Maandblad Vriend des Vaderlands van december 1827 over de Belgische kolonies

Uit KolonieWiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Sjabloon:Maandblad Vriend des Vaderlands over de Belgische kolonies

Pagina 933. Le Philanthrope, recueil publié par ordre de la Comm. Perm. de la Société de Biensaisance, établie dans les Prov. Merid. du Royaume des Pays Bas. VIme Année. 1e Livraison. Bruxelles, chez WEISSENBRUCH. Novembre, 1827.[bewerken | brontekst bewerken]

De berigten, welke wij in dit eerste nummer van den zesden jaargang lezen, luiden aldus:

Over de vrije koloniën in Julij en Augustus 1827.[bewerken | brontekst bewerken]

' De oogst der rogge, in de vrije koloniën, was over het algemeen niet zeer groot; echter heeft men hier en daar eenige hoeven opgemerkt, waar het koren goed geslaagd was, en wel doordien de grond door nijvere en zorgvuldige kolonisten bebouwd was geworden, terwijl de meeste der andere overgelaten waren geweest aan luije en zorgelooze menschen, en die, zonder zich te bekommeren over de opbrengst van hun land, noch over de vermeerdering hunner schulden, zich, wat de tot hun bestaan noodzakelijke behoeften betreft, verlieten op de, door de maatschappij verleend wordende, hulp.

Deze daadzaak bewijst dan meer dan alle redeneringen,



(pagina 934)

hoe noodzakelijk het is, dat de maatsch, het plan verandere, hetwelk dezelve, ten tijde van de daarstelling der vrije koloniën, aangenomen heeft; aangezien dit plan niet zoude hebben kunnen slagen, dan voor zoo verre al de, in de vrije koloniën geplaatste, personen bezield waren geweest met de begeerte, om het eerlijk bestaan terug te verkrijgen, hetwelk tegenspoeden hun hadden ontnomen, en wij hebben reeds in het 6de nommer, 5n jaargang doen zien, hoe zeer de maatsch. zich bedrogen had, door van de meeste sub-kommissiën eene betere keus verwacht te hebben der huisgezinnen, welke zij naar de vrije koloniën hebben gezonden. Wij gelooven echter, dat het gemakkelijk zal zijn, den last weg te nemen, welke eenige jaren ondervinding hebben doen ontdekken, en dat het misschien voldoende zoude zijn, om de tegenwoordige inrigting der vrije koloniën geheel te veranderen, dat de maatsch. de akkers voor zich te rug nam, welke iedere hoeve omringen, en dat zij de zelve door de kolonisten liet bebouwen, waaraan zij dan een voldoend daggeld moest toestaan, om in hunne voeding en onderhoud te kunnen voorzien. De betaling van dit daggeld zoude men kunnen vinden uit de opbrengst der landen, die voortaan het eigendom der maatschappij zouden worden. Door de aanneming van zulk een' maatregel zouden hare belangen niet meer afhangen van de vlijt, of van de achteloosheid der kolonisten, en dezen zouden, van hunne zijde, geene hulpmiddelen ontbreken, dan voor zoo verre zij niet zouden werken. Eene dusdanige verandering in het bestuur der vrije koloniën zal niet beletten, dat de huisgezinnen, die vrij gemaakt zijn, d.i. die, aan welke men het beheer hunner hoeve en der landen, die dezelve omringen, heeft overgelaten, blijven voortgaan met het zelfde voordeel te genieten, wel te verstaan, alleen die, welke nu bewijzen, al de noodige hoedanighe-



(pagina 935)

den te bezitten, om voorspoed te kunnen hebben; want men moet opmerken, dat verscheidene huisgezinnen, die reeds vrijgemaakt waren, verpligt zullen zijn, om zich weder onder het bestuur der koloniën te plaatsen. Wij begrijpen echter zeer wel, van welk een aanbelang zoo danig eene omkeering van den staat der zaken zoude zijn, welke tot nog toe heeft bestaan, en wij meenen, dat zulke nieuwe maatregelen, voor dat zij aangenomen worden, wel moeten worden overwogen; de hoofd-komm. der maatsch. zal hierover te oordeelen hebben.

Indien de oogst van de rogge, in de vrije koloniën, weinig heeft opgebragt, zal daarentegen die der aardappelen voldoende zijn voor de behoeften der kolonisten, gedurende het geheele jaar; maar dezelve zoude nog veel belangrijker geweest zijn, indien de bouw van dit gewas even zeer ware verzorgd geworden als in de bedelaars-kolonie.

De klaver belooft algemeen eene aanmerkelijke hoeveelheid voeder voor het volgende jaar, hetgeen voorzien zal in het voedsel van het talrijke vee, hetwelk zich in de stichtingen der maatsch. bevindt.

Het kamp, te Ravels, heeft aan vele personen gelegenheid gegeven, om de zuid. koloniën te gaan bezoeken; het schijnt zelfs, dat zich onder dezelve een aanzienlijk getal vrouwen van rang bevonden, die een waar belangstelden in de kennis onzer menschlievende instelling. Op den 6 Oct. 1827, kwam Z. K. H. Prins FREDERIK der Ned., uit Ravels, in de koloniën, vergezeld van een' adjudant. Z. K. H. bezag alles in de kleinste bijzonderheden, en scheen tevreden over al, wat hij zag; hij betuigde zijne voldoening aan den kapit. V. D. BOSCH in de minzaamste bewoordingen.

In het laatst der maand Sept. had er een oploop plaats, ten gevolge van het verbod, door den Aalmoezenier aan verschillende kolonisten gedaan, om voort te



(pagina 936)

gaan met hunne kinderen ter school te zenden, en zulks wel onder het schoonschijnende voorwendsel, dat er zich onder de boeken, waarvan men zich bij het onderwijs bediende, een bevond, strijdig met de R. K. leer. — Dit verbod, door den Aalmoezenier gedaan, daarin geholpen door zijn' broeder, Seminarist te Angoulême (in Frankrijk), gevoegd bij de bedreiging, om den aflaat te weigeren aan hen, die zijne bevelen zouden overtreden, liet niet na van zoo zeer te werken op den geest van verscheidene kolonisten, dat deze en hunne kinderen aangezet door hen, niet meer hoorende naar de raadgevingen noch naar de bevelen hunner overheid, die te vergeefs trachtede de rust te herstellen, zich aan gewelddadigheden overgaven, door de boeken te verscheuren, die zich in de school bevonden en door hunne overheden uit te schelden. Deze oploop werd eindelijk van zulk een' aard, dat men genoodzaakt was de hulp in te roepen der wereldlijke magt, die de marechaussée naar de plaats zond, om er de orde te herstellen. De aalmoezenier, zijn broeder, alsmede 3 kolonisten werden naar Turnhout gebragt, om ter beschikking van den procureur des konings te worden gesteld.

Wij weten nog niet wat den aalmoesenier heeft kunnen bewegen, om op eene zoo onberadene wijze te handelen; en wel des te meer, daar het boekje: Het Leven van Jezus door ANSLIJN, tegen hetwelk hij uitvoer, zich niet bevond in de school der koloniën, noch op de lijst der, door de P. K. voor het onderwijs der jonge kolonisten, gezondene boeken. Het is mogelijk, dat hij het heeft kunnen vinden bij een' kolonist, die het met zich kan gebragt hebben bij zijne komst in de koloniën; maar het is ten minste zeker, volgens de betuiging van den schoolmeester zelven, en de onderzoekingen door de P. K. gedaan, dat dit boek geenszins in ge-



(pagina 937)

bruik was voor het onderwijs der jonge kolonisten, en dat de leden dier komm. er nimmer het bestaan van geweten hebben.

De komm. heeft zich tot den aartsbisschop gewend; om 2 geestelijken voor de vrije koloniën te verkrijgen. In afwachting van deze benoemingen, heeft de pastoor van Wortel zich wel met den post van aalmoezenier willen belasten. De rust is dadelijk in de koloniën her steld, en het onderwijs heeft zijnen gewonen loop hernomen (*).

Zonder de klagten, welke bij de P. K. ingekomen zijn, ten laste van eenige kolonisten, die zich, zonder nadenken, hadden overgegeven aan den kwaden raad, welken men hun gaf, zoude er weinig te klagen zijn over hun slecht gedrag; dan alleen over de luiheid, die bij hen de bron is van vele kwalen.

Hunne gezondheid is uitmuntend. Slechts één (uit Brussel gezonden geweest) stierf, gedurende de maanden Julij en Augs.; 2 kinderen werden geboren, en wel in de hoeven Nº. 22 en Nº. 49 van de 1e kolonie.

Gedurende Julij liep er één weg, namelijk P. J. VERHELST, hoeve Nº. 4, en aldaar geplaatst door den burggraaf DE NIEULANT van Brugge.

Het getal menschen in de vrije koloniën was, op het laatst van Augustus, 526.

Over de Bedelaars- kolonie in Julij on Aug. 1827,[bewerken | brontekst bewerken]

Daar er eene soort van besmettelijke ziekte in deze kolonie heerschte, verzocht de P. K. 2 kundige geneesheeren, om den toestand der zieken aldaar te gaan op-

(*) Wij vernemen, dat de heer H. J. DE MUNTER, door den aartsbisschop van Mechelen benoemd is tot aalmoezenier in de kolonie tot wering der bedelarij.



(pagina 938)

nemen, namelijk den ridder VON KIRCKHOFF te Antwerpen, schrijver van verschillende werken, en den heer VERHAGEN te Brussel, lid der geneesk. komm. Deze bekwame mannen voldeden gaarne aan het verzoek der P. K., en gingen te zamen in de kolonie, tot in de geringste bijzonderheden, de ziekte waarnemen, die er heerschte, derzelver oorzaken en de middelen, welke men in het werk moest stellen, om haar te doen ophouden. Na dit onderzoek, na ingewonnen berigten en na rijpe overwegingen, leverden zij, op den 22 Aug. 1827, een verslag bij de P. K. in, om deze de maatregelen aan de hand te geven, welke men moest volgen, ten einde den voortgang der ziekte te stuiten, en de lijders te herstellen, die er reeds door aangetast waren. — De hoop en het vertrouwen, hetwelk de P. K. in de kunde dezer 2 geneesheeren had gesteld, werden volkomen geregtvaardigd. Sedert hunne raadgevingen zijn gevolgd, is het getal zieken aanmerkelijk verminderd, en het grootste getal der bedelaars, die aangetast waren, is hersteld. — Behalve in de verpleging der zieken, is er ook eenige verandering gemaakt in de wijze van voeding der bedelaars.

De onbaatzuchtigheid der genoemde geneeskundigen is zoo groot geweest, dat zij van de maatsch, niets hebben willen genieten tot billijke belooning hunner diensten. Deze menschlievende opoffering toont hunne verhevene gevoelens, en de verpligting, welke de Maatsch. v. Weld. aan hen heeft. Het getal der in Julij gestorvene bedelaars is 26; in Aug. 21; sedert dien tijd, is hetzelve merkelijk minder; — het getal der ontslagene bedelaars was in Julij 7, in Aug. 58. — Op het laatst dier maand bevonden er zich nog 893 in het gesticht.

In deze kolonie was de oogst der rogge overvloedig; dezelve kan, wat hare hoedanigheid betreft, vergeleken worden met de beste der prov. Antwerpen.



(pagina 939)

Zoodra de rogge gedorscht zal zijn, zal, even als te voren, de hoeveelheid der opbrengst van ieder gewas in de stichtingen der maatsch. ingezameld, opgegeven worden. De aardappelen beloven zeer veel, en, door den verkoop van hetgeen de behoefte te boven gaat, zal de maatsch. voordeel kunnen behalen.

De proeven, om koolzaad, vlas en tarw. te bouwen, zijn tot nu toe slechts middelmatig gelukt, maar, echter, genoeg aanmoedigend, om te hopen van in het volgende jaar beter te zullen slagen De maatsch. stelt zich zelfs voor, om eene grootere uitgestrektheid lands voor de teelt dezer gewassen te bestemmen. De beet-wortelen en de kool van Bretagne, zijn, na verschillende proeven, dit jaar vrij wel geslaagd; maar zulks is niet het geval met de winterwikken, de spurrie (sainfoin) en de luzerne, welke niet gelukt zijn; desniettemin zal deze teelt met nog meer zorg in 1828.weder beproefd worden. De brem groeit uitmuntend en de klaver belooft overvloedig voeder,

Men meende, dat het moeijelijk zoude zijn, om met goeden uitsag haver in de koloniën te telen, omdat verschillende proefnemingen niet gelukt waren; maar nu vernemen wij, dat die, welke ingezameld is van vier bunders, waarmede men ditmaal eene proef heeft genomen, zoo goed geslaagd is, dat men ze kon vergelijken met die, welke op de beste gronden in den omtrek was gegroeid. Eindelijk, alles geeft hoop, dat, bij volharding in de zorgen, welke de landen vereischen, die thans in de koloniën tot vruchtbaarheid zijn gebragt, de maatsch. in zeer korten tijd zoo verre zal komen, om een groot gedeelte der uitgestrekte heiden van de prov. Antwerpen te ontginnen, en zij alzoo den treurigen aanblik zal doen verdwijnen, welke dezelve nu nog vertoonen.

Hieruit ziet men het nut der koloniën, en daarenbo-



(pagina 940)

ven zal de maatsch. zich, door het bebouwen van eene grootere oppervlakte gronds, een vast inkomen bezorgen, genoegzaam, om in al de behoeften der koloniën te voorzien.

De bedelaars-kolonisten gedragen zich steeds wel, in het bijzonder de vrouwen; deze menschen leggen, over het algemeen, veel ijver aan den dag. De kinderen trek ken groote vrucht van het onderwijs, en allen vervullen de pligten, welke de godsdienst hun voorschrijft.

Eervolle melding moet gemaakt worden van de diensten, welke de deken van Brecht en de pastoors van Wortel en Merksplas aan de maatsch. hebben bewezen, bij gelegenheid van de hier voren gemelde onlusten, die de 2 koloniën zonder herder lieten. Deze H. H. ziende, dat het bestuur der koloniën eenigzins verlegen was door het vertrek van den aalmoezenier, haasteden zich, om hem tijdelijk in zijne werkzaamheden te vervangen, tot dat de P. K. den tijd zoude gehad hebben, om zich bij den Aartsbisschop van Mechelen te vervoegen, ten einde de benoeming van 2 aalmoezeniers te verkrijgen, te weten, één voor de vrije koloniën en één voor de bede laars-kolonie.

De ijver, welke deze eerbiedwaardige geestelijken bij die gelegenheid getoond hebben, eischt de dankbaarheid der Maatsch., en de P. K. heeft doen blijken, dezelve te gevoelen, door aan ieder dier H. H. een brief van dank betuiging te schrijven.