Van Nieuwenhoven: 1823 De affaire Jacoba Cornelia
De 'dogter van de kolonist Nieuwenhoven' is dus Jacoba Cornelia van Nieuwenhoven en Cornelia Strik is een voordochter van de weduwe Richmond. 'Verregaande zedeloosheid' staat voor gemeenschap buiten het huwelijk en het bewijs ervoor is altijd zwangerschap. Op 24 juni 1823 (invnr 65 scans 1042-1043) noemt de directeur ook de betrokken jongemannen:Omtrend de dogter van den kolonist Nieuwenhoven en Cornelia Strik diend de Permanente Kommissie tot informatie, dat het zeer te vreezen is, zij zich aan verregaande zedeloosheid hebben schuldig gemaakt,
zelfs is dit bij de laatstgenoemde niet zeer twijfelachtig; het is om deeze redenen dat ik de Permanente Kommissie in consideratie durf geven om dit hun verzoek niet te accorderen, maar dezelve voor de Raad van Policie te Steenwijk te brengen en naar de Ommerschans te verwijzen, ten einde zulke voorbeelden te straffen, en daar door dit kwaad meer tegen te gaan, dan door het verlenen van ontslag zoude geschieden;
aan de andere zijde weet ik niet in hoe verre zodanig verzoek kan worden geweigerd, te meer daar de beide jongens, welke mede hun ontslag vragen voornemens schijnen, na het bekomen daar van, die meisjes te trouwen.
Het vriendje van Jacoba Cornelia heet Teunis van Waveren. De 'Heer 2e Adsessor' is Johannes van den Bosch, die het er evenals de rest van de permanente commissie dus niet mee eens is dat ongehuwd zwangeren straffeloos heen kunnen gaan als ze maar beloven te gaan trouwen. Er wordt zelfs over geschreven in het tijdschrift van de Maatschappij van Weldadigheid de Star. In het juli-nummer 1823 staat:Voorts omtrend de ontslag gevraagd hebbende jonge lieden uit kolonies 1 en 4 dat, Meyer en van Waveren zijn de bedoelde jongelingen, met advijs om ook voorals nog het ontslag aan deze jongelingen niet te accorderen;
zoo als ik reeds vroeger de eer had te berigten is de zaak met de dogter van de wede Rikmond en Meyer niet meer twijffelachtig, maar bewezen;
deeze zijn dus voor de Raad van Policie te Steenwijk gebragt, dan genoemde Raad oordeelde en besliste dat aan hun 2 maanden tijd zoude worden gelaten om te trouwen;
Zijn Hoog Edel Gestr. den Heer 2e Adsessor is voornemens het tegen overgestelde gevoelen der Permanente Kommissie aan meergedagten Raad kennelijk te maken,
de dogter van Nieuwenhoven blijft nog de zaak ontkennen; en indien binnen eenige tijd, b.v. 2 of 3 maanden daarvoor geen bewijzen opdoen, zoude mijns oordeels aan haar en van Waveren ontslag kunnen worden verleend.
Het 'bewijs' tegen Jacoba laat niet lang op zich wachten en op 13 september 1823 (invnr 66 scans 644-645) wendt Teunis van Waveren zich per brief tot het gereformeerde weeshuis Monnickendam, wat de instantie is die hem op de kolonie geplaatst heeft:Voortdurend is er reden van tevredenheid over het gedrag der kolonisten. Intusschen zijn twee meisjes, uit de koloniën No 1 en 4, beschuldigd van een onkuisch gedrag. De eerste heeft zulk ook niet ontkend, en is, ten gevolge daarvan, gebragt voor den Kolonialen Raad van Policie te Steenwijk; doch op hare verzekering van te zullen trouwen, is aan die teregtstelling voor het tegenwoordige geen gevolg gegeven.
De regenten van het weeshuis geven deze brief aan de subcommissie van weldadigheid te Monnickedam en die stuurt hem dan door naar de permanente commissie in Den Haag. De subcommissie schrijft in een begeleidend briefje (invnr 66 scan 712) dat ze het doorzendenNemen de vrijheid UE deze te schrijven. Hope dat denzelven UE in volmaakte welstand mag aantreffen.
In een dringende omstand waar in ik mij bevinde, neem ik mijn toevlugt tot UE heeren, met verzoek mij in UE goede protectie te willen verhoren. Zints eenige tijd heb ik met een meisje genaamt Jacoba van Nieuwenhoven geboren te Leiden dochter van den kolonist C: van Nieuwenhoven, verkering gehad, welke van gevolgen is dat zij haar zinds eenige maanden zwanger bevind. Dierhalven is mij verzoek ons UWE het konsent tot ons huwelijk te verlenen.
Maar helaas niet de minste vooruitzigten tot ons onderhoud hebbende nemen wij onze toevlugt tot UWE Heeren om ons als een koloniaal huisgezin op een der kolonien te plaatsen. Edoch zo UWE Heeren dit niet mogt behagen, hebben wij vernomen dat de heeren der subkommissien bij een huisgezin van weezen een huisvader en moeder kan gratis bijvoegen. In dien UWE heeren dit ons mogt vergunnen zoude ons in onze dringende omstandigheden van veel waarde zijn. Zo echter UWE Heeren dit niet zoude believen is ons vriendelijk verzoek mij het ontslag van de kolonien te verlenen.
Den WEGst. Heer Visser, directeur der kolonien, heeft ons gelast aan UWE heeren te schrijven. Dierhalven nemen wij de vrijheid UWE goedgunstige protectie te nemen, en ons in dien het mogelijk is, met uw spoedig antwoord te vereeren.
Mijn Heeren, UWE Dienaar J. van Waveren
De permanente commissie besluit blijkens scan 713 op 26 september N39 dit allemaal weer door te sturen naar de directeur om er zijn mening over te geven en bespreekt het opnieuw op 14 oktober 1823 N4. Dan besluit ze blijkbaar dat er STRAF moet volgen. Dat deelt ze mee aan de directeur en aan de subcommissie te Monnickendam. De directeur reageert in een brief dd 18 oktober 1823 (invnr 67 scan 132 en verder):om Van Waveren aan uwe wijsheid en voorzichtigheid optedragen.
En de subcommissie te Monnikendam op 12 november 1823 (invnr 67 scan 306):Dat aan het verzoek der Permanente Kommissie ten aanzien van F. van Walraven en J.G. Nieuwenhoven zal worden voldaan;
Blijkbaar heeft de permanente commissie ook de subcommissie Leiden geïnformeerd, want die reageert op 9 november (invnr 67 scan 288-289):Overigens zou het de subkommissie van Weldadigheid te Monnikend: aangenaam zijn, geinformeerd te mogen worden, waarin de straf van den bekenden F. van Waveren bestaat.
Ja, dat mag Leiden dan wel willen, maar de permanente commissie wil per se dat er geSTRAFT wordt en sleept Jacoba Cornelia en Teunis voor de Raad van Policie. Maar dan.... Op 22 november 1823 (invnr 67 scan 388) schrijft de directeur op de kolonie in zijn dagelijkse verslag aan de landelijke Maatschappij van Weldadigheid:Wij bedanken tevens voor de, per mioss. van den 16den der vorigen maand, bij ons ontvangen narigten, omtrent de bestedelinge J.V. v. Nieuwenhoven; schoon ook deze zaak buiten ons is, zal het ons aangenaam zijn, indien de Perm. Komm. de meest mogelijke wijziging ten goede aan ndit geval moge geven; hare moeder, welke jaarlijks voor 1½ mnd ter uitoefening van een deel haars beroep herwaarts komt, heeft ons mede zeer daarom verzogt en er op aangehouden, daar de bestedelinge reeds in de 7den maand is, om van de Perm. Komm. voor de jonggelieden slechts het ontslag en de toestemming tot trouwen te bekomen, al moesten zij dan ook onmiddelijk de kolonie verlaten.
Oftewel, de Raad van Policie - bestaande uit notabelen uit de directe omgeving van de vrije koloniën - wil niet zo hard STRAFFEN als de permanente commissie dat graag zou willen, en daarom moeten Jacoba Cornelia en Teunis maar zo snel mogelijk van de kolonie af, want anders willen straks alle ongehuwd zwangeren op de kolonie blijven. Zodoende verdwijnt het jonge stel snel van de kolonie en komt de volgende brief van de subcommissie Leiden als mosterd na de maaltijd. Maar die brief van 28 november 1823 (invnr 67 scan 449), maakt wel duidelijk dat ook vader en moeder Van Nieuwenhoven in het geweer waren gekomen voor hun dochter:Ten anderen dat J.C. van Nieuwenhoven en F. van Waveren nog niet voor de Raad van Policie zijn gebragt, alzoo niet naar de O.S. verwezen, hoewel ik in der tijd de eer had de Perm. Kommisie te advijseren geen ontslag aan deze jonge lieden te accorderen, zoo min als aan Meijer en de dogter der wed. Rikmond, kol. no.1, vind ik mij thans verpligt het tegengestelde te doen, om reden de laatst gemelden door de Raad van Policie der tijd wierden vrij gesproken, ten minsten voor een tijd, om de nodige stukken tot het aangaan van een huwelijk te bekomen en daarna te trouwen;
daar nu mede gereed zijnde is ZHEdGestr. den Heer 2e Ads. van gevoelen, dat dit speciaal geval niet meer behoren te worden gepoursuiveert; waar uit dan volgt dat aan hun ontslag behore te worden gegeven, daar zij mijns bedunkens in geen geval in deze kolonien vermogen te blijven;
Word nu aan deezen gelegenheid tot trouwen en ontslag uit de kolonien verleent, bestaan er geen redenen waarom dit aan van Waveren en Nieuwenhoven zoude worden geweigert.
Blijkbaar blijven Teunis van Waveren en Jacoba Cornelia van Nieuwenhoven eerst nog een tijdje in de buurt. Op 19 december 1823 wordt te Vledder geboren Arie, en omdat Teunis van Waveren bij de aangifte brutaalweg verklaart dat 'zijn vrouw' van een zoon is bevallen, wordt het kind ingeschreven als Arie van Waveren. Maar 'zijn vrouw' wordt Jacoba Cornelia pas bij hun huwelijk op 14 juli 1824 te Weststellingwerf. Daarna schijnen ze eerst met dat kind naar Leiden te trekken. Dat blijkt uit een brief van de Regenten van het Gereformeerde Weeshuis te Monnickendam dd 25 november 1825 (invnr 76 scans 594-595). In die brief gaat het over de nog op de kolonie verblijvende broer en zus van Teunis van Waveren, die dan 14 dagen met verlof in Monnickendam zijn. De volledige brief komt op een nog te maken pagina over de drie kinderen Van Waveren, maar het gedeelte waar het hier om gaat is:Tevens echter moeten wij het volgende mededeelen, en der Perm. Komm. daarmede lastig vallen.
1o Dat de moeder der Leijdsche bestedelingen van Nieuwenhoven - zie onze brief van den 19den dezer - mij gister een brief vertoonde, door haren man, den 22 dezer te Frederiksoord geschreven, waarin hij nogmaals het ontslag zijner dochter verzoekt, eer zij bevalt;
onze subkommissie heeft niets tegen het ontslag verleenen, en indien v. Waveren, die om hetzelfde voor zich te verzoeken, naar Monnikendam is, hieraan voldoen ziet, zijn van deze zijde der subkommissie alle hinderpalen opgeruimd.
Daaruit blijkt dus dat Teunis van Waveren dan in Leiden werkt. De Regenten zien het overigens niet zitten om de broer en zus bij Teunis onder te brengen:Aanstaande zaturdag 26 dezer moeten zij weder naar de colonie alzoo hunne verloftijd verscheden is, en daar wij voor dien tijd geene vergadering hebben, hebben zij ons te kennen gegeven, hunnen broeder Teunis van Waveren te Leijden bij eene catoenfabriek geplaast, alwaar dezelve ƒ6=" verdient en hun beloofd had zij aldaar konden geplaatst worden en gemelde hunnen broeder, aangezien hunne ongelukkige omstandigheid voor hun wil guaranderen, zij tot aan hunne meerderjarigheid nimmer ten lasten van eenig liefdesgesticht zullen komen, zoo dat zij gaarne hadden wij hun van de colonie reclameerden.
Het werk in Leiden is niet blijvend. Vanaf 1827 krijgt het echtpaar nog een heleboel kinderen, die allemaal geboren worden te Noordwolde. Het is niet helemaal zeker, maar mogelijk en zelfs waarschijnlijk is dat zij wonen in het semi-illegale dorp van zelfgebouwde plaggenhutten, dat op het moment bekend staat als 'de hutten onder Noordwolde' en dat later zal worden aangeduid als Noordwolde-Zuid of Lombok. Als ze daar wonen, is dat lekker dichtbij het ouderlijke gezin van Jacoba Cornelia.De kinderen onder guarantie der broeder te rug te nemen, beantwoord in de eerste plaats niet aan onze bedoeling, alzoo even goed onze contributie aan de colonie voor dezelve moeten uitbetalen. Onderwijl in de tweede plaats gemelde guarantie ons niet voldoende voorkomt voor een man welke met vrouw en kinderen van zes gulden weeks sober moet leven, nimmer deze twee kinderen dan uit medelijden zoude aannemen om met hun kort of lang armoedig te bestaan.
Blijkbaar hebben ze het - zoals alle bewoners van het huttendorp - niet breed, want in 1830 vragen ze om als kolonist in de koloniën geplaatst te worden. Zie een brief van de subcommissie te Monnickendam dd 20 mei 1830, invnr 105 scan 336.
