Raad van Tucht van de Ommerschans in mei 1838

Uit KolonieWiki
Versie door koloniewiki>Wil Schackmann op 22 aug 2023 om 17:16
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Het overzicht van
alle tuchtzittingen
op de Ommerschans
staat op
deze pagina

Extract uit het Register der Notulen van het verhandelde in de Raad van Tucht te Ommerschans.

Zitting van Zaturdag den 12 Mei 1838[bewerken | brontekst bewerken]

De Raad is te zamen geroepen de Voorzitter opend de vergadering.

Verschijnen voor denzelve de Kolonisten Jacob Koning N. 2454 en Johannes Nicolaas Kalberleins(?) N. 452, beiden schuldig aan het veranderen hunner boezeroenen waarvan zij zonder voorkennis ieder een onderbroek hebben gemaakt

De President vraagt hun naar de reden welke hun bewogen heeft, om de goederen door de Maatschappij verstrekt te versnijden of te veranderen, waarop zij te kennen gaven, niet geweten te hebben dat zulks verboden was.-

Men laat hun aftreden

De Raad neemt in overweging, dat, daar er in het Reglement van Tucht in geen artikel melding gemaakt wordt van het veranderen van Koloniale Kleeding, hun voor ditmaal geen straf te kunnen opleggen, met te kennen geving, dat er hoegenaamd geene veranderingen aan Kleeding Stukken geschieden mag.-

Zij worden binnen gelaten,

De Secretaris geeft hun kennis van het verhandelde, waarop zij aftreden.-


Ten tweede wordt voor den Raad gebragt Hendrik Doekes Luitman N. 1689, schuldig aanhet verruilen van zijn schoenen, Op den vraag door den voorzitter, waarom hij dit gedaan heeft, gaf hij ten antwoord, dat zij hem te klein waren, en de daarvoor omgeruilde even zoogoed waren als de zijne.

De President geeft hem te kennen, dat hij hoegenaamd, op wat manier ook, zijn goed niet mag weg doen, omdat hij zich doordien heeft schuldig gemaakt aan de straf bij art. 13 van het Reglement bepaald, luidende als volgt

Ontvreemding of verpanding van koloniale goederen of van mede kolonisten zal worden gestraft met opsluiting in boeijen van drie tot veertien dagen naar gelang der omstandigheden, desnoods te water en brood om den anderen dag en bij herhaling van een dier misdrijven altijd met veertien dagen met opsluiting in boeijen de drie eerste en drie laatste te water en brood.

Hij wordt buiten gelaten.-

Na gehoudene deliberatie komt men overeen de beschuldige te straffen met drie dagen opsluiting in boeijen..


Ten derde komt voor de raad Hendrik de Wilde N. 857 schuldig aan het verkopen zijner koussen

De President vraagt hem aan wien hij zijn koussen verkocht heeft, waarop hij antwoord dat hij de man niet kende, hij dacht dat het een metselaar was welke aan het Gesticht werkt en daarvoor f-,25 ontvangen heeft.

De Voorzitter geeft hem te kennen dat hij volstrekt niets van zijne Kleeding Stukken mag verkoopen, hetwelk hem zeer goed bekend is, en al zoo strafbaar aan art: 13 van het Reglement van Tucht hier voren omschreven.

Men laat hem buitengaan,

De Raad stemt overeen hem te Straffen met vijf dagen opsluiting om den anderen dag in de boeijen.-

Zij worden binnengelaten, de Secretaris leest hun het vonnis voor, waarna zij ter opsluiting worden weggebragt.-

Niemand op rondvraag van de President iets meer hebbende voortestellen, houdt men de Vergadering voor gesloten.-

Aldus gedaan op dato als boven

/was get/ A. Hulst Adj Dirct President, J. F. Krieger & P. Postma onder Directeuren, G. Steenbeek fabriekbaas, Boerlard en Delfos Leden van den Raad

In kennisse van mij

De Secretaris

Stous

Notitie(s) bij de transcriptie
● Onderbroeken behoren (nog) niet tot het kledingpakket dat aan bedelaars, evenals trouwens aan alle kolonisten verstrekt wordt. Maar blijkbaar is er wel behoefte aan.


Zitting gehouden op Zaturdag den 19 Meij 1838[bewerken | brontekst bewerken]

Alle Leden tegenwoordig zijnde, opend de President de vergadering.-

Wordt voor dezelve gebragt

Willem Rudolf Warmoets N. 1203 schuldig aan dronkenschap voor de 1e maal.

De President brengt hem het onbehoorlijke zijns gedrags onder het oog, waarop belooft dat zulks niet meer gebeuren zal.

Hij wordt buiten gelaten.

Gezien art. 10 van het Reglement van Tucht luidende als volgt

Dronkenschap voor de eerste maal zal met opsluiting tot vijf dagen- en voor de tweede maal met opsluiting in boeijen tot tien dagen toe worden bestraft en indien dezelve is gepaard gegaan met verzwarende omstandigheden als ook meervoudige dronkenschap voor de derde maal en volgende met opsluiting in boeijen tot tien dagen toe met water en brood om den anderen dag.

Na beraadslaging komt men overeen, den Bedelaars Kolonist Warmoets te straffen met twee dagen opsluiting.


Tweede verschijnt voor den Raad de Bedelaars Kolonist Jacob(?) Kuik N. 1432 schuldig aan ongehoorzaamheid met gestadig van zijn werk af te lopen , waarover hij van den Onder Directeur Correctie heeft gehad en zich daaraan niet stoorde.

Hij wordt buiten gelaten.

Gezien art. 9 van het Reglement van Tucht, luidende als volgt,

Alle ongehoorzaamheid jegens de koloniale ambtenaren zal met verplaatsing in de discipline zaal voor drie tot acht dagen worden bestraft en indien deszelve met brutaliteit gepaard gegaan is, met opsluiting voor dezelfden tijd in de provoost.

De Raad besluit den beschuldigde te straffen met drie dagen opsluiting zonder meer.


Ten derde komt voor den Raad Antje Geerts Meijer N. 966 schuldig aan desertie voor de 1e maal, en wel met hun drieën bij Complot, door de Veldwachters agtervolgd, en weder terug gebragt, heeft niets ter harer verontschuldiging intebrengen

Men laat haar buiten gaan.

Gezien art. 11 van het Reglement van Tucht van de navolgende inhoud.-

Hij die voor de eerste maal ontvlugten wil en daarin wordt gehindert of ontvlugt en weder terug gebragt is zal met opsluiting in boeijen tot tien dagen toe de twee eerste te water en brood, worden gestraft; met medeneming van goederen buiten de aanhebbende kleeding of andere verzwarende omstandigheden, als ook ontvlugting voor de tweede maal met opsluiting in boeijen gedurende 14 dagen, waarvan de drie eerste en drie laatste te water en brood en met verzwarende omstandigheden voor de tweede of volgende malen benevens meervoudige ontvlugting voor de derde en volgende malen met vijftien tot veertig rietjesslagen en opsluiting als voren, zullende al de ontvlugt geweest zijnde of die dit kennelijk hebben willen doen na de ondergane straf, voor vier maanden lang eene onderscheidene kleeding moeten dragen en in de disciplinezaal worden

De Voorzitter vraagt welke Straf men de beschuldigde zal opleggen, en met eenparigheid van Stemmen komt men overeen haar te Straffen met veertien dagen opsluiting waarvan de drie eerste en de drie laatste te water en brood, en het dragen van een distinctief teken.-


Eindelijk ten vierden verschijnt voor den Raad Arnoldus Domhof N. 858 schuldig aan desertie voor de 3e maal, door de Veldwachters agtervogd en weder terug gebragt.-

De voorzitter vraagt hem om welke reden hij telkens wegloopt, waarop hij antwoord niet goed met het werk overweg te kunnen en meer niets beduidende voorwendsels.-

Hij wordt buiten gelaten.-

Gezien meergemeld Art 11 van het Reglement.

Wordt met eenparige Stemmen besloten de Kolonist Domhof te Straffen met veertien dagen opsluiting om den anderen dag in de boeijen de drie eerste en de drie laatste te water en brood dertig rietslagen en het dragen van een onderscheidings Pak.

Zij worden allen weder binnen gelaten

De Secretaris leest hun het vonnis voor waarop zij ter opsluiting worden weg gebragt.

Op rondvraag van den Voorzitter niemand der leden iets meer hebbende voor te stellen, zoo wordt de Raad gehouden voor gesloten.

Aldus gedaan op dato als boven.-

/was get/ A. Hulst, Adj. Dirct. President, J. F. Krieger & P. Postema Onder Directeuren, G. Steenbeek Fabriek baas, Otterbein, Delfos en Blijstra Zaal opzieners alle Leden van den Raad.

In kennisse van mij

De Secretaris

Stous



Zitting op Zaturdag den 26 Meij 1838.[bewerken | brontekst bewerken]

Daar alle leden tegenwoordig zijn, zoo opend de President den Raad

De Bedelaars Kolonist Johannes van Hofwegen N. 666 deserteur voor de 1 maal door agent van politie van Gouda op den 24 Meij LL teruggebragt, verschijnt voor den Raad.

De Voorzitter vraagt hem naar de redenen zijner ontvlugting, waarop hij te kennen geeft dat hij van iemand in de Ommerschans aan het gesticht werkende, een borrel heeft gehad, welke hem bevangen heeft toen hij is weggelopen, en nugteren zijnde geworden durfde hij niet meer terug te komen.

De President geeft hem te kennen, dat dit geene redenen zijn, hem van de Straf bepaald bij art. 11 van het Reglement van Tucht vrij te Spreken, hetwelk luidt als volgt.

Hij die voor de eerste maal ontvlugten wil en daarin wordt gehindert of ontvlugt en weder terug gebragt is zal met opsluiting in boeijen tot tien dagen toe de twee eerste te water en brood, worden gestraft; met medeneming van goederen buiten de aanhebbende kleeding of andere verzwarende omstandigheden, als ook ontvlugting voor de tweede maal met opsluiting in boeijen gedurende 14 dagen, waarvan de drie eerste en drie laatste te water en brood en met verzwarende omstandigheden voor de tweede of volgende malen benevens meervoudige ontvlugting voor de derde en volgende malen met vijftien tot veertig rietjesslagen en opsluiting als voren, zullende al de ontvlugt geweest zijnde of die dit kennelijk hebben willen doen na de ondergane straf, voor vier maanden lang eene onderscheidene kleeding moeten dragen en in de disciplinezaal worden

Men laat hem aftreden

Na gehoudene deliberatie, komt men eenstemmig overeen de beschuldigde te Straffen met tien dagen opsluiting en boeijen, de twee eerste te water en brood, en het dragen van een distinctief pak.


Ten tweede worden voor den Raad gebragt de Kolonisten Petrus Johannes Nieman N. 1227 en Bernardus Franciscus Rins N. 2024 pogingen tot desertie, door de Veldwachters binnen de Kolonie terug gebragt, zijnde van beide voor de 1e maal. Naar ondervraging der redenen, weten zij niets in te brengen, belovende het niet weder te zullen doen.

Men laat hun buiten staan, na herlezing van art. 11 van het reglement van tucht, voren vermeld.

De President vraagt de gevoelens der Leden in het bijzonder, dezelve komen overeen, dat zij zullen gestraft worden met acht dagen opsluiting in boeijen en het dragen van een onderscheidings pak.


Ten derde wordt voor den Raad gebragt Hendrik van Leijden N. 408 deserteur voor de 1e maal, op den 24 Meij LL van Amsterdam aangebragt, weet niets ter zijner defentie intebrengen, waarop de President hem zijne Strafschuldigheid te kennen geeft, mede ingevolge art.11 van meergemeld Reglement.

Men laat hem aftreden

De Raad komt overeen van Leijden te straffen met acht dagen opsluiting zonder boeijen en het dragen van een distinctief pak.


Ten vierde komt voor den Raad Jan Landman N. 881, schuldig aan belediging van mede Kolonisten met woorden, weet niets in te brengen als dat hij hetzelve niet gemeend had en in drift was geschied,-

De Voorzitter brengt hem onder het Oog dat volstrekt geene belediging van mede kolonisten mag geschieden en hij alzoo Strafbaar is ingevolge art. 17 van het Reglement van Tucht, zijnde van de volgende inhoud

Belediging van mede kolonisten door woorden zal met verplaatsing in de discipline zaal en bij verzwarende omstandigheden met opsluiting van drie tot viertien dagen worden gestraft en met daden van opsluiting van drie tot veertien dagen, des noods met boeijen.

Hij wordt buiten gelaten.

De President brengt in omvraag welke Straf Landman zal worden opgelegd, en men besluit hem te straffen met acht dagen opsluiting zonder meer.


Eindelijk ten vijfden worden voor den Raad geroepen de Kolonisten Willem Tijsterman N. 734 en Johannes Lawaaij N. 293 beiden schuldig aan het verzetten tegen den Veldwachter Tijssen hebbende het opzicht over de Bokkevaarders.

De President brengt hun het onbehoorlijke gedrag onder het oog, waarop zij beloven dat zulks niet meer het geval zijn zal, waarna de President hun te kennen geeft dat zij strafbaar zijn ingevolge art. 14 van het reglement van Tucht, houdende als volgt.

Verzetten tegen overheden of veldwachters met dadelijkheden zal met opsluiting met en zonder boeijen naar gelang der omstandigheden en desnoods om den anderen dag te water en brood, worden gestraft. Bij herhaling van het misdrijf met dezelfde straf, doch vooraf gegaan van tien tot twintig rietjes slagen.

Zij worden buitengelaten.

Na gehoudene deliberatie komt men eenstemmig over een de beschuldigden te straffen als volgt

W. Tijsterman met 8 dagen opsluiting en

J. Lawaaij met 6 opsluiting om den anderen dag te water en brood.

Men laat de beschuldigden binnen komen, de Secretaris leest hun het Vonnis voor, waarna zij ter opsluiting worden weggebragt.-

Niets meer ter verhandeling voorhanden zijnde, zoo wordt den Raad door de President gesloten.

Aldus gedaan op dato als boven.

/wasget/ A. Hulst Adj. Direct. President, J. F. Krieger en P. Postema Onder Directeuren, G. Steenbeek Fabriek baas, Delfos, en Muller Zaalopzieners, alle Leden van den Raad

In kennisse van mij

de Secretaris

Stous