Raad van Tucht van Veenhuizen-1 in augustus 1836

Uit KolonieWiki
Versie door Nieuwenhoven (overleg | bijdragen) op 1 sep 2023 om 11:12 (1 versie geïmporteerd)
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Sjabloon:Tuchtraad Veenhuizen-1

Proces Verbaal van het verhandelde bij den Raad van Tucht voor Weezen, Vondelingen en Verlatene Kinderen bij het 1e Gesticht te Veenhuizen - Zitting van Saturdag den 13e Augustus 1836[bewerken | brontekst bewerken]

De Raad door den President geconvoceert zijnde waren alle de Leden tegenswoordig, uit genomen den Onder Dirtecteur Buiten de welke door Ziekten hier in is verhinderd.

Door de President werd aan de Raad kennelijk gemaakt een bij hem ingekomen aanklagte tegen de weezen Willem Bijlsma, Karel Roerbach en Johannes Koster beschuldigd van ongehoorzaamheid.-

De Raad heeft hen doen binnen staan om hen ten deze te horen, daar zij bekende de aanklachte conform de waarheid was en niets ter hunner Verschoning hebbende  in te brengen  heeft men hen doen buiten staan om over de hun op te leggen straf te Delibereren-

daar zij Art. 3 van het Reglement van Tucht hebben overtreden, vervat bij § 1

”Ongehoorzaamheid, weerspannigheid of verzetting tegen zijnen zaalopziener, een der Onder-Directeurs, den Adjunct-Directeur en in het algemeen tegen elken ambtenaar, onder wiens op- of toezigt men werkzaam is.

waarop de straf bij Art 4 is toegekend

Ongehoorzaamheid ?? Opsluiting van een tot drie nachten in de strafkamer en bij herhaling van een tot acht dagen, om den anderen dag te water en brood.”

hen te condemneren tot opsluiting in de strafkamer voor drie nachten-

Verlangende de Raad dat aan dit vonnis onverwijld Executie zal worden gegeven-

waarvan Proces Verbaal is opgemaakt.

de gecondemneerde hebbende doen binnen staan is dit hen voorgelezen, zijn dit door den President met alle de leden der raad ondertekend.

Gedaan te Veenhuizen op dag en datum als boven is gemeld.

Poelman, pres.

Laarman, Ond. Dir

Van der Mey de Bie

Bak

L. Coelen, secr.



Bron
● Onderstaande verslag bevindt zich niet in invnr 1618 maar bij de ingekomen post augustus 1836 invnr 174 scans 463-464.

Proces Verbaal van het verhandelde bij den Raad van Tucht voor kolonisten Huisgezinnen bij het 1e Gesticht te Veenhuizen - Zitting van Dingsdag den Zestiende Augustus 1800 zes en dertig[bewerken | brontekst bewerken]

Tengevolge Art 10 van het Reglement van Policie en Tucht voor Kolonisten Huisgezinnen, behoorende bij de Resolutie der Permanente Commissie der Maatschappij van Weldadigheid van den 8e Julij 1829 N. 19 zijn door den Adjunct Directeur, Chef van het Gesticht, als Leden der Raad voor één jaar voorgesteld: als uit de Kolonisten Hoevenaars Hendrik Gerrits Timmermans, en uit de Kolonisten Huisgezinnen Klaas Bronsema, Remke Sijbolts Hunia, en Bonne Willems Dikland.- Zijnde met meerderheid van stemmen hier toe gekozen Klaas Bronsema en Bonne Willems Dikland.

Den President brengt ter tafel een bij hem ingekomen aanklachte tegen den bedelaars Kolonist Pieter Gutteling en zijn zoon genaamd Hendrik Valantijn Gutteling dewelken op Zondag Ochtend omstreeks half vier uren, waren aangehouwden, door den Wijkmeester Harm Kuipers en de Kolonist Fransciscus Bodenstaf dragende één zak, daarmede de weg nemende na Norg, waarin zij voorgaven te hebben eenige vodden, die zij zegden daar te willen verkopen;

dan bij onderzoek bleek het, dat in plaats van het opgegevene zich een hoeveelheid wol in die zak bevond, waar om genoemde Ambtenaar den aangeklaagde in de strafkamer heeft opgesloten, om zijn Rapport van bevinding hier over uit te brengen.

Naar aanleiding van Art 12 van gezegd Reglement heeft men de aangeklaagden doen binnen staan, en hun tegen de twee hier boven gemelde getuigen gehoord; zij bekende dat de aanklachte met de waarheid over een stemmende was.

De President heeft de aangeklaagde vervolgens ondervraagd, hoe zij aan die wol waren gekomen; waar op Pieter Gutteling heeft voorgegeven, dat hij die uit de Vuilnis der Fabrijk had gezogd en wel drie Jaren bij één had gegaard.-

Men heeft hier op den Fabrijkbaas doen binnen staan om ook denzelve hier in te horen; en de welke ons heeft verklaard na de wol grondig te hebben onderzogt; die te bevinden te zijn van de scheering der schapen van dit jaar,

ook het Lid der Raad K. Bronsema stemt na een gedaan onderzoek als deskundigen in dit gevoelen; voor het overige draagt het alle blijken dat deze wol die na te zijn gewogen bevonden is te zijn 3 ½ zegge pond van tijd tot tijd van de Fabrijk waar op den eerst aangeklaagde werkzaam was, is ontvreemd. dus na door overtuiging van diefstal van wol, toebehorende de maatschappij te zijn in beschuldiging gesteld heeft men hen doen buiten staan om over te gaan tot de op te leggen straf.

Ofschoon La.E onder het 2e Art van gezegd Reglement

“Ontvreemding, verwaarlozing, opzettelijke beschadiging en verkoop of verpanding van een anders goed, het zij van mede kolonisten het zij van de Maatschappij, in gebruik toebehorend of niet”

op hen van toepassing is en waar op de straf bepaling is vastgesteld bij Art 3

“Drie dubbelde vergoeding van het ontvreemde, verwaarloosde, beschadigde, verkochte of verpanden door hem, die zich voor de eerste maal aan de misdrijven onder  La  E vermeld schuldig maakt, benevens voor opsluiting voor Acht dagen in de strafkamer of ook wel verplaatsing naar de Ommerschans buiten de vergoeding worden gestraft”

De President houd de beschuldigde echter voor te gevaarlijke voorwerpen om bij dit Gesticht te verblijven, en steld daar om den Raad in omvraag voor om aan de Permanente Commissie voor te stellen van het Huisgezin van den Bedelaars Kolonist Pieter Gutteling te doen overplaatsen naar de Ommerschans waartoe dit gezin primitief behoorde, welks voorstel met algemeene stemmen is aangenomen-

Verlangende de Raad dat hier van Proces Verbaal wordt opgemaakt zoo als geschied bij dezen ten einde krachtens Art 13 aan de Permanente Commissie tot Approbatie onmiddelijk zal worden opgezonden.-

De gecondemneerde hebbende doen binnen staan is dit vonnis hun door voorlezing bekend gemaakt.

Gedaan te Veenhuizen 1: Gesticht op Dag en datum als boven is gemeld.-

Poelman, Pres.

Haarman

K. Bronsema

B Dikland

L. Coelen, secr.



Proces Verbaal van het verhandelde bij den Raad van Tucht voor Weezen, Vondelingen en Verlatene Kinderen bij het 1e Gesticht te Veenhuizen - Zitting van Saturdag den 20 August 1836[bewerken | brontekst bewerken]

De Raad door den President geconvoceert zijnde waren alle de Leden tegenswoordig, den Onder Directeur buiten absent wegens ziekte.

De President maakte de Raad kennelijk met eene aanklagte tegen de weesen Jan Bloem en Bernardus Tobei eerste wegens diefstal van een buijs en de laatste van ontvreemding uit de zaal van Vijf en Tachtig Centen.

De raad heeft hun doen binnen staan om hen ten deze te horen, door eigen bekentenis van de misdaad overtuigd zijnde heeft men hen doen buiten staan om over de hen op te leggen straf te delibereren.

Daar zij beiden Art 3 van het reglement van tucht hebben overtreden in deze woorden? vervat bij § 8 “Ontvreemding, verwaarloozing en beschadiging van eens anders goed of dat der Maatschappij,  tot welk laatste mede gerekend wordt te behooren de eigen kleeding der kinderen en de bij hen in gebruik zijnde koloniale goederen”,

waar op bij Art 4 onder  § 8 de straf is bepaald

Ontvreemding, verwaarlozing en beschadiging van eens anders goed Dubbelde vergoeding van het ontvreemde, verwaarloosde of beschadigde uit zijn tegoed bij de Maatschappij, benevens opsluiting van één tot acht dagen in de strafkamer; om den anderen dag te water en brood, en bij herhaling met boeijen aan.”

Hen te condemneren tot opsluiting voor den tijd van acht dagen om den anderen dag te water en brood en Jan Bloem te debiteren voor de som van Zes Gulden en Zeventig Cents en Bernardus Tobei voor Een Gulden en Zeventig Centen, zijnde de dubbelde vergoeding van het ontvreemde.

Zijnde hier van Proces Verbaal gedresseerd het geen men aan gecondemneerde na dat men hen heeft doen binnen  staan heeft voorgelezen.

Aldus opgemaakt te Veenhuizen 1e Gesticht op dag en datum als boven is gemeld

Poelman, pres.

Laarman, Onder dir

Van der Meij de Bie

Bak

L. Coelen, secr