Raad van Tucht van de Ommerschans in mei 1839
Extract uit het Register der Notulen van het verhandelde in den Raad van Tucht te Ommerschans.
Het overzicht van
alle tuchtzittingen
op de Ommerschans
staat op
deze pagina
Verbaal van het verhandelde in de Zitting van Donderdag den 2: Mei 1839.[bewerken | brontekst bewerken]
Behalve den President, welke wegens dienstzaken absent is, zijn alle Leden tegenwoordig.
De Notulen der vorige vergadering geresumeerd en gearresteerd.
Voorts geeft de fungerende President te kennen, dat de Kolonist Johannes Bredenbach N. 2327, zich heeft schuldig gemaakt aan poging tot desertie, doch door de Veldwachters achtervolgd en weder binnen het Gesticht gebragt, denzelve wordt binnen gelaten om daaromtrent gehoord te worden.
De Kolonist J. Bredenbach weet niets ter zijner defensie intebrengen.
Hij wordt buiten gelaten.
Gezien art. 11 van het Reglement van Tucht, luidende als volgt:
Hij die voor de eerste maal ontvlugten wil en daarin wordt gehindert of ontvlugt en weder terug gebragt is zal met opsluiting in boeijen tot tien dagen toe de twee eerste te water en brood, worden gestraft; met medeneming van goederen buiten de aanhebbende kleeding of andere verzwarende omstandigheden, als ook ontvlugting voor de tweede maal met opsluiting in boeijen gedurende 14 dagen, waarvan de drie eerste en drie laatste te water en brood en met verzwarende omstandigheden voor de tweede of volgende malen benevens meervoudige ontvlugting voor de derde en volgende malen met vijftien tot veertig rietjesslagen en opsluiting als voren, zullende al de ontvlugt geweest zijnde of die dit kennelijk hebben willen doen na de ondergane straf, voor vier maanden lang eene onderscheidene kleeding moeten dragen en in de disciplinezaal worden geplaatst.
Na beraadslaging komt men overeen den beschuldigde te straffen met Veertien dagen opsluiting en boeijen, waarvan de drie eerste en de drie laatste te water en brood, en het dragen van het distinctief pak gedurende 4 maanden, zijnde de ontvlugting gepaard geweest met verzwarende omstandigheden, doordien hij een broek van een zijner mede Kolonisten had medegenomen.
De beschuldigde wordt wederom binnen gelaten, de Secretaris leest hem zijn Vonnis voor, waarna hij aftreed en ter opsluiting wordt weggebragt.
Niemand op rondvraag van den President iets meer hebbende voortestellen, is de vergadering gesloten.
Aldus gedaan om in de eerstvolgende Zitting te worden geresumeerd.
/was geteekend/ J. F. Krieger fungerend President en P. Postema, onder Directeuren, G. Steenbeek, fabriekbaas, J. A. Delfos, B. Blijstra & ?. Muller, zaal opzieners, allen leden van den Raad.
Mij Present
De Secretaris
Stous
Extract uit het Verbaal van het verhandelde bij den Raad van Policie en Tucht te Ommerschans. Zaturdag den 4e Mei 1839[bewerken | brontekst bewerken]
tegenwoordig
A. Hulst Adjunct Directeur J. F. Krieger, P. Postema Onder Directeuren, C. de Bruin Sergeant der Veteranen, C. Thijssen en G. Pfister Veteranen, J. Vossebelt en J. Verwer bouwboeren.
Is gelezen een Proces Verbaal van den Vlasbaas Hermanus Jurgens dd. 28 April JL zich beklagende dat de Veteraan Veldwachter G. Dops die onder genoemde H. Jurgens belast is met het toezigt over het werkvolk in de Turfgraverij, hem had uitgescholden voor Schurk Schelm ect: ter oorzake als bij het proces verbaal breder is omschreven;- waarna gemelde G. Dops is binnen gelaten, ten einde op het verlangen van den President zoo mogelijk voldoende te bewijzen dat Jurgens een Schelm of een Schurk zoude zijn.
De Veteraan Dops heeft hierop onder meer andere min bewijsbare voorvallen opgegeven dat, Jurgens op laatstleden Vrijdag aan de Vrouwen die in de oude turf werken had gezegd, dat wanneer zij zeker door hem aangewezen werk tegen het opgaan der mand op den middag van den volgenden dag (Zaturdag) zoude hebben verricht, zij als dan het overige van den dag, en dus gedurende den ganschen achtermiddag niets meer behoefden te doen, van welke beloften gedachte Vrouwen dan ook het effect genoten hadden daar zij in plaats van te werken, den achter middag ten huize van Dops ledig hadden doorgebragt, met uitzondering echter van de Strafkolonisten Jantje Molenbroek en Anna Margaretha Bolkenstein, die voor Jurgens zooden voor huisbrand gestoken hadden.
Na deze opgave zijn eerst binnen gelaten Jantje Molenbroek en daarna Anna Margaretha Bolkenstein, die na alvorens door den President ernstig te zijn herinnerd aan hare verpligting om naar waarheid te getuigen, eenstemmig verklaard hebben, dat zij werkelijk op gepasseerde Zaturdag achtermiddag voor Jurgens zooden hadden gestoken terwijl de andere Vrouwen dien tijd ten huize van Dops hadden doorgebragt, zonder voor de Maatschappij eenig werk te hebben verrigt, waarna men haar heeft laten aftreden, terwijl binnen geroepen is meergemelde Jurgens.
En na dat de President hem met de vermelde hem ten laste gelegde overtreding der Koloniale verordeningen had bekend gemaakt en hem wijders had voorgehouden, dat hij zich deswegens diende te verantwoorden, heeft hij bekend dat hij gehandeld had zoo en in voegen zulks door Dops was aangegeven, doch dat hij vermeende, hier in niets onbehoorlijks te zijn gelegen, en dat het werk het welk hij den vorigen dag de Vrouwen te verrigten aangewezen had, geacht konde worden zoo veel ja zelfs meer te belopen, dan zij anders in eenen geheelen dag gewoon waren te doen.
De President heeft hem hierop te kennen gegeven, dat hij niet met zijn gevoelen konde instemmen om redenen in het breede ontwikkeld en zulks nog te minder, om dat om soortgelijk geval nog onlangs een der Koloniale Ambtenaren te dezer plaats, uit zijne betrekking was ontslagen geworden, mitsdien (en zulks wel na eerst de beschuldigde zoo wel als de aanklager te hebben doen aftreden) de Raad in overweging gevende of wel de onderwerpelijke zaak van deszelfs competentheid zoude zijn en niet zoude behoren te worden gebragt ter kennis van den Directeur der Kolonien om deswegens naar rade te zullen kunnen handelen.
Waarop na deliberatie is besloten:
De Zaak provisioneel aan te houden doch inmiddels door toezending van een Extract dezer, den Heere Directeur voornoemd daarvan te informeren, waarmede de President zich heeft belast.
/was getekend/ A. Hulst, J. F. Krieger, P. Postema, C. de Bruin, C. Thijssen, G. Pfister, J. Vossebelt, J. Verwer
Voor Extract Conform
De Secretaris bij de Raad van Policie en tucht bovengemeld
Stous
Proces Verbaal[bewerken | brontekst bewerken]
Op heden den acht en twintigste April 1800 negen en dertig, moest den ondergeteekende op order van den Onder Directeur /buiten/ naar het Veen, en had mij bevolen om bij de Wijkmeester M. van der Heide mij te vervoegen, welke mij belaste de te veel mede genomene Schoppen van de Smit naar het Veen weder terug te besorgen, welke last ik de Veldwagter Dops bekend maakte, die dezelve onder zijn berusting had, hetwelke hij mij zoo kwalijk nam, dat hij met verscheidene Scheldwoorden toevoegde, Schelm, Schurk, Gaauwdief, Rakkert en wat meer lelijk is, en wel zo erg, dat hij mij aanzeide, zoo ik nog een woord Sprak een Slag zoude geven, met een Schop op het Hoofd, dat dezelve in de kuil zoude vallen, en zeide vervolgens ik heb scheid aan U, en van der Heide en aan de geheele boel, ik heb toch mijn Brood, hetwelke door eenige van de Veenwerkers aangehoord is.-
Zulke behandeling verzoeke ik de Heeren Raad, te willen doen handhaven, daar ik toch diende te gaan, waar de Directie mij heen zende.
Verblijve met alle achting
UWD. Dienaar
H. Jurgens
Notitie van de directeur[bewerken | brontekst bewerken]
Aangezien het geven van taak nimmer ten gevolge moet hebben, dat er werk uren in ledigheid kunnen worden door gebragt en dat het daarbij uitgemaakt is dat dezelve gegeven is met oogmerk om er zelf naardere van te genieten; zoo stel ik voor om Jurgens te straffen met inhouding van eene week salaris, tevens het verlies der gestoken zoden, die ik reeds, ten voordeele der Maatschappij, heb doen in beslag nemen.
De Directeur der Kolonien
Van Konijnenburg
| Notitie(s) bij de transcriptie |
|---|
| ● Deze zitting is niet als alle andere op basis van het reglement voor bedelaarskolonisten, maar op basis van het reglement voor kolonistenhuisgezinnen.
● In de kantlijn bij de notitie van de directeur is door een lid van de permanente commissie geschreven: 'dit is, geloof ik, nagenoeg dezelfde straf als voor eenige tijd aan eenen wijkmeester of bouwboer opgelegt, in dat geval adviseer ik conform'. |
Verbaal van het verhandelde in de Zitting van Zaturdag den 4e Mei 1839, des avonds te 9 uur.[bewerken | brontekst bewerken]
De President en Leden zijn allen tegenwoordig.
De Notulen der vorige Vergadering geresumeerd en gearresteerd.
Voorts is gelezen
Een Proces Verbaal van den Zaal opziener Bourlard, houdende dat de Kolonist Johannes Scheer N. 8 zich andermaal heeft schuldig gemaakt aan het verkoopen of verpanden van Kleeding stukken zijner mede Kolonisten, als: van den Kolonist Hartgers een linnen broek, Schulp een onderbroek, Reenen een borstrok, Vink, twee doeken, en van der Kaaij een linnen broek.
De Kolonist Johannes Scheer bovengemeld, wordt binnen gelaten, en het hier voren aangehaalde voorgelezen, waarop hij zeide het conform der waarheid was, zonder meer.
Den beschuldigde treed weder af.
Gezien art. 13 van het Reglement van Tucht, luidende als volgt:
Ontvreemding of verpanding van koloniale goederen of van mede kolonisten zal worden gestraft met opsluiting in boeijen van drie tot veertien dagen naar gelang der omstandigheden, desnoods te water en brood om den anderen dag en bij herhaling van een dier misdrijven altijd met veertien dagen met opsluiting in boeijen de drie eerste en drie laatste te water en brood.
Overwegende dat de vorige straf door den beschuldigde ondergaan, van weinig invloed is geweest, wordt eenparig besloten , hem de volle straffe ingevolge bovengemeld artikel op te leggen, zoo dat J. Scheer wordt gecondemneerd met Veertien dagen opsluiting en boeijen, de drie eerste en de drie laatste te water en brood.
Men laat hem weder binnen komen, de Secretaris geeft hem kennis van het verhandelde, waarna hij aftreed.
Ten tweede wordt voor den Raad gebragt de Strafkolonist Hendrik Kuiper N. 12, schuldig aan desertie voor de 1e maal, door een Veldwachter weder binnen gebragt.
Op de vraag door den President, waarom hij heeft willen ontvlugten, geeft hij te kennen, om een nieuw pak te krijgen, omdat de Zaal opziener hem geen buis wil geven.
De Zaal opziener hieromtrent gehoord wordende, verklaart dat Kuiper een grote deugniet is, en slordig op zijne Kleeding, blijkbaar aan zijn schuld op Kleeding, welke op heden over de f 20,- bedraagt, en als zijn buis gerepareerd is, hetzelve nog lang kan dragen.
Men laat hem aftreden.
Gezien art. 11 van het Reglement van Tucht, hiervoren genoemd, luidende:
Hij die enz
De Raad in overweging nemende dat den beschuldigde onachtzaam is, en heeft willen ontvlugten, zoo komt men overeen hem te straffen met tien dagen opsluiting de twee eerste te water en brood, edoch ten gevolge het hierboven aangehaalde, hem vooreerst nog geen strafpak te geven.
Hij wordt wederom binnen gelaten, zijn vonnis voorgelezen en ter opsluiting weggebragt.
Op rondvraag van den President niemand der Leden iets meer hebbende voortestellen, wordt de vergadering gesloten.
Aldus gedaan om in de eerstvolgende Zitting te worden geresumeerd.
/was geteekend/ A. Hulst Adjunct Directeur President, J. F. Krieger en P. Postema, onder Directeuren, G. Steenbeek, fabriekbaas, J. A. Delfos, J. Borman en P. Bourlard Zaal Opzieners, allen leden van den Raad.
Mij Present
De Secretaris
Stous
Verbaal van het verhandelde in de Zitting van Zaturdag den 18e Mei 1839[bewerken | brontekst bewerken]
De Notulen der vorige Vergadering geresumeerd en gearresteerd.
Voorts is gelezen een Proces Verbaal van den volgenden inhoud.
“Op heden den 15 Mei des voormiddags omstreeks Elf uren, Ik ondergetekende komende op Hoeve N. 8 bewoond door den Hoevenaar Nak, ontmoete ik den Kolonist J. Kreinders welke mij de vraag deed of hij gestraft was met zijn Weekverdiensten, waarop ik hem ten antwoord heb gegeven van Ja, en indien hij er niet mede tevreden was, ik hem wel ander werk zou verschaffen, en de Ossen maar op stal zoude zetten, waarop hij mij heeft gevraagd, om welke reden hij dan wel gestraft was, en ik hem daarop ten antwoord heb gegeven, om dat hij de Ossen, waarbij hij voerman zijnde, maandag den 15 had mishandeld, daar hij dezelven had geslagen, gestoten, zelf niet met een zweep of twieg, maar met een stok, zoo dat de Ossen genoodzaakt wierden, in den draf te loopen, waarover ik hem toen heb onderhouden, en gezegd dat ik volstrekt niet wilde hebben dat de Ossen zoo gejaagd zouden worden, uit welke reden ik hem had gestraft, hetgeen door den Wijkmeester van den Bosch is gezien en gehoord, waarop hij op het antwoord dat hij de ossen had mishandeld, mij toevoegde dat ik een bloedhond en een bloeddief was, waarop ik hem heb gelast de ossen dadelijk op stal te zullen zetten, hetgeen hij heeft geweigerd, waarop ik het leidsel wilde nemen, en zelf de ossen op stal te zetten, weigerde hij hetzelve overtegeven, zoo dat ik mij heb genoodzaakt gevonden het leidsel in stukken te snijden en het leidsel gekregen hebbende om de ossen op stal te brengen, werd ik door hem aangevallen, en voor de borst gestoten, zoo dat ik mij genoodzaakt heb gevonden hem aantevallen, hetgeen ik ook heb gedaan, en hem op de grond heb geworpen, waarop hij zeide ik hem zoude loslaten, hetgeen ik ook dadelijk heb gedaan, en hij opstaande, kreeg het mes uit zijn zak om mij te steken of te snijden, zoo dat ik mij andermaal genoodzaakt heb bevonden te verdedigen, waarop ik hem heb gevat en tegen den grond geworpen en vastgehouden totdat den Kolonist P. Heijdt hem het mes uit de handen heeft gebroken, waarop ik hem eindelijk heb losgelaten, en mij daarna wel heeft gedreigd te zullen slaan, doch niet tot de daad is overgegaan.”
“Zoo verzoekt den Ondergeteekende den Raad van Tucht gemelde Kolonist J. Kreijnders hierover te onderhouden, en naar bevind van zaken te handelen.”
“Van het bovengemelde kan getuigenis worden gegeven door de Vrouw van den Hoevenaar Nak en de Kolonisten P. Heijdt , A .van Arkel, A. Bakker en ter Velde”
“Ommerschans den 18e Mei 1839
“”De onder Directeur
“”/was geteekend/ P. Postema”
De Kolonist Johannes Krijnders N. 1500 binnen gelaten zijnde, wordt hetzelve aan hem voorgelezen.
De President vraagt den beschuldigde, of hij het voorgelezene verstaan had en hetzelve niet conform der waarheid was, waarop hij antwoorde van Ja, doch dat hetzelve in een driftig oogenblik was geschied, en dat hij zijn mes uit zijn zak had gehaald om daar het leidsel hetwelk den onder Directeur had stuk gesneden, te splitsen en weder in orde te maken, verzoekende van den Raad om verschooning.
De Voorzitter geeft hem te kennen dat dit geene defensie is die in aanmerking kan komen, en hij alzoo strafbaar is ingevolge art: 14 van het Reglement van Tucht, luidende als volgt:
Verzetten tegen overheden of veldwachters met dadelijkheden zal met opsluiting met en zonder boeijen naar gelang der omstandigheden en desnoods om den anderen dag te water en brood, worden gestraft. Bij herhaling van het misdrijf met dezelfde straf, doch vooraf gegaan van tien tot twintig rietjes slagen.
Men laat hem aftreden.
De Raad besluit eenparig J. Krijnders te straffen met 28 dagen opsluiting en boeijen, om den anderen dag te water en brood.
Hij wordt wederom binnen gelaten, de Secretaris leest hem zijn Vonnis voor, waarna hij wederom aftreed en ter opsluiting wordt weggebragt.
Ten tweede verschijnen voor den Raad de Kolonisten Roelof Zwart N. 2549, en Meindert Krook N. 1273, beide deserteurs voor de 1e maal, zonder verzwarende omstandigheden.
Zij hebben niets ter verontschuldiging intebrengen, en de President brengt hun hunne strafbaarheid ingevolge vroeger omschreven art.: 11 van het Reglement van Tucht onder het oog, luidende als volgt:
“Hij die enz”
Men delibereert en komt overeen hun te straffen ieder met tien dagen opsluiting en boeijen, de twee eerste te water en brood en het dragen van een distinctief pak voor den bij het Reglement bepaalden tijd van Vier maanden.
Men laat hen weder binnen komen, de Secretaris leest hun het vonnis voor, en zij worden ter opsluiting weggebragt.
Niemand op rondvraag van den President iets meer hebbende voortestellen, is de Vergadering gesloten.
Aldus gedaan om in de eerstvolgende Zitting te worden geresumeerd.
/was geteekend/ A. Hulst, Adjunct Directeur President, J. F. Krieger en P. Postema onder Directeuren, G. Steenbeek, fabriekbaas, B. Blijstra, A. D. Otterbein en J. Borman, Zaal opzieners, allen Leden van den Raad.
Mij Present
De Secretaris
Stous
Verbaal van het verhandelde in de zitting van Dingsdag den 28e Mei 1839[bewerken | brontekst bewerken]
President en Leden zijn allen tegenwoordig.
De Notulen der vorige Vergadering geresumeerd en gearresteerd.
Worden voor den Raad geroepen en verschijnen, de navolgende Kolonisten, allen schuldig aan het verkoopen van Kleeding stukken, als:
Martinus Terweeme N. 963 Een broek en boezeroen
Pieter de Graas N. 2346, Een hemd
Cornelis Rotgans N. 23 Een hemd en broek
Johannes Scheer N. 8 Een hemd
Nicolaas Dreef N. 1018 Een buis, broek en kousen
Jan Kapper N. 2165, Een buis en broek
Op de vraag door den President waarom zij hunne goederen verkocht hebben, zeggen zij eenparig van den honger, en om wat tabak te kunnen koopen, dewijl zij uit hoofde der geringe verdiensten, zoo weinig zakgeld ontvangen.
De Voorzitter geeft hun te kennen, zij zeer goed weten, dat zij hoegenaamd niets van hunne Kleeding stukken mogen wegdoen om welke reden ook, en dat wat de Klagten van den honger betreft, ongegrond moeten voorkomen, blijkbaar aan alle andere Kolonisten, welke door hunne Vlijt goede Verdiensten maken, en alzoo in staat zijn, hun van tabak enz. te kunnen voorzien, verklaart hun dienvolgens strafbaar ingevolge het reeds gemeld art. 13 van het Reglement van Tucht, luidende
“Ontvreemding of verpanding enz:”
Zij worden buiten gelaten.
De President brengt in omvraag welke straf men de beschuldigden zal opleggen
Overwegende dat de Veld en fabriek arbeid het slegt gedoogt, daar zoo vele menschen van af te trekken, waarom de Raad van gevoelen is, hen bij dag te laten werken en des nachts op te sluiten, zoo wordt dan eenparig besloten de beschuldigden de volgende straf op te leggen, als
Martinus Terweeme, Pieter de Graas, Nicolaas Dreef voor 10 nachten en Cornelis Rotgans, Jan Kapper en J. Scheer voor 14 nachten – zijnde laatstgenoemde reeds voor het verkoopen van goederen, meermalen gestraft, zoo dat hij nog bovendien gecondemneerd wordt opsluiting in boeijen, de drie eerste en drie laatste te water en brood.
De beschuldigden worden wederom binnen gelaten, de Secretaris leest hun het vonnis voor, waarna zij aftreden en ter opsluiting worden weggebragt.
Ten tweede verschijnen voor den Raad, Willem Otto Kuipers N. 1644,- Jan Schoutz N. 1746 en Francis Mouran N. 1752, welke zich schuldig hebben gemaakt van hun werk te verwijderen.
De President hun vragende waarom zij niet bij hun werk bleven, hetwelk hun was aangewezen, antwoorden zij om naar de Wijkmeester te willen gaan, om ander werk te mogen hebben, en meer niets beduidende voorwendsels; de President verklaart, dat dit geene defensien zijn, welke in aanmerking kunnen komen, en zegt hun aan, strafbaar te zijn ingevolge art. 9 van het Reglement van Tucht, luidende als volgt:
Alle ongehoorzaamheid jegens de koloniale ambtenaren zal met verplaatsing in de discipline zaal voor drie tot acht dagen worden bestraft en indien deszelve met brutaliteit gepaard gegaan is, met opsluiting voor dezelfden tijd in de provoost.
Zij worden buiten gelaten.
Wordt besloten met eenparige stemmen hun voor acht nachten op te sluiten, en overdag te werken, uit hoofde der veelvuldige werkzaamheden, zonder meer.
Men laat hun weder binnen komen, de Secretaris leest hun het vonnis voor, waarna zij aftreden.
Op rondvraag van den President niemand der Leden iets meer hebbende voortestellen, wordt de vergadering gesloten.
Aldus gedaan om in de eerstvolgende Vergadering te worden geresumeerd.
/was geteekend/ A. Hulst Adjunct Directeur President, J. F. Krieger en P. Postema, onder Directeuren, G. Steenbeek, fabriekbaas, P. Bourlard, J. A. Delfos en J. Borman, Zaal opzieners, allen leden van den Raad
Mij Present
De Secretaris
Stous
Verbaal van het verhandelde in de Zitting van Donderdag den 30e Mei 1839.[bewerken | brontekst bewerken]
President en Leden zijn allen tegenwoordig.
De Notulen der vorige Vergadering geresumeerd en gearresteerd.
De Bedelaars Kolonist Arie Smit N. 518 door den Hoevenaar Blokland schuldig verklaard aan verregaande Godslasteringen, verschijnt voor den Raad om daaromtrent gehoord te worden.
Binnen komende verklaard hij, dat hij wel is waar gevloekt heeft, maar dat het zoo hoog niet moest opgenomen worden, en betoonde zich geheel onverschillig over zijne misdaad.
Men doet hem buiten staan.
Gezien artikel 16 van het Reglement van Tucht, luidende als volgt
Onzedelijk gedrag in woorden, als vloeken, schelden, razen etc. of met daden door zedelooze omgang met anderen zal met verplaatsing in de discipline zaal van een tot acht dagen worden gestraft en bij herhaling daarvan met opsluiting zoo noodig in boeijen en te water en brood om den anderen dag.
De President vraagt de gevoelens der Leden ieder in het bijzonder, allen stemmen overeen, den beschuldigde te straffen met acht nachten opsluiting zonder meer, en om daags zijn gewonen Veldarbeid te verrigten.
Ten tweede wordt voor den Raad gebragt Gerrit Bruins N. 1395, schuldig aan desertie voor de 2e maal, door de Koloniale Veldwachters achtervolgd en weder in het Gesticht gebragt.
Op de vraag door den President waarom hij andermaal is ontvlugt, geeft hij te kennen van den honger, dewijl hij jong en sterk zijnde, niet genoeg aan zijn eeten heeft en ook niet in staat is, uit hoofde der geringe verdiensten, brood bij te kunnen koopen.
Men laat hem aftreden.
Gezien meergemeld art 11 van het Reglement van Tucht luiden
“Hij die enz”
Na gehoudene deliberatie komt men overeen , den beschuldigde te straffen met Veertien dagen opsluiting en boeijen, waarvan de drie eerste en de drie laatste te water en brood.
Zij worden beide binnen gelaten, en het geslagen vonnis voorgelezen.
Niemand op rondvraag van den President iets meer hebbende voor te stellen, is de Vergadering gesloten.
Aldus gedaan om in de eerstvolgende Vergadering te worden geresumeerd.
/was geteekend/ A. Hulst Adjunct Directeur President, J. F. Krieger & P. Postema onder Directeuren, G. Steenbeek, fabriekbaas, , B. Blijstra en C/G Bourlard, Zaal opzieners, allen leden van den Raad
Mij Present
De Secretaris
Stous