Raad van Tucht van de Ommerschans in augustus 1838
Het overzicht van
alle tuchtzittingen
op de Ommerschans
staat op
deze pagina
Extract uit het Register der Notulen van het verhandelde in den Raad van Tucht te Ommerschans.
Zitting van Zaturdag den 4e Augustus 1838.[bewerken | brontekst bewerken]
De President opent de Raad, de Leden zijn alle tegenwoordig.
Verschijnt voor den zelve Frouwke Aikes N: 738 schuldig aan het Verkopen van een Rok
De President vraagt haar om welke redenen zij haar rok verkocht heeft, daar zij zeer goed weet dat hoegenaamd geene verkoping of verruiling van Koloniale goederen mag plaats hebben, en over welk soortgelijk geval zij reeds op den 4e Januarij ll gestraft is geworden; waarop zij te kennen geeft dat het een Rok was welke zij van haar dochter welke ontslagen is, gekregen heeft, en belooft het voortaan niet meer gebeuren zoude.
Zij wordt buiten gelaten.
Gezien art 13 van het Reglement van Tucht luidende als volgt:
Ontvreemding of verpanding van koloniale goederen of van mede kolonisten zal worden gestraft met opsluiting in boeijen van drie tot veertien dagen naar gelang der omstandigheden, desnoods te water en brood om den anderen dag en bij herhaling van een dier misdrijven altijd met veertien dagen met opsluiting in boeijen de drie eerste en drie laatste te water en brood.
De Raad komt overeen haar te straffen met acht dagen opsluiting.
Ten tweeden wordt voor den Raad gebragt Marie Meijer N. 1066, schuldig aan het ontvreemden van Aardappelen, zij weet niets tot harer verschoning in te brengen, belovende het nimmer meer te zullen doen.
Men laat haar buiten gaan
Gezien art: 13 hier boven vermeld
De President vraagt de gevoelens der Leden, allen Komen overeen haar te straffen met 4 dagen opsluiting
Ten derden worden voor den Raad gebragt de Kolonisten Napoleon d’Hondt N. 1517 en Petrus Johannes Nieman N. 1227 beide Deserteurs voor de 2e maal
De President vraagt hun naar de redenen dezer herhaalde ontvlugtiging, waarop zij beiden niets ter verschooning weten in te brengen, blijkbaar dat zij voor groote deugnieten moeten gehouden worden, hetwelk de Voorzitter hun op het ernstigt onder het oog brengt.
Zij worden buiten gelaten
Gezien art: 11 van het Reglement van Tucht: luidende als volgt.
Hij die voor de eerste maal ontvlugten wil en daarin wordt gehindert of ontvlugt en weder terug gebragt is zal met opsluiting in boeijen tot tien dagen toe de twee eerste te water en brood, worden gestraft; met medeneming van goederen buiten de aanhebbende kleeding of andere verzwarende omstandigheden, als ook ontvlugting voor de tweede maal met opsluiting in boeijen gedurende 14 dagen, waarvan de drie eerste en drie laatste te water en brood en met verzwarende omstandigheden voor de tweede of volgende malen benevens meervoudige ontvlugting voor de derde en volgende malen met vijftien tot veertig rietjesslagen en opsluiting als voren, zullende al de ontvlugt geweest zijnde of die dit kennelijk hebben willen doen na de ondergane straf, voor vier maanden lang eene onderscheidene kleeding moeten dragen en in de disciplinezaal worden geplaatst.
De President verzoekt den Raad tot deliberatie over te gaan der in deze te wijzen Vonnissen en men besluit dan ook eenparig hun te straffen met 14 dagen opsluiting, waar van de drie eerste en de drie laatste te Water en brood, en het dragen van een distinctief pak voor den tijd van 4 maanden
Ten Vierden verschijnt voor den Raad Jan Landa N. 259 schuldig aan dronkenschap gepaard geweest met brutaliteit tegen den Opziener der Gebouwen.
De President brengt hem zijn onbehoorlijk gedrag ten ernstigste onder het oog, waarop hij beloofd, zulks niet meer met hem het geval zal zijn, waarna de President hem te kennen geeft, dat hij Strafbaar is ingevolge art: 10 en 14 van het Reglement van Tucht luidende als volgt
Artikel 10. Dronkenschap voor de eerste maal zal met opsluiting tot vijf dagen- en voor de tweede maal met opsluiting in boeijen tot tien dagen toe worden bestraft en indien dezelve is gepaard gegaan met verzwarende omstandigheden
als ook meervoudige dronkenschap voor de derde maal en volgende met opsluiting in boeijen tot tien dagen toe met water en brood om den anderen dag.
Artikel 14. Verzetten tegen overheden of veldwachters met dadelijkheden zal met opsluiting met en zonder boeijen naar gelang der omstandigheden en desnoods om den anderen dag te water en brood, worden gestraft. Bij herhaling van het misdrijf met dezelfde straf, doch vooraf gegaan van tien tot twintig rietjes slagen.
De Leden kennen Landa overigens als een goed Kolonist, en willen dan ook met hem eenige inschikkelijkheid gebruiken, te meer daar hij werkelijk berouw schijnt te hebben.
Wordt met eenparige Stemmen besloten dat J. Landa gedurende Vijf dagen zal worden opgesloten in de Strafkamer zonder meer.
De Vorenstaande beschuldigden worden alle binnen gelaten, de Secretaris maakt hen het Vonnis bekend, waarna zij wederom aftreden en ter opsluiting worden weg gebragt.
Op rondvraag van den President niemand der Leden iets meer hebbende voor te stellen, zoo wordt de Raad gehouden voor geslooten.
Aldus gedaan op dato als boven
/was get/ A. Hulst Adjunct Directeur President, J. F. Krieger, P. Postema Onder Directeuren, G. Steenbeek Fabriekbaas, Blijstra, Otterbein en Bouwman Zaalopzieners, allen Leden van den Raad
In kennisse van mij
Stous
Secr.
Zitting van Zaturdag den 11e Augustus 1838[bewerken | brontekst bewerken]
Alle Leden zijn tegenwoordig, de President verklaard de Raad voor geopend.
De Strafkolonist Roelof Laagland N. 61, schuldig aan desertie voor de 1e maal verschijnt voor den Raad.
De President vraagt hem naar de redenen zijner desertie, waarop hij geene het minste tot zijne verschooning weet in te brengen.
De Voorzitter geeft hem te kennen dat hij strafbaar is, ingevolge art 11 van het Reglement van Tucht hier voren gemeld
De Kolonist Laagland gaat buiten
De Leden bepalen in deze dat hij zal worden gecondemneerd met 10 dagen opsluiting, de twee eerste te Water en brood en het dragen van een distinctief pak voor den tijd bij het Reglement bepaald
Ten tweeden verschijnt voor den Raad de Bedelaars Kolonist Bart Eitinger N. 561 deserteur voor de 2e maal op den 7e dezer door een Policie beambte van Utrecht terug gebragt.
Op de vraag naar de redenen zijner desertie, weet hij niets ter zijner verontschuldiging in te brengen; stellig belovende dat hij het nooit weder doen zal.
De voorzitter geeft hem te kennen dat hij strafbaar is volgens art: 11 van het Reglement van Tucht, hier voren gemeld
Men laat hem aftreden
Na gehoudene deliberatie komt men overeen hem te straffen met 14 dagen opsluiting in boeijen, waarvan de drie eerste en de drie laatste te water en brood en het dragen van een onderscheidingspak voor de tijd van 4 maanden.
Eindelijk ten derden wordt voor den Raad gebragt de Koloniste Wilhelmina Perken N. 2058 schuldig aan belediging tegen den Onderbaas met woorden, zij geeft te kennen dat het in drift geschied is, en verzoekt om verschoning
Men doe haar aftreden
Gezien art. 14 van het Reglement van Tucht hier voren gemeld.
De Raad komt overeen haar voor ditmaal te straffen met 4 dagen opsluiting
Men laat hun alle weder binnen komen, de Secretaris doet lezing van het Vonnis, waar na men hun ter opsluiting weg brengt.
Niemand der Leden iets meer hebbende voortestellen zoo sluit de President den Raad
Aldus gedaan op dato als boven
/Was get/ A. Hulst Adjunct Directeur President, J. F. Krieger, P. Postema, Onder Directeuren, G. Steenbeek Fabriekbaas, Blijstra, Muller & Otterbein Zaalopezieners
Mij Present, de Secretaris, Stous
Zitting op Maandag den 13 Augustus 1838[bewerken | brontekst bewerken]
De Leden zijn alle tegenwoordig, de President verklaart de Raad voor geopend
De Voorzitter geeft te Kennen dat hij de Raad geconvoceerd heeft in zake van den Strafkolonist Jacob van Marken N. 35, welke zich niet ontzien heeft om bij zijne overplaatsing naar herwaarts achter te blijven, ofwel te ontvlugten.
Gemelde kolonist wordt binnen gelaten en gehoord, zeggende dat hij aan de Herberg de Wellust tusschen Meppel en de Ommerschans alwaar de Voerman de paarden verversching moest geven was vooruitgegaan, als toen een verkeerde weg was ingeslagen en verdwaald.
De President geeft hem te Kennen dat zijn gezegdes bezijden der waarheid zijn, terwijl de Voerman verklaard heeft dat hij in een Bosch over bovengezegde herberg gelegen, gevlugt was, hem herhaalde malen heeft terug geroepen, als kunnende zich niet van zijn paarden en goederen verwijderen, doch geen gehoor kreeg en weg bleef.
De Voorzitter laat in zijn tegenwoordigheid binnen komen Gebke de Vries, welke mede in opgemelde Wagen zat, en met hem was mede gekomen verklarende, dat de zaak werkelijk zoo is als hierboven wordt aangehaald, en zij het er voorhoudt dat van Marken met opzet is weggelopen, hebbende onder weg tot haar in stilte gezegd, zij hebben mij nog niet in de Ommerschans.
Men laat hun aftreeden
Overwegende dat J Marken zich schuldig gemaakt heeft aan desertie voor de 1e maal en alzoo strafbaar is ingevolge art: 11 van het Reglement van Tucht hier voren omschreven.
Wordt eenparig besloten den beschuldigden te straffen voor 6 dagen opsluiting en het dragen van een distinctief pak.
Hij wordt wederom binnen gelaten
De Secretaris maakt hem zijn Vonnis bekend waarna hij aftreed en ter opsluiting wordt weggebragt.
Niemand op rondvraag van den Voorzitter iets meer hebbende voortestellen houdt men de Raad voor gesloten.
Aldus gedaan op dato als boven
/Was get/ A. Hulst Adj: Directeur President, J. F. Krieger, P. Postema Onder Directeuren, G. Steenbeek Fabriekbaas, Bourlard en Blijstra Zaalopzieners
In Kennisse van mij
Stous
Secrt.
Zitting gehouden op Zaturdag den 18e Augustus 1838[bewerken | brontekst bewerken]
De President opent den Raad, de Leden zijn alle tegenwoordig.
De Bedelaars Kolonist Arrien Sytzes Terpstra N. 1702 deserteur voor de 1e maal , door een Agent van Policie van Leeuwarden terug gebragt, verschijnt voor den Raad
De President vraagt hem naar de redenen zijner ontvlugting, en wat hem bewogen heeft zoo schandelijk van de hem toevertrouwde post als Nachtwacht weg te lopen en in plaats van zijn pligt te betrachten of te waken voor de desertie der Kolonisten, hun nog daarbij behulpzaam is geweest, zoo als bekend is bij de ontvlugting van den Kolonist Sjordema.
Hij weet niets ter zijner Verontschuldiging in te brengen, waarop de Raad besluit hem ingevolge art: 11 van het Reglement van Tucht te straffen met 14 dagen opsluiting in boeijen, de drie eerste en de drie laatste te Water en brood, en het dragen van een onderscheidingspak gedurende Vier maanden.
De Secretaris leest hem zijn Vonnis, en hij wordt ter opsluiting weg gebragt
Ten tweeden verschijnt voor den Raad Hendrik de Wilde N. 857 wegens het verkopen zijner Koloniale Kleeding Stukken
Niets ter zijner defensie hebbende in te brengen, zoo wordt hij Strafbaar verklaard ingevolge art. 13 van het Reglement van Tucht hier voren al meer gemeld
De Raad besluit dan ook eindelijk hem te straffen met 14 dagen opsluiting en boeijen zonder meer.
De Secretaris leest hem zijn Vonnis voor, waarop hij ter opsluiting wordt weg gebragt.
Niemand der Leden iets meer hebbende voor te stellen zoo sluit de President den Raad.
Aldus gedaan op dato als boven
/Was get/ A. Hulst Adjunct Directeur President, J. F. Krieger, P. Postema Onder Directeuren, G. Steenbeek, Fabriekbaas, Bourlard, Delphos en Borman Zaalopzieners
In Kennisse van mij
Stous
Secrt.