Maandblad de Star van april 1819

Uit KolonieWiki
Versie door koloniewiki>Wil Schackmann op 24 aug 2023 om 12:08
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Sjabloon:Maandblad de Star

De pdf van dit nummer staat hier op delpher.nl


Pagina 322. Beknopt beriot wegens den oorsprong, de inrichring, en den tegenwoordigen staat van het instituut tot opvoeding der armen, gevestigd door E. van FELLENBERG, te HOFWIJL, een landgoed in het Zwitsersch kanton BERN (*)[bewerken | brontekst bewerken]

Wil ‘‘clooven, het grootfte deel onzer Lezers eene» langenamen dienst te bewijzen, door hen, volgens onze

(*) Wii hebben ons van de volgende Schriften bediend, em dit Beknopt Berigt te ontwerpen:

, Lettre de Mr. gautekon, a Mr. cm. >ictet, è G ne£ fur la féte celeWée a Hofwyt, U n Mai Gettêve, chez paschoud, 1808. 9. sJaH du fecond cahier des feuilies Mono»»* rurale

d'Hofwvl, public' en 1809. 3. TrfleLg ^r Armen-er.iehungsanjl,, * Ho**, v ih^em (lifter emanuEL von fellenber.3. C0verSe"° ‘‘ ruft het H^j» «er ^-^^"Se^S w, Hofwvl,die ^-^ri l l.- -^ jaren worden uitgegeven]. ^<*8, oey

+- SS* *• t1 a Ho wy f 1

*0«r /« te Commvüonp:rPetuelle ckar-

\Tde Turner eet ïnfiitut, et des obferrations de Mr. ch, mctet, fur les moyens aue Vagriculture fourmt a Véducatlon. Chez paschoud, 1813* ‘‘«fvvv! s. Bericht über die Armen-lZr^H^AnflaH

im Namen der zu Beaufücktigung dtrfelben ntedergejet^




C 3*3 )

belofte in N°. I van dit Tijdschrift, een weinig nader met dit allerbelangrijkst Inftituut, eene eer

voor Zwitfetiand, en, wordt eens het weldadig doel ten volle bereikt, een zegen voor al de volken van Europa, bekend te maken. Wij bepalen ons met

te meer genoegen tot deze taak, uit hoofde van de naanwe verwantfehap, die de Hofwyler inrigting, in oorspronkelijk doel, in middelen en fehikkingen, in beletfelen cn tegenwerkingen zelfs, waarlijk heeft met het ftelfel van koloniiatie der behoeftige familiën in ons Vaderland, hetwelk zich de Maatfehappij van Weldadigheid heeft voorgefteld te vestigen. Er is dus hier eene zekere gelijkaardigheid van onderwerp, die niet alleen behagen moet aan den onderzoekenden geest, maar welke ook geschikt is, om opheldering in vele hiertoe betrekkelijke bijzonderheden te geven, en dus het Publiek, ten aanzien der gevolgen van deze nog jeugdige, vaderlandsche poging, voor te lichten en te bemoedigen, door een tafereel op te hangen van hetgeen, na een verloop

van

te Commisjlon abgefast, v»n a. renoger, gewefemtt Minister des Innern der Hetvetifcken Republik. Tubitigen, bey j. G. cotta, 1815.

6. Rapport prefentet a S. M. fEmpereur alexandre, par S. E*C. Mr. te Comte de capo-d'istria, fur les établisfemens de Mr. de fellenbero a Hofwyl, en Octobre 1814. A Paris.et Gettève, chez paschoüd, 1815.

7. Notice fur les Établisfemens ie Hofwyl, par Mr. v. b. b. crud. A Genève et Paris, chez te même, 181Ö.

Gaarne hadden wij meer in vele allerbelangrijkfte bijzonderheden, door deze Schriften verfprcid, willen uitweiden, indien het bellek van ons,Tijdschrift zulks geduld hadde.

sb hbdakt1k.

Z 4




( m )

van ettelijke jaren, in Hofwyl reecis verwezenlijkt is geworden, en dus zonder allen twijfel ook in eene zekere mate, naar het bijzonder doel, dat zich de Maatjchappij van Weldadigheid heeft gevormd, in ons eigen Vaderland even goed verwezenlijkt zal kunnen worden, te meer, daar liet ontwerp van deze laatfte uit zijnen aard meer eenvoudig, éénfoortig is, en het gewis Nederland minder dan Zwitferland aan hulpmiddelen ontbreken kan, om een ontwerp tot ftand te brengen, hetwelk groote bijdragen en eene uitgebreide onderfteuning noodig heeft.

Dit InfHtmtt, te Hofwyl, een uirgeu-rekt Landgoed en kasteel, in het kanton Bern gevestigd, is zijnen oorfprong verschukiigd aan één' der waardigfte en kundigfte mannen van Zwitferland, emanuel van pellenberg. Deze warme menfehenvriend, die den rijkdom van natuurlijke en verkregene kennis met het hart van eenen warmen menfehenvriend, met de edelfte beginfelen van verlichte godsdienftigheid en met een karakter vereenigt van dien moed en die volharding, zonder welke niets goeds en groots kan worden tot ftand gebragt, —- getroffen door de zedelijke ontaarding, zoo wel als door de hand over hand toenemende verarming der min vermogende fianden in zijn Vaderland, vormde omftreeks het begin dezer eeuw het gelukkig denkbeeld, om tegen den voortgang van het één en ander kwaad eenen vasten dam op te werpen, en een middel uit, te denken, tot herftelling, zoo wel van de zedelijkheid, als van de welvaart dier or.gdukkigen. Door de ervaring overtuigd, dat de grootfte opofferingen der liefdadigheid noch berekend, noch. - in




hi Raat zijn, om de nationale armoede te verbannen, indien men den bchoeftigen niet het middel in hankn geeft, om door eigene werkdadigheid- zich zeiven eert beftaan te vcrschaflèn; overtuigd, dat alie pogingen ter zedelijke h ervorming van diep weggezonkene menfeheü ongenoegzaam zijn, indien niet deze hervorming mét hun belang zoodanig verbonden wordt, dat zij in het eëhe den fpoorflag en de oefenschool tot de andere vinden; overtuigd eindelijk, dat hel het opkomend geflacht is, bij hetwelk men, eenen goeden uitflag wenfehende, het werk eener nationale hervorming behoort aan re vaftigen: — van deze overtuigingen doordrongen, fmcedde pellenberg het ftout ontwerp, om op het ftille Land, waar de verbastering minder groot, en de verleiding tot het kwade minder sterk is, eene inftelling te vestigen, gefehikt, om een zeker getal jonge lieden tot den veldarbeid op te leiden, en daarmede een 'praktisch onderwijs, niet alleen in den landbouw zeiven, maar ooi;, in de daaraan verwante- en dienstbare wetenfehappen, en over het geheel in de gronden van alie mehschelijkè kennis, zedeknnde en godsdienst, te verbinden. Volgens zijne inzigtcn moest arbeid voor de verarmde ftaadon de bron van beoefenende ' kennis en zedelijkheid, en de akker de groote leerschool worden van eene wetenschap, die hen gelijktijdig op den weg bragt tot het aardsch en tot een honger geluk. Het zal genoeg'zijn, onzen Lezers een' wenk gegeven te hebben van de eenzelvigheid der grondbegihfelen, die er te dezen opzigte tusfehen het ontwerp van pellenberg en dat van onze Maatschappij van Weldadigheid beftaat, om aan het laafde eene nieuwe mate van aannemelijkheid en verdienfte bij te zetten.

p$ Om




( 32Ó )

Om dit voortreffelijk, maar tevens moeijclijk ontwerp te verwezenlijken, schafte zich de edele menschenvriend vooraf een uitgebreid landgoed aan, van de noodige gebouwen voorzien, en door den aard zijner gronden geschikt, om aldaar een aantal kinderen, benevens de noodige onderwijzers, te plaatfen, er de vereischte lokalen tot verblijf en werkzaamheid te vestigen, en door alle foorten van landarbeid en hetgeen daartoe behoort, de kweekelingen te oefenen in hetgene zij tot hun beflaan, tot hunne veredeling, noodig hadden. Hij vond dit alles vereenigd in het uitgeftrekte landgoed van Hafwyl, gepaard met het nabijgelegen Eouchfée; terwijl hij de beletfelen, die de Natuur hier aan zijn ontwerp bood, door eene niet minder groote opoffering, dan de aankoop dezer goederen reeds op zich zeiven was, wist uit den weg te ruimen, zoo door het meer effenbaar maken der al te fteile verhevenheden van den grond, als door het aanleggen van gepaste waterleidingen tot deszelfs bevochtiging.

Hij gaf aan deze ftichting den zedigen naam van Inflituut lot opvoeding der Armen (Annen-erziehungs-anftalt~). Zedig noemen wij dezen titel, omdat dezelve, hoezeer het hoofddoel des ftichters volmaakt uitdrukkende, niettemin veel weiniger doet verwachten, dan hetgeen dezelve wezenlijk omvat, en hetgeen alles met het hoofddoel in een naauw verband ftaat. Het Inftituut namelijk van Hofwyl, vereenigd met Bouchfée, is zasiengefteld uit de volgende acht afzonderlijke, ennogtans alle in elkander grijpende, en een voortreffelijk geheel vormende beftaandeelen.

i. Eene boerderij, welke ten toonbeeld eencr tot de hoogst-mogelijke volkomenheid gebragte landbouwerij dienen moet, in zoo verre daarin alles is en nog wordt

op-




C 327 &gt;

opgenomen, wat de ondervinding en de wetenfcjiappeH onzer eeuwe goeds en nuttigs hebben doen kennen, zoo met opzigt tot de bereiding en bevrachting der gronden, de keus en behandeling der zaden en plantlbenen, de zuivering der onkruiden, de vermeerdering en het regt gebruik der mistftoffen, de aanwending der doelmatigfte. en voordeeligst-werkende machines enzv., — als ten aanzien der beste wijze van grond-bearbeiding zelve, en de voordecligfte beheering der geheele boerderij, waarbij netheid, zindelijkheid, orde en lireving naar de grootst-mogclijke opbrengst van elk gedeelte der kuituur, zich vereenigen.

2. Deze modél-bouwerij wordt onderfteund door eene tweede, die als het ware de oef'enschool der jonge landbouwers is, en waarin dadelijk wordt toegepast en in uitvoering gebragt, hetgene men bij de eerde ingevoerd ziet, en waarvan'mén er de, voordeden ondervindelijk heeft leeren kennen. Hier worden de jonge lieden door geschikte onderwijzers dagelijks, al arbeidende, opgeleid tot proefnemingen met hetgene zij als goed en nuttig hebben leeren kennen. Het is die proefbouwerij, welke als de ftudcerkamer der jonge landbouwers kan worden aangemerkt, waar zij zeiven de bouwftpfFen aanbrengen, door hen verzameld in het eerfte gedicht, hetwelk men hunne'• agronomische boekerij zoude kunnen noemen.

3. Hierbij komt eene fabrijk van plocg-werktuigen, verschaffende aan de twee vorige boerderijen de werktuigelijke middelen, tot derzelver arbeid vereischt. Dezelve vermindert aanmerkelijk de kostbaarheid der aangewende verbeteringen, is eene oefenings- en onderwijsplaats voor de scholen van opvoeding en landbouw, en de leerlingen van het A-rmen-inftituut leeren er het wagen-




( 3=3 )

gcnmakers- en fmids-ambacht, zonder gevaar te loopen vah hunne zedelijkheid, door aanraking met anderen. —â–  Er zijn te Hofvyl zelfs werkplaatfen voor werktuigen, timmer- wagenmakers- finids- loodgieters- schoen- en kleêrenmakers-werk, enzv.

4. De werkplaats, ter volmaking der landbouwkundige machines beftemd, levert des noods aan N°. 3. bekwame

_ arbeidslieden, en draagt mede bij tot het leerzame in de oefeningen des Inftituuts. De Heer F. heeft het van het hoogfte belang geacht, de volmaking der landbouwkundige werktuigen, naar de lesfen der ondervinding, tot het beftendig voorwerp van zijn zorgvuldigst onderzoek te ftellen.

5. Wie weet niet, hoe vele belemmeringen de verlichte landbouwer fteeds ondervindt, door de onvolkomenheid van het handwerk zelf en de onkunde der arbeiders, waarvan hij zich moet bedienen? De Industrie - lchool of school van landbouw-oefening der arme kinderen is geschikt, om deze beletfelen uit den weg te ruimen, en een aantal bekwame boerenknechts en land-arbeiders te vormen, en dezelve levert te gelijk de schoonfte zedelijke vruchtgevolgen op van eene zuiver landbouwkundige opvoeding. Zij is dus een zeer wezenlijk deel der Hof* wyische dichtingen.

6. Voor kinderen van meer gegoeden en aanzienlijken Hand is eene afzonderlijke kostschool opgerigt, waarin zij van jongs af worden opgeleid tot de kennis hunner

- verpligting, om hunnen bevoorregten ftand te doen dienen ter onderfteuning der verarmde klasfen. Met een oog op de hun zoo nabijzijnde armenschool, leeren zij de beste wijze kennen, om die te helpen, en zij, die de school van landbouw zelve bijwonen 5 kunnen zien, hoe

zij




C 329 )

zij eens door dit middel het best de arme landjeugd zullen kunnen opvoeden, en tot nuttige leden der maatschap&quot;pij maken.

7. Voorts genieten zij, in de kostschool zelve, onder het oog en in het huis van den Heer F., niet alleen eene zeer zorgvuldige opvoeding, en het beste onderwijs in al die wetenschappen, welke den mensch van beschaafden Hand kunnen nuttig zijn; maar kunnen ook hunne ftudiën befluiten met eenen curfus in de school van landbouw zeiven; en zoo arbeidt deze edele man te gelijk aan de uitbreiding van wetenschap en kunst, terwijl hij arme kinderen tot gelukkige, goede menschen, en de meer vermogende tot derzelver verlichte weldoeners in de toekomst vormt.

8. De Normaaïïc\\oo\ eindelijk, die tusschen beiden ecnigen llilftand, buiten toedoen van den Heer F., ondervonden heeft, was betond, om in den zomer de schoolonderwijzers der Zmtfcrschc Kantons te verzamelen, en hun, geleid door de onderwijzers derverschillende {lichtingen, in dit vereenigd Inffituut het beste model aan te wijzen, ter goede inrigting van hunne Dorpsscholen; ook konden zij er zich verrijken met de kundigheden eener volmaakte landbouwerij, ten einde de kennis en den fmaak. daarvan alom ten platten lande te verl prei den.

Zoodanig zijn de voorname afdeelingen van fellenbergs voortreffelijke in Helling, en zoodanig is het schoone verband, waarin hij dezelve onderling heeft weten te plaatfen. Hoe juist berekend tot het groote doel, dat zich de edele man, ziende de allengskens hand over hand toenemende verarming en zedelijke verbasteringder geringere volksklasfen in zijn vaderland, — ziende • â–  'de




( 330 )

de onmogelijkheid t om of de nationale armoede, of de doordringende zedeloosheid te ftuiten, tenzij men een middel uitdacht, geschikt om beiden gelijktijdig te keer te gaan, — van het begin af had voorgefteld, om, namelijk, de werkdadigheid der verarmde kinderen, en wel toegepast op den landbouw, in een schuldeloos landleven geoefend, gelijkelijk dienstbaar te maken aan de lotverbetering, de. vcritandelijkc en zedelijke beschaving der armen, aan de uitbreiding der nationale nijverheid en welvaart, en aan de agricultuur zelve! — Zoodanig een ontwerp zou reeds op zich zelf hem den dank en roem van tijdgenoot en nakomeling hebben moeten verwerven; dan, opdat hij bij de vermogende klasfen zoo wel meerdere navolgers vinden, als zijn Infütuut tot eene meer uitgebreide kweekschool van kundige landbouwers en onderwijzers, ook in andere oorden maken mogt, — met,één woord, om aan zijne onderneming al die uitgebreidheid en duurzaamheid te verzekeren, zonder welke het hoofddoel om het groote nimmer te bereiken was, gaf hij daaraan, onder N°. 6, 7 en 8, zoodanige uitbreidingen, als te dien einde juist berekend zijn.

Reeds vóór den aanvang dezer eeuwe was F. onledig ter verwezenlijking van dit schoon ontwerp, op zijne eigene, uitgeltrekte landgoederen. Hij deed, te dien einde, de al te ongelijke gronden effenen, moerasfen dempen, de noodige waterleidingen maken, gepaste lokalen bouwen, enzv. — ïö weerwil van zoo groote opofferingen, zag hij zich echter in zijn weldadig oogmerk van tijd tot tijd gedwarsboomd en te leur gefield. De voornaamfte oorzaak hiervan was het volftrekt gemis van eenen onderwijzer der jeugd, die, in zijnen geest geftemd, den vereischten aanleg en de noodige talenten

in




C 330

in zich vereenigde, om de arme kinderen nier zoo zeer op de gewone wijze in eene school, maar op het land, onder en door den arbeid zeiven, praktisch te onderrigten in al die wetenschappen, welke hen tot bekwame landbouwers en regt zedelijke, gelukkige menschen konden vormen. Het liep aan tot het jaar 1809, ter hy zulk een belangrijk voorwerp vond, en tot dien tijd toe mag men het Inftituut, hoezeer werkelijk gevestigd, als in den Haat van deszelfs geboorte beschouwen. Het was toen, dat hij zijnen wensch op de gehikkigfte wijze bevredigd zag door de aankomst van jakob wehrli, zoon van eenen Schoolonderwijzer te Eschikof en, al Torgau, eenen 19 jarigen jongeling, toegerust met vele bekwaamheden, en van een edel zedelijk karakter, die, na eenigen tijd het onderrigt van F. zeiven en der andere onderwijzers van het Inftituut genoten, en den voortrefFelijkften aanleg tot zijne beftemming ontwikkeld te hebben, in 1810 zijnen moeijelijken post aanvaardde, en federt dien tijd, met eene fteeds toenemende volkomenheid, en met eenen ijver vervult, welke niets te wenschen overlaat, en waarvan wij zoo gaarne de merkwaardige bijzonderheden aan den Lezer zouden mededeelen, ten einde hem in een schitterend voorbeeld te doen zien, wat een mensch, wiens verftand en hart in gezonden ftaat zijn, bij eene ernftige en oordeelkundige infpanning van krachten, alleen werken en daarllellen kan, — indien niet het beftek van dit Tijdschrift

en de ruimte der overige ftof ons zulks verbood. —-

Genoeg zij het, te zeggen, dat wehru niet alleen dc kinderen in het lezen, schrijven, rekenen, teekenen (op eene eenvoudige wijze), zingen, en hetgene zij van de moedertaal, meetkunde, natuurkunde, aardrijkskunde en

Va-




C 332 ~)

Vaderlandibhe gefcbiedenis weten moeten, zoo wel onder hunnen arbeid, als des avonds in een paar schooluren, die voor hen een tijd van ware uitfpanning zijn, onderwijst, maar ook hen op den akker zei ven vergezelt, hunne werkzaamheden regelt en betont, dezelve tot eene bron van praktisch en zedelijk onderrigt voor hen maakt, hun de redenen aanwijst, waarom alles zóó en niei anders moet geschieden, hunnen leerlust bevredigt, door al hunne vragen te beantwoorden, de goede orde en betamelijkheid onder hen bewaart, hen tot de kennis der Natuur, tot eerbiediging van haren grootcn Maker opleidt, en hun, bij elke gelegenheid, hoogere begrippen van godsdienst en Van pligt bijbrengt. Voor het overige leeft wehrli nacht en dag met en onder zijne leerlingen, als ware hij één hunner, en hunne vermogens ontwikkelende, volmaakt hij dagelijks meer en meer zijne eigene kundigheden, die hem thans tot een zeer bekwaam praktisch onderwijzer gevormd hebben, cn zoo onmisbaar voor Hofwyl maken, dat, indien hip'gemist moest worden, het oneindig moeijelijk zoude zijn, iemand te vinden, die, zelfs maar op tijd, zijne plaats zou kunnen vervangen.

Behalve al de vakken van werkzaamheid der kinderen, die wij hebben opgenoemd, worden zij ook opgeleid, tot zulke ligchaamsoefeningen, die geschikt zijn, om hun, deels, eene gezonde uitfpanning te verschall'en, deels, hunne ligchaamskrachten te versterken, en dc lecnigheid der leden te bevorderen, zóó echter, dat attijd de goede orde daarbij bewaard blijve, en hunne op* leiding tot den landbouw, het voorname doel hunner óf voeding. Belet de winter hun, op het veld — hunne voorname oefenschool — te arbeiden, dan worden z:j

be-




C 333 5

bezig gehouden met&quot; het vlechten van mandjes, het breijen van koufen, het bereiden van groenten voor de kciiken, van beestenvoeder, van ftroo-matrasfen, enzv; Met één woord, van 's morgens tot 's avonds zijn zij ^ met de gepaste afwisfeiing, immer bezig, zonder ooit overdreven of afgemat te worden. — Voor godsdienftjge' opleiding wordt op de beste wijze zorg gedragen en dss oycribare Godsdienstoefening des zondags op de plegtigfte wijze in gemeenschappeüjke vereeniging door alleri bijgewoond*

De ftraffen j den kvveekeliugcn opgelegd ter verbetering van verkeerdheden, zijn geene andere, dan die hunne eerzucht moeten prikkelen, of hen het oogenblikkelijk gemis van kleine genoegens, b. v. het maaltijden met hunne makkers, doen gevoelen; Ligchamelijke pijnftraffen bezigt wehrli ten uiterfte zeldzaam; echter heeft hij zich enkele reizen van de handplak moeten bedienen, in gevallen * waarin elk ander verbeteringsmiddel blijkbaar te kort schoot, en de hardnekkigheid weigerde voor hooger gezag te bukken s hetgeen echter moet gebeuren j indien de meester den zoo noodigen invloed op zijne kweekelingen behouden zal. Nooit ftraft wehrli. * dan wanneer het onvermijdelijk is, en niet, dan na h?tkind zelf hiervan overtuigd te hebben.

De kinderen worden aan eene harde leefwijze gewend. Des zomers zijn zij in trielje of bombazijn s des winters in goed laken gekleed; meestal gaan zij blootsvoets, behalve bij vochtig weder en op zondag; het k ook dan alleen 4 dat zij het hoofd gedekt hebben; ~en hiervan hebben zij geen ongemak.

Gelijk de kostschool voor meer verniogenderi reeds in *8ia een getal van twintig kinderen, en daaronder van

o&quot; star, j8ro, N\ IV.- Aa zeer




C 334 )

zeer deftigen, zelfs Vorftelijken ftand bevattede, zoo beftond de school der Armen-inrigting zelve destijds in drie en twintig kweekelingen; en dit getal zou nog merkelijk grootcr zijn, indien de ftaat der gebouwen te Bof«•j/'en Buchfés, de geheele inrigting van het Inftituut, en de ondeelige krachten van den onvermoeiden wehrli, zulks gedoogden.

Deze kinderen, waarvan de oudfte niet meer dan 12 of 14 jaren tellen, zijn uit allerlei oorden van Zwitfefland herkom ftig, en alle uit de geringfte en armoedigfte klasfe genomen, vele' zelfs bij den bedelftaf opgevoed, ja, enkele hunner door de band der Policie opgevangen, en aan het bandieten-leven, hetwelk hunne ouders leidden, ontweldigd. In den aanvang had men zich voorgefteld, eene keuze te doen van louter geschikte, zedelijk opgevoede en brave jonge lieden; doch om meer dan ééne reden zag men van dit denkbeeld af, en nam men kinderen op, die zich slechts het eerfte voordeden; en inderdaad is dit ook het doelmatigst, en het meest geschikt, om de inrigting aan haar heerlijk doel, de herftelling en veredeling der door armoede weggezonkene volksklasfe, zoo burgerlijk als zedelijk, te doen beantwoorden. De edele pellenberg huisvest, voedt,

kleedt, onderwijst al deze ongelukkigcn,. en bezoldigt hunne meesters, te zijner, koste, - behalve hetgeen eenige kleine bijdragen van fommige begunftigers aan het fonds der inftelling van tijd tot tijd toebrengen. Hij vindt zijne gedeeltelijke ichadelcosfiellïng in de arbeidsverdienften der kweekelingen, en vleit zich met den tijd in derzelver meerdere bekwaamheid en toenemende krachten het middel te vinden, om het jaarlijks te kort van deze rekening (.enigermate goed te maken, — iets, hetgeen




( A3� )

echter, om meer dan ééne reden, als zeef twijfelachtig; moet worden aangemerkt. Dan, zoo belangeloos is d; brave man, derwijze bezield met welwillendheid, om zich voor het algemeene heil op te offeren, dat, öffl nu van de -eindelooze bemoeijenisfen en zorgen, waaraan hij zich in zijne ftille landelijke afzondering rusteloos, nacht en dag, overgeeft, niet te reppen, — van de 5a jongheden, die zijne kostschool in 1816 bevolkten, er 13 Waren, van welke hij geen kostgeld genoot. Hunne Ouders, door rampfpoeden onvermogend' geworden om dit geld te betalen, wilden hen terug nemen; doch F. j met vaderlijke goedheid omtrent hen bezield, wilde hen niet misfen in den loop hunner opvoeding, maar hun zijne weldaad blijven bewijzen, in Weêrwil der onzekerheid of hij ooit daarvoor zal worden schadeloos geftekh

(Hui overige in N°i V.)

Aa d iËT'S



Pagina 336. Iets over de oorzaken der ARMOEDE, en de hulpmiddelen daartegen.[bewerken | brontekst bewerken]

De Heerj. van den bosch heeftin zijne belangrijke, verleden jaar uitgegcvene, Verhandeling de oorzaken der nationale armoede ontvouwd, en doen zien, dat deze veelal uit den aard onzer maatschappelijke inrigting ontfproten, en dat alleen door het vermeerderen van de hoeveelheid der voorhanden zijnde levensmiddelen een kwaad kan worden gefruit, dat met een verwoestend geweld onze maatschappelijke orde bedreigt. Hoezeer dit Huk met welgevallen ontvangen, en vrij algemeen gelezen is, hebben velen echter de bewijzen voor zijne (telling te ingewikkeld' gevonden, om die als voor allen genoegzaam bevattelijk te beschouwen, en zij hebben eene nadere toelichting noodzakelijk geoordeeld, in een Maandschrift, uit zijnen aard beklemd, om over alles, wat betrekking heeft tot den Haat der behoeftigen, en de hulpmiddelen, die met goed gevolg kunnen worden aangewend om hun lot te verzachten, het noodig licht te verfpreideri. Gaarne voldoen wij aan dit hun verlangen, en zullen ons beijveren, om den Lezer onze gevoelens dienaangaande op het duidelijkfte te ontwikkelen; dan, hij gunne ons dan ook eene ingefpannen aandacht, dewijl het'altijd moeijelijk blijft, iemand terug te brengen van gevoelens, die hij reeds vroeg, dikwerf zonder behoorlijk na te denken, aangenomen heeft, en door eene reeks van schijn&gt;

bare




C 337 )

bare bewijzen geloofd heeft bevestigd te zien. Aan zijne ernftige overweging durven wij dan de vólgende bladen aanbevelen, de beflisfing over de al of niet gegrondheid onzer meeningen aan het gezond verftand toevertrouwende. En nu ter zake!

De oorzaak der armoede is veelal toegeschreven, nu eens aan de verminderde welvaart onzer natie, dan weder aan den oorlog, en de daaruit voortgevloeide verandering in de wijze om een beftaan te verwerven; ook wel aan oorzaken, in het phyliek of moreel geitel van de behoeftigen zelve gegrond: bij den ëénen heeft men gebrek aan ijver, bij den ander' wanzedelijkheid, misbruik van Herken drank, en dergelijke, bij eenen derden ziekten en andere omftandigheden opgeteld, als zoo vele bronnen, waaraan het lijden van een zoo talrijk gedeelte onzer natuurgenooten moest worden toegeschreven. En voorzeker, het is niet te ontkennen, dat deze gebreken veelal moeten worden aangemerkt als de bijzondere en bijdragende oorzaken, waarom deze en niet gene gebrek lijdt; maar tot de algemeene oorzaken behooren zij voorzeker niet, want, al ware het ook mogelijk, al de beboeftigen op te voeren tot zedelijke, gezonde en ijverige menschen, dan nog zou het aantal behoeftigen, onder den invloed van Europa's tegenwoordigen toeftand, niet aanmerkelijk verminderen. Eene Helling inderdaad, die in den eerften opflag aan velen vreemd zal schij» nen, en zoo schijnbaar ftrijdig met de meeste vroegere, en ook nog {leeds aangewendde pogingen, om de heerschende armoede te beitrijden, dat wij de noodzakelijkheid gevoelen, om dezelve met de onwraakbaarfle bewijzen te Haven.

Aa 3 Te




Te dien einde zal het noodig zijnf, aan te toonen: t*. Dat de hoeveelheid van levensmiddelen, thans in • Europa voorhanden, de konfumtie niet te boven gaat.

a*, Dat deze voorraad door gewone middelen niet

noemenswaardig kan worden vermeerderd. 3°. Dat, daar wij door behoeftigen zoodanige menschen verftaan, die het noodige tot voedfel en dekfel in geene toereikende mate bezitten, en wier toefland dus alleen verbeterd kan worden, door hen in de mogelijkheid te Rellen, om hun aandeel daarin te vergrooten, ~r- noodwendig, indien de opgcgevene {telling waar is, dat de voorhanden zijnde levensnoodwendigheden de konfumtie niet te boven gaan, het ruimer aandeel der behoeftigen daarin, zonder vermindering van dat der meer gegoede Handen, onmogelijk moet zijn, cn tevens, indien door gewone middelen die hoeveelheid van levensmiddelen niet kan worden vermeerderd, het hulpi middel daartoe moet gezocht worden in zoo iets, waardoor zulks op eene buitengewone wijze mo* gelijk wordt, en dat alle maatregelen, die hiertoe geene {trekking hebben, als nutteloos, ja als schadelijk te beschouwen zijn, dewijl zij hes kwaad inderdaad verergeren. Eene treurige waarheid, voorzeker, ftaan wij op dezen te ontdekken; dan, het belang der •menschheid dv'rt gebiedend, de bron harer ellende te peilen, en jedfese nnttelooze en schadelijke poging, die ons van den regten weg afleidt, met kracht te beftrijden. Te lang hebben wij op bijpaden rondgedwaald, en zoo wij dca

ge-




C 339 )

geopenden afgrond niet met vereenigde krachten pogen te dempen, zal het tegenwoordig gedacht niet ten grave dalen, zonder het getal zijner lijdende natunrgenooten te hebben zien verdubbelen, en zonder aan zijne opvolgers eene erfenis na te laten, die welligt over dezelve de gruwelen brengen zoude, waaronder éénmaal de bloeijende Landen van Azië bezweken, cn welker beillooze uïtwerkfeien geene eeuwen' hebben kunnen verzachten.

Dan, keeren wij tot ons onderwerp terug, en betoogen wij vooreerst de Helling, dat Euro-pa geene grootere hoeveelheid levensmiddelen voortbrengt, dan hetzelve konfumeert.

Reeds zou de hooge en ftecds toenemende prijs der levensmiddelen, in vergelijking met de dagloonen, ons regt geven, om te befluiten tot de schaarschheid der eerfte, in vergelijking van het getal der konfumerenden; dan dit is geenszins het eenig bewijs, dat voor de gegrondheid dezer Helling kan worden bijgebragt. Immers, werden er meer levensmiddelen geteeld en gebruikt, zoo moest er jaarlijks een overschot dier benoodigdheden plaats hebben, en dezelve moesten of' nutteloos worden weggeworpen, of ais voorraad, worden opgelegd. Had het eerHe op den duur plaats, men zoude voorzeker zijnen arbeid en zijn geld niet aanwenden ter voortbrenging van zaken zonder waarde, en de grond zou woest blijven liggen, welks produkt geene beftemrning erlangen kon. Werd er jaarlijks een voorraad opgelegd (iets, dat reeds daarom onmogelijk is, omdat een ftéeds aangroeijende voorraad fpoedig zijne waarde verliest), dan zoude, bij( een enkel, nog niet eens algemeen, schraal gewas, geUjk A a 4 dat




C 34? )

dat van den jare 1816 (*), geen zoo algemeen â–  gebrek hebben plaats gevonden, als destijds, een gebrek, zoo groot, dat Europa met moeite twee zulke jaren zoude hebben doorgedaan. Wij mogen dus de algemeen-erkende waarheid, dat de levensmiddelen van Europa deszelfs, konfumtie niet te hoven gaan, als eene bevvezene daad-., z^aak aannemen,

Even waar is de tweede Helling,-dat de vermeerdering v.an levensmiddelen door gewone middelen niet kan worden te weeg gebragt,

Tot voortbrenging van levensmiddelen langs den gewot nen weg wordt in de eerfte plaafs gevorderd grond, in de tweede plaats handen, ten derde kapitaal, en ten vierde, de gelegenheid, om dat kapitaal zoodanig aan te wenden, dat het produkt van den akker zulks met een gepast voordeel terug geve. Waar deze omftandigheden rtiet gevonden worden, is door gewone middelen de uitbreiding van den Landbouw niet mogelijk,

In de wélbevolkte Landen van Europa is nagenoeg ieder verkrijgbaar- ftuk gronds, dat dep arbeid, en het kapitaal, tot deszelfs bearbeiding gevorderd, behoorlijk beloont, een hijzonder eigendom, hetwelk de bezitter pp die wijze benuttigt, als hij voor, zijn genoegep of' voordeel het doelmatigst acht. In de weinig bevolkte landen, gelijk Rusland en andere, ontbreekt het aan handen en kapitaal. Hier kan dus, de uitbreiding slechts trapsgewijze geschieden; en hoe lang duurt het dan, alvorens nieuwe ontginningen, en aanmerkelijke voorraad boven de eigene konfumtie der bebouwers, eenen uitvoer

naar.

(â– *) Amerika en Afrika hebben in dat jaar, door de regeus, niet geleden gelijk wij, maar een' zeer voordeeligen

eegst gehad.




C 34i )

naar buiten 's lands toelaten! In Noord-Amerika zeker gaat de landbouw met groote schreden voorwaarts; cn echter, mét eene bevolking van 13 millioenen menschen, met een' grond, die onder de vruchtbaarden der aarde gerekend mag worden, en met eene jaarlijksche nieuwe ontginning van duizende morgens lands, bedroeg de gezamenlijke uitvoer van levensmiddelen aldaar, in den jare 1805, niet meer dan 30,000 lasten koren, en was dus naauwelijks toereikend, om 200,000 menschen te voeden. Zie Qjiarterly Review, W. 34, bladz. 394.

De oorzaak hiervan moet voornamelijk aan de groote vermeerdering der bevolking, die in minder dan 25 jaren verdubbeld is, worden toegeschreven, cn vindt overal plaats, waar de levensmiddelen in gelijke evenredigheid kunnen worden vermeerderd. Hoe dwaas zoude het dan niet zijn, de mogelijkheid te vooronderdcllen, dat in vreemde landen, door de eigene grondbewoners, de hoeveelheid van levensmiddelen in een kort tijdsbeftek zoodanig zouden kunnen worden vermeerderd, dat daarin eenigermate een toereikend middel zoude kunnen gevonden worden, om den toedand der talrijke klasfen van behoeftigen in Europa te verbeteren, al ware het dan ook, dat men de geheele beschikking over dezen buitenlandschen voorraad tot dat. einde erlangen kon!

En indien wij dan nu moeten taeftemmen, dat de voorhanden zijnde levensmiddelen de konfumtie niet te boven gaan; indien eene fpoedige vermeerdering derzeiven, eenigermate geëvenredigd aan de hoegrootheid deibehoeften, door gewone middelen niet mogelijk is, »

wat zoude het dan baten, zoo wij al onze behoeftigen tot eene hoogere bedemming konden opleiden, ja, hen aden in ftaat stellen, om hunne krachten ter verrigtin&quot;&gt; * $ I \ van




O 342 •)

van ccnen nuttigen arbeid te kunnen aanwenden? Waar toch zouden zij die vergelding voor hunnen arbeid erlangen, welke zij behoeven?

In het ruime veld van het dagelijksche leven mogen de uitwerkfelcn der oorzaken aan onze waarneming ontilip-. pen: in enger' kringen echter bepaald, worden die zelfs door het min geoefend oog waargenomen. Men ftelle zich eene ingeflotene of eene geblokkeerde Had of plaats voor, in welke eene zekere hoeveelheid levensmiddelen voorhanden is, toereikende, om een gedeelte der bevolking, gedurende een zeker bepaald tijdperk, te voeden, en die werkelijk het eigendom derzelve is. Wat zoude hier het oprigten van fabrijken, of eenige andere foort van arbeid, den zoodanigen baten, die geen toereikend aandeel daaraan bezaten? Immers, indien de geheele voorraad voor allen tot eene behoorlijke voeding niet toerei, kende is, dan moge door een of ander middel nu deze dan gene bcgunfligd worden, of wel, allen bij eene gelijke verdeeling tot ontbeering van het noodzakelijke gebragt; maar de kwaal, waarlijk aanwezig, kan alleen genezen worden door vervulling van het gebrek, en vermeerdering der levensmiddelen.

En is de aarde dan niet die bellotene plaats, waarin wij leven, en Europa dat Land, Waar njet allen genoeg erlangen, om te kunnen beftaan, en waar niettemin alle levensmiddelen, jaarlijks voortgebragt, gekonfumeerd worden? Verkrijgt niet ieder in dien voorraad een zeker deel, afgemeten aan den ééncn kant naar de hoegrootheid zijner behoefte, en aan de andere zijde door de midtklen, waarover hij beschikken kan, om zich dit aandeel te verschaifen? En wanneer nu, door veraieerdering van middelen, zij, die geene toereikende

hoe-




C 343 )

hoeveelheid van den gewonen voorraad verkregen, in ftaat gefield worden om dit aandeel te vermeerderen, moet dan niet noodwendig het aandeel in de levensmiddelen poM anderen in gelijke mate verminderen, ten zij de al&quot;&quot; geheele hoeveelheid daarvan gelijktijdig vermeerderd worde? Derhalve is het niet mogelijk de armoede tedoen ophouden/ dan door langs eenen buitengewone^ weg die hoeveelheid te vergrooten, daar, waar zufks door gewone middelen onmogelijk is; en de mogelijkheid? daarvan moge Frcderiks-oórd bewijzend — Dan, alvorens hierin - te treden, moeten wij betoogen, dat alle andere' denkbare middelen om de armoede tc weeren., buiten Sé vermeerdering van levensmiddelen, in dit geval niet alleen nutteloos, maar zelfs hoogst schade'ijk zijn.

Deze middelen kunnen alle terug geleid worden tot da drie volgende: i. tot eene bedecling, waardoor de behoeftigen in ftaat gefield worden, om zich liet benoa-* digde aan te schaffen; a, tot eene verschaSKg van fabrijkmatigen arbeid, om hun het noodige te doen verdienen; 3. door hunnen zedelijken toeftand te verbeteren, hen onder een gepast toezigt te Keilen, en voorhunne opvoeding te zorgen.

Nutteloos zijn deze middelen ia zich zei-en, voor zooi verre daarmede bedoeld wórdt den ph'yfieken toeftand dcchehoefrigen te verbeteren: immers, (en men houde dit wel onder het oog!) kan dit niet geschiedén, zon, der aan dezelven, gelijk wij reeds gezegd hebben, eene sröotere hoeveelheid van levensmiddelen, dat is, voeding en dekfel te verschaffen, dan thans door hen gen&gt;t n wordt, en. hiertoe moet de Landbouw / gedeelten leveren; dan, naar gelang hun aandeel in den thans beftaaiK

re»




C 344 )

ren daarin noodwendig verminderen, omdat de geheele voorraad bepaald, en voor allen te gader zelfs ontoereikend is; ieder geschenk toch, dat gij aan de behoeftigen doet, vermindert de middelen, die gij anders aanwenden zoudt tot uw eigen gebruik, en die dus door timmerman, schoenmaker, kleedermaker en andere ambacht- en neringdoende lieden aan u zouden verdiend zijn.

De toeftand dezer van hunnen arbeid levende menfiheri moet dus in diezelfde mate verergeren, als gij dien der behoeftigen door uwe giften verbetert; die levensmiddelen, (of het geld om tiie te koopen,) welke anders beftemd waren om hunne nijverheid- te beloonen, worden dan het erfdeel der luiheid, dikwerf der verkwisting, en zij, die deze geschenken erlangen, worden door u in de gelegenheid gefield, om hun aandeel in de voorhanden zijnde â–  levensmiddelen ten koste van brave en. oppasfende huisgezinnen te vergrooten.

Schijnbaar mogen wij door de kleinheid dier giften, ioder op zich zelve beschouwd, misleid worden; dan, van deze dwaling komen wij fpoedig terug, indien wij het vereenigd bedrag der liefdegiften, hetzij dan vrijwillige, hetzij als belasting gehevene, in aanmerking nemen. Volgens eene gematigde - berekening, bedragen dezelve voor het Rijk der Nederlanden alleen niet minder dan 15 millioenen jaarlijks, en zij mogen voor het gezamenlijk Europa op 340 millioenen jaarlijks geschat worden (*)..- Moe vele honderd-duizende, ja millioenen huisgezinnen konden niet in deze zoo belangrijke fom eene

bil-

(*) Dat het geld, aldus den armen gegeven, aan de industrie en de welvaart der maatfehappij onttrokken wordt, en niet weder komt in handen van de arbeidende klasfe s is in N0.. II. van ce star aangetoond.




C 345 )

billijke vergelding voor hunnen arbeid vinden, die thans broodeloos ronddwalen! en zij zouden dit zeker daardoor verkrijgen, dewijl, zoo deze gelden niet -werden wegge» geven, dezelve, gelijk wij reeds betoogd hebben, zouden worden bedeed ter uitbreiding onzer genoegens, en als arbeidsloon aan ambacht- en neringdoende lieden. Immers, naar mate de gegoede klasfe meer verteert, vergroot de welvaart der mindere arbeidende, en ieder moet noodwendig.minder verteeren, naarmate hij meer wegschenkt.

Voorzeker is het ons niet geoorloofd, de hand der weldadigheid voor den behoeftigen, die onze hulp inroept, te fluiten, en hem aan zijn ijsfelijk noodlot over te laten; dan, hebben wij aan onze pligten, die de godsdienst, die het maatschappelijk belang zelf ons voorschrijft, voldaan, wanneer wij de behoeftigen gevoed en gekleed hebben ten koste van brave en oppasfende huisgezinnen, die wij in armoede Horten, om de noodlijdenden te onderhouden? Of zijn wij niet alleen tot weldadigheid verpligt, maar ook, om ons verftand te gebruiken bij het aanwenden dier middelen, over welke wij ten behoeve van onzen naasten beschikkeh kunnen? en zullen wij geacht worden aan onze verpligting geheel voldaan te hebben, wanneer de tranen van duizend ongelukkigen, die door onze kwalijk Bestuurde liefdadigheid in armoede geHort zijn, tegen ons zullen getuigen?

Vestigt het oog op Engeland. Daar heeft men het onderhoud der behoeftigen zelfs door geregelde belastingen, die meer dan 100 millioenen jaarlijks bedragen, trachten te verzekeren, met dat ongelukkig gevolg, dat de behoefte hand over hand is toegenomen; en dit moet zijn, het kan niet anders, omdat «alles, wat d.n armen




( 34S 3

tói Wijze van bedeeling gegeven wordt, aan de arbeiden de klasfe wordt onttrokken, en er dus bij iedere nieuwe onttrekking eene nieuwe vermeerdering Van armoede aan eene andere zijde plaats vindt, welke op hare beurt betdeeld moet worden % zoo vermeerdert men het getal der behoeftigen tot in het oneindige, en dit gevolg kan in &amp;a. nwoerdjgen ftaat van zaken niet uitblijven. Overalwaar men de behoeftigen, in Haat om te arbeiden, door liefdegiften onderhoudt, moet deszelfs getal pfaffra* ftef aangroeien J ook onze eigene toehand bewijst deze alom erkende, cn op de ondervinding berustende waarheid..mÊ^^^^^^ÊÊÊÊËf&quot;'&quot;&quot;&quot;

Onoeschïkt is derhalve dit middel, om het oogmerk te

bereiken, eu hoogst schadelijk. in dc gevolgen, (*) '•. Nog schadelijfeer en ondoelmatiger' dan de liefdegiften * zijn de fabriikmatige of zoogenoemde Jmen-inrigtingm. Wij zelve hebben dien aangaande éénmaal gunitige gevoelens gekoesterd; dan, een gezet onderzoek en oordeelkundige

over-

(*) Hiermede willen wij echter geenszins betoogd hebben; dat men in den tcgeawoordigen ftaat van zaken eensflags alle liefdegaven zoude moeten inhouden; integendeel, wij zij» verplifft, daarmede voorttcvaren, omdat anders onfeilbaar het grootfte gedeelte der behoeftigen van gebrek zon moeten omkomen, daar de arbeid in de maatTchappij met geene mogelijkheid zoo plotfelijk kan worden vermeerderd, dat flaardóor het gemis der bedeelingen zou kunnen opgewogen worden. Dan, wij zijn verpligt, naar betere en meer geschikte middelen om te zien, om, aan den éénen kant, de behoeften der gebreklijdenden tc vervullen, zonder, aan de andere zijde, den toeftand der nog arbeidenden te. Verergeren.




C 347 5

overweging hebben ons van onze dwaling overtuigd. Immers, (wij moeten hier het betoogde herhalen) de hoeveelheid van levensmiddelen bepaald zijnde, kan in de gewone verdceling daarvan geene verandering gemaakt worden, ten zij de één verlieze, naar mate de andere wint; en wat is dan het doel en de uitwerking eener fabriikmatige inrigting voor armen? blijkbaar, dat men de behoeftigen in de gelegenheid (lelie,, om door middel van arbeid het ontbrekende voor hunne nooddruft te verkrijgen, en dus hun aandeel in den voorhanden zijnde voorraad te vergrooten. Doch in diezelfde evenredigheid vermindert ook het aandeel daarin van anderen, en op welke wijze? in diezelfde mate, als de goederen eener Armen-inrigting in cirkulatie gebragt worden, vermindert het debiet der betraande fabrijken: immers, ik kan mijn geld flechts éénmaal bededen, en datgene, wat ik uit eene Armen-inrigting neem, niet tevens aan goederen van eene andere fabrijk bededen; of, zoo ik van beiden neem, moet noodwendig het overige mijner uitgaven ingekrompen, en dus de fom der verdienden van andere arbeidenden aan mij verminderd worden. En wat is de uitwerking van bijna alle Armen-inrigtingen, die tot dus verre zoo bij ons als elders gevestigd zijn geweest? Na eenigen tijd bedaan te hebben, en na niet zelden andere fabrijken te hebben geruïneerd, en dus het getal van armen vermeerderd, zijn zij zelve'ten gronde gegaan, en zoo zijn de armen, die daarbij arbeidden, na eenigen tijd aan eenen beteren toedand gewend të zijn, met een' verdubbelden graad van teleurdcliing en gevoel van hun ongeluk, in hunnen voorgaanden toedand terug geworpen. Voegen wij hierbij, dat eene fa-

brijka




kijfcrnaüge inrigtiag1. niet alleen aan de arbeidende k!asri, onttrekt de lommen, die aan arbeidsloon anders worden 1 uitgegeven, maar bovendien het kapitaal tot tle grondftoffen noodig, en dus de aanwending van eene nog ruimere kas vordert, dan de bloote.bedeeling, — een kapitaal, hetwelk aan de winstgevende industrie onttrokken wordt. Alzoo is deze maatregel niet alleen nutteloos, maar zelfs in een dubbel opzigt febadelijk.

AI wie uit den goeden uitiiag, welken dit middel in eenige kleine lieden, door bijzondere omftandigheden begunftigd, gehad heeft, het befluit zoude willen opmaken, dat hetzelve ook overal elders van toepasfing zijn moest, zoude even goed beweren kunnen, dat, daar in Legden éene of meer. laken-fabrijken aan een zeker getal menschen onderhoud verschaflèn, men in iedere ftad, ja in ieder dorp, laken-fabrijken oprigten kan* Er is in de maatfehappij eene toereikende hoeveelheid fabrijkwaren voorhanden; indien deze vermeerderd wordt boven het peil des benoodigden,.is er meer dan gebruikt kan worden, en of, hetgene door de Armen-inrigtingen gemaakt wordt, moet blijven liggen, of hetgene door de fabrijken wordt voortgebragt, is onverkoopbaar; in het eene geval gaat de Armen-inrigting fpoedig ten gronde,—; in het ander geval het fabrijkwezen; en in beide gevallen is het refuttaat hetzelfde: of, de behoeftige ftort wanhopig in zijnen vorigen toeftand terug, of, anders worden te zijner redding tot behoefte gebragt.

‘‘ Maar,&quot; zegt men, ‘‘ den invoer van vreemde fabrikatiën zal ‘‘ men drukken, en zelf vervaardigen, wat nu van elders ‘‘ wordt bgebragt!&quot; Dat is, met andere woorden, men zal met ongeoefende arbeiders, en veelal Onder ongunftig*

om*




C 349 )

omftandigheden, ra concurrentie treden met' vreemdelingen, die door eene langdurige oefening, cn door het gebruik van geschiktè werktuigen het middel gevonden hebben, om hunne waar te flijten, in weèrwil aller pogingen en begunftigingen van onze eigene bekwaamde fa. brijkanten, door kundige arbeiders onderftcund; zal men verlangen, dat door•prohiMirve maatregelen, ten behoeve van zoodanige inftellingen genomen, onze reeds kwijnende welvaart nog meer worde gedrukt, en dat men door een ftellël, finds lang voor-de vierschaar van het gezond verftand verworpen, het doel trachte te bereiken? Honderde mislukte proeven schijnen grond te geven om te hopen, dat éénmaal de oogen zullen geopend worden voor de overtuiging van het ongenoegzame, om door middel van fabrijkmatige inrigtingen de armoede te bcftrijden. Bezwaarlijk echter zal dit plaats hebben, dan nadat nog veel gelds nutteloos veripild, en de behoeftige, juist door de alzoo ondervondene teleürftelling in zijne verwachtingen, tot eene des te grootere mate van ellende gebragt, en te ftouter in zijne eischen zal geworden zijn. Voor hen echter, die niet begrijpen kunnen, dat, zoo lang er slechts voor honderd menschen levensmiddelen groeijen, er geert honderd en tien gevoed kunnen worden, en dat, zoo het al gelukken mogt, aan het laatfte tiental eèn beftaan te verschaffen, dit noodwendig ten koste van de overigen geschieden moet, zal men ook vruchteloos pogen te bewijzen, dat een' grooteren voorraad van goederen te vCrvaardigen, dan er verfierd kan worden, een waar nadeel is voor de maatfehappij; gelijk het eene onbillijkheid is, bijdragen te vorderen ter daarftelling eener inrigting, uit haren aard de star., 1819, N°. IV. Bb de




1 ( 35o )

de (trekking hebbende, om de welvaart van diegenen te fnuiken, van wie men deze bijdragen vordert. Gerustelijk, en wij achten ons daartoe zelfs verpligt, durven wij de voorftanders der Armen-inrigtingen uitnoodigen, (indien zij zich daartoe in ftaat gevoelen), om het doelmatige hunner ontwerpen tegen deze onze aanmerkingen voor het publiek te verdedigen (*).

‘‘ Maar,&quot; zal men zeggen, ‘‘ indien flechts de midde‘‘ len verkregen worden, om het brood te betalen, zal ‘‘ de landman wel zorgen voor de uitbreiding van den. ‘‘ Landbouw (+&gt;&quot; Hoe? om aan ieder' behoeftigen in Europa flechts een half pond brood daags te bezorgen, boven hetgene hij thans geniet, worden meer dan 250,000 — zegge twee honderd en vijftig duizend— lasten graan gevorderd! Polen, in den bloeijendften tijd en met den voordeeligften oogst, heeft niet meer dan 40 duizend lasten graan in één jaar uitgevoerd, en men zou gelooven, dat de poging van eenige landlieden, om de bebouwing van hunne gronden te verbeteren, een verbroken evenwigt herftcllen zou, dat meer dan zes

ma-

/*) Ook hier.echter moeten wij opmerken, dat reeds bcftaande Armen-inrigtingen dienen in ftand gehonden te wórden, totdat men de gelegenheid zal gevonden hebben, ora meer, voldoende middelen aan té wenden: dewijl anders zeker die armén, welke thans door zulke mrigtingen een beftaan erlangen, tot den diepften afgrond van ellende vervallen zonden. De fondfqn echter, die het daarftellen eener fabr'ijkjnatige Armen-inrigting vordert, kunnen in het vervolg doelmatiger worden aangewend.

(]) Met deze Helling heeft zich onlangs een Engelschman vermaakt.




&lt; m &gt;

malen den geheelen uitvoer van. het vruchtbaarfle korenland van Europa, en het overschot van de vruchten des arbeids boven eigene behoefte van 12 millioenen menschen, overtreft? Voegen wij hierbij, dat alie middelen, gefehikt om de armoede te weeren, uit-hunnen aard algemeen moeten kunnen worden. En zeker, zoodra bij ons het middel zal zijn uitgevonden, om met vrucht de toenemende armoede te beftrijden, zal en moet zulks overal elders worden nagevolgd, en dus moeten wij ook geene redding verwachten van middelen, flechts voor eene plaatfelijko toepasflng vatbaar. Te wanen, dat de gezamenlijke landbouwers van Europa, ten behoeve onzer armen, hunnen landbouw verbeteren zullen, cn het voortbrengfel daarvan in ruiling geven voor de fabrijkwaren, door onze behoeftigen voortgebragt, ware zeker&quot; zich al te veel gevleid; al datgene, wat met behoeftigen bij ons geschtéden kan, kan ook elders geschieden, en vrij zouden dus, te dezen aanzien, fpoedig aan onze eigene krachten worden overgelaten.

Is nu zoodanig eene vermeerdering van het produkt des gronds, die thans bebouwd wordt, als wij gezien hebben dat vereischt wordt, om den algemeenen toeftand der behoeftigen te verbeteren, eene herfenfehim, dan ook is het herfenfehimmig, van dien kant in ons Land eene vermeerdering van levensmiddelen te verwachten, die er tot redding onzer behoeftigen noodig is j en om die reden kan dan ook geen fabrijkmatige arbeid sene gunftige verandering in hun lot te wege brengen.

Hoe verbazend intuslchen, gelijk wij gezien hebben, de middelen ook zijn, gevorderd om den toedand van Europa's behoeftigen te verbeteren, zijn echter onze B b 2 on-




( 352 )

onbebouwde gronden alleen toereikende, om de ftraks opgegevené hoeveelheid van 250,000 lasten graan op te leveren (*). Welke onuitputtelijke hulpbronnen bezit Europa dan niet, om de armoede te beltrijden! Voorzeker, meer dan het dubbele der tegenwoordige bevolking kan gevoed en onderhouden worden. Men vergelijke deze, in evenredigheid der grondvlakte, met China, en ondêrzoeke, door welke middelen in dat Land eene zoo talrijke bevolking befta.

‘‘ Dan,&quot; zal men welligt vragen, ‘‘ indien dit uit‘‘ voerbaar is, en deze gronden bebouwd kunnen wor‘‘ den, waarom heeft men dan niet federt lang toevlugt,, genomen tot een middel, dat even dringende door het ‘‘ algemeen belang wordt voorgeschreven, als het ter be‘‘ vordering van de nationale welvaart geschikt schijnt?&quot; De oplosiing dezer bedenking — (die eigenlijk niets bewijst) — schijnt ons niet moeijelijk.

De uitbreiding der industrie is, door den aard onzer maatschappelijke inrigtingen, tot dus verre geheel aan het individueel belang' overgelaten; de onderfebeidene takken daarvan, inzonderheid de Landbouw, welke atie anderen influit, hebben dien omvang verkregen', of erlangen dien nog dagelijks, welke den arbeid cn de kosten; daartoe aangewend, met voordeel vergoedt. Verder te gaan, gronden te bebouwen zonder vergelding of voordeel, kan van niemand in het bijzonder worden verwacht: en dus is' er in het belang van bijzondere pérfbnen geeng^drangreden gelegen, om deze woeste gronden. H, ' tot

(*) Met influiting namelijk der eigene konfümtie.




( 353 p â–  N

tot kuituur te brengen, gelijk uit vele proeven, daaromtrent genomen, genoegzaam blijkt.

Reeds in bet Ilde Nommcr van de. star, meent;;ien overtuigend te hebben doen zien, dat de ontwikkeling der menlehciijke industrie en beschaving kan cn behoort te worden aangemerkt als het doel, waartoe de zamenftemmende orde der dingen den mensen vcrpligt, en die altijd door het (leeds toenemend getal aardbewoners noodzakelijk, maar tevens door de trapsgewijze afnemende vruchtbaarheid van den grond moeijelijker wordt, naarmate zijne meer ontwikkelde kennis en verkregene kunde hem beter in Haat fielt, om de feezwaren, hierin gelegen, te overwinnen.

Indien wij de Geschiedenis raadplegen, en de ontwikkeling van maatschappelijke welvaart en industrie nagaan, zien wij, dat bij eiken Hap, die in deze loopbaan gedaan kan worden, het individueel belang van ieder in het bijzonder meer en meer aan het algemeen belang der gezamenlijke leden moet worden ondergeschikt.

Ia den nog kindfehen ftaat der maatfehappij, bij voorbeeld, zoo lang de aarde al het noodige voortbrengt, is de onderlinge beschermjng tegen aanvallen van buiten nagenoeg de eenige band,- die de leden onderling verbindt; in dezen weinig behoevenden toeltand tracht ieder zich zei ven al datgene te verschaffen, wat hij volHrekt behoef:, en hiertoe heeft hij niemand buiten den kring van zijn huisgezin noodig.

Naauwelijks echter verminderen de vruchten der aarde, en moet de jagt een gedeelte zijner behoeften vervullen, of de mensch gevoelt reeds de noodzakelijkheid, van zich met anderen naauwer te vereenigen, ter bereiking Bb 3 van




( 354 5

van een-doel, waartoe zijne ondeeiige krachten te kort schieten. Na volbragte jagt, echter, keert teder tot zynen vorigen onafhankelijken ftand terug, althans, zc, lang de verkregeUe voorraad dnnrt; en dit is werken* de toeftand aller van de jagt levende Volken » Noord-

Amerika.,.,

De Veehoederii en Landbouw veredenen beide, zoo dra zij zich ilcchts eenigermate ontwikkelen, eene otnu«nne onderlinge hulp. Het vee moet aanhoudend worden bewaakt, gehoed en befehermd; de landbouw vordert geWedlchappen en toezigt, die de landbouwer zmh b,, ‘‘ onderen verschaften kan,

dikwerf alleen door hulp van andeicn, Zelfs vaak alleen door ruiling; en naarmate de industrie ach meer en meer op die wijze ontwikkelt, dat ieder m 2!ffnen arbeid flechts voor een gering gedeelte de vervulHmr: « behoeften vindt, en zich door onderlinge rüift£ het ontbrekende moet aanschalfen, in diezelfde mate wb°rdt de ftaat der welvaart, zelfs van anderen, voor den maatschappelijken mensen belangrijker; ieder vindt dan in zijn eigenbelang eene aanfporing, om hem behulpzaam te zijn, wiens arbeid een gedeelte zijner eigene behoeften vervullen moet; al wat zijnen arbeid begunfti-t, verzekert, en het produkt daarvan.vermeerdert, isSeen voordeel voor hem, die daarin deelén zal, door het produkt van eigen' arbeid daartegen te verruilen.

r u‘‘r, he* nio-emeen belang eenen Op deze wijze verschaft het alge» &amp;,

ieder aanmoediging en befcbenning, en m den geest der maatfehappij vervangt meer en meer eene algemeene tóngftelling in het lot van anderen den geest der oorfpronfatgke onverschilligheid, waaruit op nieuws middel en celcgenheid ontftaat ter verdere uitbreiding der mjverU1 ö ° beid,




&gt;C 355 ) •

heid, en tot veraangenaming van het leven. Weldra is de ruiling van den overvloed niet meer binnen zoo enge grenzen befloten; er ontftaat scheepvaart; deze wordt verbeterd, en ftrekt al ras. tot een middel, om ook te deelen in datgene, wat de aarde en het menschelijk. vernuft elders hebben voortgebragt tot nut en genoegen, en wel door onderlinge ruiling van hetgene wat men noodig heeft, tegen eigen' overvloed; en de maatfehappelijke geest,die zich aanvankelijk weinig verder dan tot den kring van het huisgezin uitftrekte, vervolgens in het jagtleven tot eene kortftondige vereeniging met ettelijke naburen,— als veehoeders en landbouwers, tot eene meer duurzame betrekking met een bepaald getal menschen, — bij de.verdere' ontwikkeling der industrie, tot belangfrelling in het lot van al de leden derzelfde maatfehappij, of van eeri geheel volk,—wordt thans door den handel tot meer andere natiën, zelfs tot werelddeelen,uitgebreid; ja, alle volken der aarde worden daarin trapsgewijze, naar de uitbreiding der koopvaardij, opgenomen en begrepen. In diezelfde mate nu als deze betrekking wordt uitgebreid, moet ook liet egoïsme of de zelfzucht van ieder in het bijzonder aan een hooger beginfel van algemeen belang bndergeschikt worden: immers, hierdoor alleen wordt de zekerheid voor eigendom en bezitting verkregen, die waarborg, welken men goede trouw noemt, en waardoor het ajléen mogelijk is, vele zoo zeer zamengeftelde en zoo ingewikkelde betrekkingen tot hetzelfde doel, vermeerdering van welvaart en levensgenot, te doen overeenftemnien.

Aan het oog van geenen oplettendën befehouwer voorEb 4 ze-




( 355 )

zeker zal' deze weg, dien de zamenftemmende orde der dingen ons doet volgen, en dien ons de rede zelve als d_n eenigen en waren weg ter verbetering onzes tegenwoordigen toellands aanwijst, ontftippen; wij mogen bet dus ook daarvoor houden, dat de hoogstmogclijke welvaart, welke eenig volk in eenen gegeven' toelland bereiken kan, afhangt van de meerdere of mindere zuiverheid van het beginfcl, dat hare leden onderling verbindt, gehjk wij tevens bij bed uit van het voorgaande tot het volgende mogen opmaken, dat bij alle groote flappen, ter' uitbreiding der industrie, en ter vermeerdering der algcfhe'ené welvaart gedaan, de beginfelen der ifientchelijke zamenlevïng ïteeds eene gelijke mate van veredeling ondergaan hebben, cn hebben moeten ondergaan.

Indien wij dit nu op onzen maatschappelijken toeftand étfepasfeó', dan is bet zigtbaar, dat onze industrie nagenoeg die uitbreiding bekomen heeft, welke zij onder den onmiddellijken invloed van het • beginfel, dat de arbeid en aanwending van kosten in eenig bedrijf aan ieder met voordeel moeten vergolden worden, erlangen kan. Daar wij echter de noodzakelijkheid gevoelen, dat onze industrie al verder worde uitgebreid, om aan zoo vele'millioenen ongelukkiger! een beflaan te verschaffen', zoo zal dan ook dit oogmerk alleen hierdoor bereikbaar worden, dat vele, zoo niet alle leden der maatfehappij zich vereenigen, niet met het oogmerk, om eene onmiddellijke vergelding voor bunnen arbeid en kosten te erlangen, maat alleen, om ten behoeve der maatfehappij hunne verzamelde pogingen aan te wenden ter verdere uitbreiding onzer industrie, en inzonderheid van den Landbouw, als derzelver voorname bron.

Dit




C 357 ) x

Dit beglnfel, hetwelk niemand verhindert, op eene gepaste wijze in zijnen kring eigene belangen te bevorderen, maar dat alleen van den mensch. meerder liberaliteit en humaniteit in zijne gedragingen vordert, moet meer en meer het algemeen beginfel worden der volken van Europa. Meermalen hebben wij andere volken eenen nagenoeg gelijken graad van befebaving zien bereiken, als tot welken wij thans zijn opgeklommen; dan, tot die hoogte gedegen, hebben zij den verkeerden weg ingcllagen: de baatzucht, door alle vuige hartstogten onderfteund, vestigde zich op de puinhoopen van het algemeen geluk; de wanzedelijkheid nam hand overhand toe; volken, weleer tot groote opofferingen voor het algemeen in ftaat, veranderden in lafhartige, egmstlsche wezens, en werden eindelijk, na door het zwaard der barbaren gelouterd te zijn, in den voorgaanden ftaat van onbeschaafdheid terug geworpen, opdat1 volgende gedachten, door de ondervinding hunner vaderen geleerd, andermaals uit het dof verheven, bij eene fteeds toenemende beschaving den dwaalweg vermijden, en dien deizedelijkheid inllaan mogten: eene poging, die welligt, om te kunnen gelukken, niets minder vordert, dan den invloed van eenen godsdienst, welke door de krachtigffc beweeggronden den mensch. aanfpoort tot de groótfte zuiverheid in zijne bedoelingen en handelingen.

Europa is thans tot die hoogte geklommen, dat eene uitbreiding van deszelfs industrie, en wel in het bijzondier die van den Landbouw, als de hoofd-bron van al het overige, eene volftrekte behoefte geworden is; dan, deze uitbreiding is, als niet overeen'temmende met het 15 b 5 be-




C 358 )

&quot;belang van bijzondere reribnen, alleen door eene vereeniging van velen,, en nier door het beginfel van belang, maar door dat van menschlievendheid ais beweegoorzaak op den voorgrond te plaatfen, verkrijgbaar: namelijk, om datgene te verrigten, waartoe individueele krachten te kort schieten, moet menschenliefde alleen, en geenszins eigenbaat, de drijfveer onzer daden worden. Zoodanig een geest is geenszins vreemd aan Europa, inzonderheid niet aan ons Vaderland: de menigvuldige Genootschappen van liefdadigheid en geleerdheid ftrekken hiervan ten voorbedde; dan, het is niet genoeg, dat eenige weinige zich veidielïen boven den geest van hunne/ tijd; zij moeten zich op deze hoogte doen volgen door het grootst-mogelijk getal hunner tijdgenooten, en door den publieken geest onderfteund, met vercenigde krachten, hoezeer dan op onderscheidene wijzen, ftreven naar het groote doel der uitbreiding van menfehenbeschaving en veredeling, tot vermeerdering van volksgeluk, op dien weg, welken hart en rede ons aanwijzen.

Dat zoodanige vereenigingen uit haren aard geschikt zijn, om de opgegevene oogmerken te bereiken, bewijzen onder anderen de werkzaamheden en verrigtingen van de achtingwaardige Maatfehappij: Tot Nut van 't Algemeen: aan deze zijn wij reeds dat voortreffelijk onderwijs der lagere Scholen verschuldigd, hetwelk bij ons zeker dat van elke andere natie zonder uitzondering overtreft.

Dat ook zoodanige liefderijke vereenigingen uit haren aard geschikt zijn, om woeste gronden vruchtbaar te maken, meene ik daardoor te kunnen bewijzen, dat * van den onvruchtbaren grond, die voormaals onze Zuidelijke

Pro-




( 359 )

Ptóviftiêa, gelijk thans onze heiden en duinen de Noordelijke, ontiierden, door godsdienftige gedichten, inzonderheid door de kloosters, tot kuituur en tot eenen graad van vruchtbaarheid gebragt zijn, waardoor dezelve thans de beste gronden van Europa evenaren, hetgeen, naar mijn inzien, toereikende bewijst, niet. alleen, dat •de zaak in zich zelve mogelijk is, (dat toch is dooide ondervinding reeds lange beflist) maar ook, dat dergelijke vercenigingen, geschikt zijn om, alleen door de zucht om het menschdom nuttig te zijn, het aangewezen doel te bereiken (*). En zoo wij langs dezen weg dagen mogten, zoö jRurgpü,. aangelokt, door het voorbeeld, dat wij hetzelve geven, dien eigen' weg infiaat, hoe zeer mogeri wij. dan hopen, niet alleen den toeltand der behoeftigen bij ons en in alle Landen te zien verbeteren, maar ook, het lot van deszelfs bewoners in het algemeen! Wanneer wij slechts aannemen, dat er f 20.00 worden uitgereikt aan ieder' behoeftigen jaarlijks, dan bedraagt dit reeds over geheel Europa 320 millioenen, eenen schat, volftrekt nutteloos bedeed. Weik eene nieuwe aanwinst zou de algemeene industrie langs den voorgedagen' weg erlangen, en hoe overtuigend zou dit doen zien, dat, naar mate de beginfelen der menichdfjke daden in zuiverheid toenemen, in diezelfde mate ook het maatschappelijk geluk wordt uitgebreid!

Ten

(*) Men befluite hieruit echter '11'pt, dat wij voorftanders zijn van kiooster-inrigtingen: men kan zeer wel het goede, dat eene inltelling heeft voortgebragt, erkennen, zonder nogtans blind te zijn voor de gebreken derzelvc, «it een ander oogpunt befcliouwd.




( 36o )

Ten aanzien van de mogelijkheid, om cioor ''e hand van behoeftigen deze uitbreiding van landbouw tc bewerk Heiligen 'â– , is reeds elders in dit Tijdschrift breedvoerig gehandeld (f); trouwens, Frcderlks-oord Rvekt hiery; n ten proefkundigen bewijze,

Thans vleijen wij ons den Lezer genoegzaam omtrent het doel en de middelen te hebben ingelicht, om over te.«raan- tQt het laatfle gedeelte onzer Verhandeling, dat, narnelfk, geene verbetering in de zedelijke beschaving der behoeftigen immer baten kan, zonder gelijktijdige verbetering in zijnen phyfeeken toeftand.

Immers, wat zouden wij den behoeftigen antwoorden, wien wij zijne verpligting voorhielden, om door geene onbetamelijke wegen, b. v. zich in een' walgelijker' toeftand, dan zijne armoede vordert, aan ons te vertoonen, zich van leugen, list en- bedrog te bedienen, om ons medelijden op te wekken, roekeloos in éénen dag te verli wisten, wat hem gedurende eenigen tijd het leven zou kunnen doen houden, of aan zijne dierlijke neigingen den vrijen loop te geven: wat zouden wij, zeg ik, daarop antwoorden, indien hij ons het volgende te gemoet voerde:

., De jammerkreten van 17 millioenen ongelukkigen, die dagelijks geheel Europa — door gedrongen zijn, hun leven van de hulp hunner medemenfehen af te bedelen, hebben iinds lang uwe harten te veel vereeld, dan dat eene bescheidene voortelling uwe mededeelzaamheid opwekken kan. Om den honger, die mij kwelt, en waarvan niemand de pijnlijke uitwerking weêrftaan kan, te

ftil-

Ct) Zie het Ifte Nommer van de;star.




( 3&lt;5l )

ffillen, ben ik gedwongen tot ieder middel toeyïugt te nemen, geschikt, om mij het noodige te verschafFen. — Verwondert het u dan, dat, bij het ontvangen eener milde gift, mijn verftand geene palen weet te ftellen aan de vorderingen van een uitgeput ligchaam? Hebt gij niet gehoord, dat aan menschen, die lang hongerden, bij de eerfte toediening vanfpijze, slechts vergund wordt, trapsgewijze hunne gierende neiging te bevredigen, en dat het overvloedige hun door geweld moet onthouden worden? Waarom eischt gij dan van mij, dat ik, aan mij zeiven overgelaten, ecné kracht bezitten zoude, die geen uwer in gelijke omftandigheden bezit of zich zeiven toekent? Gij wilt niet, dat ik aan mijne dierlijke gewaarwording den vrijen teugel vierc; maar, weet gij dan niet, dat eene voortdurende behoefte bij den mensch diezelfde uitwerking heeft, als eene geweldige ziekte., — dat zij' den geest hare veerkracht ontneemt, en de werking van het verftand verzwakt? —- Hoe kunt gij dan verlangen, dat ik de kracht bezitten zou, om neigingen te beftrijden, die bij ulieden, zelfs onder de günlM'gfie omftandigheden, bij eene betere opvoeding, bij duizend drangredenen in uw belang, op de goedkeuring of verachting uwer bekenden gegrond, zoo dikwerf den teugel der rede ontworftelen, en u als blinden op den dwaalweg doen voorthollen? Wanneer gij mij éénmaal in eenen dragelijken toeftand zult hebben verplaatst, dan zult gij regt hebben, om een betamelijk gedrag van mij te vorderen; doch zoo lang het i»ij niet vergund is, als mensch te leven,, kunt gij niet verlangen, dat ik- als mensch zal handelen.&quot; — Is dit niet de mtgelprpkeoe taal 'der benoeftigen, dan toch ligt een dergelijk antwoord in zijn




C §&amp; )

gedrag opgefloten, en vruchteloos zijn fteeds domme alle pogingen geweest, om in de wanhebbelijkhcden der armen wezenlijke verbetering daar te ftellen, zoo lang hunne phyfieliG toeftand niet verbeterd was: vent re qui a faim, iïa pas cïoreille, is een zeer oud, maar een waar fpreckwoord, dat duidelijk aanwijst, waarmede wij beginnen moeten, indien het ons waarlijk ernst is, den algehcele* toeftand der behoeftigen te verbetereu.

Mogten zij, die door hunne redeneringen of hunne schriften de menschen uimoodigen, om bijpaden in te flaan, die niet tot dit dubbel doel geleiden, dit hun gedrag regtvaardigen, door aan te toonen, dat de armoede

op eene andere wijze bedreden kan worden, dan door

de hoeveelheid van levensmiddelen te vermeerderen! Neen? _ mogten zij éénmaal begrijpen, dat, daar bet eene bekende waarheid is, dat de voorhanden zijnde levensmiddelen de konfumtie niet te boven gaan, en dat dus, zoo lang hierin geene verandering gemaakt is, het aandeel van niemand daarin kan worden vergroot, zonder dat van een' ander' te verminderen, en dat alle pogingen, van wat aard ook, die tot deze vermeerdering geene ftrekkïng hebben, nutteloos en schadelijk zijn, gelijk ook, dat, zoo lang zij niet voor de vierschaar der rede de gronden van hun plan, om hunne Landgenootcn langs eenen anderen weg tot het doel te leiden, zullen geregtvaardigd hebben, (cn dit mcenen wij uit dunzcifden hoofde, waarom wij ons verpligt gevoelden, onze tcguigeftelde rotcning dienaangaande openlijk kenbaar te maken en te verdedigen, nu ook van beu te mogen vervvacii&quot;ten), — hunne pogingen geenszins aan verlichte, üe&amp; derijke beginfclen kunnen worden toegeschreven, maar, « on-




onzes inziens, moeten aangemerkt worden als eene eigenzinnige volharding in éénmaal aangenomene begrippen, —- volharding, nog veel schadelijker in hare uitwerkfelen, dan de koudfte onverschUügheid zelve!

(Het overige hierna&quot;).


Pagina 378. Berigten uit de kolonie Frederiks-oord - April.[bewerken | brontekst bewerken]

J\ds eene gewigtigc bijdrage tot de kennis van den tegcnwoordigen ftaat der Kolonie Erederiks-oord deeleri wij, ïn dé'eerfte plaats, de volgende bijzonderheden me* dc, uit een Vcrllag, door den aden Asfesfor der KonU. wisjic van Weldadigheid aan derzelver Doorluchtiger* Voorzitter gedaan, in het begin dezer maand, na deszelfs terugkomst van daar, en welke van dien gunftigen aard zijn, dat de'Rapporteur in den aanvang des Verjflags erkent, zijne eigene ftoutfte verwachting door de uitkomst te hebben overtroffen gezien.

‘‘ Het' gedrag der Kolonisten is, ten aanzien van nijverheid, ondergeschiktheid en tevredenheid, bijna zonder uitzondering voorbeeldig. Slechts één huisgezin, dat van J. metz van Amersfoort, voormaals gebedeld heb-» bende, maakt hierop eene ongunftige uitzondering: dit is het éenige, dat min of meer met geftrengheid tot deszelfs pligten gehouden moet worden (*&gt; Zes of

ze-

(*) Hierom heeft de Permanente Eommisfie nader moetert befluiten, om dit gezin, wegens aanhoudende bcdelzucht, voor de overigen tot een verderfelijk voorbeeld, benevens nog een ander, even weinig bruikbaar, en even zoo onwaardig, uit de Kolonie te verwijderen, en door twee andere, meer geschikte, te doen opvolgen;. DE REDAKTlE


(pagina 379)

zeven hooide» van andere huisgezinnen zijn, door ziekte of ligchaamsgebreken, weinig tot den veldarbeid geschikt; dan de genomene maatregel, om hen in de Fabrijk te doen arbeiden, en door anderen hunnen grond te doen bebouwen, heeft volkomen aan het oogmerk beantwoord.&quot;

‘‘ Van den openbaren Godsdienst maken alle Gezindheden een gepast, gebruik; de Leeraren der onderscheidene Gezindheden in de nabuurschap gaan met ijver voort Godsdien ftig onderwijs te geven, hetgeen inderdaad eene moeijelijke taak is bij bejaarde Kolonisten, daar velen hunner niet kunnen lezen.&quot;

‘‘ Het School-onderwijs wordt met het beste gevolg voortgezet: meer dan honderd kinderen, die met geringe uitzondering nimmer eenig onderwijs genoten hadden, maken van de School een ijverig gebruik; hunne vorderingen zijn zeer voldoende; vele hunner kunnen reeds verftaanbaar lezen, anderen zelfs beginnen redelijk te schrijven.&quot;

‘‘ Vele huisgezinnen munten uit door zindelijkheid en netheid; eenige anderen echter, door langdurige armoede, ^ls het ware, aan de orde en propriëteit ontwend, doen zich van deze zijde minder gunftig kennen; dan, onze ïnrigtingen zijn echter volkomen toereikende, om dien aangaande de noodige verbeteringen daar te stellen, en de Permanente Kommisfie is bedacht, om daaromtrent meer bepaalde maatregelen in te voeren. Geene klagten, van wat aard -ook, zijn tot dus verre van de omliggende inwoners ingebragt, en alle gekonditueerde Autoriteiten in den omtrek hebben meermalen hunne bijzondere tevredenheid over het geschikt gedrag der Kolonisten betuigd. Ik kan hierbij voegen, dat het misbruik van


(pagina 380)

sterken drank in de Kolonie zelve onbekend is, en zich flechts drie Kolonisten ééne eenige maal, met kwüent afwezig, daarin te buiten gegaan zijn. Deze geest van goede orde verdient te meer opmerking, daar niet al de Kolonisten, vóór hunne aankomst in de Kolonie, van het misbruik van sterken drank vrij té pleiten waren.&quot;

‘‘ De arbeid, door de Kolonisten gedurende dezen winter verrigt, gaat alle geloof te boven. Ik durve mij te 'dezen aanzien op de getuigenis van onze hevigfte tegenftrevers, die daarvan getuigen geweest zijn, beroepen. De Kolonie is allerwege door schoone en welbeplante alléën doorlheden; hoogten zijn geflecht; laagten aangevuld; de grond is allerwege bebouwd, en na twee maanden zal er geen voetfpoor van den heidegrond, waarin de Kolonie aangelegd is, meer befpeurd kunnen worden.&quot;

‘‘ De tuingronden bij de huizen zijn voortreffelijk bearbeid, meestal twee fteken diep omgefpit, goed bemist, en reeds grootftendeels beplant en bezaaid; vele hebben hunne tuinen met vrucht- en andere boomen, eenige zelfs met kleine bloemperkjes, verfierd. Het geheel heeft het voorkomen van eene aangename, nieuw aangelegde lustwarande.&quot;

‘‘ Alle grond is omgeploegd en bebouwd; men is thans bezig met den vereischten mist daarover te brengen, en indien het weêr gunftig blijft, zal het zaadkoren ten ïegten tijde in den grond komen.&quot;

Mist grootftendeels in de Kolonie vervaardigd, is overvloedig voorbanden; onderfebeidene proeven worden genomen, zoo betreffende de géschiktfle bearbeiding en bemesting van nieuw ontgonnen landen, als de gewasfen, die daarop met het meeste voordeel geteeld kun-


(pagina 381)

nen worden, zijnde tot deze proeve een bijzonder ftuk gronds, midden in de Kolonie gelegen, beftemd.

‘‘ Ook te dezen aanzien mogen wij hopen, dat de onderneming der Maatfehappij van Weldadigheid eene gunftige voorlichting aan den Vaderlandschen Landbouw verschaffen zal, te meer, daar wij eerlang in ftaat zullen zijn, om zoodanige proeven, als door de onderscheidene Kommisliën van Landbouw, in het Rijk gevestigd, nuttig geoordeeld worden, praktisch te onderzoeken, en den uitflag daarvan door een gepast toezigt gade te Haan. Uwe K. H. zal zich eenigermate een denkbeeld kunnen vormen van de uitgeftrektheid van den bebouwden grond, daar tot bepoting en bezaaijing daarvan niet minder dan duizend schepels aardappelen, en vijf honderd schepels graan van onderscheidene foorten, zullen gevorderd worden, behalve hetgeen tot ftalvoeder, groenten, enzv. vereischt wordt.&quot;

‘‘ Het in het najaar gezaaide graan ftaat voortreffelijk, en waarborgt ten volle de goede bearbeiding van den grond, en de deugdzaamheid der bemesting.&quot;

‘‘ Ook de fabrijkmatige arbeid heeft den besten opgang gemaakt. Wekelijks worden er ongeveer 200 8 vlas en 200 §§ wol gefponnen; de deugdzaamheid der verwerkte ftoffen is gunftiger uitgevallen, dan men met nieuwelingen had mogen verwachten, en het debiet daarvan is door de weldadige (infehrijvingen zoo wel verzekerd, dat wij, ook door aanwending van al onze krachten, verre na niet zullen kunnen leveren hetgene, waarvoor ingeschreven is.&quot;

‘‘ Mijne betrekkingen tot den Direkteur zijn te Haauw, dan dat ik mij veroorloven kan, over zijne verdienden en belangeloosheid in het befluur der belangen van de Maatfehappij uit te weiden; hieromtrent mogen de toe-


(pagina 382)


ftand van zaken en de gevoelens der Kolonisten te zijnen aanzien getuigen.&quot; nffl-..m Het -edrag van den, Onder-Dirckteur, Onder-Officicien J den Onder-Opziener, den laatften uit de Kolomsten, geliiküweK.H. bekend is, genomen, verdren allen lof

Met het aanbouwen der fcnuurtjes aehter de hui2en is men thans ijverig bezig, en reeds worden de maatregelen beraamd, om de Kolonisten naar evenred öbeid dat het ftalvoeder aankomt, van koeyen_ te voorzin. Het getal der deelnemers groeit dagelijks aan, « de ‘‘ hli gsw honderd leden

ftad Leeuwarden alleen tellen m 01 j meer dan in het voorgaande; de vooroordeelen verzwakken van dag tot dag; eerlang, en wel, nadat onze te, r vi. Am fint van zaken onderzocht zul«eaftrevers plaatfehjk den itaat van »tXiU1 1.- dat ten aanzien van

len hebben, mogen wij hopen, dat, icu

Z m —ing en de â„¢f^£~ ring, flechts één éénig-gevoelen btj de natie oeflaanza

Het «etal der behoeftigen, dat gich dagehjks aanbiedt om in de Kolonie opgenomen te worden rs onEenigen zelfs hebben verzocht op de nabuL heide hutten van zoden te mogen opkan, «wach ing, dat de nieuwe huizen voltooid zullen worden, Tinm^els in den kolonialen arbeid ™^»£ -verzoek echter, veroorlooft toe te ftaan ^

itrikt toezigt kan worden ungeoefend.

Volgens latere berigten van den Direkteur ging, men ‘‘et misten en zaaijen fteeds ijveng vooit. Op u on^onnen heidevelden ftaan. werkelijk lehoone, veel be5*** rogge. Reeds wordt de ‘‘ge 0 voeder gebruikt. Men wane echter met, dat deze ge-


(pagina 383)

nietingen en uitzigten gemakkelijk verkregen zijn; '• » Er vallen, zegt de Direkteur, zeer groote zwarigheden te overwinnen, er is een zware arbeid te verrigten; maar noch het één noch het ander schrikt onze brave Kolonisten af; de goede wil is schier algemeen, hoewel de geschiktheid veelal meer bepaald.&quot;

Van deze welwillendheid der Kolonisten heeft men onlangs een blijk gezien, bij het toevallig ontdaan van brand in den schoorfteen van het kerkhuis. Deze ramp had van noodlottig gevolg kunnen zijn; doch de gelukkige tegenwoordigheid des Direktenrs te dier plaatfe gaf aanleiding, om dadelijk de beste maatregelen tot uuiting der vlam te nemen. Alle mannelijke Kolonisten schoten ijllings ter hulpe toe, en men is hun den lof verschuldigd, van het hunne ter fpoedige brandblussching te hebben toegebragt, met eenen ijver, waartoe fommigen, rapper van leden dan de overige, zelfs floute pogingen te werk fielden, met dit gevolg, dat een hunner, misfehien door drift min behoedzaam, van het dak nederllorttede, zonder nogtans daarbij eenig letfel te bekomen.

Aan de Kolonisten zijn de noodige tuinzaden uitgereikt, tot het zaaijen van moesgroenten in derzelver tuinen. Zelfs heeft ieder, die.lust heeft, om zijn erf met bloemen te verficren, eenige bloemzaden ontvangen.

Er zijn wederom ongeveer 500 ponden vlasgaren uit de Kolonie bij de Permanente Kommisfie aangekomen.

Ook is er op nieuws eene gift, groot ƒ 1000.00, van eenen Donateur te Utrecht, die onbekend verkiest te blijven, ingekomen, aan wien de Kommisfie daarvoor, ook bij dezen, hare hulde en warme dankbetuiging toebrengt, gelijk zij mede doet aan den inzender van 25 exemplarei: van natters Gebedenboek voor Roomsch-Katholieken, welke reeds ter uitdeeling aan-den Direkteur verzonden zijn.


Pagina 384. Naberigt[bewerken | brontekst bewerken]

Tot roem der stad Rotterdam en van de Subkommissie aldaar, moeten wij onzen Lezers berigten, dat aldaar, op de uitnoodiging derzelve, bij biljetten aan de huizen is ingeschreven de aanzienlijke som van ruim ƒ 3,900.00, voor het fonds onzer Maatschappij. Mogt dit edel voorbeeld ook elders vele navolgers vinden!

Volgens de Wet, zou de Algemeene Vergadering der Kommissie van Weldadigheid, ook tot daarstelling eener Kommissie van Toevoorzigt, in het begin der maand Mei moeten plaats hebben. De dan nog voortdurende Vergadering echter der Staten-Generaal te Brussel, verplgt de Permanente Kommissie, die bijeenkomst te verwijlen, totdat de eerfte zal gescheiden zijn,

Groote vooruitzigten openen zich, tot eene zeer aanmerkelijke uitbreiding der Kolonie, in den loop van dit jaar; en het is waarschijnlijk, dat eenige honderde huisgezinnen, door den invloed der Maatschappij, eerlang aan hunne tegenwoordige ellende zullen kunnen ontrukt worden, indien de Steden en Dorpen ook van hunne zijde daartoe edelmoedig willen medewerken.

Voorts maakt de Permanente Kommisfie bij dezen bekend, haar besluit, — waarvan bij missive aan het Hoofdbestuur is kennis gegeven, — dat aan alle Afdeelingen der verdienstelijke Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen, bij welke zich een konvenabel getal Leden zal hebben doen infehrijven tot het Lidmaatschap der Maatschappij van Weldadigheid, voortaan dezelfde attributen zullen worden toegekend, als aan de andere Subkommissiën van diverse korporatiën, met toezending, op derzelver verlangen, van de noodige stukken, gelijk zulks reeds aan ééne Afdeeling, die daartoe aanvrage deed, geschied is. De Permanente Kommissie zal dus de opgaven der Leden, en de aanvragen der verschillende Departementen om stukken, gaarne te gemoet zien.

DRUKFEIL.

In Tï°. III. bladz. 265. reg. 5. v. 0. ftaat: c. kraals, in leven Oud-Rentmeester te Hennepe; moet zijn: Oudlientmees'er van het Stift ter Hennepe, woonachtig en everledsr. te Deventer.