Maandblad Vriend des Vaderlands van januari 1827 over de Belgische kolonies

Uit KolonieWiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
De pdf van dit nummer staat hier op delpher.nl

Sjabloon:Maandblad Vriend des Vaderlands over de Belgische kolonies

Pagina 27. Le Philanthrope , reeueil publié par ordre de la Commission Permanente de la Société de Bienfaisance , établie dans les Provinces Méridionales du Royaume des, Pays-Bas. — IV>= Atmóe. — S^e Livraison. Bruxelles , chez WEISSENBRUCH. Aoüt 1826.[bewerken | brontekst bewerken]

Onze Zuster-Maatschappij in de Zuidelijke Gewesten des Rijks geeft sedert het midden van den jare 1822 het bovengenoemde Tijdachrift uit, welks inhoud voornamelijk bestaat uit de berigten, nopens de verschillende door die Maatschappij in de Provincie Antwerpen daargesteldc Koloniën, namelijk , twee van vrije Kolonisten,

(pagina 28)

in de gemeente Wortel, bij Hoogslraten, en eene van Bedelaars-Kolonisten te Merksplas-Rijkevorsel, op eenen kleinen afstand van de. vrije Koloniën gelegen. De Philanthrope wordt om de twee maanden met een nummer vervolgd, en alzoo maken zes nummers een' jaargang uit waarvan de prijs Æ’ 3,5° vrachtvrij door het gansche Koningrijk is. Ook andere onderwerpen dan de belangen der Koloniën worden m dit Tijdfchrift behandeld; zoo vindt men in het tegenwoordige een nuttig stuk, ten titel voerende: Landbouw, Nijverheid, Koophandel. — Over de voortgangen van den nationalen rijkdom in Engeland, gedurende 1825.

Hij, die met de Zuidelijke Provinciën van ons Koningrijk bekend is, zal zich niet verwonderen, dat de Maatschappij van Weldadigheid aldaar haar Tijdschrift in het Fransch uitgeeft; want toch in de Provinciën Henegouwen, Namen, Luik, een deel van Zuid-Braband en in Luxemburg wordt het Nederlandsch weinig gelezen; en in vreemde Landen zoude daarenboven het voorbeeld der Maatschappij minder nut stichten, indien men niet, door middel van een in eene algemeen verstaan wordende taal geschreven werkje hare voortgangen konde volgen. Wij meenen dus, dat de Heer L, G. VISSCHER in zijn, overigens enen uitmuntenden geest ademend werkje, (Over het Herstel en de Invoering der Nederl. taal. Brussel 1825), met minder juistheid spreekt wanneer hij aldaar op bl. 130 het volgende zegt:

Met de Maatsch. van Weld. is het even zoo gelegen; [wat het gebruik der Fransche taal betreft,],, deze voortreffelijke inrigting heeft het onderhoud der binnenlandsche Koloniën ten doel. Zij zou een middel kunnen wezen ter bevordering van de landtaal, en zij wordt in het Sransch bestuurd. Het is waar,



(pagina 29)

dat die afdeeling, welke in 's Hage gevestigd is,, onze nationaliteit ook in den vorm, en in het taal, gebruik in acht neemt, en zekerlijk de volkplanting van FREDriks-oord voor die van Wortel niet behoest onder te doen. Het tijdschrift, dat zij uitgeest, houd ik voor veel beter dan dat, hetwelk hier gedrukt en in het Sransch geschreven wordt; en al ware het,, dat men ze gelijk kon stellen, dan nog moet ik aan,, merken, dat de Star veel meer gelezen wordt, veel,, meer bekend is, dan de Philanthrope, en derhalve,, dat de smaak van ons lezend publiek gevestigd, deszelfs verlangen niet dubbelzinnig is. Daar echter de Zuid-Nederlandsche asdeeling in het Fransch bestuurd,,, en de verrigtingen van de Maatschappij in eene vreemde taal geboekt en wereldkundig worden, heb ik de,, redenen zoeken op te sporen, welke tot zoo zonderling een verschijnsel aanleiding gaven, doch ik heb,, die niet kunnen vinden. Met denzelfden Vorst in het midden, welke in Holland de ziel is van die onderneming, kan het gebrekkige aan het boveneinde niet gezocht worden. Het is waar, dat er onder de overige Direkteuren eenige mannen gevonden worden, die geene bijzondere studie van het Nederlandsch gemaakt,, hebben, maar het is ook even waar, dat zij de landtaal verstaan en voor het grootst gedeelte eenige ambten bekleeden, waartoe derzelver kennis onontbeerlijk is. Aan dien kant kan alzoo de schuld niet Bij de belanghebbenden nog veel minder, want het zij men de Kolonisten, het zij men de betalende leden daaronder verstaan wil, zoo is het altijd,, zeker, dat beider meerderheid niet alleen Vlaamsch spreekt. maar zelfs, dat dit verschil tot elkander staat,,, als 90 tot 10.' wezen. Om nu het gebruik van de Fransche taal te regtvaardigen, zou ten minste de plaats der volkplanting



(pagina 30)

een Waalsch oord moeten zijn; maar ook dit is het geval niet. In de omstreken van Hoogstraten is men zoo Nederlandsch als in Holland, en, hetgene meer zegt, er zijn daar geen zes menschen, die de arme Kolonisten vertolken kunnen, wat er over hun beslist, os wat er van hunnen arbeid geschreven wordt.' Over de oorzaken van dit misbruik weet ik dus geene bijzonderheden op te geven, en wat de schadelijkheid van deszelfs gevolgen betreft, hieromtrent zal,, men niet beter kunnen oordeelen, dan wanneer men deze zaak in verband brengt met dergelijke afwijkingen meer, waarover ik in dit en andere hoofddeelen gehandeld heb.'

Wat de uitgaaf van de Philanthrope in het Fransch betreft, hebben wij bevorens reeds genoeg gezegd; -en wat nu de taal van het bestuur der Koloniën in de Zuidelijke Gewesten aangaat, toen wij dezelve in 1825 bezochten, geschiedde alles in het Nederduitsch; in de school werd zuiver Nederlandsch onderwezen; hét tros ons zelfs, onder een fraai schrift in die taal den Waalschen naam van TOUSSAINT GADISSEUR te vinden. De diplomata van de eereleden der Maatschappij worden (voor zoo verre zulks niet anders moet zijn) in het Nederduitsch afgeleverd, en ook de briefwisseling wordt grotendeels te Brussel in onze moedertaal gehouden. Dan genoeg hiervan.

Even als te voren in de Star zullen wij steeds de Kolonieberigten uit de Philanthrope overnemen, doch nimmer iets van den overigen inhoud, ten einde het debiet van dat Tijdschrift niet te benadeelen. In de volgende maand hopen wij de berigten van Julij en Augustus, in No. III van September en October, in N°. IV van November en December, in N°. V van Januarij en Februarij 1827, in N. VI van Maart en April, enz. te geven.

Over den stand der Landbouwende Koloniën, gedurende de maanden Mei en Junij 1826.[bewerken | brontekst bewerken]

Het berigt, geplaatst in het vorige Stuk van de Philanthrope, over den staat der landbouwende Koloniën gedurende de maanden Maart en April, gaf aanleiding, om gegronde vrees op te vatten met betrekking tot het slagen der voortbrengselen van vele bouwlanden in de Koloniën van de Maatschappij, deze vrees scheen ge grond door de uitwerking, welke de noordewind en de buitengemeene koude, die zich in het begin van den winter deden gevoelen, reeds op de aardvruchten gehad hadden wij vernemen echter, dat het meer voordee lige weder, hetwelk na dat ongunstige jaargetijde geko men is, genoegzaam is geweest, om er den staat van zaken te veranderen, en om de hoop te doen herboren worden op eenen overvloedigen oogst, indien niet de droogte die verwachting op nieuw kwame verijdelen.

Het koorn, de aardappelen en de boekweit beloven de meestvoldoende slaging, maar de klaver is slecht uitgevallen; de hitte der zon is dezelve voornamelijk zeer schadelijk geweest; die vermindering van voeder is des te gevoeliger, daar men er, door middel van die, welke men koopen moet, genoodzaakt is in te voorzien. Voor het overige, indien de Maatschappij van dien kant eenige onkosten heeft te doen, is er reden, om te ho pen, dat zij er voor schadeloos gesteld zal kunnen wor den, door den opbrengst der koornsoorten, die over het algemeen zeer goed uitgevallen zijn; indien het ontbreken van voedsel zelfs een wezenlijk verlies voor haar ware, zoude het ten minste zeker zijn, dat de zorgen en de voorzorg van hen, welke belast zijn, met voor de belangen van de Maatschappij te waken, niet zouden kunnen te kort schieten, aangezien dat dat nadeel niet moet toegeschreven worden, dan aan de ongunstigheid der jaargetijden, waartegen alle waakzaamheid der menschen natteloos wordt.

Het geen overigens diegenen overtuigen moet, welke oplettend zijn op de werkzaamheden der Maatschappij, van den gelukkigen uitslag, welke zij voortbrengen, is de vrijmaking, welke de Permanente Kommissie kortelings heeft toegestaan aan els Kolonisten, ten einde hunne hoeven naar hunne eigene kennis te kunnen besturen, en, in der daad, welken meer voldoenden uitslag konde men verwachten van eene inrigting, die voornamelijk dient, om de ongelukkigen, welke van alle bronnen van bestaan ontbloot waren, te ondersteunen, dan diezelsde ongelukkigen, in eens met hun huisgezin tot den eerbiedwaardigen staat van Landbouwer verheven te zien? Wij zullen lager het reglement en de voorwaarden doen kennen, waarop de Kolonisten, toegelaten om hunne hoeve te besturen, zich moeten onderwerpen, alsook de namen van degenen, welke dezelve geteekend hebben.

Er zijn twee kinderen in de vrije Koloniën, gedurende de maanden Mei en Junij, geboren.

Den 22 Mei is in de Koloniën aangekomen, het huisgezin van JAN BAPTIST SAUVAGE, gezonden door de Kommissie van het Kanton van Sonien; den 24 is mede aangekomen het huisgezin van JEURIS, uit Leuven ges zonden; hetzelve bestaat uit 4 personen, en is door den algemeenen Raad der Godshuizen van Leuven gezonden in de plaats van dat van STRUYVEN, uit de voornoemde stad.

Niemand is in de vrije Koloniën, gedurende de maanden Mei en Junij, gestorven, en geene ziekte is onder derzelver inwoners ontstaan.

Gedurende die twee zelsde maanden heeft de Heer Inspekteur van de Gestichten der Maatschappij van Weldadigheid geen' enkelen misslag, door de Kolonisten bedreven, aan de Permanente Kommissie behoeven op te geven.

Voorwaarden, aan welke zich de vrije Kolonisten moeten onderwerpen, die huurders zijn der hoeven van de Maatsch. van Weld. in de Zuidelijke Provinciën van het Koningrijk der Nederlanden, welke zijn toegelaten, om die hoeven naar hunne eigene bekwaamheid te bebouwen.[bewerken | brontekst bewerken]

Art. 1.

Zoo lang de Kolonist voldoen zal aan de voorwaarden, welke door dit Reglement bepaald zijn, zal hij beschouwd worden als vrije huurder zijner hoeve, van zijnen stal, van zijne korenschuur en van zijn veld, bevattende drie en een halve bunder lands, Nederlandsche maat, gelegen in de vrije Koloniën der Maatschappij yan Weldadigheid, in de Gemeente Wortel, Arrondissement Turnhout, Provincie Antwerpen.

Art. 2.

Indien de hurende Kolonist, het zij door slecht gedrag, het zij door de hier voorgeschrevene punten niet te vervullen, het zij, eindelijk, door misbruik van het verkregene regt, aan de Maatschappij reden gaf, om voor hare belangen en voor die van den hurenden Kolonist te vreezen, hij, in zulk geval, dadelijk vervallen zijn van het regt, om zijne hoeve te besturen, en insgelijks om het land te bebouwen, hetwelk er toe behoort, en hij zal dadelijk, zoo als de andère Kolonisten, teruggeplaatst worden, onder het opzigt van het Bestuur der Koloniën.

Art. 3.

Wat het zedelijke en godsdienstige onderwijs betrest, zoo als ook de tucht der koloniale instellingen, zal de Kolonist verpligt zijn, om zich aan de wetten, ten dien einde voor de andere Kolonisten daargesteld, te onderwerpen. Hij zal desgelijks in al zijne noodwendigheden -door zijnen arbeid moeten voorzien, en zal van de Maatschappij niets hoegenaamd kunnen eischen, van welken aard het ook wezen moge, het zij middellijk os onmiddellijk. Hij zal de vrije beheering zijner goederen hebben, en zal ten dien opzigte aan geene beperkingen onderworpen zijn, behalve aan die, welke door gewone huurders toegelaten worden.

Art. 4.

De hurende Kolonist zal zich kunnen bedienen van het huisraad, van de gereedschappen, van de koeijen, en, over het algemeen, van de goederen, welke in eigendom aan de Maatschappij behooren, tot dat hij die voorwerpen verkregen zal hebben, het zij door ze dadelijk te betalen, het zij door dezelve met gedeelten te betalen, op de wijze, welke bepaald is, door het in werking zijnde Reglement der Koloniën.

Art. 5.

De Maatschappij zal eene derde koe aan den hurenden Kolonist geven, wanneer zij zal oordeelen, dat deze derde koe voordeelig zoude zijn voor de belangen van den Kolonist, en geen nadeel voor die der Maatschappij zoude aanbrengen, en als de hurende Kolonist middelen zal kunnen aanwijzen tot onderhoud dezer derde koe.'

Art. 6.

Indien het gedrag van den hurenden Kolonist zoodanig mogt zijn, dat zijne handelwijze hem tot zijn verders zoude moeten leiden, zal hij dadelijk teruggeplaatst worden onder het beheer van het Bestuur der Koloniën, en in zulk geval behoudt de Maatschappij aan zich het regt, van de huurcedul op te hessen, alhoewel de tijd er van niet verstreken mogt wezen.

Art. 7.

De hurende Kolonist zal, even als de andere Kolonisten, deel kunnen nemen aan den landelijken arbeid en aan dien van de fabrijken, wanneer hij bij tijds het Bestuur verwittigd zal hebben van het tijdstip zijner aankomst en vertrek van den arbeid, daar hij niet verpligt is dien bij te wonen; de tijd, welken hij aan het besteed werk zal hebben, zal hem op dusdanige wijze betaald worden, als gebruikelijk is in de Koloniën, zonder dat hem iets van zijn loon zal kunnen terug ge houden worden.

Art. 8.

De schuld van 16 jaren, alsmede de loopende schuld, gemaakt door den hurenden Kolonist, vóór de tegenwoordige voorwaarden, zullen achtereenvolgens door hem verminderd worden, geëvenredigd naar het inkomen, dat hij genieten zal, en moeten worden asgelost binnen den tijd van 16 jaren, van het tijdstip as der toelating van de Kolonisten in de vrije Koloniën, zoo als het door het Reglement der gezegde Koloniën is vastgesteld.

Art. 9.

De Kolonist zal op den geschikten tijd zorg moeten dragen, om zijne akkers te bebouwen, en geen nadeel mogen toebrengen aan de boomen en heggen, welke langs de wegen staan, noch aan die, welke de asschetdingen der velden uitmaken; hij zal ook gelijkelijk zorg moeten dragen, van niet over de bouwlanden te be schikken, tot andere einden, dan die, tot welke zij be stemd zijn, onder verbeurte van dadelijk zijne huurcedul te doen vernietigen.

Art. 10.

De Maatschappij zal van haren kant gehouden zijn, om te zorgen voor het doen daarttellen van herstellingen en noodige verbeteringen aan de gebouwen, ten zij dat zij zoude kunnen bewijzen, dat de schade veroorzaakt ware geworden door den hurenden Kolonist.

Art. 11.

De hurende Kolonist zal gehouden zijn, om al, wat betrekkelijk is tot de persoonlijke belasting, welke geheven wordt os zal geheven worden, te voldoen; en hij zal aan het Bestuur van de Kolonie bewijzen, door de kwitantie van den ontvanger, dat hij die belasting, ten dage des vervaltijds os ten allerlaatste eene maand daarna, betaald heeft.

Art. 12.

De huurcedul zal voor een' onbepaalden tijd plaats hebben, en kan van de zijde der Maatschappij alle jaren hernieuwd worden. Dezelve zal voor het tegenwoordige jaar 1826 beginnen met den 1 Julij, terwijl hij voor de andere jaren zal beginnen met den 1 Januarij van ieder jaar.

Art. 13.

De Maatschappij zal den hurenden Kolonist niet mogen storen in het vreedzame genot van zijn goed, gedurende den tijd van zijne huurcedul, en de Kolonist zal hetzelve als een goed hoevenaar en cen goed huisvader gebruiken. Krachtens de tegenwoordige overeenkomst, zal de hurende Kolonist aan de Maatsch. van Weld. de som van s 50 Nederlandsch betalen, in zoo veel deelen verdeeld en op die tijdstippen betaalbaar, welke het der Maatschappij gelegen zal komen, van in den loop van ieder jaar der huurcedul te bepalen; de hurende Kolonist geest voor verzekering van de betaling der gezegde huur zoo wel als van de schulden van zestien jaar en der loopende schulden over, den eenigen borgtogt, welken hij aan de Maatschappij kan geven, zijn' persoon en zijn huisraal, zoowel het tegenwoordige als het toekomende. Aldus gedaan overeenkomstig de goedkeuring, welke door de Perm. Komm. der Maatsch. van Weld. gegeven is, den 15 Junij 1826, No. 3017, en heeft elke Kolonist, zoo wel als de Heer Inspekteur der Koloniën van de Maatschappij, de tegenwoordige voorwaarden geteekend, in den vorm van reglement en in dubbel.

Merksplas-Rijkevorsel, den 1 Julij 1826.

De Kolonisten, door de Maatschappij toegelaten, om hunne eigene hoeve te kunnen besturen, en die deze voorwaarden geteekend hebben, zijn:

MILLE, hoeve No. 3, komende van Warneton, in Oost-Vlaanderen.

VAN OPPEN, N°. 9, komende van Brusthem, Prov. Limburg:

ABRAM, No. 14, komende van Turnhout.

GADISSEUR

No. 18, komende van Héron, Prov.

Luik.

LOUSBERGH, N°. 19, komende van Limburg, Prov.

Luik.

N.

VAN HULST, N°, 20, komende van Brussel.

DUBOIS, No. 21, komende van Maastricht.

MARTENS, N°. 23, komende van Dussel, Prov Antwerpen.

LEONARD, No. 30, komende van Spa.

BOELS, No. 44, komende van Brugge.

BOUDOIN, No. 63, komende van Luik.

Over de Kolonie tot wering der bedelarij[bewerken | brontekst bewerken]

De onderscheidene voortbrengselen dezer Kolonie, hoewel de grond van dezelve sedert korter tijd dan die van de vrije Koloniën ontgonnen is geworden, overtreffen echter verre die, welke zich op deze laatste aanbieden. Het koorn evenaart dat, hetwelk gezaaid is op de beste velden der dorpen in den omtrek van die Kolonie. De aardappelen zullen overvloedig zijn en van eene uitstekende hoedanigheid. De klaver, waarvan het gebrek zich in de vrije Koloniën doet gevoelen, is volmaakt in de Kolonie tot wering der bedelarij uitgevallen, zelfs niettegenstaande de aanhoudende droogte welke men er uitgestaan heeft. Men heeft ook veel hooi ingezameld; het zal, volgens alle waarschijnlijkheid, niet eveneens zijn met de haver, welke zeer veel lijdt bij gebrek aan regen.

'

De Heer Inspekteur VAN DEN BOSCH eene proef hebbende willen nemen, had bevolen in de Kolonie één bunder met erwten te bezaaijen, zoo als ook één met vlas; de eerste schijnen te slagen, en aangaande. het vlas, dit beloofde ook eene volkomene slaging, indien niet de droogte die hoop ware komen verminderen. Evenwel de Heer Inspekteur zegt, dat het onbegrijpelijk is, hoe de droogte veel meer nadeel doet aan de gronden, bij de dorpen gelegen, welke de gestichten van de Maatschappij omgeven, dan aan deze laatste, hetwelk bij voornamelijk daaraan toeschrijft, dat de gronden der Koloniën dieper omgeroerd zijn, dan die der omreken, dat is te zeggen, van drie tot vijs voeten, nadat de soort van aarde het vereischt, en door met voorzigtigheid de onderscheidene lagen van aarde waar te nemen.

Het gedrag der werkvatbare bedelaars, toegelaten in het Bedelaars-gesticht der Maatschappij, gaat voort met de loftuitingen te verdienen, welke wij er van in het laatste stuk van de Philanthrope gemaakt hebben, en in het algemeen geven zij zich met moed aan den landarbeid over. De Heer Inspekteur der Koloniën schijnt er zoodanig over voldaan, dat hij deze voldoening aan de Perm. Komm. betuigde, in een zijner Verslagen, zeggende dat het Bestuur van het Bedelaarsgesticht, verre van hem onaangenaamheden te veroorzaken, hem integendeel vermaak verschaste, door de orde, welke er stiptelijk opgevolgd werd, en door de voordeelige uitkomsten der door het Bestuur genomene beschikkingen.

Het getal der zieken in het gesticht is zeer gering, en hunne ongesteldheid is zeer ligt; de sterfgevallen zijn er weinig talrijk, aangezien sedert tien maan den, welke dat Gesticht bestaan heeft, van de 888 bedelaars, welke er zich op het einde van Junij bevonden, er maar 25 gestorven zijn; een geral, aanmerkelijk kleiner, vergeleken met degene, welke in de andere Gestichten van hetzelsde soort sterven.

Een groot getal nieuwsgierigen is de gestichten der Maatsch. van Weld. komen bezoeken, en bewondert er den uitslag van eene zoo groote onderneming. Wij hebben in het laatste stuk van de Philanthrope cen klein verhaal gegeven van het aan de Koloniën gedane bezoek door Z. K. H. Prins FREDERIK der Nederlanden, die aan den Heer Inspekteur de voldoening wel wilde betuigen, welke hij ondervond over alles, wat hij gezien had. Deze Doorluchtige Voorzitter van de Maatsch. van Weld., welke in dit Koningrijk daargesteld zijn, en die zich zoo edelmoediglijk toewijdt aan derzelver voorspoed, zond ook aan de Perm. Komm. bij zijne terugreis naar 's Gravenhage een' brief, onder dagteekening van 27 Mei 1. 1. en waarin Z. K. H. aan dezelve meldde, dat het hem lies was, van aan de gezegde Kommissie zijne geheele voldoening te kunnen betuigen over den bloeijenden staat, waarin hij de Koloniale Gestichten gevonden had, bij het laatste bezoek, hetwelk hij er gedaan had; dat het waar was, dat te midden der tallooze verbeteringen, welke zoo wel den ijver getuigen van het Bestuur, als het goede en wijze beheer, Z. K. H. zich niet had kunnen ontdọèn vàn een onaangenaam gevoel op het gezigt der verliezen, welke door de koude en droogte van het begin der Lente veroorzaakt waren, maar dat men zich er over troosten moest, naardemaal die schade veroorzaakt was door zaken, die het vooruitzigt, en alle mogelijke zorgen van den mensch niet konden beletten, en waarvoor er niets overblees dan vurige gebeden op te zenden aan het Opperwezen, dat alleen de magt heeft voor dusdanige onheilen te waarborgen en schadeloos te stellen. Z. K. H. eindigt met den wensch te uiten, dat de Hemel onze wenschen zal verhooren, en de pogingen der Maatsch. van Weld. zegenen.

Wij hebben mede vernomen, dat de Heer PRÉVINAIRE, Reserendaris bij het Ministerie van Binnenlandsche Zaken, belast was door den Heer Administrateur van het Armwezen bij gezegd Ministerie, om de Koloniale Geslichten te gaan onderzoeken; en dat na het bezoek hetwelk hij er den 5 Junij 1. 1. deed, hij een zeer voldoend Verslag over derzelver toestand heeft ingezonden.

Wij zullen de tijdingen, welke wij hier uit de Koloniën der Maatsch. van Weld. geven, eindigen, met onder de oogen onzer lezers een klein Verslag te brengen van eenige leden van de Stedelijke Kommissie van Brussel, hetwelk opgesteld werd bij de terugkomst van eene reize, welke velen van hen, enkel voor hunne eigene voldoening, deden.

Maatsch. van Weld. in de Zuidelijke Provinciën.

Stedelijke Kommissie van Brussel.

Maatsch. van Weld. in de Zuidelijke Provinciën. - Stedelijke kommissie van Brussel[bewerken | brontekst bewerken]

Het is aangenaam voor de Stedelijke Kommissie van Brussel van een nieuw bezoek van eenige leden uit hun midden, vergezeld van vele leden der Maatschappij in de vrije Kolonie Wortel, melding te maken. Die instelling, welke, reeds twee jaren geleden, eenen voorspoed aanduidde, die zonder ophouden aangroeijen moest, is tegenwoordig een uitgestrekt veld, verdeeld in eene menigte van kleine hoeven, de eene van de anderen gescheiden door tuinen en gronden en vol van koren en overvloedige vruchten. De rogge, het vlas, de haver, en alle soorten van groenten, schijnen er zich den voorrang te betwisten; en verwonderlijke zaak, (het vraagstuk is opgelost;). men vindt er zomertarwe, welke belooft rijp te zullen worden; het is eene proes. van een' vrijgemaakten Kolonist, die tegen het volgende jaar, zich zal toeleggen, op den bouw van wintertarwe, waarin hij geloost te zullen slagen. Dezelfde Kolonist bezigt reeds in zijnen dienst twee werklieden van een naburig dorp; hij heeft een' werkwinkel van timmer- en schrijnwerk opgerigt, waar onderscheidene voorwerpen, zoo voor de inwoners der omliggende landstreken als voor de benoodigdheden der Kolonie vervaardigd worden. Vele Kolonisten zijn vrij; andere, welke gevraagd hebben om nog een ander veld voor de Maatschappij te bewerken, zullen het later zijn, en zoo zal ongevoelig de geheele Kolonie bewoond en bebouwd worden door menschen, welke voor hunne eigene rekening werken. De gezondheid der Kolonisten is uitstekend; hunne gelaatstrekken duiden de tevredenheid en de voldoening aan; een groot getal kinderen vinden in de werkplaatsen der Instelling bezigheid; alle voorwerpen van klecding worden er gemaakt, en weldra zal het noodige lijnwaad voor het linnen van het ligchaam en de bedden een voortbrengsel van de Kolonie zijn. De lange wegen, welke zich in deze vruchtbaar gemaakte heide kruisen, vertoonen het vrolijkste gezigt; omgeven met boomen in vollen groei, vertoonen zij aan het oog de aangenaamste lanen.

Het groote en hechte gebouw van de Kolonie tot wering der bedelarij, bevat meer dan negen honderd werkvatbare bedelaars, welke uit onderscheidene Bedelaarsgestichten van onzen Provinciën derwaarts zijn gebragt, de eene om onbebouwde akkers te ontginnen, anderen om in de werkplaatsen te arbeiden; men heeft er kunnen zien, tot welk uiterste van vernedering de bedelarij, de afschuwelijke melaatschheid der beschaafde volken, den mensch brengt; die wezens, onlangs rondzwervende in al de gemeenten, gedompeld in allerlei wanorde, en zich tot alle ondeugden verlagende, tegenwoordig aan nuttige werken bezig, zullen, na eenigen tijd, bij hunne medeburgers kunnen terug komen, en door arbeid in hun onderhoud kunnen voorzien. Wij zijn verrast geweest van zoo weinig zieken onder een zoo groot getal menschen vinden. Het gedrag van die ongelukkigen verbetert van dag tot dag; hunne zeden dragen blijk van de geschiktheid en de goede orde waaraan zij onderworpen zijn; men bespeurt de heilzame uitwerkselen., welke de leesregel, waarvan zij hoegenaamd geen begrip hadden, aan hunne zeden toebrengt.

De velden van die Kolonie, waaraan over tien maanden de hand des menschen nog niet geraakt had, zijn opgevuld met eene menigte van roggeplanten, van erwten. van aardappelen en van vlas; het is een fraai schouw- spel, dat het oog met vermaak beschouwt, en zoo ver het zich op een vlak land kan uitstrekken, is er een tuin, als door betoovering daargesteld.

Wij durven van de werkzame bescherming van dien Doorluchtigen Vorst, welke deze Gestichten verzorgt, waarvan de schepping altijd een' droom toegeschenen is, de vermenigvuldiging van zulke toevlugtsplaatsen verwachten, waaraan de liesdadige gisten van onze medeburgers ook zullen toebrengen, en het getal van bedelaars, tegenwoordig bijzonder asgenomen, zal eindigen met niet meer merkbaar te zijn.

Het is een zoete pligt voor ons, om eene regtvaardige schatting van dankbaarheid te betalen aan de Perm. Komm. van de Maatschappij, voor de zorgen, welke zij niet ophoudt aan het goed beheer van ene zoo gewigtige onderneming te geven; dewijl zij de edele pogingen van een geliesd Vorst ondersteunt, heeft zij regt op de geheele erkentenis van alle edele zielen.

De Stedelijke Komm. van Brussel vleit zich, dat het verhaal, dat voorasgaat, genoegzaam zal zijn om den ijver van de leden der Maatschappij aan te sporen, en om de menschenvrienden aan te moedigen, welke nog geen deel uitmaken van de Maatsch. van Weld., om zich met de leden van die heilzame instelling te vereenigen.

Brussel, den 13 Julij 1826.

L. DE WELLENS, Voorzitter.

P. LAUWERS, Penningmeester.

P. J. HEYVAART, Secretaris.