Raad van Tucht van de Ommerschans in juni 1839
Het overzicht van
alle tuchtzittingen
op de Ommerschans
staat op
deze pagina
Extract uit het Register der Notulen van het Verhandelde in den Raad van Tucht te Ommerschans.
Verbaal van het verhandelde in de Zitting van Maandag den 10 Juni 1839[bewerken | brontekst bewerken]
Alle Leden tegenwoordig zijnde, opent de President den Raad.
De Notulen der vorige Vergadering geresumeerd en gearresteerd.
Verschijnen voor den Raad de onderstaande Kolonisten, schuldig aan het verKoopen hunner Koloniale Kleeding stukken, als
Gerrit Johannes Hisker N. 1329 Een boeseroen
Hermanus van der Valk N. 1921 Een hemd
Lambertus Heeren N. 2302 Een boeseroen
Johan Carel Mulder N. 761 Een boeseroen
Hermanus Meijer N. 1835 Een idem en hemd
Petrus Adam Piera N. 2258 1 broek
Abraham Einens N. Een broek
Dirk Nieburg N. 2550 Een buis en broek
Op de vraag door den President waarom zij hunne Kleeding stukken verkocht hebben, wordt door hun eenparig geantwoord van den honger en om wat tabak te kunnen koopen, uit hoofde zij door de geringe verdiensten, zoo weinig zakgeld ontvangen.
De President vraagt hen verder aan wien zij gemelde goederen hebben verkocht, waarop zij te kennen geven aan met ontslag vertrokken Kolonisten.
De Voorzitter verklaart hen schuldig ingevolge art. 13 van het Reglement van Tucht, luidende als volgt:
Ontvreemding of verpanding van koloniale goederen of van mede kolonisten zal worden gestraft met opsluiting in boeijen van drie tot veertien dagen naar gelang der omstandigheden, desnoods te water en brood om den anderen dag en bij herhaling van een dier misdrijven altijd met veertien dagen met opsluiting in boeijen de drie eerste en drie laatste te water en brood.
Men laat hen aftreden.
Tot de deliberatien overgegaan zijnde, besluit men hen te straffen, als
- J. G. Hisker 8
- H. van der Valk 8
- L. Heeren 4
- J. C. Mulder 4
- H. Meijer 8
- P. A. Piera 4
- A. Einens 4
- D. Nieburg 8
nachten opsluiting en daags te werken, uit hoofde de werkzaamheden zoo veelvuldig zijn
Men laat hen weder binnen komen, de Secretaris maakt hun het Vonnis bekend, waarna zij ter opsluiting worden weggebragt.
Op rondvraag van den President niemand der Leden iets meer hebbende voortestellen, wordt de Vergadering gesloten.
Aldus gedaan om in de eerstvolgende Zitting te worden geresumeerd.
/was geteekend/ A. Hulst Adjunct Directeur President, J. F. Krieger, P. Postema, onder Directeuren, G. Steenbeek, fabriekbaas, J. A. Delfos, B. Blijstra en M. Mulder, Zaal Opzieners, allen leden van den Raad.
Mij Present
De Secretaris
Stous
Verbaal van het verhandelde in de Zitting van Dingsdag den 11e Juni 1839[bewerken | brontekst bewerken]
Alle Leden zijn tegenwoordig, de President opent den Raad.
De Notulen der Vorige Vergadering geresumeerd en gearresteerd
Wordt voor den Raad gebragt de Kolonist Christoffel Looijer N. 151, schuldig aan Poging tot desertie, door de Veldwachters achtervolgd en teruggebragt, als mede aan het verkoopen zijner Kleeding Stukken.
De President hem hierop ondervragende, geeft hij onverschillig en niets beduidend antwoord.
Men doet hem buiten staan.
Gezien het hiervoren gemeld Art. 13 van het Reglement van Tucht en Art. 11 luidende als volgt:
Hij die voor de eerste maal ontvlugten wil en daarin wordt gehindert of ontvlugt en weder terug gebragt is zal met opsluiting in boeijen tot tien dagen toe de twee eerste te water en brood, worden gestraft; met medeneming van goederen buiten de aanhebbende kleeding of andere verzwarende omstandigheden, als ook ontvlugting voor de tweede maal met opsluiting in boeijen gedurende 14 dagen, waarvan de drie eerste en drie laatste te water en brood en met verzwarende omstandigheden voor de tweede of volgende malen benevens meervoudige ontvlugting voor de derde en volgende malen met vijftien tot veertig rietjesslagen en opsluiting als voren, zullende al de ontvlugt geweest zijnde of die dit kennelijk hebben willen doen na de ondergane straf, voor vier maanden lang eene onderscheidene kleeding moeten dragen en in de disciplinezaal worden geplaatst.
Na gehoudene discussie, komt men eenpariglijk overeen C. Looijer te straffen met 14 dagen opsluiting en boeijen de 2 eerste en de twee laatste te water en brood en het dragen van een strafpak, hierop doet men hem weder binnen komen, de Secretaris leest hem het Vonnis voor, en hij wordt ter opsluiting weggebragt.
Ten tweede verschijnt voor den Raad de Kolonist Hendrik Bosch N. 1893, deserteur voor de 1e maal, op den 20 augustus 1838 ontvlugt, was als toen ingeschreven op N. 2320 onder de naam van Hendrik van der Hagen, en op den 9e dezer door een Agent van Policie van Maashees /.Noord Braband/ weder teruggebragt.
Op de vraag door de Voorzitter ?? de redenen waarom hij is gedeserteerd, niets ter zijner verschooning wetende in te brengen, zoo laat men hem aftreden.
Gezien het reeds gemelde art. 11 van het Reglement van Tucht.
Na gehoudene beraadslaging besluit men eenstemmig Hendrik Bosch te straffen met 10 dagen opsluiting en boeijen, de twee eerste te water en brood en het dragen van het onderscheidings Kleed, gedurende den bepaalden tijd.
Weder binnen geroepen wordende, leest de Secretaris hem het Vonnis voor, en wordt wijders ter opsluiting weggebragt.
Op rondvraag van den President niemand der Leden iets meer hebbende voortestellen, zoo wordt de vergadering gesloten.
Aldus gedaan om in de eerstkomende Vergadering te worden geresumeerd.
/ was geteekend/ A. Hulst Adjunct Directeur President, J. F. Krieger P. Postema, onder Directeuren, G. Steenbeek, fabriekbaas, J. A. Delfos, B. Blijstra, en M. Muller, Zaal opzieners allen leden van den Raad.
Mij Present
De Secretaris, Stous
Verbaal van het verhandelde in de Zitting van Woensdag den 12e Juni 1839[bewerken | brontekst bewerken]
Alle Leden van de Vergadering tegenwoordig zijnde, zoo wordt den Raad door den President geopend.
De Notulen der vorige Vergadering geresumeerd en Gearresteerd.
Verschijnt voor denzelve Izaak Paulus N. 1859, welke zich niet ontzien heeft om een meisje, welke op het land arbeidzaam was, te mishandelen, hebbende haar geslagen.
De Voorzitter vraagt hem naar de redenen die hem noopten om zijne mede Kolonisten zoo moedwillig te slaan, waarop hij antwoorde, dat zij hem, in het voorbijgaan, toen hij als Nachtwacht op Post stond, had uitgescholden, en dat de slagen die hij haar gegeven heeft, ook zoo streng waren geweest om daarover aan den Raad Klagten in te brengen, verzoekende dientengevolge om verschooning onder belofte zich voor het vervolg hiervan te wachten.
Gezien Art: 17 van het Reglement van Tucht, luidende als volgt:
Belediging van mede kolonisten door woorden zal met verplaatsing in de discipline zaal en bij verzwarende omstandigheden met opsluiting van drie tot viertien dagen worden gestraft en met daden van opsluiting van drie tot veertien dagen, des noods met boeijen.
Hij wordt buiten gelaten.
De Raad besluit daar gemelde Paulus al reeds op den 22 Augustus 1835 is gestraft, hem voor 10 dagen op te sluiten.
Men laat hem binnen komen, de Secretaris leest hem zijn Vonnis voor, waarna hij wederom aftreed.
Op rondvraag van den Voorzitter niemand der Leden iets meer hebbende Voortestellen, is de Vergadering gesloten.
Aldus gedaan om in de eerstvolgende Zitting te worden geresumeerd.
/was geteekend/ A. Hulst Adjunct Directeur President, J. F. Krieger en P. Postema, onder Directeuren, G. Steenbeek, fabriekbaas, M. Muller, J. A. Delfos en B. Blijstra, Zaal Opzieners, allen leden van den Raad
Mij Present
De Secretaris
Stous
Verbaal van het verhandelde in de Zitting van Zaturdag den 22e Juni 1839[bewerken | brontekst bewerken]
Alle de Leden tegenwoordig zijnde, opent de President den Raad.
De Notulen der vorige Vergadering geresumeerd en Gearresteerd.
Wordt binnen gelaten den Kolonist Antonius Geurs, N. 772, schuldig aan verregaande beleediging jegens den Opziener Molenaar, gepaard met vloeken en dreigementen, als gezegde opziener zich weer bij hem op het land durfde te begeven, dat hij hem dan met de hooijvork door en door zoude steken.
De President vraagt den beschuldigde, of het hierboven hem ten laste gelegde, Conform de waarheid was en wat hem bewogen heeft zulke dreigementen te doen, waarop hij te kennen gaf, dat de Opziener meer werk van hem vorderde als hij doen kon, doch dat zijn gezegdens in een drift waren geschied, en om verschooning verzocht.
De President laat den Opziener Molenaar binnen komen, hem vragende welk werk den Kolonist Geurs hierboven gemeld verrigte, verklaarde hij dat hij gras moest strooijen dat was afgemaaid doch dat hij bijna den geheelen dag niets uitvoerde, hetgeen den Veldwachter Tasmus getuigen kon, en bovendien door zijne luiheid, zijne mede Kolonisten van het werk hield.
Men laat Tasmus insgelijks binnen komen, dewelke zeide dat, als Geurs een half uur gestaan had, hij wel een uur zoude willen liggen, en dat hij hem gedurig moest opjagen, alsmede dat hij gezegd heeft, indien den Opziener Molenaar weder op het land kwam, hij hem met de Vork zoude doorsteken.
Men laat hem aftreden.
De Raad neemt in overweging dat zulke zaken streng moeten worden gestraft, en besluit dat art: 9 en 16 van het Reglement van Tucht op den beschuldigde van toepassing is, luidende dezelve als volgt:
Alle ongehoorzaamheid jegens de koloniale ambtenaren zal met verplaatsing in de discipline zaal voor drie tot acht dagen worden bestraft en indien deszelve met brutaliteit gepaard gegaan is, met opsluiting voor dezelfden tijd in de provoost. Onzedelijk gedrag in woorden, als vloeken, schelden, razen etc. of met daden door zedelooze omgang met anderen zal met verplaatsing in de discipline zaal van een tot acht dagen worden gestraft en bij herhaling daarvan met opsluiting zoo noodig in boeijen en te water en brood om den anderen dag.
Men komt dan eenpariglijk overeen om A. Geurs voor veertien dagen opsluiting zonder meer:
ten tweede komt voor den Raad de Kolonist Johannes Schenk N. 1281, deserteur voor de eerste maal.
De President vraagt hem naar de redenen zijner desertie, waarop hij niets beduidendst weet te antwoorden.
Hij wordt buiten gelaten.
Gezien het reeds vroeger omschreven art. 11 van het Reglement van Tucht.
Na beraadslaging komt men overeen den beschuldigde te straffen met 10 dagen opsluiting en boeijen, de twee eerste te water en brood.
Ten derde verschijnt voor den Raad Martinus van Hest N. 1369, deserteur voor de 1e maal, zijnde Vrijwillig weder terug gekomen.
De Voorzitter hem naar de redenen zijner desertie vragende, geeft hij te kennen dat hij niet weet, waarom hij is weggeloopen, maar blijde was weder terug te zijn, om redenen hij niets anders dan armoede had geleden.
Men laat hem buiten staan.
Gezien meergemeld art. 11 van het Reglement van Tucht.
De Raad komt overeen, daar het schijnt, dat de schuldigen niet wel bij zinnen, en buitendien een ijverig grasmaaijer is, hem uit dezen hoofde slechts voor Vijf nachten opsluiting te straffen.
Zij worden alle wederom binnen gelaten, de Secretaris leest hun het vonnis voor, waarna zij aftreden.
Niemand op rondvraag van den President iets meer hebbende voor te stellen, wordt de Vergadering gehouden voor gesloten.
Aldus gedaan om bij de eerstvolgende Vergadering te worden geresumeerd.
/ was geteekend/ A. Hulst Adjunct Directeur President, J. F. Krieger en P. Postema, onder Directeuren, G. Steenbeek, Fabriekbaas, B. Blijstra, J. Borman en M. Muller, Zaal opzieners, allen leden van den Raad.
Mij Present
De Secretaris
Stous
Verbaal van het verhandelde in de Zitting van Dingsdag, den 25e Juni 1839[bewerken | brontekst bewerken]
Alle de Leden zijn tegenwoordig, de President opent den Raad.
De Notulen der vorige Vergadering geresumeerd en gearresteerd.
Worden voor den Raad gebragt de Kolonisten Johannes van der Hoeve N, 74 en Antonie Luchthart N. 448, schuldig aan dronkenschap voor de 1e maal.
De President brengt hun het onbehoorlijke huns gedrag ten ernstigste onder het oog, waarop zij beiden beloven, dat het niet meer gebeuren zal en om verschooning verzoekende.
Gezien art. 10 van het Reglement van Tucht, luidende als volgt:
Dronkenschap voor de eerste maal zal met opsluiting tot vijf dagen, en voor de tweede maal met opsluiting in boeijen tot tien dagen toe worden bestraft en indien dezelve is gepaard gegaan met verzwarende omstandigheden als ook meervoudige dronkenschap voor de derde maal en volgende met opsluiting in boeijen tot tien dagen toe met water en brood om den anderen dag.
Men laat ze beiden buiten gaan.
Wordt met eenparigheid van stemmen besloten ieder te straffen met vijf dagen opsluiting zonder meer.
Zij worden weder binnen gelaten, de Secretaris leest hun het Vonnis voor, waarna zij aftreden en ter opsluiting worden weggebragt.
Op rondvraag van den President, niemand der Leden iets meer hebbende voortestellen, sluit men de Vergadering.
Aldus gedaan om in de eerstvolgende Vergadering te worden geresumeerd.
/was geteekend/ A. Hulst Adjunct Directeur President, J. F. Krieger en P. Postema, onder Directeuren, G. Steenbeek, Fabriekbaas, P. Bourlard, M. Muller en J. A. Delfos, Zaal opzieners, allen leden van den Raad
Mij Present
De Secretaris
Stous