Fenner: 11 Willekeur
Sjabloon:FennerHet onderstaande stuk hoort bij een pak papier dat Fenner op 14 februari 1823 aan de permanente commissie stuurt. Dit stuk bevindt zich in invnr 64 de scans 354-355. Fenner beschrijft hier hoe een diefstal in juni 1822 door twee jonge strafkolonisten, Hendrik van Schie en Anthony Star, door adjunct-directeur Hoff onbestraft wordt gelaten.
1) Verhaal eener anmerkingswaardigen discipline in der kollonie Ommerschanz
Het Wetboek betijteld Huishoudelijke Bepaalingen voor de kollonien volgens de jongste besluiten der Permanente Kommissie van Weldadigheid bladz. 45 reg. 14 begind te zeggen van de straffen, en reg 22 als het vergrijp van eenig gewigd is, dan word op last van der Directeur, de Raad van Toezigt in de kollonie belegd. Deze Raad onderzoekt de gegrondheid der klagten, en beslist over de schuld of onschuld van der beschuldigte enz. enz:
Dus moeten alle gewigtige misbedrijven, door den Raad van Toezigd beoordeelt worden, en staad niet in de magd van een ambtenaar alleen over criminele of anders gewigtige fouten willekeurig ten voor of nadeel van den kollonist te beschikken; maar dat de Heer Adjunct Directeur von Hoff, rechtstreeks tegen de Wet, in zulken en meerderen gevallen willekeurig handelt, blijkt enkel uit naarvolgendem.
In de maand junij ll. gebeurte het, dat twee kollonisten, Toon Star 18 jaar en H. van Schie 20 jaaren oud, beide weezen uit Delft, zich schuldig hadden gemaakt an diefstal; - zij waaren voerlieden of geemploieerd bij den wagens der Maadschappij; zij hadden brood van der Maadschappij, dat voor de paarde bestemd waar, ontvreemd, en an eenen vreemden daghuurder in dienst der Maadschappij verkogt.
Dit door Boscha den Onder-Directeur der buiten kollonie ondekt; die an mij om dat de wezen onder mijn ressort behoorden, darvan kennis gaf, - maar de wees A. Star ging dadelijk desserdeeren, angaande den andern wees H. van Schie arresteerde ik, op t oogenbik doen ik ontwaar wierde, dat Star desserdeert was.
Ik stuurde evenzoogouw der wijkmeester Sijl Star agter naar; en maakte oogenblikkelijk rapport an den Heer Adjunct Directeur. ZWEdGest. kwam op de Schanz, zette zich te paard hem agter na rijdende.
ZWEdGest. vond hem 2 uur van de Schanz in een boerenhuis, da de Heer Adjunct bij geval inging: ZWEdGest. brachte hem terug op de Schanz, en bij de intreede in de kolonie, bevaal de Heer Adjunct strengelijk, dat geen mensch een woord darvan zeggen moeste; - H. van Schie moeste als meedeplichtige ook weeder losgelaaten worden, en haare zonden waaren hun stilzweigend vergeeven.
Ook de daghuurder, de kooper van het brood, bleef stilzweigend in daghuur voor de Maadschappij.
Ik zegde tegen den Capitain, ik weed niet of men volgens de Wett: - en voor de Maadschappij een grooter kwaad voortekoomen, en ook tot nut en waarschouwing der bijden jongelingen, het verzweigen mag, voornaamendlijk daar de geheele kollonie reeds kennis darvan heefd, en de wees A. Star van natuur niet goed is.
ZWEdGest. andwoorde, wat denkt gij! dat ik gije gendarme ben, ik kan straffen en vergeeven naar mijn goedvinden. - de Ond: Directeur schaamde zich, van zijnem superieur eene zulke andwoord te hooren -
De schrijver van dit vermeend dat alle ambtenaaren der Maadschappij van Weldadigheid haar dienen in eener bepaalden rangschikking; en niet voor een of den andern ambtenaar in t bijzonder, dus moet ieder tot het wel zoo veel meede werken als zijne kragten, en ambt hem toelaten.
De Heer von Hoff, hadde darmeede noch niet genoeg, maar om de bijden Onder-Directeurs noch meer te tergen, en haar wettig gezag belachelijk te maaken, maakte ZWEdGest. A. Star dadelijk tot oppasser van zijn paard en bewees hem alle mogelijke genegenheid, - darnevens recommendeerte ZWEdGest. den andern wees H. van Schie, als een wel oppassende jonge an ZWEdGest. den Heer Generaal, dardoor hij uit der strafkollonie ontslagen wierde.
Intusschen in de maand novemb: ll. ontstaal A. Star zoo als reets in het eerst verhaal gezegd is, den Heer Adjunct Directeur eene zakhorlogie, buiten het overige dat niet in t openbaare gekoomen is.
De schrijver merkt hier an, als men de voerlieden, of de lieden dewelke altoos bij den paarden zij, en hooi, haaver, brood en alle gereedschappen nevens dau(?)werk, toer enz. enz. tot paarde en waagens behoorende, onder handen hebben, niet behoorlijk naargaan wil, en zulke groffe misbedrijven, niet alleen onbestraafd laaten, ja noch beloonen wil; wat kan op die wijs den Ond: Directeur of wijkmeesters haare waakzaamheid helpen, deze doen dan beter, of ook alles van der Maadschappij gestoolen of vernietigd word, stil te zweigen, zij zullen alsdan geen verdriet hebben, en hoeven zich darboven van zulken knaapen niet uitlachen te laaten.
Ook de Ond: Directeur van der binnen kollonie, hoefd om zich in zijn ressort niet belachelijk te maaken, an dergelijken klagden geen gehoor te geeven.
De schrijver van dit, was in die tijd van gevoelen, dat deze twee weezen, voor den Raad van Toezigd verscheinen moesten, en deze zaak just niet ten vollen als crimimeel beschouwd, hadden zij tot waarschouwing voor hun en andere, eene maatige straf hebben moeten, en H. van Schie noch niet ontslagen uit der strafkollonie, darnevens de daghuurder, de kooper van het brood - om dat altoos verbooden is geweest niets van een kollonist te koopen, buiten voorweten van den Ond: Directeur - uit de binnen en buiten kollonie verweezen, om nooit weeder in dienst der Maadschappij te werken; - maar ZWEdGest. stoort zich an geenen Raad van Toezigd, die voor dat de Heer von Hoff op de Schanz is gekoomen, bestaan heefd; en de Ond: Directeur buiten dien, niets van belang ontscheiden heefd.
De schrijverFenner