Raad van Tucht van de Ommerschans in maart 1833

Uit KolonieWiki
Versie door Nieuwenhoven (overleg | bijdragen) op 1 sep 2023 om 11:12 (1 versie geïmporteerd)
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Het overzicht van
alle tuchtzittingen
op de Ommerschans
staat op
deze pagina

Kolonie Ommerschans - Vergadering van de Raad van Tucht op den 12 Maart 1833[bewerken | brontekst bewerken]

Alle de Leeden zijn tegenwoordig en de Raad wordt alzoo door den President geopend.

De kolonist Melis Plat van desertie terug gebragt wordt ontboden te verschijnen. De President vraagt hem naar de reden zijner ontvlugting, waar op hij te kennen geeft dat hij niet zoude gedeserteerd zijn, ware het niet geweest dat zijne famille zich wilden meester maken van zijn pensioen, en dat hij dus ter voorkoming daarvan noodzakelijk in persoon bij hun diende te zijn.

De kolonist Plat wierd daarop onder het oog gebragt dat dit geene defensie was, die in aanmerking konde komen, en dat hij alzoo strafbaar was ingevolge Art. 11 van het Reglement van Tucht, luidende alsvolgt

Hij die voor de eerste maal ontvlugten wil en daarin wordt gehindert of ontvlugt en weder terug gebragt is zal met opsluiting in boeijen tot tien dagen toe de twee eerste te water en brood, worden gestraft enz.

De kolonist Plat wordt buiten gelaten.

De President vraagt het gevoelen van de leeden in 't bijzonder.

De leeden kennen Melis Plat overigens als een goed kolonist en willen dan ook met hem eenige inschikkelijkheid gebruiken, te meer daar hij werkelijk berouw lijkt te hebben.

Wordt met eenparige stemmen besloten dat Plat gedurende 8 dagen zal worden opgesloten in de strafkamer.

De kolonist Plat wordt binnen gelaten, en de secretaris leest hem zijn vonnis voor, waar na hij wederom buiten gaat.


Ten tweeden wordt voor de Raad gebragt de kolonist Antonij van Bergum, oppasser in de zaal der scabieuse mannen, wegens ontvreemding van een broek van een zich in genoemde zaal bevindende scabieuse en welke broek hij verkocht zoude hebben aan den kolonisten veldwagter Schutte voor 35 centen.

De President vraagt hem of hij op deze beschuldiging ook iets aantemerken heeft, waar op hij te kennen geeft van 'Neen, dat het gebeurt is, en dat hij het nimmer zal doen, enz enz.

De kolonisten veldwachter Schutte wordt ook binnen gelaten.

De President vraagt hem of hij de broek van van Bergum gekocht heeft, waar op hij te kennen geeft van Neen, en de ontkenning blijft volhouden niet tegenstaande dat van Bergum hem bij herhaling de plaats aanwijst waar hij de broek van hem voor 35 centen gekogt heeft.

Er zijn geene getuigen maar de Raad vermeent het er voor te moeten houden dat Schutte de broek gekogt heeft, omdat men meermalen soortgelijke gevallen met Schutte gehad heeft die men hem niet regtstreeks heeft kunnen bewijzen.

De Raad kent Schutte schuldig aan het hem ten laste gelegde.

Gezien art. 13 van het Reglement van Tucht zijnde van den volgenden inhoud:

Ontvreemding of verpanding van koloniale goederen of van mede kolonisten zal worden gestraft met opsluiting in boeijen van drie tot veertien dagen naar gelang der omstandigheden, desnoods te water en brood om den anderen dag.

Overwegende dat men geen veldwachter in dienst kan houden die zelf iets bedrijft, waarop hij juist in zijn betrekking een waakzaam oog moet houden.

Wordt besloten de kolonist van Bergum 14 dagen op te sluiten in de strafkamer waarvan 8 dagen in boeijen, de veldwachter Schutte af te zetten van zijne bediening, alsmede acht dagen strafkamer.

De kolonisten Schutte en van Bergum worden binnen gelaten en hunne vonnissen worden hun voorgelezen, waar na zijl. wederom aftreden.

Op rondvraag van de President niemand der Leden iets meerder hebbende intebrengen, zoo wordt de Raad gehouden voor gesloten.

Aldus gedaan op datum als boven

De President en Leden

  • K. Mulder
  • Rensing
  • H. Steenbeek
  • J.A. Bosscha
  • Müller
  • Meeuwesen
  • Stous secr.