Raad van Tucht van de Ommerschans in januari 1839

Uit KolonieWiki
Versie door koloniewiki>Wil Schackmann op 22 aug 2023 om 17:20
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Het overzicht van
alle tuchtzittingen
op de Ommerschans
staat op
deze pagina

Notulen van het Verhandelde in den Raad van Tucht te Ommerschans

Zitting van Donderdag 3 January 1839[bewerken | brontekst bewerken]

Alle de leden zijn tegenwoordig, de Prsident opent de Raad.

Wordt voor dezelve gebragt de kolonist Christiaan Kleijn, N226, schuldig aan het verkoopen zijner kleeding stukken.

De President vraagt hem aan wien hij de goederen, hem door de Maatschappij verstrekt, verkocht heeft, met te kennengeving dat hij volstrekt niets van zijn goederen mag verkopen of weg doen, waarop hij antwoorde niet te weeten aan wien hij dezelve heeft verkocht, doch beloofde het niet weder te zullen doen.

Hij wordt buiten gelaten.


Ten tweede verschijnt voor den Raad Jan Houthuizen, N1159, mede schuldig aan het verkopen van een paar kousen; op de vraag van den President waarom hij de kousen verkocht heeft, weet hij niets te antwoorden; verder vraagt hem de Voorzitter aan wien hij dezelve verkocht heeft, zegt dat hij de persoon niet kende.

Hij wordt mede buiten gelaten.

Gezien Art. 13 van het Reglement van Tucht, luidende:

Ontvreemding of verpanding van koloniale goederen of van mede kolonisten zal worden gestraft met opsluiting in boeijen van drie tot veertien dagen naar gelang der omstandigheden, desnoods te water en brood om den anderen dag en bij herhaling van een dier misdrijven altijd met veertien dagen met opsluiting in boeijen de drie eerste en drie laatste te water en brood.

De Raad komt overeen beide kolonisten te straffen met 8 dagen opsluiting in boeijen.

Zij worden wederom binnen gelaten, de Secretaris leest hun het vonnis voor, waarna zij ter opsluiting worden weggebragt.


Ten derde verschijnt voor den Raad Anna Maria Louisa van Leeuven, N204, schuldig aan misbruik van sterken drank en wel voor de 2e maal.

De Voorzitter vraagt haar van waar zij de drank had bekomen, waar aan zij zich zo schandelijk heeft te buiten gegaan, waarop zij antwoorde dat zij Nieuwjaar had wezen wenschen en toen een Slokje had gekreegen.

De President geeft haar te kennen dat zij wel aan sterke drank moet verslaafd zijn, terwijl zij voor dezelfde misdaad op den 31 Juny 1838 gestraft is, en als toen beloofd heeft het niet weder gebeuren zoude; verder brengt de Voorzitter het schandelijke van haar gedrag onder het oog, en geeft zijn ongenegen aan haar te kennen, te meer nog zij zich niet ontzien heeft naar de mannen plaats te gaan, onder voorwendsel aan den portier van het hek te zeggen, dat zij waschgoed moest gaan halen het welk ook geenzins het geval was, om redenen zij door den WelEdele Heer Inspecteur Visser tijdens Zijne inspectie gezien en voor Zijn Ed. weg gekropen was. Blijkbaar zij zoude niet veel goeds voor had.

Zij verzoekt andermaal om verschoning onder belofte zich voortaan van dergelijke misdrijven te onthouden en goed op te passen.

Men laat haar aftreden.

Gezien Art. 10 van het Reglement van Tucht luidende als volgt:

Dronkenschap voor de eerste maal zal met opsluiting tot vijf dagen- en voor de tweede maal met opsluiting in boeyen tot tien dagen toe worden bestraft en indien dezelve is gepaard gegaan met verzwarende omstandigheden als ook meervoudige dronkenschap voor de derde maal en volgende met opsluiting in boeyen tot tien dagen toe met water en brood om den anderen dag.

De President brengt in omvraag welke straf de beschuldigde zal worden opgelegd en men komt overeen haar te straffen met acht dagen opsluiting in boeijen om den anderen dag.

Zij wordt binnen gelaten, de Secretaris maakt haar het vonnis bekend, waarna zij aftreed en ter opsluiting wordt weggebragt.


Ten vierde wordt voor den Raad geroepen de strafkolonist Lena Schruyer N85, beschuldigd van misbruik van sterken drank, binnengekomen zijnde erkent zij haar fout, onder belofte van het niet weder te zullen doen.

De President zegt haar strafbaar te zijn aan Art. 10 van het Reglement van Tucht, hier voren gemeld.

Zij wordt buiten gelaten.

De President vraagt de gevoelens der Leden, wordt eenparig besloten om de beschuldigde te straffen met vijf dagen opsluiting.

Men laat haar weder binnen komen, de Secretaris maakt haar het vonnis bekend, waarna zij aftreedt.


Ten vijfde laat men binnen komen de kolonist J. Landa N259, welke zich voor de tweede maal heeft schuldig gemaakt aan dronkenschap, zijnde dezelve op den 11 Augustus 1838 daarvoor gestraft.

Op de vraag van de President hoe hij aan sterken drank was gekomen, zegt hij bij eenige Geëmployeerden Nieuwjaar gewenscht te hebben, van dezelven een weinig sterken drank heeft bekomen, het welk hem bevangen heeft.

De Voorzitter geeft hem mede zijn ongenoegen te kennen over de brutale woorden die hij uitgebracht heeft tegen den Weledele Heer Inspecteur Visser, waarop hij zeide daarvan niets te weten, vriendelijk verzoekende hem te vergeven zijn voor ditmaal begane fout, en tevens excuus verzoekt voor de beledigende woorden door hem aan den WelEdele Heer Inspecteur gedaan, onder stellige beloften van zich voortaan van het drinken van sterken drank te wachten, hebbende van het gebeurde veel berouw.

Hij wordt buiten gelaten.

Gezien Art. 10 van het Reglement van Tucht hier voren reeds gemeld.

De president vraagt de gevoelens der Leden in het bijzonder.

Overwegende dat de beschuldigde werkelijk van zijn begaan misdrijf berouw heeft, wordt eenparig besloten hem te straffen voor 8 dagen opsluiting om den anderen dag in boeijen.

De beschuldigde wordt wederom binnen gelaten, de Secretaris leest hem het vonnis voor, waarna hij wederom aftreed.

Op rondvraag van den President niemand der Leden iets meer hebbende voor te stellen, wordt de vergadering gehouden voor gesloten.

Aldus gedaan op dato als boven.

[was getekend] A. Hulst, Adjunct-Directeur, J.F. Krieger, P. Postema, OnderDirecteuren, G. Steenbeek, Fabriekbaas, Otterbeen, Delfos en Borman, Zaalopzieners, allen leden van den Raad.

In kennisse van mij

De Secretaris

(handtekening:) Stous

Notitie(s) bij de transcriptie
● De traditie van 'Nieuwjaar lopen', mensen bezoeken om ze gelukkig Nieuwjaar te wensen en dan iets te drinken krijgen, welke gewoonte heden ten dage nog steeds bestaat, blijkt met drie beschuldigden van dronkenschap zijn weerslag te hebben op de kolonie.


Zitting van Zaturdag den 12 January 1839[bewerken | brontekst bewerken]

De Leden zijn alle tegenwoordig, en de vergadering wordt door den President geopend.

De strafkolonist Jan Hendrik Jansen N4, deserteur voor de 4e maal door de veldwachter achtervolgd en weder terug gebragt, verdchijnt voor den Raad.

Geene redenen van defensie wetende intebrengen laat men denzelven wederom aftreden.

Gezien Art. 11 van het Reglement van Tucht luidende als volgt:

Hij die voor de eerste maal ontvlugten wil en daarin wordt gehindert of ontvlugt en weder terug gebragt is zal met opsluiting en boeyen tot tien dagen toe de twee eerste te water en brood, worden gestraft met medeneming van goederen buiten de aanhebbende kleeding of andere verzwarende omstandigheden, als ook ontvlugting voor de tweede maal  met opsluiting in boeyen gedurende 14 dagen, waarvan de drie eerste en drie laatste te water en brood en met verzwarende omstandigheden  voor de tweede of volgende malen benevens meervoudige ontvlugting voor de derde en volgende malen met vijftien tot veertig rietjesslagen en opsluiting als voren, zullende al de ontvlugt geweest zijnde of die dit kennelijk hebben willen doen na de ondergane straf, voor tien dagen lang eene onderscheidene kleeding moeten dragen en in de disciplinezaal worden geplaatst.

Men laat hem buiten gaan.

De leden bepalen in deze voor de strafkolonist J.H. Jansen de volle straf, en alzoo wordt dezelve gecondemneerd tot 40 rietslagen, opsluiting in boeijen gedurende 14 dagen, de drie eerste en drie laatste dagen te water en brood, en het dragen van een distinctief pak voor den tijd van 4 maanden.

De beschuldigde wordt wederom binnen gelaten, de Secretaris leest hem het vonnis voor, waarna hij aftreed en ter opsluiting wordt weggebragt.


Ten tweeden verschijnt voor den Raad Egbert Smit N2459, beschuldigd van poging te hebben gedaan tot ontvreemding van goederen zijner mede-kolonisten.

De Voorzitter vraagt hem om welke redenen hij des nachts uit zijn kooij is opgestaan en door de zaal is gelopen, waarop hij antwoorde dat hij naar het secreet moest, en vandaar is gekomen weder in derzelfs kooij is gaan liggen.

De Voorzitter geeft hem te kennen, dat hij een geheel andere weg is gelopen dan de ordinaire, en hij bovendien nog aan een broek heeft getrokken, welke aan de ?? hing, waarop hij zeide, dat de lamp niet goed brande en het trekken aan de broek geene andere betekenis had dan om te voelen of gemelde broek droog was.

De President brengt hem onder het oog dat zijn voorgewende redenen slecht te geloven zijn, doch hij zich voortaan wachten moet, indien hij in het vervolg weder op moest staan, hij de gewone weg moest lopen, maar geene omwegen behoeft te maken.

Hij wordt buiten gelaten.

Gezien Art. 13 van het Reglement van Tucht hier voren gemeld.

De Raad vermeent het daar voor te moeten houden dat den beschuldigde niet veel goed in het zin had, te meer hij door den zaalopziener al meer malen verdagt is gehouden, komen dientengevolge overeen hem te straffen met 6 dagen opsluiting zonder meer.

Hij wordt weder binnen gelaten, de Secretaris maakt hem zijn vonnis bekend, waarna hij aftreed.


Ten derden verschijnt voor den Raad Johannes Hogeveen N585, schuldig aan het werk hem door den Hoevenaar aangewezen niet te verrigten, waarop hij te kennen gaf niet weigerachtig te zijn, maar het zoo in zijn armen had.

De president zegt hem dat even zoo goed als zijn mede-kolonisten, welke hetzelfde werk deden als hij, zijn werk moest verrigten, maar dat hij een luiaard was en al meermalen wedersturig was geweest.

Men laat hem aftreden.

Gezien Art. 9 van het Reglement van Tucht, luidende als volgt:

Alle ongehoorzaamheid jegens de koloniale ambtenaren zal met verplaatsing in de discipline zaal voor drie tot acht dagen worden bestraft en indien deszelve met brutaliteit gepaard gegaan is, met opsluiting voor dezelfden tijd in de provoost.

De leden bepalen in deze dat J. Hogeveen zal gestraft worden met drie dagen opsluiting.

Men laat hem weder binnen komen, de Secretaris leest hem het vonnis voor waarna hij aftreed.


Ten vierden brengt men voor den Raad den kolonist Willem Verzijde N627, welke zich heeft schuldig gemaakt om in een nieuwe buis, welke hem door den fabriekbaas was gegeven, om te maken, oude lappen van een ander buis in te zetten.

Hij weet niets ter zijner defensie in te brengen, als belovende het niet weder te zullen doen, en verzoekt om verschoning.

Hij wordt buiten gelaten.

De Raad is van gevoelen Art. 13 van het Reglement van Tucht op hem toetepassen (hier voren vermeld).

Wordende alzoo besloten hem te straffen met acht dagen opsluiting.

De beschuldigde weder binnen gelaten zijnde, leest de Secretaris hem het vonnis voor, waarna hij aftreed en ter opsluiting wordt weggebragt.

Niemand op rondvraag van den President iets meer hebbende voortestellen, wordt de vergadering gehouden voor gesloten.

Aldus gedaan op dato als boven.

[was geteekend] A. Hulst Adjunct-Directeur, J.F. Krieger, P. Postema, onderDirecteuren, G. Steenbeek, Fabriekbaas, Bourlard, Delfos en Blijstra, zaalopzieners, alle leden van den Raad.

In kennisse van mij

handtekening Stous

secr.  



Zitting van Woensdag den 16 Januarij 1839[bewerken | brontekst bewerken]

Der President opend de Raad, de Leden zijn alle tegenwoordig

De Kolonist Johannes Hogeveen N. 585 voor de 2e maal Schuldig, van niet te willen werken verschijnt voor den Raad

De President vraagt hem waarom hij nu weder weigerachtig is te werken, waarop hij antwoorde, wel te willen werken, doch niet op de hoef waar hij werkzaam is geweest als Kunnende de Hoevenaar volstrekt niet Verdragen.

De President zegt hem dat hij alweder voorwendsel heeft om de luiaard uit te hangen en dat hij werken moet, en zoo hij het niet verkiest hem zoo lang zal Straffen tot dat hij evenals andere Kolonisten gehoorzaamd.

Hij wordt buiten gelaten

Gezien Art. 9 van het Reglement van Tucht hier voren vermeld

Men delibereerd en komt overeen hem te Straffen met 6 dagen opsluiting

De beschuldigde wordt wederom binnen gelaten, de Secretaris leest hem Zijn Vonnis Voor, waarna hij aftreed.

Op rondvraag van den Voorzitter niemand der Leden iets meer hebbende voortestellen, houdt men de Vergadering voor geslooten

Aldus gedaan op dato als boven

/Was geteekend/ A. Hulst Adjunct Directeur, J. F. Krieger, P. Postema Onder Directeuren, G. Steenbeek fabriekbaas, Bourlard, Borman Zaalopzieners alle Leden van de Raad

in Kennisse van mij

de Secretaris

Stous



Zitting gehouden op Zaturdag den 26 Januarij 1839[bewerken | brontekst bewerken]

Alle de Leden zijn tegenwoordig en de Vergadering wordt door den Voorzitter geopend

Verschijnen voor dezelve de Kolonisten

Bernardus Gosseling N. 1328

Cornelis Brouwers N. 430(?) en

Jan van der Dungen van Wijk N. 1612

Alle deserteurs voor de 1e maal, zijnde de eerst gemelde door een Agent van Policie terug gebragt en de twee andere door de Veldwachters van het Gesticht achtervolgt en door dezelve gearresteerd geworden

Na hen alle drie gehoord te hebben, weten zij dan niets beduidende woorden tot hunne defensie in te brengen, zoo dat zij Strafbaar zijn ingevolge Art: 11 hier voren gemeld

Men laat hen aftreden

De Leden bepalen in deze dat de beschuldigden zullen worden gestraft ieder met 6 dagen opsluiting en boeijen en het dragen van een distinctief pak

De beschuldigden worden wederom binnen gelaten, de Secretaris leest hun het Vonnis voor, waar na Zij wederom aftreden en ter opsluiting worden weggebragt


Ten tweeden wordt voor den Raad geroepen Dina van Rooy N. 185 Schuldig aan Schelden tegen den Klompenmakers baas, dezelve verschijnt en wordt gehoord, verklarende dat zij niets anders gezegd heeft als Smeerlap, doch dat zij het in een drift heeft gedaan en Exccus verzocht.

De President zegt haar Strafbaar te zijn aan Art 17 van het Reglement van tucht luidende als volgt.

Belediging van mede kolonisten door woorden zal met verplaatsing in de discipline zaal en bij verzwarende omstandigheden met opsluiting van drie tot viertien dagen worden gestraft en met daden van opsluiting van drie tot veertien dagen, des noods met boeijen.

Zij wordt buiten gelaten

De Raad neemt in overweging dat dergelijke belediging moet te keer gegaan worden, Zoo wordt met eenparigheid van Stemmen besloten haar te straffen met 6 dagen opsluiting zonder meer

Zij wordt wederom binnen gelaten

De Secretaris maakt haar het Vonnis bekend, waarna zij aftreed

Geene der Leden iets meer hebbende voortestellen, wordt de Vergadering gesloten.

Aldus gedaan op dato als boven

/Was geteekend/ A. Hulst Adjunct Directeur President, J. F. Krieger, P. Postema Onder Directeuren, G. Steenbeek Fabriekbaas, Bourlard, Otterbein & Delfos Zaalopziener, alle Leden van de Raad

In Kennisse van mij

de Secretaris

Stous