Maandblad Vriend des Vaderlands van januari 1830 over de Belgische kolonies

Uit KolonieWiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Sjabloon:Maandblad Vriend des Vaderlands over de Belgische koloniesPagina 29. Le Philanthrope  recueil publié par ordre de la Comm. Perm. de la Société de Bienfaisance, élablie dans les Prov. Mérid. du Royaume des Pays-Bas. VllIe. Année. 3e. Livraison. Bruxelles, chez WEISSENBRUCH.

De Perm. Comm. beijvert zich, hare openlijke erkentenis te doen blijken voor de gift van ƒ 500, welke zij den 22 October l.l.. van de algemeene Maatschappij der Nederlanden ter begunstiging der volksvlijt, ontvangen heeft, alsook voor die van ƒ 100, welke haar kortelings is toegezonden door den Heer TERWAGNE, Thesaurier der Maatschappij te Luik, van wege iemand, die begeerde onbekend te blijven. Mogt het voorbeeld van deze weldaden andere milddadige menschen aansporen, om deze edele grootmoedigheid na te volgen van zulke ijverige beschermers der ongelukkige volksklasse.

Over den toestand der landbouwende koloniën in de Provincie Antwerpen, gedurende de maanden October en November 1829.[bewerken | brontekst bewerken]

Daar de oogst der veldvruchten dit jaar niet geëindigd kon wezen voor in de maand November, is het



(pagina 30)

aan het bestuur der kolonie nog niet mogelijk geweest, om aan de Perm. Comm. de staten te zenden, aanduidende de hoeveelheid van ieder ingeoogst voorwerp en de geschatte waarde daarvan. Het zal dus niet vóór in een volgend nummer kunnen zijn, dat wij die staten aan onze lezers zullen kunnen mededeelen.

De laatst ontvangene berigten van de stichtingen der Maatschappij geven te kennen, dat de kolonisten hun voordeel gedaan hebben met de schoone dagen, die men gedurende die laatste twee maanden gehad heeft, om de aarde te bereiden tot zaaijing van de winterrogge; maar daar de gunstige dagen voor den veldelijken arbeid vrij zeldzaam zijn geweest, is het om deze reden, dat de zaaijing verre is van geëindigd te zijn. De vorst, die oogenblikkelijk op den regen gevolgd is, heeft dit werk verhinderd, en zelfs het bestuur verpligt het uit te stellen.

Niettegenstaande dat de twee laatst verloopene jaren niet voordeelig zijn geweest voor de veldgewassen, en de guurheid der jaargetijden vooral schadelijk was voor de groote landelijke ondernemingen, kan de Maatschappij zich evenwel vleijen, in hare ondernemingen gelukkiger geweest te zijn, dan vele andere groote landbouwers.

Het bestuur, dat altijd moet waken, om aan de koIonisten bezigheid te geven, heeft ze gebruikt, om, gedurende de vorst, de gronden gelijk te maken, bestemd, om met dennen bepoot te worden. Deze gronden, zeer bemoscht en bedekt met heideplanten zijnde, geven weinig toegang aan de vorst, en verharden zich veel langzamer dan naakte gronden.

De orde en de rust zijn in de vrije koloniën, gedurende de twee verloopene maanden, niet gestoord geworden. Niet eene klagt over het gedrag der kolonisten is aan de Perm. Comm. gezonden geworden; men moet



(pagina 31)

evenwel uitzonderen den kolonist PUTTAERT en zijn huisgezin, waarvan wij reeds gelegenheid gehad hebben, in het laatste nummer het wangedrag te verhalen. Daar men er niet toe komen kan, om dit huisgezin tot de orde te doen terugkeeren, en daar hetzelve niet ophoudt, om aan de andere kolonisten het slechtste voorbeeld te geven, zal de Perm. Comm. zich verpligt zien hetzelve uit de koloniën te bannen, en de subcommissie van Brussel, door dewelke hetzelve gezonden is geworden, uit te noodigen, om het door een ander te laten vervangen.

Het godsdienstig en schoolonderwijs volgt zijnen gewonen loop, en strekt, om in het verstand en het hart der jonge kolonisten de deugden en de noodzakelijke kundigheden in te scherpen, noodig om van hen goede en eerlijke burgers te vormen, en hen bekwaam te maken, om zich eenmaal met goeden uitslag, op welk beroep ook, toe te leggen, en alzoo in hun onderhoud te voorzien.

Er zijn drie kinderen geboren.

Er is één persoon gestorven.

De bevolking der vrije koloniën bedroeg den 30 November 1829, 564 zielen.

Over de bedelaars-kolonie bij Merksplas-Rykevorsel, gedurende de maanden October en November 1829[bewerken | brontekst bewerken]

Men kan daaromtrent verwijzen op alles wat wij berigt hebben van de vrije koloniën, ten opzigte van den landbouw in deze kolonie.

Er is niet meer dan de helft van den bepaalden grond voor de teelt der winterrogge bezaaid kunnen worden.

Het slechte weder genoodzaakt hebbende, om den veldelijken arbeid daar te laten, heeft men getracht, om,



(pagina 32)

zoo veel mogelijk, de bedelaars aan verschillenden arbeid te bezigen, die plaats heeft in het binnendeel van het gesticht. Met betrekking tot deze fabrijkgoederen, bepaalt de Maatschappij zich alleenlijk tot het maken van alles, wat noodig is tot kleedingstukken, enz. voor het onderhoud der kolonisten, uit hoofde, dat de werktuigen in andere fabrijken in gebruik, aan de Maatschappij niet toelaten te werken voor den verkoop, noch voor het volhouden van de medewerking met de fabrikanten.

Het bestuur van deze inrigting onderscheidt zich bij voortduring door de onderhouding van goede orde; wij zijn de meest verdiende loftuitingen verschuldigd aan den Heer Kapitein VAN DEN BOSCH, broeder van den Generaal, tegenwoordig Gouverneur-Generaal. des Konings in de Oost- Indiēn. Zijn ijver en zijne verkleefdheid zijn de welwillendheid van den doorluchtigen beschermer der Maatschappij waardig.

Men heeft ook reden om tevreden te zijn over den ijver, die de H. H. AERTS en DE MUNTER in de uitoefening hunner werkzaamheden als geestelijken onderscheidt: de eerste in de vrije koloniën, en de andere in de kolonie tot wering der bedelạrij.

Onder het getal van personen van aanzien, welke dit jaar de koloniale stichtingen bezocht hebben, hebben wij vermeld den Graaf ZAMOYSKI, Voorzitter van den Senaat van het Koningrijk Polen. Wij vernemen, dat deze aanzienlijke ambtenaar een’ brief aan de Perm. Comm. gezonden heeft, om haar de voldoening te kennen te geven, die hij ondervonden heeft op het gezigt van inrigtingen, daargesteld door de weldadigheid van hen, die het voorbeeld gevolgd waren, gegeven door den Doorluchtigen Vorst, beschermer der Maatschappij. De Heer Graaf voegt er bij, dat het schoon is voor een jongen Prins, om zich bezig te houden met eenel Inrig



(pagina 33)

ting, die nuttig zal zijn in alle tijden en in alle oorden; en dat eene Maatschappij, welke zulke talrijke hinderpalen te overwinnen had en overwonnen heeft, aanspraak kan maken op de algemeene erkentenis.

Er zijn vier bedelaars gestorven.

De bevolking der bedelaars-kolonie bedroeg den 30 November 1829, 661 zielen.