Raad van Tucht van de Ommerschans in april 1839

Uit KolonieWiki
Versie door Nieuwenhoven (overleg | bijdragen) op 1 sep 2023 om 11:12 (1 versie geïmporteerd)
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Het overzicht van
alle tuchtzittingen
op de Ommerschans
staat op
deze pagina

Extract uit het Register der Notulen van het verhandelde in den Raad van Tucht te Ommerschans.-

Zitting van Dingsdag den 2e April 1839 des avonds te 7 uur.[bewerken | brontekst bewerken]

Alle leden zijn tegenwoordig, de vergadering wordt door den Voorzitter geöpend.

De Kolonist Pieter Wendelgelt N. 1129 , deserteur voor de 1e maal, verschijnt voor den Raad, om daaromtrent gehoord te worden; binnen komende zegt hij om geene andere reden te zijn weggeloopen, als van den honger, en meer andere niets beduidende voorwendsels.

Hij wordt buiten gelaten.

Gezien art. 11 van het reglement van Tucht luidende als volgt:

Hij die voor de eerste maal ontvlugten wil en daarin wordt gehindert of ontvlugt en weder terug gebragt is zal met opsluiting in boeijen tot tien dagen toe de twee eerste te water en brood, worden gestraft; met medeneming van goederen buiten de aanhebbende kleeding of andere verzwarende omstandigheden, als ook ontvlugting voor de tweede maal  met opsluiting in boeijen gedurende 14 dagen, waarvan de drie eerste en drie laatste te water en brood en met verzwarende omstandigheden voor de tweede of volgende malen benevens meervoudige ontvlugting voor de derde en volgende malen met vijftien tot veertig rietjesslagen en opsluiting als voren, zullende al de ontvlugt geweest zijnde of die dit kennelijk hebben willen doen na de ondergane straf, voor vier maanden dagen lang eene onderscheidene kleeding moeten dragen en in de disciplinezaal worden geplaatst.

De Raad komt overéén den beschuldigden te straffen met acht dagen opsluiting en boeijen, de 2 eerste te water en brood, en het dragen van een distinctief Kleed voor den bij het Reglement bepaalden tijd.

Hij wordt wederom binnen gelaten, de Secretaris maakt hem zijn vonnis bekend, waarna hij ter opsluiting wordt weggebragt.

Niemand op rondvraag van den President iets meer hebbende voortestellen, houdt men de Vergadering voor gesloten.

Aldus gedaan op dato als boven

/was geteekend/ A. Hulst Adjunct Directeur President, J. F. Krieger, P. Postema, onder Directeuren, G. Steenbeek, Fabriekbaas en Delfos en Borman Zaalopzieners, allen Leden van den Raad.

Mij Present

De Secretaris

Stous



Zitting op Dingsdag den 2e April 1839, des avonds om 8 uren.[bewerken | brontekst bewerken]

De President opent den Raad, de Leden zijn allen tegenwoordig.

Wordt voorgelezen eene ingekomene klagte tegen de Vrouw van den Veteraan Heijes, houdende zij zich heeft schuldig gemaakt aan het misbruiken van sterken drank, ten huize van eenen kroeghouder aan de Dedemsvaart, met name Peijman, alwaar zij tevens de glazen heeft ingeslagen en welke kosten de somme van f 1,75 beloopen;-

Gemelde Vrouw wordt binnen gelaten en het aangehaalde kenbaar gemaakt, waarop zij antwoorde dat zij langs gemeld huis was gegaan om een boodschap te doen, de kastelein haar heeft ingeroepen en een praatje gemaakt, naderhand haar vragende “ moet gij nu niets gebruiken”, en daarop ten antwoord gaf, ik heb niets als koloniale munt bij mij, waarop gezegde tapper haar zeide, dat is mij zoo goed als zilvergeld, hebbende als toen voor 10 Centen drank gebruikt, welke haar bevangen heeft, dat zij niet wist of wat zij deede.

De Voorzitter geeft haar te kennen dat zij een heel gemeen Sujet is, daar zij zich aan het misbruiken van sterken drank schuldig maakt, waaruit gewoonlijk niets dan Kwaad voortvloeid, houdende haar alzoo schuldig aan de straffen bepaald bij het Reglement van Policie en Tucht voor de Kolonisten Huisgezinnen, waaraan de Huisgezinnen der Veteranen in de Kolonien, mede zijn onderworpen.

Men doet de beschuldigde aftreden en gaat over tot de deliberatien.

Gezien art. 2 Litt C misbruik van sterken drank en Litt E “ontvreemding, verwaarloozing, opzettelijke beschadiging en verkoop of verpanding van een anders goed

Zal gestraft worden met het bepaalde sub 1 en 3 in Art. 3 daaraanvolgends gemeld, namentlijk:

1e Opsluiting van drie tot acht dagen in de strafkamer, naar gelang der omstandigheden, van hem, die zich voor de eerste maal aan de misdrijven onder La (= onder de letter) a tot c vermeld heeft schuldig gemaakt.

3e Dubbele vergoeding van het ontvreemde, verwaarloosde, enz.

De President vraagt tot dat einde de gevoelens van elk Lid in het bijzonder: en allen brengen één gevoelen uit, haar te straffen met 5 dagen opsluiting, en vergoeding van het door haar verwaarloosde of aan stuk geslagene.

Zij wordt wederom binnen gelaten, de Secretaris maakt haar het vonnis bekend, waarna zij aftreed.

Op rondvraag van den President niemand der Leden iets meer hebbende voortestellen, wordt de Vergadering gesloten.

Aldus gedaan op dato als boven

/was geteekend/ A. Hulst Adjunct Directeur President, P. Postema, onder Directeur buiten, C. de Bruin Sergeant, Teijssen en Visser Veteranen.

Mij Present

De Secretaris

Stous

Notitie(s) bij de transcriptie
Deze zitting is niet als alle andere op basis van het reglement voor bedelaarskolonisten, maar op basis van het reglement voor kolonistenhuisgezinnen.


Zitting gehouden op Vrijdag den 12: April 1839[bewerken | brontekst bewerken]

De Leden zijn allen tegenwoordig, de President verklaard de Raad voor geöpend.

De President geeft te kennen dat hij den Raad heeft doen bijeen komen in zake de Kolonisten:

Hendrik van der Erf N. 342, en

Bernardus Leiermans N. 2248,

bij wien tijdens de Inspectie van den WelEdelGestrengen Heer Inspecteur der Kolonien, zokken gevonden zijn, vervaardigd van koffijzakken garen.

Gemelde kolonisten worden binnen geroepen en verklaren dat die zokken waren gemaakt van zogenaamde dreumen of afval hetwelk zij uit de fabriek hebben medegenomen of opgeraapt.

de President geeft hun te kennen, zij niets hoegenaamd uit de fabriek mogen mede nemen, zij dientengevolge strafbaar zijn ingevolge art. 13 van het Reglement van Tucht luidende als volgd.

Ontvreemding of verpanding van koloniale goederen of van mede kolonisten zal worden gestraft met opsluiting in boeijen van drie tot veertien dagen naar gelang der omstandigheden, desnoods te water en brood om den anderen dag en bij herhaling van een dier misdrijven altijd met veertien dagen met opsluiting in boeijen de drie eerste en drie laatste te water en brood.

Men laat hun buiten gaan.

Overwegende dat soortgelijke vergrijpingen moeten worden te keer gegaan, zoo wordt eenparig besloten hen te straffen met 6 dagen opsluiting, zonder meer.

Zij worden weder binnen gelaten, de Secretaris leest hun het geslagen Vonnis voor, waarna zij aftreden en ter opsluiting worden weg gebragt.


Ten tweede verschijnen voor den Raad.

Johannes Scheer. N. 8 schuldig aan het verkoopen van twee Hemden, een linnen broek en Een boezeroen.

Jan Koedam N. 2142, Martinus Terweemen N. 963 en George Rodenburg N. 1888, alle drie schuldig aan het verkoopen van een hemd ieder.

Op de vraag door den Voorzitter aan wien zij de goederen verkocht hebben, weten zij niets anders in te brengen, als hetzelve gedaan te hebben van den honger en kennen geen van allen de persoon of personen aan wien zij gemelde goederen hebben verkocht.

Men doet hen aftreden.

Gezien art. 13 hiervoren vermeld.

Wordt met eenparigheid van stemmen besloten hun te straffen, als

J. Scheer met veertien dagen en de overige met acht dagen opsluiting en boeijen en te water en brood.

Zij worden wederom binnen geroepen, de Secretaris maakt hun het Vonnis bekend, waarna zij aftreden en ter opsluiting worden weggevoerd.


Ten derde wordt voor den Raad geroepen

Jan Jacob van der Wal N. 934 schuldig aan het ontvreemden van geld van een zijner mede Kolonisten, binnen komende verklaard hij een beursje met geld op de grond gevonden te hebben, waaruit hij 50 Cents heeft genomen doch niet wist aan wien het toebehoorde.

De President brengt hem onder het oog, dat hij zeer goed weet, als hij in de Zaal iets vindt en niet weet wien het toebehoort, hetzelve moet ter hand stellen aan de Kamerwacht, ofwel aan den Zaalopziener, zoo dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan art. 13 van het reglement hiervoren omschreven.

Hij wordt buiten gelaten.

Met eenparigheid van stemmen wordt er besloten J. J. van der Wal te straffen met 14 dagen opsluiting , te water en brood om den anderen dag.


Ten vierde verschijnen voor den Raad

Johannes van Putten, N. 632, voorheen gevestigd geweest onder de naam van Brakkee en Coenraad Smeding Zelle N. 202, beiden deserteurs voor de eerste maal.

Zij weten niets ter hunner defensie in te brengen.

Men laat hen aftreden.

Gezien art: 11 hiervoren in het breeder gemeld en omschreven

Na rijpe overweging komt de Raad overeen J. van Putten voor Tien dagen en C. S. Zelle voor Veertien dagen opsluiting en boeijen te straffen, en het dragen van het onderscheidings Kleed gedurende niet minder dan Vier maanden.

J. J. van der Wal, J. van Putten en C. S. Zelle worden wederom binnen gelaten, waarna hun de Secretaris het vonnis bekend maakt, en zij ter opsluiting worden weg gebragt.

Niemand, op rondvraag van den President iets meer hebbende voortestellen, wordt de Vergadering gehouden voor gesloten.

/was Geteekend/ A. Hulst Adjunct Directeur President, J. F. Krieger & P. Postema, onder Directeuren, G. Steenbeek, fabriekbaas, Delfos, Blijstra en Bourlard Zaal Opzieners, allen leden van den Raad

Mij Present

De Secretaris

Stous



Zitting gehouden op Dingsdag den 22e April 1839[bewerken | brontekst bewerken]

Daar alle Leden tegenwoordig zijn. zoo opent de President den Raad

Worden voor dezelve gebragt, de Kolonisten Pieter Wendelgeld N. 1129, Cornelis Rotgans N. 23 en Johannes verheij N. 1059, allen schuldig aan het verkoopen van een hemd-

Op de vragen door den President gedaan, aan wien zij hunne Kleeding verkocht hebben, antwoorden zij de menschen niet te kennen en dat zij het gedaan hebben om brood te koopen, uit hoofde der weinige verdiensten.

De voorzitter geeft hun te kennen dat zij strafbaar zijn ingevolge het meergemeld art. 13 van het Reglement van Tucht.

Zij worden buiten gelaten

De President vraagt de gevoelens der Leden in het bijzonder

De Leden komen daarin overeen dat de beschuldigden zullen gestraft worden met 8 dagen opsluiting en boeijen, om den anderen dag te water en brood.

De beschuldigden worden wederom binnen gelaten, de Secretaris leest hun het Vonnis voor, waarna zij wederom aftreden en ter opsluiting worden weggebragt.


Ten tweede verschijnen voor den Raad de Kolonisten Gerrit van der Wal N. 2203 en Hendrik van der Meiden N. 994, beiden schuldig aan het misbruiken van sterken drank.

De President vraagt hun van waar zij den sterken drank gehaald hebben, waaraan zij zich zoo schandelijk hebben te buiten gegaan.

De beklaagden geven te kennen dat zij van een man welke op den gewonen weg op Zwolle was en 3 kruiken genever bij zich had, een voor 75 Cents gekocht hadden, zijnde iemand geweest welke aan de bovenvaart tehuis behoorde.

Gezien art. 10 Van het Reglement van Tucht luidende als volgt:

Dronkenschap voor de eerste maal zal met opsluiting tot vijf dagen- en voor de tweede maal met opsluiting in boeijen tot tien dagen toe worden bestraft en indien dezelve is gepaard gegaan met verzwarende omstandigheden als ook meervoudige dronkenschap voor de derde maal en volgende met opsluiting in boeijen tot tien dagen toe met water en brood om den anderen dag.

De beschuldigden treden af.

Wordt met eenparigheid van stemmen besloten dat G. van der Wal en H. van der Meiden gedurende vijf dagen zullen worden opgesloten in de strafkelder.

Zij worden wederom binnen gelaten, en de Secretaris leest hun het vonnis voor, waarna zij ter opsluiting aftreden.


Ten derde worden voor den Raad geroepen de Strafkolonist Smal en de zoon van den strafkolonist Bijkerk, welke door den WelEd Heer Adjunct Directeur naar Steenwijk opgezonden waren, om aldaar Vier Koeijen af te halen, met last om ’s morgens zoo vroeg hier van daan te gaan, dat zij ten 8 uren te Steenwijk konden zijn, en aldaar een weinig uitgerust te hebben, gemelde Koeijen dienzelfde dag zoo ver moesten drijven als doenlijk was, om zoo vervolgens ten tweeden dage alhier aan het Gesticht te komen.- In plaats dat Smal en Jongen gemelde orders zijn naargekomen, hebben zij zich niet ontzien te Steenwijk komende, vandaar naar Willemsoord te gaan, alwaar zij des nachts gebleven zijn en eerst des anderen daags morgens te 7 uur met de Koeijen van Steenwijk vertrokken, en in eens doorgedreven naar de Ommerschans, met dat gevolg dat één der beesten onder weg aan de Wellust is blijven liggen, en met de overige 3 welke zij door de vermoeijenis schandelijk mishandeld hebben zijn aangekomen.

Gemelde Kolonisten verklaarden nog bovendien dat zij met de Koeijen snachts te Meppel zijn overnacht, hetwelke leugenachtig is, en hunne begane fout temeer bezwaard.

Men laat hen aftreden.

De Voorzitter zeer ontevreden over hunne slechte handelwijze, geeft den Raad te kennen Smal daarvoor serieuselijk te worden gestraft, zoo besluit den Raad eenstemmig/:alhoewel er in het Reglement van Tucht geen artikel bestaat op hem toepasselijk:/ denzelven te straffen over Veertien dagen en Bijkerk, uit hoofde hij Smal moest volgen, doch om zijn liegen, met een dag opsluiting, zonder meer.

Men laat hen beiden binnen komen, en hunne Vonnissen worden voorgelezen, waarna zij wederom aftreden.

Niemand op rondvraag van den President iets meer hebbende voortestellen, sluit men de Vergadering.

Aldus gedaan op dato als boven

/Was geteekend/ A. Hulst Adjunct Directeur President, J. F. Krieger & P. Postema, onder Directeuren, G. Steenbeek, fabriekbaas, H. Hoogstra opziener der Walkolonisten, Bourlard, Borman & Delfos , allen leden van den Raad.

Mij Present

De Secretaris

Stous

Notitie(s) bij de transcriptie
● Het is niet zeker welke zoon van Bijkerk hierbij betrokken is. Vermoedelijk Christianus (15 jaar), want Theodorus is pas 13 jaar en Hermanus 10 jaar.


Zitting gehouden op Zaturdag den 27e April 1839[bewerken | brontekst bewerken]

Alle Leden zijn tegenwoordig en de vergadering wordt door den President geopend.

Wordt voor denzelve gebragt den Kolonist Hendrik van Leiden N. 408 schuldig aan ongehoorzaamheid, door de orders van den Bouwboer en Opziener niet naar te komen, alsmede zich niet ontzien heeft om allerleije uitbrakingen van scheldwoorden te bezigen, gepaard met vloeken en beleediging der Directie met woorden.

De President vraagt aan Hendrik van Leiden of het hierboven aangehaalde waarheid was, waarop hij ten antwoord gaf van Neen.

Hierop zijn tot getuigen binnen geroepen de Veeärts Wilhelm, welke verklaarde dat gemelde van Leiden, zulke vreeselijke uitbrakingen deed, dat hij het niet langer kon aanhooren en wegging, alsmede de Kolonisten Sanders, Schoon, Timmerman en H. Jacobs getuigden dat hij altijd onwillig was en den geheelen dag niet anders deed dan schelden, razen, en met beleedigende woorden van de Directie sprak.

Men doet hen allen aftreden.

De Raad neemt in overweging dat er in de Zalen ook al over van Leiden geklaagd wordt, zoo dat het schijnt denzelve een onrustig Sujet is, en daarvoor serieuselijk diende gestraft te worden.

Zoo heeft men besloten de volle straffen bepaald bij art.9.16.17 & 21, op hem toe te passen, luidende als volgt:

Art. 9. Alle ongehoorzaamheid jegens de koloniale ambtenaren zal met verplaatsing in de discipline zaal voor drie tot acht dagen worden bestraft en indien deszelve met brutaliteit gepaard gegaan is, met opsluiting voor dezelfden tijd in de provoost.

Art. 16. Onzedelijk gedrag in woorden, als vloeken, schelden, razen etc. of met daden  door zedelooze omgang met anderen zal met verplaatsing in de discipline zaal van een tot acht dagen worden gestraft en bij herhaling daarvan met opsluiting zoo noodig in boeijen en te water en brood om den anderen dag.

Art. 17. Belediging van mede kolonisten door woorden zal met verplaatsing in de discipline zaal en bij verzwarende omstandigheden met opsluiting van drie tot veertien dagen worden gestraft en met daden van opsluiting van drie tot veertien dagen, des noods met boeijen.

Art. 21. In al die gevallen waarin de voorenstaande artikelen daartoe vrijheid geven, is het aan den Raad overgelaten de bepaalde dubbele straffen te verenigen en die te zamen den Schuldigen opteleggen

Dienvolgens komt men eenstemmig overeen, den beschuldigde voor den tijd van twee en twintig dagen op te sluiten.

H. van Leiden wordt wederom binnen gelaten, de Secretaris leest hem zijn Vonnis voor, waarna hij aftreed, en ter opsluiting wordt weggebragt.


Ten tweede verschijnen voor den Raad de Kolonisten Meindert Krook N. 1273.-

Cornelis de Waard N. 2188, Jan Cornelis Hasseling N. 2339 en Gerrit Bolte N. 1047.

Allen schuldig aan het verkoopen als de 3 eerste van een hemd ieder, en de laatste van een paar Kousen en het ontvreemden van een mes van een zijner mede Kolonisten.

Zij hebben niets ter hunner defensie in te brengen als hetzelve gedaan te hebben om brood te koopen.

De beschuldigden worden buiten gelaten.

Gezien art. 13 van het Reglement van Tucht hiervoren breeder omschreven

De Raad delibereerd en komt overeen de beschuldigden de volgende straffen op te leggen als

A. Krook, C. de Waard en J. C. Hasseling ieder met acht dagen en G. Bolte met veertien dagen opsluiting en boeijen, te water en brood om den anderen dag.

Zij worden wederom binnen gelaten, de Secretaris maakt hun het Vonnis bekend, waarna zij aftreden en ter opsluiting worden weggebragt.

Niemand op rondvraag van den President iets meer hebbende voortestellen, wordt de Vergadering gehouden voor gesloten.

/Was geteekend/ A. Hulst Adjunct Directeur President, J. F. Krieger en P. Postema, Onder Directeuren, G. Steenbeek, fabriekbaas, Blijstra, Muller, Delfos en Bourlard, Zaalopzieners, allen Leden van den Raad

Mij Present

De Secretaris

Stous