Maandblad Vriend des Vaderlands van april 1827 over de Belgische kolonies
| De pdf van dit nummer staat hier op delpher.nl |
|---|
Sjabloon:Maandblad Vriend des Vaderlands over de Belgische kolonies
Pagina 281. Le Philanthrope, recueil publié par ordre de la Commission Permanente de la Société de Bienfaisance, établie dans les Provinces Méridionales du Royaume des Pays-Bas. — V^e Année. — auie Livraison. Bruxelles, chez WEISSENBRUCH. Janvier 1827.[bewerken | brontekst bewerken]
Over den Staat der Landbouwende Koloniën, gedurende de maanden Nov. en Dcc. 1826.[bewerken | brontekst bewerken]
Wij hadden ons gevleid van, op het einde van Dec. 1826, naauwkeurig te zullen hebben kunnen bepalen, de hoeveelheid der onderſcheidene voortbrengſelen gedurende 1. 1. zomer ingeoogst op de gronden, welke door de Maatſch. van Weld. bebouwd zijn geworden, maar wij vernemen, dat het nog onmogelijk is aan de nieuwsgierigheid van die genen te voldoen, welke die belangrijke uitkomst ver wachten, om reden, dat de Kolonisten op dat tijdſtip nog niet geëindigd hadden met het graan in de koornſchuur te dorfchen. Dit zal dan niet bekend worden dan door het volgende verſlag, hetwelk wij van de Koloniën der Maatſch. w. Weld. zullen krijgen, en hetwelk wij zorg zullen dragen van aan onze lezers mede te deelen. Onafhankelijk van dat werk, zijn de Kolonisten, ge durende de maanden Nov. en Dec. 1. ll. gebruikt gewor den om de aarde om te ſpitten en om de winterrogge te zaaijen ; het bij uitſtek zachte weder, hetwelk er gedu rende die twee maanden geweest is, heeft den groei zoo zeer verhaast, dat het gezigt van de bezaaide akkers. reeds eene gelukkige hoop geeft voor den toekomenden zo mer. De jonge klayer vertoont zich gelijkelijk onder een gunſtig aanzien, voor de oogen van den bebouwer, vooral op de lage landen ; maar het is niet eveneens met die, welke zich op de hoogten bevindt, aangezien dat dezelve 1. l. zomer te veel geleden heeft door de hitte der zon1 ; in die plaatſen zal men zelfs genoodzaakt zijn van dat voeder grootendeels te vervangen door andere planten, welke ook tot voedſel voor beesten kunnen ftrekken. Wij hebben zeer voldoende berigten aan onze lezers mede te deelen, aangaande de elf hoofden van huisge zinnen, aan welke men het verlof toegeſtaan heeft, om hunne hoeve te mogen beſturen volgens hunne verkre gene kundigheden, en hoewel die proef niet dagteekene dan van het begin van Julij 1826, hebben vele onder hen aan de Maatſch. de f 25 reeds betaald, welke zij om de zes maanden voor de huur der hoeve, welke zij bewonen, verſchuldigd zijn, en waarvan de tijd eerst den 31 Dec. 1. l. daar was ; evenwel waren zij ſlechts genoodzaakt, om deze betaling op den 10 Jan. te doen. De Heer Inſpekt. der Koloniën zegt in zijn laatſte verſlag, over den ſtaat der ſtichtingen van de Maatſch., dat niets meer verwondering baart dan de verandering, op te merken in het gedrag der vrijgemaakte Kolonisten, en dat de noodzakelijkheid, waarin zij zich nu bevinden, van te moeten voorzien in al hunne benoodigdheden, zonder hunne toevlugt weder tot de Maatſch. te kunnen nemen, hunne bezorgdheid en hunne werkzaamheid aanmerkelijk heeft vermeerderd, en zelfs bij velen onder hen kundig heden van den akkerbouw en vooruitzigt in hunne zaken ſchijnt ontwikkeld te hebben ; een zoo aanmoedigende uit flag, in zulk een kort tijdverloop van zes maanden vers kregen, heeft noodzakelijk de Perm. Komm. moeten uit lokken, om dat getal vrijgemaakte Kolonisten te vere meerderen, en volgens een nieuw voorſtel, over dat ons derwerp gedaan door den Heer. Kapitein VAN BOSCH, Inſpekt. van de Koloniën, heeft de Maatſch. nog de vrijmaking toegeſtaan van 20 huisgezinnen, zoodat er op dit tijdſtip reeds 30. zijn die hetzelfde voordeel, genieten. Men moet hier vooral opmerken, dat alle die huisgezinnen toen zij opgenomen werden in de Maatſch. ontbloot waren van alle hulpmiddelen en dat zij tegen woordig elk 'huurders zijn van eene kleine hoeve met 3 bunders grond : bezittende twee koeijen, huisraad kleedingſtukken, landbouw -benoodigdheden enz.; wij den ken dat zulke uitkomſten zeker niet noodig hebben, om hier, door eene ſierlijke pen, verneven te worden, ten einde de nuttigheid van eene inrigting te doen zien, aan welke deze menfchen hunne wederkeering tot het geluk verſchuldigd zijn ; de daadzaken ſpreken genoeg van zelve ; het zal dienvolgens genoeg zijn om aan degenen, welke 'na deze daadzaken de Maatſch. v. Weld. nog zouden willen lasteren, of aan de ongeloovigen te zeg gen, ziet en gij zult gelooyen. · De 20 huisgezinnen, nieuwelings toegelaten om hunne hoeven te beſturen, volgens hunne eigene kennis, zijn :
LURSON, hoeve N°. I, komende van Leuyen.
BINNEMANS, hoeve N° 4 » Antwerpen.
HELLEWAART, hoeve N° 6 Brugge.
CORBÉ, hoeve Nº. 7, komende van Wortel.
DE FRANC hoeve N° 8. » Nijyel.
GAILLIJ, hoeve N° II lttre.
OLDIJCK, hoeve N° 12 Brusſel.
DE BARGIE, hoeve N° 13 Oostende.
DEROL, hoeve N° 16, Leuyen.
SESTIGH hoeve N° 24, Gend.
DE BORELLI, hoeve N° 25 Leuyen.
LAGAST, hoeve N° 26 Brugge.
RIJCKBOSCH, hoeve N° 28 Oudenaarden.
VERHELST, hoeve N° 41 Brugge
VAN RIET, hoeve N° 42, dito.
TURCK hoeve N° 48, IIperen.
PENNENBURGH, hoeve N° 50 Brusſel.
VAN HULST hoeve N° 51, dito. "
BRANCAR hoeve N° 60, dito.
GOEMARE, hoeve N° 61 Lokeren.
De vrijmaking ſlechts aan de hoofden der huisgezinnen toegeſtaan zijnde, welke bewijs van goed gedrag ge geven hebben en van de noodige kennis om hunne hoeve behoorlijk te beſturen, zoo wordt dezelve bij gevolg be ſchouwd als eene belooning, waaraan de Kolonisten eer en naijver hechten ; maar eens 200 ver gekomen, om aan hunne begeerten ten dien opzigte te hebben kunnen voldoen, werd het alsdan noodig voor de Maatſch, om een nieuw iniddel te vinden, ten einde onder de vrij gemaakte Kolonisten de eerzucht te onderhouden, om zich te onderſcheiden door hunne nijverheid en door een voorbeeldig gedrag : dit middel is op het punt van in werking te komen, en wel zoodra als de Perm. Komm. het juiste oogenblik zal vinden, om er zich van te bedie nen. In het reglement van orde, hetwelk is daargeſteld voor de vrije Koloniën van de Maatſch., zo als het geplaatst is in het eerſte jaar van de Philanthrope, blz. 28, wordt gezegd :: „ over de belooningen (art. 15), dat onafhanke, lijk van het bepaalde dagloon in geld, de Kolonisten, welke zich zullen onderſcheiden door hun goed ge drag en door hunne nijverheid, drie ſoorten van eere teekens zullen ontvangen, te weten : den eerepenning van » koper, dien van zilver en dien van goud. Zij zullen dezelve niet dan achtereenvolgens verkrijgen en de y penningen zullen met plegtigheid toegekend worden., De koperen eerepenning zal de belooning zijn, van werkzaamheid en geest van goede orde en ſpaarzaamheid.” De zilveren eerepenning zal de belooning zijn voor de nijverheid, waarvan de Kolonist voldoende bewij „ zen zal gegeven hebben, en wel zoodanige, dat dezelve hem in ſtaat ſtelt, om in, zijne nooddruſt te kunnen n voorzien,, De gouden eerepenning eindelijk zal toegekend worden aan den Kolonist, die door den opbrengst zijner landerijen en van zijn vee zoo ver gekomen zal zijn, om een vrij inkomen van f 300 te winnen.” Indien tot dus verre, de Perm. Komm. het nog niet geraden geoordeeld heeft van zich te moeten bedienen, van deze eerepenningen, om de Kolonisten te beloo. nen, ſchijnt het, dat de tijd nu gekomen is, waarop zij een uitnemend gebruik zal kunne maken, om dien paijver te onderhouden, welke de Kolonisten opwekt om goed te doen en om zich eervol te onderſcheiden, en wel zoo veel te meer, daar het die naijver is, waaruit belangrijke voordeelen moeten ſpruiten, 200 wel voor de Kolonisten in het bijzonder als voor de Maatſch, in het algemeen. In het reglement, dat wij boven hebben aangehaald, wordt ook gezegd : ( art. 17. ) dat ' de Perm. Komm. dien eerepenning zal kunnen terug nemen, wanneer door een tegenovergeſteld gedrag, met dat, hetwelk dezelve had doen verkrijgen, men zich de gunst onwaardig zou de toonen welke toegeſtaan was geworden. De Directeur kan ook gedurende veertien dagen het regt, om dien penning te dragen, ontzeggen en dienvol gens het genot opheffen der voorregten, welke daaraan verknocht zijn. Deze ſoort van belooning, bepaald door het reglement van orde voor de Koloniën, is te wel uitgedacht gewor, den, om er geen gebruik van te maken en het is waars ſchijnlijk, dat de Perm. Komm. niet zal dralen met er zich van te bedienen, om er de vrijgemaakte Kolonisten mede te beloonen. - Er bevonden zich op den 31 December, l. 1., 293 bunders lands in de vrije Koloniën, welke met graan bezaaid waren. Het vee in het algemeen, bevond zich op dat zelfde tljậſtip in den meest voldoenden toeſtand, en er is geene uitzondering ten dien opzigte, dan bij eenige luije Kolo zisten, die, van het oogenblik af, dat de koeijen geene melk meer geven, dezelve verwaarloozen ; evenwel is het voldoende voor de Maatſch. van te kunnen rekenen, dat ſedert drie jaren ' er niet meer geſtorven zijn dan 5 koeijen op de 144 ; en 52 ſchapen op de 1000 in den tijd van 4 jaren ; dit is des te meer merkwaardiy, om dat in den loop van die 4 jaren, er in de omſtreken van de ſtichtingen der Maatſch. eene ſterfte onder de Ichapen geheerscht heeft, welke groote ſchade aan de hoevenaars heeft toegebragt. •: Ten gevolge van hetgeen er gezegd is, zullen onze lezers zonder twijfel met vermaak lezen, dat de Maatſche yan Weld. zich niet dan te verheugen heeft over de ge lukkige uitkomſten, welke zij reeds heeft verkregen, en dat dezelve genoegzaam moeten zijn, om haar aan te inoedigen, met hare onderneming voort te gaan. Er zijn in de vrije Koloniën vier kinderen geboren en er is ſlechts een pasgeboren kind geſtorven.
Het huisgezin van URBAN, beſtaande uit 7 perſonen en komende van Dietkirch, in 't Groot-Hertogdom Luxeme burg, is den 23 Nov., 1.l., in de vrije Koloniën op genomen geworden. : De weinige geſtorvenen en zieken bewijzen genoeg de gezondheid der Kolonisten.
Zij gaan voort met zich gehoorzaam te onderwerpen · aan de vastgeſtelde reglementen van orde voor de vrije Koloniën, en zij vervullen hunne godsdienſtige pligten paar genoegen van den aalmoezenier der Koloniën.
Over de Kolonie tot wering der bedelarij, gedu rende de maanden Noy. en Dec. 1826.[bewerken | brontekst bewerken]
Daar wij ons de taak opgelegd hebben, om getrouwe. lijk onze lezers ſteeds bekend te maken, met alles, wat yoorvalt in de Koloniën der Maatſch. van Weld., meenen wij dienvolgens hier verſlag te moeten geven, van eene kleine gebeurtenis, welke in deze Kolonie plaats gehad heeft, en waarvan dit de daadzaak is. De Heer Kapitein VAN DEN BOSCH, Inſp. der Kolo niën, was in het begin van Nov., door den Heer Gou verneur van de Prov. Hencgouwen uitgenoodigd gewor den, om zich naar Bergen te willen begeven, voor een onderwerp over hetwelk de Heer Gouverneur hem wenschte te raadplegen, en begaf zich ook derwaarts volgens de vrijmagtgeving, welke hij ten dien einde van de Pern. Komm. verkregen had. - Eenige bedelaars nu, welke in het geſticht geplaatst waren, hebben van zijne verwijdering gebruik willen maken, om de muiteling te ſpelen, en toen zij als naar gewoonte geleid waren naar het veld, waar zij moesten werken, weigerden de ſtoutmoedig en onder hen, om zich aan het werk te begeven, indien men niet beloofde den prijs van hun daglqon te, zullen vermeerderen ; dadelijk daarop ; had er ' eene bijeenrotting plaats, en het gezag van de opzigters, welke hen vergezelden, werd miskend ; maar de hoogere: Ambtenaren, welke zich in het geſticht bevonden, dadelijk onderrigt gewor den zijnde, van die wanorde, deden oogenblikkelijk alle gemeenſchap afbreken tusſchen dien bijeengerotten hoop, welke op zijn hoogst honderd perſonen beliep, en de andere bedelaars, die zich nog in het geſticht opgeſloten bevonden : waarna twee van deze ambtenaren zich zon der aarzelen begaven op de plaats, waar de muitelingen waren en weldra door het karakter, dat zij in deze om ſtandigheid toonden, zoo ver kwamen, om deze perſonen tot de orde te doen wederkeeren, welke zij, voor den eerſten keer, hadden durven ſtoren. Evenwel ſchijnt het, dat deze Ambtenaren de partij niet op zich durfden ne men, om de aanvoerders dezer muiterij te ſtraffen, en deze omſtandigheid maakte, dat laatstgemelde, alhoewel allen tot gehoorzaamheid wederkeerende, evenwel betuig den, dat zij niet zouden dulden, dat een enkele van hen, voor zijnen beganen misſlag, zoude worden ge ſtraft ; zij koesterden dit denkbeeld tot de terugkomst van den Heer Inſp., die zich dadelijk een naauwkeurig en omſtandig verſlag liet geven, van al hetgeen er in zijne afwezigheid gebeurd was ; toen hij wel was onder rigt, liet bij al de bedelaars vergaderen en plaatſte zich in het midden van hen met de Ambtenaren, die getui. gen waren geweest van de wanorde ; toen verweet de Heer Inſp. hun in nadrukkelijke bewoordingen, het Necht gedrag, waaraan zij zich gedurende zijne afwezig heid hadden ſchuldig gemaakt ; hij toonde hun, hoe zij tegen hunne belangen waren, aangezien, dat het niet was dan door gehoorzaamheid en werkzaamheid, dat zij op hunne vrijheid konden hopen ; eindelijk deed hij aan degeren, die niet gedaan hadden dan de raad van de flechtiten te volgen, gevoelen, hoe veel dit voorbeeld hen deed verliezen van de voorregten, welke zij reeds door een goed voorafgaand gedrag verkregen hadden. De Heer Inſp. vergaf aan degenen, die ſlechts ligtelijk fchuldig waren geweest, hij beloonde eenen zekeren ROUSSEAU, welke geen deel had willen nemen aan het oproer, door hem te benoemen tot de waardigheid van Opziener, en wat betreft de yoornaamſte opperhoofden der wanorde deed hij dezelve op het oogenblik in hech tenis nemen en overeenkomſtig de reglementen, welke voor de tucht van het geſticht daargesteld zijn, ſtraffen. Zoodanig is het getrouw verſlag van die zaak, en wij gelooven, dat er rekening van aan onze lezers te ge ven, is dezelve te wapenen tegen het hechten van ge loof aan alle ſoort van valſche geruchten, welke kwaad willigen dien aangaande zouden kunnen uitſtrooijen, met oogmerk, om de Maatſch. te ſchaden. Voor het overige, heerscht ſteeds de beste orde in het geſticht der bedelaars, en alles gaat naar het genoe gen van de Perm. Komm. en van den Heer Inſp. der Koloniën. De bedelaars in het algemeen geven zich met ijver aan den arbeid over en de vrouwen vooral onder fcheiden zich door eene bijzondere bekwaamheid in den veldarbeid, zelfs in den moeijelijkſten ; de vrolijkheid, welke zij in het werken aan den dag leggen, bewijst, dat zij voldaan zijn, over haar lot, en daar zij over het algemeen matiger zijn, en hare verteringen beter in rigten dan de mannen, ſpruit hieruit voort, dat er minder ziekten en ſterfgevallen onder haar dan onder laatst gemelde zijn. De maanden Nov. en Dec. van het jaar, dat verloopen is, zijn noodlottig geweest voor de bedelaars, welke in het gelticht geplaatst zijn, aangezien dat, gedurende ge meld tijdverloop, er 32 perſonen van de 957 geſtorven zijn, te weten 10 vrouwen en 22 manren ; de onderzoe kingen, welke gedaan zijn, om de oorzaak te vinden, van die talrijke ſterfgevallen hebben bewezen ;, dat zij alleen toegeſchreven moeten worden aan den ſtaat van verzwakking, waarin vele perſonen zich reeds bevon den voor hunne hunne intrede in de geſtichten van de Maatſch., zoo als ook aan den gevaarlijken leeftijd, een zeker getal onder hen gekomen was en waarop de mensch dikwijls zijne loopbaan ziet ein digen, Voor het overige kunnen wij verzekeren, dat geen enkele {beſmettelijke ziekte in het geſticht geheersche heeft, en dat er in alles voorzien is, om al de noodige middelen, welke de ſtaat der zieken zoude kunnen yor deren, te verſchaffen. Het getal der bedelaars zoo mannen als vrouwen i in de Koloniën der Maatſch. yan Weld. in de Zuidel. gewesten was op den 31 Dec. 1826, 925. Er waren op datzelfde tijdſtip, in die Kolonie 315 bunders land om. geploegd, en 120, die vruchten dragen, en de ſchoonſte hoop doen koesteren. Daar het ſomtijds gebeurt, dat, niettegenſtaande al de maatregelen van voorzorg, welke in het werk geſteld zijn door de Maatſch., de bedelaars echter komen te ontſnappen, terwijl zij zich aan het werk bevinden, en dat zij eenige dagen daarna terug ge bragt worden, aangehouden zijnde door de veldwachters of door de maréchausſée, heeft de Perm. Komm. op den voorſlag van den Heer Inſp. beſloten, om eene on derſcheiding te geven aan de kleeding van hem, die een maal ontſnapt, en in het geſticht weder zoude gekomen zijn, opdat de Opzieners, welke de bedelaars vergezel ten, wanneer deze naar het werk gaan, beter het oog op hen zouden kunnen houden. Deze onderſcheiding beſtaat enkel in een band van roode baai drie duim breed, vastgemaakt aan de lin ker mouw van het kamizool en van de kiel, dragende de letter D (deſerteur) ter hoogte van 5 duimen, en van dezelfde ftoffe genaaid op den rug van dezelfde klee, dingſtukken en eene muts van roode wol. De verpligting, om deze onderſcheidings teekenen te moeten dragen, is ten zelfden tijde eene ſchandelijke Itraf voor den perſoon, die zich aan wegloopen ſchuldig gemaakt heeft.
Verſlag van de Komm, benoemd in den boezem der Algemeene Vergadering van de Komm. yan Toe-, yoorzigt van de Koloniën der Maatſch. v. Weld, in de Zuid, Proy. der Nederlanden, ten einde de geldelijke verantwoording te onderzoe ken, waaryan de ſtukken aan haar on derworpen zijn geworden door de Perm, Komm, yan dezelfde Maatſch. op den 4 Februarij 1826.[bewerken | brontekst bewerken]
KONINKLIJK VORST EN MIJNE HEEREN !
Tijdens uwe laatſte vereeniging in algemeene vergade ring, op den 4 Febr. 1. l., hebt gij begeerd, dat, in navolging van hetgeen ten dien opzigte in de voorgaan de jaren geſchied was, eene Kommisſie, benoemd in uwen boezem, zich bezig hield in den tusſchentijd, die verloo pen moest van dien tijd af tot op uwe aanſtaande ver eeniging, om met alle zorg en met alle aandacht, wel, ke dat werk vereischt, te onderzoeken de verantwoor ding, welke de Perm. Komm. der Maatſch. yan Weld. der Zuidel. gewesten van de Nederlanden onder worpen had aan uwe uwe naſporing naſporing,, volgens het verſlag hetwelk zij u gedaan heeft in diezelfde zitting van den 4 Febr. ( * ), en tot dat einde heeft zij bij dit verſlag gevoegd al de ſtukken tot ſtaving der ontvangſten en uit ga gaven voor de rekening der Maatſch. gedaan 2, gedurende den dienst, welke verloopen is, tusſchen den 1 April 1824 en den 31 Maart 1825. Deze ſtukken beſtaan in het bijzonder in de algemeene kasrekering en in de lijsten van ontvangst en uitgaaf tot onderſteuning van deze ; in den ſtaat van verantwoording van den Direkteur der Ko loniën met de uitgaven in het bijzonder van die tot we ring der bedelarij, in de lijst van de ontvangst door den Direkteur, in die van de ſchulden der Kolonisten, in den ſtaat der geldmiddelen van de Kolonie No. 3, in de balans van de Maatſch. en eindelijk in het kasboek van den penningmeester met al de betaalde mandaten, zoo als ook die van het bankiershuis van DANIEL DANOOT DE ZOON & Comp., betaald door den Heer HENNESSIJ, Penningmeester. "Gij hebt met uwe keus vereerd, ten einde uit te maken de Kommisſie belast ' met u een ver flag te doen, betreffende den ſtaat van de geldelijke ver antwoording : de H. H. Baron DE WELLENS, Burge meester van Brusſel, BARTHELEMY, lid van de Staten Generaal, en Baron BONAERT, lid van de Gedeputeer de Staten van 2. Braband, en gij hebt den Heer Graaf VAN DER MEREN, lid van de eerſte Kamer der Staten Generaal benoemd, opdat, in geval van afwezigheid van den Heer BARTHELEMY, hij denzelven zoude kunnen vervangen. Déze Kommisſie, Koninklijk Vorst en Mijne Heeren ! heeft zich met het werk bezig gehouden, waartoe uw vertrouwen haar geroepen had, zoodra zij zich heeft kunnen vereenigen, en het is de uitkomst van onzen arbeid, welke wij de eer hebben van u mede te deelen. De geheele ontvangst van den dienst bedraagt f202,871.357, waarvan f 51,571.592 voortkomen uit het overblijfſel der rekening van den vorigen dienst van de f 49,011.11, voortkomende uit eene leening, gedaan onder de teeke ning van Z. K. H. Prins FREDERIK, en het overſchot van een gedeelte van het overige der leening van of 350,000. De ſtortingen der Subkommisſiën komen onder die fomme voor f 27,082.041 ; de algemeene Maatschappij der Ne derlanden, ter bevordering van de volksvlijt, voor twee giften te zamen f 2500 ; 2. H. de Aartsbisſchop van Mechelen voor f 236.25, en de Heer MENDEZ DE LÉON van Amſterdam voor f100. Wij hebben geene andere aanmerkingen te maken aan gaande, dezen ſtaat der ontvangſten, dan alleen, dat het de Provincie Zuid - Braband is, welke de, hoogſte op brengst gegeven heeft van de bijzondere inſchrijvingen ( er onder begrepen die van de Algemeene Maatſch. der Nederlanden ), ten voordeele van eene zoo menschlievende en zoo voortreffelijke Inrigting, welke van het uitgebreid fte nut is voor al de inwoners van het Koningrijk, door van hen te verwijderen de last der bedelarij en door het daarſtellen van hulpmiddelen voor den werkzamen armen. De ſtaat der uitgaven bepaalt zich tot die van den penningmeester, beloopende f 188,662.37. Er blijft bij hem in kas f 303.145 en in die der. bankiers van de Maatſch. de Heeren DANIEL DANOOT DE ZOON & Comp. $ 13,905.834, eene ſom die gelijk ſtaat met die der uitga ven, vergeleken met den ontvangst. Wij hebben ten opzigte van hunnen vorm, van hun bedrag en van hunne regelmatige voldoening, al de mandaten van uitgaaf met zorg nagezien, en heb ben dezelve volmaakt in orde gevonden. Wij hebben gelijkelijk nagezien de door de Maatſch. afbetaalde ren tebrieven op de leening van f 350,000 en de coupons der renten, betaald op clken vervaldag ter kwijting van de interesten der rentebrieven, welke van die leening zijn uitgegeven geworden, en hebben het alles juist bevon den en overeenkomſlig de aanduidingen, bevat in het verſlag van de Perm. Komm. Wij kunnen niet nalaten, Koninkl. Vorst en Mijne Heeren van bij deze gelegenheid uwe aandacht in te roepen voor de getrouwheid en de naauwkeurigheid, welke de Perm. Komm. heeft aan den dag gelegd om de verbindtenisſen te vervullen, welke zij in naam van de Maatſch. heeſt aangegaan, door de vermelde betaling op den dag van de interest-coupons en de afbetaling der te vernietigen aandeelen, en het ſchijnt ons toe, dat die ondervinding moet toebrengen tot het : lierwinnen der gunst voor eene teening, welke daargeſteld is met zulke weldadige inzigten, die zoo voldoende zijn, gegrond op voldoende waarborgen, en waarvan de geheele voltallige making zulke voordeelige uitwerkſelen zoude voortbren, gen ten opzigte van de uitbreiding van het koloniale ftet, hetwelk het onderwerp uitmaakt der overwegingen van den verheven ' Prins, welke er zijn tijd en zijne rust met zulk eene ſtandvastige volharding aan opoffert, welke er de uitkomſten van onderſteunt, door eene zoo edele en zoo volhoudende edelmoedigheid, en die in de leden, welke de Perm. Kommisſie uitmaken, zulke waara dige en ijverige medehelpers vindt. !. Wij hebben geene reden om te treden in een langer verſlag van hetgeen de zedelijke verantwoording betreft der geldelijke rekening, welkewij onderzocht hebben ; het verſlag, hetwelk u verleden jaar ten dien opzigte gedaan is door uwe Perm. Komm.: bevat al de wenſchelijke aan wijzingen ; maar wij kunnen u de verzekering geven, dat zij alle overeenkomen, met de zeer uitgebreide Sta ten, welke aan onze naſporingen zijn onderworpen ge weest. De Staat Nº. 4 bevat de bijzondere uitgaven, betref= fende de Koloniën Nº. 1, 2 en 3 en heeft ons tot geene andere opmerking aanleiding gegeven', dan alleen dat de bewijsſtukken niet hebben kunnen gehecht wor den, bij de rekening, als. te uitgebreid zijnde, om dezelve in kleine bijzonderheden na te gaan, hetwelk een' zeer langen arbeid zoude vorderen, en het is ons genoeg dat dezelve goedgekeurd zijn geworden door de Perm. Komm., welke ons die lijsten heeft overgegeven. De Staat Nº. 5 biedt, behalve de opgaaf der ontvang. ſten, welke gedaan zijn voor rekening der Maatſch. door den Direkteur, ook van zelve de rekening aan der inkomſten en verliezen van opbrengſten en daaruit voortvloeijende uitgaven ; deze rekening biedt een taldo of voordeel van f 2819.473 aan voor de drie jaren van dienst. De Staat Nº. 6 heeft ons aangetoond de bijzonderhe den van hetgeen elk der Kolonisten inwoners van de Koloniën Nº. 1 en 2, ſchuldig is, zoo wel aan 16jarige ſchuld als aan loopende rekening, wegens aan hen gedane voorſchotten ; deze ſchuld ten voordeele van de Maatſch, beloopt voor de cwee Koloniën, op f 25,646.04. De ſtaat Nº. 1 is eene opgaaf of loopende rekening van de Kolonie Nº. 3, bewoond door bedelaars, met de Perm. Komm.; dezelve toont aan, de ontvangst en de uitgaaf, met betrekking tot dat Geſticht, door bij. eentelling der dienlten van 1823, 1824, 1825,, en zeer belangrijke bijzonderheden over het gebruik der fommen, welke gebezigd zijn geworden, om het daar te ſtellen en te onderhouden ; wij hebben er bijzonder in opge merkt, dat in die Kolonie de aankoop van grond bedragen heeft
Æ’ 8,i5i.54|.
De onkosten, om dezelve voor het eerst te bebouwen - 22,445.871. Het vee en het landbouw-gereedfehap. - 2,403.61. De gebouwen - 67,250.78.
Voor hetgeen er overblijft in het magazijn aan kleederen, huisraad en werktuigen - 3357°4.79f..
Eindelijk hetgeen uitgegeven is voor renten, aflosfingen en betalen der coupons.. - 20,008.34J Geheel.... Æ’154,664.951*
(pagina 296)
De achtſte Staat eindelijk, is het overzigt van de ge heele geldelijke verantwoording, waarmede wij ons heb, ben moeten bezig houden; het is de balans der Maatſcha van Weld. der Zuidelijke Prov., opgemaakt den 31 Maart. 1825, en het voornaamſte voorwerp, waarop onze aandacht zich heeft moeten vestigen, en waarop wij wenſchen, dat gij ook een oogenblik de uwe zult bepalen. Deze balans toont op eene helderé en juiste wijze de bezittingen en de ſchulden der Maatſch. aan.
De Bezittingen beftaan uit : Befchikbare fondfen in kas.... ƒ 51,571.59!. De meubelen van de bureaux... - 519.14*. De prijs der landen. (bunders 1074,37), Welke door de Maatfch. gekocht zijn. - 14,946.33. De verbetering en ontginning dier akkers, en de waarde van de daarop ge- plaatfte gebouwen 209,834.82. Het vee- en het landbouw-gereedfchap - 12,347.02. De meubelen van het Beftuur.. - 65479. De voorwerpen van kleeding, huisraad en bouwftoffen voorhanden in de magazijnen der Koloniën - 30,370.351. Aan de Kolonisten voorgefchotene gelden - 25,598.56^. 'Onderfcheidene voorwerpen... - 19,667.75. Hetgeen dan de bezittingen der Maatfch. in het geheel brengt op. f 364,921.38. De fchulden beftaan in: De leening van f 60,000.... ƒ 60,000.00. Drie feries van die van f 350,000 min ƒ 3,000 afgelost, blijft - 147,000.00. Twintig verhandelde aandeden van de vierde ferie. - 10,000.00. Transport.... /'217,000.00.
(pagina 297)
Per transport. - • • f 217,000.00». Van de leening onder de borgfchap van Z. K. H. Prins frederik. • » « / 5o5ooo.oo. Van loopende verfchotten des Directeurs - 5°*-73i. Geheel van 'de fchuld... ƒ 267,502.73§; Zoodat, de fchuld van de bezittingen aftrekkende, verkrijgt men een vrij overfchot van.. f 97,418.64!. En indien men er bijvoegt, hetgeen men berekent verfchuldigd te zijn door de Sub-Kommisfiën, en hetgeen in moet komen van de afrekening van de Philar?throphe, nog niet bepaald op het tijdllip, dat de dienst gefloten is... - 25,720.25» Moeten de bezittingen van de Maatfch. » vrij van alle fchuld gerekend worden op ƒ 123,138.89! hetwelk het wezenlijke kapitaal is van de Maatfch. Op het tijdftip van het einde van den dienst, waarvan wij gelast zijn geweest de verantwoording te onderzoeken.
Een zoodanige toeſtand van zaken, Koninkl. Vorst en Mijne Heeren, eene zoodanige geſteldheid der geldmid delen van de Maatſch. ſchijnt ons van eene zijde, ge noegzame waarborgen aan te bieden, voor de duurzaam heid van het aanwezen yan hetgene zij daargeſteld heeft, en van den anderen kant zekerheden, geſchikt om aan al degenen, die uit een menschlievend oogmerk, of uit dat, om gepast hunne kapitalen te plaatſen, zou den genegen zijn om aandeelen te nemen van die, welke nog overblijven van de leening, de betaling der renten van hunne uitſchotten te verzekeren met eene geregeldheid, waar van hetgeen voorafgegaan is en de uitbetaling op het bepaalde tijdſtip de bewijzen opgeleverd 'heeft. Wij wenſchen het des te levendiger, omdat het niet dan door middel van deze voorſchotten mogelijk zal zijn, om aan het ſchoone ſtelfel van koloniſatie, hetwelk bewonderd is geworden door alle degenen, welke die landbouie wende Koloniën bezocht hebben, de ontwikkeling te geven waarvoor hetzelve vatbaar is, in het belang van de uitroeijing der bedelarij en van een groot aantal arme huisgezinnen, welke er door hun werk het onbezorgde leven, hetwelk eenigen ſomtijds door de ongelukken ver loren hebben, zullen wedervinden, eindelijk in het be lang van den ſtaat, welke zoude moeten uitgeven, het geen tegenwoordig kan gewonnen worden. Ten gevolge dan van onze onderzoeking hebben wij de eer, Koninkl. Vorst en Mijne Heeren ! aan u voor te ſtellen, om goed te keuren, 200 wel in uitgaaf als in ontvangst de rekeningen en ſtaten, welke u aangeboden zijn geworden door de Perm. Komm. en van er bij te voegen de uitdrukking van uwe dankbaarheid en van uwe geheele voldoening, voor de zorgen, welke zij niet op houdt te betoonen met eene, boven alle loftuitingen ver heven, ijver en volharding tot welzijn van de Maatſch. en tot de goede regeling van de geldelijke verantwoor ding, waarvan de zoo voldoende uitkomſten aan ons on derworpen zijn geweest.
Brusſel, den 29 December 1826.
(Get. ) L. DE WELLENS. BONAERT. BARTHELEMY.
Wij zullen in het volgende ſtukje van de Philanthrope het verſlag plaatſen, hetwelk aan de Komm. van Toe voorzigt door de Heeren leden gedaan is, welke benoemd zijn geweest, om de Stichtingen der Maatſch. te gaan onderzoeken,
TABEL: Staat, aantoonende de algemeene gesteldheid der Stichtingen van de Maatsch. v. Weld. in de Zuidel. Gewesten van het Koningrijk der Nederlanden, op den 31 December 1826.
(pagina 300)
Aangezien, dat in het laatſte ſtukje van de Philanthro pe melding is gemaakt van ziltig poeder, uitgevonden door den Heer DE PUP, en waarvan de Maatſch. van Weld. gebruik had gemaakt in hare landbouwende Ko loniën, om de landerijen te mesten, geeft het ons ver maak van te voldoen aan de begeerte van genoemden Heer DEPUP, om aan onze lezers, door middel van dit Tijdſchrift, het voordeel bekend te maken, dat er in gelegen is, om zich te bedienen van dat poeder, ten opzigte van zuinigheid, aangezien dat, om een bunder lands te mesten, er 1500 Ned. ponden ziltig poeder noo dig zijn, welke zich met veel gemak laten vervoeren ; de prijs is een Nederlandſche gulden de 50, bijgevolg f 30 om een bunder te ' mesten, terwijl men, zich van de gewoonlijke mesting bedienende, er twintig wa gens met twee paarden noodig zijn, welke, gerekend op f 5 de wagen, f 100 uitmaken ; er volgt dan uit, dat er f 70 voordeel per bunder is, voor dengenen, die het ziltige poeder gebruikt, in plaats van de gewone mes ting te gebruiken, en wat meer zegt, dat men op een enkelen wagen vervoert, hetgeen bij de andere mesting er twintig zoude vorderen (*)
(*) Op den 11 Febr. 1.1. heeft het Z. M. den Koning be haagd aan den Heer DE PUP eene gratificatie voor zijne werkzaam heden te ſchenken. Het ſchijnt dat onder de chemiſche mest ſtoffen die van den Heer de P. eene der beste is. [ De Red.]