E. voegt bij eene bijzondere kennis van het beheer der Koloniën, eene ijverige werkzaamheid zonder voorbeeld, en hij heeft zekerlijk een groot aandeel in den voorspoedigen staat waarin zij zich bevinden. Overal heerscht de grootste orde en zindelijkheid, iets dat zoo veel moeijelijker te verkrijgen is, daar de morsigheid, om zoo te zeggen, aanklevende is aan den staat van armoede, waarin de Kolonisten het grootste gedeelte huns levens hebben doorgebragt. Het schijnt ook, dat de Heer Kapitein van DEN BOSCH, de zachtheid met de strengheid heeft weten te vereenigen; want overal, zelfs in de Kolonie tot wering der bedelarij wordt hij meer als een weldoener, dan als een opperhoosd beschouwd; en een eerbiedig vertrouwen is het algemeen gevoelen, dat hij de Kolonisten heeft weten in te boezemen; ook zijn de strassen zeer zeld zaam. ' Vele vreemdelingen hebben dit jaar de Kolonie be zocht, allen hebben eene groote tevredenheid betuigd en doen regt, zoo aan de deugdzaamheid der geltichten, als aan de wijze, waarop zij bestuurd worden. Het zoude te wenschen zijn dat onze landgenooten dezelve meer kenden; dezelve bezoekende, zouden zij meer waarde hechten aan de diensten, welke de Koloniën de groote Maatschappij bewijzen, en zich van de nuttigheid over tuigen, die er in zijn zou, hetzij om er de uitgestrekt lieid van te vergrooten, hetzij om er nieuwe daar te Stellen; deze overtuiging zou nier weinig toebrengen om het getal der leden te vermeerderen. Mogten geluk kige omstandigheden toelaten, dat de hulpbronnen der weldadigheid zich zonder verdeeling rigtten naar zulke voortresselijke stichtingen. Wij zullen eindigen met den wensch te uiten, dat de Regering, om den voorspoed der Koloniën te vermeerde ren, de rivier de Merk, van Hoogstraten naar Breda, wilde bevaarbaar maken. Dit werk zoude misschien met zuinigheid kunnen gedaan worden door er de Kolonisten zelve voor te gebruiken. Wij wenschen ons geluk, van aan de Kommissie van toevoorzigt een zoo voordeelig verslag te hebben kun nen doen, van eene inrigting, waarin zij het levendigste belang stelt.

Brussel, den 29 Junij 1826.

(Get. ) J. DE SNELLINCK. HUYSMAN VAN ANNECROIX. HENDRIK COGELS.


Beknopt Verslag wegens den toestand der landbouwende Kolonien der Zuid. Maatsch. van Weldad. in de Provincie Antwerpen, gedurende de maanden Maart en April 1827.[bewerken | brontekst bewerken]

Met den aanvang van de maand Maart zijn de werk zaamheden op het veld hervat; de Kolonisten waren met den besten geest bezield, maar de verbaasde vochtigheid heeft veroorzaakt, dat zij niet veel hebben kunnen vorde ren Men behoest echter naar alle waarschijnlijkheid niet bevreesd te zijn voor den oogste Eenige bunders bezaaid met jonge klaver stonden vrij slecht. De Heer Inspekteur der Koloniën was voorne mens, om de ledige plekken in dezelve aan te vullen met spurrie, gemengd met haver, en het schijnt, dat zulks in gelijke omstandigheden, ' zeer goed geslaagd is. Het winterkoren, hetwelk een der voornaamste voort brengselen der Koloniën is, staat zeer gunstig op de lan den der Maatschappij; men moet zich hierover te meer verheugen, daar de naburige landbouwers, hun winter koren weder hebben moeten omploegen. Hoewel hij, die de werkzaamheden in de Koloniën be stuurt, er verre as is, van den goeden uitslag te wil len toeschrijven aan zijne grootere kundigheden in den akkerbouw en dezelve meer beschouwt als de uit komst van de meerdere voortresselijkheid der meststossen, welke aan de Maatschappij behooren, in vergelijking van de kleinere landbouwers in de nabuurschap, zoo als ook aan de voorzorg, om de aarde tot op eene groote diepte om te spitten, moeten wij echter doen opmerken, dar, om in eene onderneming, welke het ook zij, te sagen, het niet voldoende is goede bouwstossen te hebben, maar dat men ook de middelen wel moet weten besturen; dat men daarenboven eene uitstekende kennis moet hebben van het werk, dat men onderneemt; waaruit wij dus bé sluiten, dat de Heer Kapitein van DEN BOSCH, Inspekteur der Koloniën, eene groote zedigheid aan den dag legt, wanneer hij, bij de voordeelen, welke uit zijne zorgen voor de Koloniën, voortspruiten, voor niets telt de bij zondere kennis, welke hij van den landbouw heeft. Het planten van aardappelen, hetwelk in gewone jaren geëindigd is op den eersten Mei, heeft men dit jaar eerst kunnen beginnen met de helst van April, ter oor zake van de vochtigheid van den grond; - deze belang rijke werkzaamheid voor de Maatschappij houdt het grootste deel der Kolonisten bezig. De maatregelen, wel ke er genomen waren, om de aardappelen, gedurende de sterke vorst van den asgeloopen winter te bewaren, heb ben de schade voorgekomen, welke uit dezelve had kun voortspruiten; thans, bezitten de Kolonisten zelfs meer aardappelen dan tot hunne voeding noodig is. Men is voornemens een bunder lands met ylas te be zaaijen en eenige andere stukken met haver en erwten. De verschillende proeven van deze teelten, welke in het asgeloopen jaar in de Kolonie tot wering der bedelarij zijn genomen geworden, waren te aanmoedigend om ze dit jaar niet te herhalen. Het geheel der Kolonie biedt van jaar tọt jaar een meer aanlokkend uiterlijk aan, vooral door het wel. groeijen der beplantingen; dit zal door de bezoekers der Koloniën kunnen opgemerkt worden. De Perm. Komm. noodigt alle reisluchtigen uit om zich dezen zomer naar dezelve te komen begeven en wel zoo mogelijk voor dat de velden van het graan ontbloot zijn. Het kan niet missen os zij, die de Roloniën aandachtig beschouwen en nog geene leden der Maatschappij van Weldadig heid zijn, zullen zels als zoodanig doen inschrijven en niet langer de geringe jaarlijksche bijdragen van s2.60 ten behoeve hunner verarmde landgenooten weigeren; eene bijdrage, waardoor het algemeene Vaderland wezenlijk ver rijkt wordt. Met genoegen verneemt men, dat de ingezamelde gelden van de Leden der Maatschappij dit jaar aanzienlijker zijn dan in voorgaande jaren. Na den voordeeligen staat der vrije Koloniën opgege ven te hebben, smart het ons melding te moeten maken van eenige grove souten, waaraan sommige vrije Kolonis ten zich hebben schuldig gemaakt. Deze souten spruiten meest uit een gebrek aan huisselijke deugden; iets, dat dikwers cen geheel huisgezin weder in de ellende terug doet storten, waaruit eene weldadige hand hetzelve naauwelijks had gered.

In den nacht van den 24 tot 25 Maart 1. 1. heeft de Kolonist WILKIN, die de hoeve Nº. 2 van de eerste vrije Kolonie bewoonde, met zijne vrouw en vier kin deren zijne woonplaats verlaten, en is uit de Koloniën ontvlugt, met zich nemende kleedingstukken, welke aan de Maatschappij behooren, ter waarde van s 62.80. Die huisgezin was gezonden door de stedelijke Sub Kommissie van Verviers, tot welke de Perm. Komm. zich vervoegd heeft om dit huisgezin te doen aanhou den, in de veronderstelling, dat hetzelve naar Verviers is teruggekeerd, os wel naar de omstreken dier stad. De hoeve Nº. 35, in de vrije Kolonie Nº. 1, is ins gelijks verlaten geworden op den 1 April 1829 door het huisgezin de geneSSe, bestaande uit man, vrouw en vijs kinderen1; de kleedingstukken, geschat op s 36.50, en welke dit huisgezin van de Maatschappij had ontvangen, zijn ook medegenomen geworden. Dit huis gezin was gezonden door de stedelijke Sub -Kommissie van Brussel; er zijn maatregelen door de Perm. Komm. genomen om deze personen in hechtenis te doen nemen, Ook zijn er klagten ten opzigte van de bewoonster der hoeve No. 17 in de Kolonie No. 1 ingekomen. Deze vrouw geplaatst door de Sub -Kommissie te Aubel, in de Provincie Luik, heeft zich schuldig ge maakt aan onbeschostheid en beleedigingen jegens ambtenaren van het bestuur.

Voor het overige is het gedrag der Kolonisten vol doende; zij vervullen naauwkeurig hunne godsdienstige pligten, en het onderwijs, hetwelk toevertrouwd is aan een kundig en verlicht man, maakt vorderingen, die getuigen 1 van de bekwaamheid van den onderwijzer en van den ijver der leerlingen. Al les gaat ook in de Kolonie tot wering der bedelarij naar den wensch der Perm. Komm. De bedelaars -Kolo nisten betuigen hun genoegen over de terugkomst van het jaargetijde, dat hun toelaat den veld -arbeid te hervat ten, en de weinige zieken, welke zich in het ziekenhuis bevinden, geest de hoop, dat deze Stichting weldra den voorrang zal hernemen, welke dezelve tot dus verre gehad heeft boven die van dezelsde soort, welke elders gesticht zijn.

Men telde gedurende de maand Maart in het ge sticht, tien overledenen en drie weggeloopenen, zoodat er zich op den laatsten dier maand nog 948 bedelaars-Ko lonisten bevonden. Daar de geldelijke middelen, waar over de Maatschappij kan beschikken, haar nog niet toe laten om eene aszonderlijke kerk en kerkhos te doen daarstellen, had de Perm. Komm. middelerwijl aan den Heer Inspect.-Kapitein VAN DEN BOSCH verzocht, de bedelaars, die in het gesticht stierven, te doen begra ven in het kerkhos van de Gemeente Merksplas; maar het schijnt, dat de geringe uitgestrektheid van hetzelve den Heer Burgemeester van die Gemeente aanspoorde, om zich tot de bevoegde magt te wenden, ten einde te verkrij gen, dat die soort van begraven in zijne Gemeente geen. plaats meer zoude mogen hebben; waaruit volgde, dat de Perm. Komm. dadelijk in hare Koloniën eene geschikte plaats deed uitzoeken voor de daarstelling van eene as zonderlijke begraasplaats, en het was op den 19 Maart tol., dat de Heer Deken van Brecht, vergezeld van den Heer Aalmoezenier der Koloniën en van die van het · Bedelaarsgesticht der Provincie Antwerpen, den grond zegenden, voor de begrasenissen bestemd. Dezelve ligt ten Noord -Westen van het gesticht; een groot kruis met het beeld van den Zaligmaker, bevindt zich in het midden van de omheiningen, en toen de inzegening der begraasplaats geëindigd was, werd de bedelaar JAN SRANS. DE SCHUTTER, op den 17 Maart in het gesticht overleden, er het eerst in begraven; de kist was met den stoet mede gekomen. Na deze plegtigheid werd er eene mis gezongen in de kapel van het bedelaars gesticht en alle Kolonisten uit hetzelve waren er, onder eene groote stilte, bij tegenwoordig.

Gedurende de maand Maart zijn er drie kinderen in de vrije Koloniën geboren; niemand is er overleden.