Raad van Tucht van de Ommerschans in juni 1837
Het overzicht van
alle tuchtzittingen
op de Ommerschans
staat op
deze pagina
Extract uit het Register der Notulen van het verhandelde in den Raad van Tucht, te Ommerschans.-
Zitting van Zaturdag den 3e Juny 1837[bewerken | brontekst bewerken]
Alle Leden zijn tegenwoordig en de Voorzitter opent den Raad,-
De Kolonist Willem Jacobs of Carel de Hoop N. 2250 deserteur voor de 1e maal door een Policie Beambten alhier op den 1e dezer aangebragt, wordt ontboden, en verschijnt.
Geene redenen van defensie wetende in te brengen laat men denzelven weder aftreden.
Gezien Art: 11 van het Reglement van Tucht luidende als volgt:
Hij die voor de eerste maal ontvlugten wil en daarin wordt gehindert of ontvlugt en weder terug gebragt is zal met opsluiting en boeyen tot tien dagen toe de twee eerste te water en brood, worden gestraft met medeneming van goederen buiten de aanhebbende kleeding of andere verzwarende omstandigheden, als ook ontvlugting voor de tweede maal met opsluiting in boeIJen gedurende veertien dagen, waarvan de drie eerste en drie laatste te water en brood en met verzwarende omstandigheden voor de tweede of volgende malen benevens meervoudige ontvlugting voor de derde en volgende malen met vijftien tot veertig rietjesslagen en opsluiting als voren, zullende al de ontvlugt geweest zijnde of die dit kennelijk hebben willen doen na de ondergane straf, drie maanden lang eene onderscheidene kleeding moeten dragen en in de disciplinezaal worden geplaatst.
De Leden bepalen in deze dat de beschuldigde met 10 dagen opsluiting, de 2 eerste te water en brood, om den anderen dag in de boeijen, zal gestraft worden.
De kolonist Jacobs wordt binnen gelaten, en het vonnis wordt hem voorgelezen, waarna hij wederom aftreed en ter opsluiting wordt weg gebragt.
Op rondvraag van den President niemand der Leden iets meer hebbende voor te stellen, wordt de Vergadering gehouden voor geslooten.-
Aldus gedaan op dato als boven
/was geteekend/ Ads. de Geus, Adjunct Directeur, President, J. F. Krieger. A. J. Wijkstra,
H. Steenbeek, Onder Directeuren, Blijstra & Delphos Zaal Opzieners, allen Leden van den Raad
Mij present
De Secretaris
(handtekening:) Stous
Zitting van Vrijdag den 16e Juny 1837[bewerken | brontekst bewerken]
Alle Leden tegenwoordig zijnde, zoo opent de President de Raad.
Wordt voor dezelve gebragt Hindrik van Boxtel N. 274 deserteur voor de 1e maal, op den 11e dezer door een Policie bediende van Havelte terug gebragt.
Op de vraag van den President naar de redenen zijner ontvlugting, weet hij niets dan onbeduidende zaken tevoorschijn te brengen.
Gezien Art: 11 van het Reglement van Tucht hiervoren vermeld.
Men laat hem buiten gaan.
De Raad overweegt en besluit den beschuldigden te straffen met 10 dagen opsluiting in boeijen.-
Men laat hem weder binnen komen, de Secretaris leest hem zijn vonnis voor, waarna hij ter opsluiting wordt weggebragt.
Op rondvraag van den President niemand der Leden iets meer hebbende voor te stellen, wordt de vergadering gehouden voor geslooten.-
Aldus gedaan op dato als boven
/was getekend/ Ads. De Geus, Adj. Directeur, President, J. F. Krieger, A. J. Wijkstra, H. Steenbeek, Onder Directeuren, Blijstra en Delphos Zaal opzieners, allen Leden van den Raad
Mij present
De Boekhouder
(handtekening:) Stous
Zitting van Maandag 19 Juny 1837[bewerken | brontekst bewerken]
De President opent de Raad daar alle Leden tegenwoordig zijn.
Wordt ter tafel gebragt een Proces Verbaal van den volgenden inhoud:
“De Ondergetekende Zaalopziener brengt ter kennis van den Raad van Tucht, dat zich den Bedelaars Kolonist Jan Schoe N. 1315 voor de 2e maal aan verregaande insubordinatien en dreigementen heeft schuldig gemaakt.-
De eerste maal tegen den Onder Directeur binnen, en den sergeant de Bruin, bij welke gelegenheid hij een mes van de Zaal heeft gehaald, om zich daarmede te verzetten, doch op de komst van den Onder Directeur hetzelve gewillig heeft afgegeven.-
Op den 17e dezer heeft gemelde Schoe zich wederom aan meergemelde fouten te buiten gegaan, en den Onder Directeur buiten met woorden en dreigementen verregaand beledigd, doch zonder zich bij zijne in arrest neming te verzetten.-
Ommerschans, 19 Juny 1837
De Zaalopziener Blijstra
/was getekend/ “
De President laat den Kolonist Jan Jans Schoe N. 1315 ontbieden, denzelve verschijnt voor den Raad en wordt gehoord, verklarende het overeenkomstig het hierboven gemelde Proces Verbaal is geschied.- De Voorzitter brengt hem zijn onbehoorlijk gedrag onder het Oog en dat het schijnde de vorige straf door hem ondergaan geen invloed schijnd gehad te hebben, waarop hij wederom beloofd, zulks nooit meer zoude geschieden, gevende de Voorzitter hem te kennen hij andermaal Strafbaar is ingevolge Art: 14 van het Reglement van Tucht, luidende als volgt
Verzetten tegen overheden of veldwachters met dadelijkheden zal met opsluiting met en zonder boeijen naar gelang der omstandigheden en desnoods om den anderen dag te water en brood, worden gestraft. Bij herhaling van het misdrijf met dezelfde straf, doch vooraf gegaan van tien tot twintig rietjes slagen.
Men laat hem buiten gaan.
Den Raad komt overeen Jan Jans Schoe te straffen met 10 dagen opsluiting in boeijen en 20 rietjes slagen.-
Hij wordt wederom binnen gelaten, de Secretaris leest hem zijn vonnis voor, en wordt ter opsluiting weggebragt.
Ten tweede verschijnd voor den Raad Lubbert Jan Sjordema N. 327, schuldig aan desertie voor de 3e maal, op den 17e dezer zonder geleiders, alzoo uit eigen bewegen, weder terug gekomen.-
Op de vraag naar de reden zijner herhaalde desertie en op welke manier hij ontvlugt is, zegt hij om met de Burgemeester zijner plaats over desselfs Pensioen Acte te spreken, welke hij ook gesproken heeft, en toen weder is terug gekomen, en dat hij door de tralien of spijlen van Keuken N. 1 is gekroopen, doch wel een half uur in dezelve is blijven zitten en door den Nagtwagt Terpstra, welke mede met hem ontvlugt is, daar was uitgetrokken.-
Men gaat over tot de deliberatien en de Raad komt overeen de Kolonist Sjordema te straffen met Veertig rietjes slagen, 14 dagen opsluiting in boeijen, de 3 eerste en de 3 laatste te water en brood, en het dragen van een onderscheidingspak voor den tijd van 4. maanden.-
De beschuldigde wordt wederom binnen gelaten, de Secretaris leest hem zijn Vonnis Voor, en wordt ter opsluiting weg gebragt.-
Niemand op rondvraag van den Voorzitter iets meer hebbende voortestellen, wordt de Vergadering gehouden voor gesloten.-
Aldus gedaan op dato als boven /Was getekend/ Ads. De Geus, Adj. Directeur, President, J. F. Krieger, A. J. Wijkstra en H. Steenbeek, Onder Directeuren, Delphos en Blijstra Zaalopzieners, allen Leden van den Raad.
Mij present
De Secretaris
(handtekening:) Stous
Zitting van Dingsdag den 27 Juny 1837[bewerken | brontekst bewerken]
Alle Leden tegenwoordig zijnde, wordt door den Voorzitter de Vergadering geopend.
Verschijnd voor denzelven
Hendrik Jan Kwint, N. 1573, deserteur voor de 1e maal, door de Veldwachter van het Gesticht agtervolgt, en weder terug gebragt.-
De President vraagt hem naar de redenen zijner ontvlugting, waarop hij niets defensief weet over te brengen, en alzoo strafbaar wordt verklaard aan Art. 11 van het Reglement van Tucht hier boven omschreven.-
Hij treed weder af.-
De Raad komt overeen Kwint te straffen met 10 dagen opsluiting in boeijen, en het dragen van een distinctief pak.-
Men laat hem weder binnen komen en het vonnis wordt hem door de Secretaris voorgelezen.-
Ten derden verschijnd voor den Raad Jan Kok, N. 2352 schuldig aan het mede nemen van een paar Klompen uit de Klompemakerij, zijnde aldaar als Klompemaker werkzaam.-
De Voorzitter vraagt hem om welke redenen hij zoo heimelijk een paar Klompen heeft mede genomen, of hij wel weet dat het steelen is, zeggende dat hij dezelve voor zijn eigen gemaakt had, omdat hij een paar Klompen benodigd was, doch was van voornemen om een paar Klompen aan zijn Zaalopziener te vragen, om voor die in te ruilen, dewijl hij dezelve naar zijn voeten gemaakt had, men doet hem de klompen aanpassen, en het bleek zij hem veel te klijn waren, zoo dat bovengezegdes ontwaarhedens zijn, hij alzoo strafbaar is ingevolge Art: 13 van het Reglement van Tuccht luidende als volgt:
Ontvreemding of verpanding van koloniale goederen of van mede kolonisten zal worden gestraft met opsluiting in boeijen van drie tot veertien dagen naar gelang der omstandigheden, desnoods te water en brood om den anderen dag en bij herhaling van een dier misdrijven altijd met veertien dagen met opsluiting in boeijen de drie eerste en drie laatste te water en brood.
Men laat den beschuldigde buiten staan.-
De Raad overtuigd dat Jan Kok de Klompen ontvreemd heeft, besluit men, hem voor 10 dagen op te sluiten.-
Men doet hem weder binnen komen, de Secretaris leest hem zijn vonnis voor, en verklaring, als hij weder zig aan gemelde feit schuldig maakt, hij als klompemaker zal afgezet worden.
Op rondvraag van den President niemand der Leden iets meer hebbende voor te stellen, zoo wordt de Raad gehouden voor gesloten.
Aldus gedaan op dato als boven
/Was getekend/Ads. De Geus, Adjct. Dir., President, J. F. Krieger, A. J. Wijkstra, Onder Directeuren, Delphos en Blijstra Zaal opzieners, allen Leden van den Raad
In kennisse van
(handtekening:) Stous
secr.
| Notitie(s) bij de transcriptie |
|---|
| ● De notulist gaat van de eerste zaak naar 'ten derde' dus of hij is een beetje in de bonen of hij is vergeten de tweede zaak te notuleren. |