Maandblad de Star van september 1819: verschil tussen versies

Uit KolonieWiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
koloniewiki>Wil Schackmann
Geen bewerkingssamenvatting
 
k (1 versie geïmporteerd)
 
(geen verschil)

Huidige versie van 1 sep 2023 om 11:16

Sjabloon:Maandblad de Star

De pdf van dit nummer staat hier op delpher.nl

Pagina 721. De algemeene, en in het bijzonder Nederlands nationale Nijverheid, benevens de middelen om die te bevorderen, Staatshuishoudkundig onderzocht; door J. VAN DEN BOSCH, Generaal-Major.[bewerken | brontekst bewerken]

{Vervolg van N°. VII. bladz. 585)-

DERDE AFDEELING.[bewerken | brontekst bewerken]

Het onderwerp onzer nafporing thans bepaald zijnde tor hei onderzoek, of een Gouvernement de nationale industrie, in betrekking tor de bewerkte ftoffen befebouwd, kan en behoort aan te moedigen, zoo moeten wij vooraf wèl bepalen, in welken zin dit laatfte wToord te verftaan zij.

De Gouvernementen, ingefteld ter bevordering van het algemeene heil, kunnen, zullen zij aan hunne beftemming beantwoorden, met het aanmoedigen van eenigea tak van industrie geen ander oogmerk hebben, dan de belangen van de geheele Maatschappij, of althans van liet grootfte gedeelte derzelve, te bevorderen; terwijl tevens de billijkheid vordert, dat, zoo de belangen van de minderheid aan die van het grooter getal moeten opgeofferd worden, aan het benadeelde gedeelte eene aan deszelfs verlies of nadeel geëvenredigde schadeloosftelling worde toegekend en verzekerd. Dit eenvoudig begmfcl

de stak., 1819, N°. IX. Ddd is


& dc grondflag van alle. beschaafde Maatschappijën, en hetzelve zal ons dan ook tot eene vingerwijzing dienen, in ons oordcel over de al of niet aannemelijkheid van maatregelen, die zouden kunnen worden voorgedragen, om de nationale industrie, ten aanzien van de bearbeide ftoffen, uit te breiden. Blijkbaar zijn alle maatregelen verwerpelijk, die ftrijden met het algemeen belang of altoos met dat van het meerder' deel der natie, en alle maatregelen, waarbij de belangen van een gedeelte der natie, zonder vergoeding aan de meerderheid, zouden moeten worden opgeofferd, zijn onbillijk.

Door het woord aanmoediging dan van eenigen tak van industrie zullen wij zoodanig eene daad" van het Gouvernement verftaan moeten, welke ten oogmerk beeft, om het producerend vermogen eener natie te vermeerderen, door- zoodanige middelen, die de regten en belangen van anderen niet krenken, of die, zuo dit onvermijdelijk zijn mogt, tevens eene billijke en geëvenredigde schadeloosftelling aan de daaronder lijdenden verzekeren.

Vroeger hebben wij betoogd, dat ieder objekt, door de industrie voortgebragt, hetwelk niet bij eene vrije en onbelemmerde vertiering oplevert den arbeidsloon, daaraan hefteed, benevens de rente van het kapitaal, daaraan ten koste gelegd, en de moeite van het voort te brengen beschouwd moet worden als schadelijk voor het algemeen belang, omdat men dingen van meerder waarde, als het ware, verruilt tegen dingen vap minder waarde: en dus zoude eene aanmoediging, flrekkende om zoodanige zaken voort te brengen, regtftreeks ftrijdig zijn met het belang der Maatschappij, als aan het producerend vermogen der natie eene verkeerde ltrekking gevende.

Ech-


C 7^3 )

Echter hebben wij te voren tevens gezien, dat door laaatschappeüjlce gebruiken en inrirtingen aan ieder iid der maatfehappij de mogelijkheid moet verzekerd worden, om door arbeid-zijn beltaan te vinden, en dat, de zaak uit dit oogpunt beschouwd zijnde, het Gouvernement zich verpligt achten kan, om zoodanige ondernemingen aan te moedigen, die vele handen, welke anders geheel onderhouden zouden moeten worden, althans "gedeeltelijk dat onderhond door eigen' arbeid kunnen doen verdtenea en wel, zoo daartoe geen ander middel zijn roogt, door middel van opofferingen, door de gezamenlijke Leden der Maatschappij te dragen, omdat het altijd beter is, dat de natie een gedeelte der kosten, tot onderhoud der béhoeftigen gevorderd, op zich neme, dan wel het geheel beloop daarvan.

Dan, hieruit moet tevens voortvloeijen, dat eene zoodanige aanmoediging, die ten behoeve van het algemeen belang gefehiedt, niet door een bijzonder gedeelte der natie gedragen moet worden, noch ten laste komen van de gebruikers eencr bijzondere waar, welke men doet vervaardigen; en dat dus ook belastingen,, gelegd op eenig bijzonder voorwerp van industrie, dat van geen algemeen gebruik is, niet met de billijkheid ftrooken; terwijl tevens zoodanige middelen, als b. v. het verbieden of heffen van zware belastingen bij den invoer diejr zaken, nog slechts zeldzaam aan het oogmerk beantwoorden, daar, door tusfehenkomst van den fmokkelhandel, de fabrikant niet die voordeden geniet, welke aan hem zouden behooren te worden verzekerd, om zijne waren te flijten, althans hem li echts zeldzaam verzekerd kunnen worden, zonder de belasting op zoodanig eljekt bovenmate drukkend te maken, ten koste van derD4 d % zei-


C 724 )

zeiver gebruikers. In het Ilde Nommer van de star, bladz. 153, hebben wij almede betoogd de meerdere doelmatigheid, in zoodanig geval, van het verkenen van premiën, als wordende hierdoor aan den â–  fabrikant het genot van dat voordeel, om een aantal handen arbeid te verschaffen, ftellig, en wel te algemeenen koste, verzekerd.

Daar zoodanige premiën dan ook alleen ten doel hebben, om aan een aantal handen arbeid te verschaffen, zal de maatftaf ligtelijk te vinden zijn, hoedanig en aan welke takken van industrie die zijn uit te deden. Men zal te dien einde fl echts behoeven te onderzoeken, in de eerlfe plaats, het verschil der prijzen van zoodanig objekt met die, voor welke het van elders te bekomen is; in de tweede, overwegen, hoe vele handen, ter voortbrenging van een" bepaald gedeelte der waarde, daardoor arbeid erlangen; en ten derde nagaan, welk gedeelte van het arbeidsloon door de premiën moet worden vergoed. Wanneer men twee onderscheidene takken van industrie, op deze wijze, onderling vergelijkt, mits beide vatbaar, om door het verleenen van premiën verder te worden uitgebreid, zal die tak de verkieshjkfte zijn, welke met de minde opoffering aan de meeste handen arbeid verschaft. Laat ons dit door een voorbeeld ophelderen.

Gefield, de prijs van de fteenkolen vordere eene premie van 10 pCt. van de waarde, om, met een' vrijen, onbelemmerden. invoer van elders, vertierbaar te zijn; aan eene bepaalde mate, bij voorbeeld ƒ 100.00 waardig, zij / 50.00 arbeidsloon verdiend: zoo wordt er, blijkbaar in dit geval,.£ van den arbeidsloon door de premie vergoed, en door de gezamenlijke Leden der Maatfehappij gedragen. Heeft nu eene familie, die haar beftaan door

het


( 725 )

het graven van fteenkolen verdient, jaarliiks ƒ250.00 noodig, dan kost deszelfs onderhoud nagenoeg ƒ 50.00 ieder jaar aan premie.

Vordert daarentegen het graven en bewerken van het ijzer eene premie van 10 PCt.,en is er aan ƒ 100.00 van deszelfs waarde, tot Haven gebragt,, ƒ 30.00 arbeidsloon verdiend, zoo wordt door de premie van 10 PCt. het § gedeelte van den arbeidsloon gedragen, en eene familie, die daardoor haar beftaan vindt en jaarlijks ƒ 250.00 inkomen heeft, kost jaarhjks aan de natie ƒ 83*. In beide gevallen zün dit derhalve lastposten voor de Maatfehappij, de ecrlte echter minder dan de tweede: en derhalve zou die ook de meeste aanmoediging verdienen. (*)..

Blijkbaar kunnen er geene andere oogmerken by het verkenen van premiën plaats vinden, dan om aan een aantal handen arbeid te verschaffen. Iedere grond, die verders

daarVOOr ZOUde mogen worden bljgebragt, voor zoo

verre die op het financieel belang van het algemeen ge«rond zoude zijn, is, gelijk wij reeds betoogd hebben, valsch, enkel schijnbaar, en gelijk te stellen met eene belasting ten behoeve van één of meerdere bijzondere perfonen, op het algemeen geheven. Ik achte het overbodig hier te bctoogen, dat het ver-

lee-

(*) Het zal'wel overbodig zijn, den Lêzer te hcrinner u:n;,r ie in zich zen, 01 ren dat het volftrekt onverschilhg is m »

■ n,««,on in«r 7Ü of niet; dezelve d, 0rj-.-e<revene proportie volkomen juist zij

mo> alleen tot een voorbeeld dienen, en daaruit moet geenszins worden afgeleid, alsof de inheemsche fteenkolen en het ftaaf-ijzer werkelijk zoodanig eene opoffering noodig hadden, hetwelk wij onbeflist laten.

Ddd 3


( r» )

Jeer.en van zoodanige premiën nimmer ccne fisekking behoort te erlangen, waardoor andere takken van industrie gekrenkt worden; dit ware even onbillijk ais iehadeïrjk: het algemeen belang behoort nimmer in tweeftrija te komen met den arbeid of de industrie van bijzondere perfonen (zonder schaêvcrgccding), en het is altijd schad-iijk, eencn winstgevenden tak van industrie op te offeren, en dus aan eenigen het brood te ontnemen, mé dat aan anderen te geven.

De afgemeene maatftaf, die het Gouvernement in het n'tdee'en van hare aanmoedigingen, ter bevordering der industrie, te volgen heeft, aldus gegeven zijnde, zal het niet moetjelijk zijn, de bijzondere bepalingen te vinden, die in de toepasfing tot regel (hekken moeten. Herinneren wij ons, te dien einde, het vroeger betoog, dat alle industrie begrensd wordt door de kapitalen, de verckchte kunde, en het mogelijk debiet; en onderzoeken wij, in hoe verre, door medewerking van het Gouvernement, aan ieder dezer in het hijzonder de meest-doeimatige uitgebreidheid gegeven kan worden.

Reeds in het Ilde Nommer van os star, bladz. 117, hebben wij doen zien, dat de fpaarzaamheid, waardoor iemand meer produceert dan konfumeert, de kapitalen voortbrengt; en in het Vide Nommer, bladz. 483, dat het vermogen der Maatschappij meer toeneemt, naarmate de kapitalen doelmatiger worden aangewend. Het is derhalve volkomen ftrookende met het algemeen belang, dat de fpaarzame geaardheid eener natie worde aangekweekt, én ieder in zijn eigen belang eene toereikende aanfporing vinde, om een verkregen kapitaal op de meest voordedige wijze aan te wenden. Alles, wat het Gouvernement hierin vermag, is —-

het


C 737 )

het aanmoedigen van mftellingen, uit den aard geschtkt, om dezen geest voort te brengen. Als zoodamg mogen bij uitnemendheid beschouwd worden: in de eer plaats, het zedelijk onderwijs, waardoor de jeugd tot nadenken en tot 'brave huisvaders en huismoeders wordt opgeleid-,. in de tweede plaats, alle zoodanige inngtmgen, üie vroegtijdig tot fpaarzaamheid aanfporen, door een vooruitziet te openen, dat bet befpaarde, in zich zeil verboerende, in het vervolg de ontberingen, welke men zich om iets op te leggen, ontzegd heeft, dubbel vergoeden zal. Als zoodanig behooren de Spaarbanken voor de la-ere volksklasfe inzonderheid beschouwd te worden; terwijl voor de.hoogere klasfe, in de derde plaats, als gefehikt middel belchouwd moet worden de verzekering van het regt van eigendom, en de beveiliging tegen alle vexaticn en willekeurige geldafperfingen, als daar zijn, gedwongenc geldleeningen en willekeurige <reldrchietingen; ook de openbare verachting en uitflui%g van waardigheden en eerambten der zoodanigen, die hunne middelen op eene roekelooze en verkwistende wijze verteerd hebben, is eene krachtdadige aanfporjng tot een betameliik gedrag. De fpaarzaamheid echter behoort met in een ander uiterfte te vervallen, tot gierigheid namelijk welke niet zelden alle bijzondere deugden; verwoest. Zulk eene gepaste fpaarzaamheid, zonder gierigheid, is, over het algemeen, een hoofdtrek van ons nationaal karakter, waarin wij ons voordeeüg van vele ande e_ volken onderscheiden; en zoo al de klagt, dat wij, by onze Voorvaderen vergeleken, te dezen aaneen achteruit gegaan zijn, niet geheel ongegrond zij, I* echter de Eed der fpaarzaamheid bij ons nog op verre na niet geheel verdwenen: duizende huisvaders betrachten nog * Ddd4 met


C 7*8 )

met ijverige infpanning hunne belangen en die hunner huisgezinnen, en ónderschikkên de teering aan de neeruig, zoodat te dezen aanzien, federt het oprigten en aanmoedigen der Spaarbanken, van de zijde van het Gouvernement, weinig te verlangen overblijft.

Bovendien is er in de Noordelijke Provinciën zoodanig een voorraad van cirkulerend kapitaal voorhanden, dat daarmede niet alleen alle betraande takken van industrie kunnen worden gevoed, maar dat zelfs een gedeelte daarvan aan de naburen ter leen wordt opgeschoten.

Deze wijze van de kapitalen in een land aan te wenden, door die namelijk van anderen, tegen betaling eener. billijke rente, op te nemen, is een maatregel, allezins voordeelig voor die natiën, welke, zonder dit middel, aan hunne industrie de vereischte uitbreiding niet zouden kunnen geven: want, even gelijk een bijzonder perfoon, door het opnemen van een kapitaal, in ilaat gefield kan worden, om voordeden te behalen, toereikende, om hem, na afbetaling der rente, en zelfs gedeeltelijke aflosfing van het kapitaal, eene nog noemenswaardige winst over te houden, zoo kan ook eene natie, door foortgelijke leeningen, aan haar producerend vermogen eene uitgebreidheid geven, welke haar niet alleen in ftaat fielt, om de verschuldigde renten en aflosfing te voldoen, maar bovendien verschtidene middelen ter vermeerdering van hare welvaart overlaat; en even gelijk een bijzonder perfoon in zijn belang eene aanfporing vinden kan, om een kapitaal, te zijner befehikking flaande, tegen het genot eener billijke interest, aan een' ander op te schieten, kan eene natie in haar eigen belang een' fpoorflag vinden, om het gebruik van een gedeelte hartr kapitalen, waarvoor zij zelve geen

em-


- 4 ( 7*9 )

mphoi heeft, tegen billijke interesfen aan een ander

volk af te ftaan.

Zoo weldadig en op zoo vele wijzen is-, m de algem^ene orde der dingen, de vereeniging en goed* verPandhouding der menfehen met het onderling belang der volken verbonden. Blijkbaar echter berusten zodanige betrekkingen op onderling goede trouw. Hoe verblind moeten dan niet die Volken en die Vorften zijn, welke zich willekeurig ontllaan van wettige verbindtenisfen, deswege gemaakt, en die zich daardoor voor altijd berooven van de middelen, om andermaals aan hunne nationale industrie, door de kapitalen van meer vermogende naburen, eene nieuwe uitbreiding te geven. Hoe meer wij den aard der dingen doorgronden, hoe meer bewijzen wij erlangen, dat het ware geluk alleen op den:egten weg te zoeken is, en dat alle flinksche weger:, vroeg of iaat, tot verderf leiden.

Zonder de Vereiscluc kunde echter, om kapitalen nut-

tig aan te wenden, zóu het bezit daarvan flechts gebrekkb aan het oogmerk voldoen, en eener natie met al de voordeden, daardoor verkrijgbaar, verschaffen, even ge]Vik een bijzonder peribon, door gebrek aan kunde, om zvjn geld wèl aan te wenden, van zijn kapitaal ook niet al die vruchten trekken kan, welke een ander geniet, die. eene gelijke fom gepast weet te bezigen.

In gebrek aan kunde is dan ook veelal de oorzaak te zoeken, dat de fabrijkltaat bij eene natie zoo zeer bij dien van eene andere terugblijft of gaat, ook dan wan' r de laatfte, ten aanzien der grondftoffen en arbeidslonen niet boven de eerde begunftigd is. Aan weike aarzaak zou het anders moeten worden toegeschreven, dat -Engel**, bij - voorbeeld, de lakens en katoenen D d d 5 ftof"


C no )

ftoffen zoo veel goedkooper vervaardigen kan, dan eldérs geschiedt? Immers, een Engelsen fabrikant, te An> werpen of *e Amflerdam gevestigd, zou met hetzelfde werkvolk en de eigene gereedfehappen dezelfde ftoffen tot lagere prijzen, in die.ftedcn, aan de markt brengen kunnen, als die uit Engeland kunnen worden aangevoerd. Hoe zeer verschilt zelfs in de kunst, om deze of gene ftof beter en goedkooper te vervaardigen, het ééne diflrikt van een land bij dat van een ander; en waarin kan de reden hiervan anders te zoeken zijn, dan in de meerdere kunde des eenen fabrikants boven die van een' ander?

Het behoeft intusfehen geen betoog, dat het algemeen belang vordert, dat ieder, wat hij gebruikt, tot dc minfte prijzen bekomen kunne; dus is het tevens op het algemeen belang gegrond, dat de daartoe vereischte kundigheden, in eene toereikende mate, bij een volk yerfpreid zijn; en dus vordert eene gezonde ftaatshuishoudkunde, dat' de Gouvernementen zoo veel mogelijk bijdragen, om deze kundigheden algemeen verkrijgbaar te maken.

De middelen daartoe zijn niet moeijelijk uit te vinden, als men slechts acht geeft op de oorzaken, en 'middelen, door welke de fabrijken doorgaans bij eene natie zijn ingevoerd, of waardoor dezelve naar elders verplaatst zijn geworden.

De terugroeping van het Edlkt van Nantes, in Frank* rijk bij voorbeeld, fpoorde duizende Franschen, en daaronder velen, met den fabrijkmatigen arbeid bekend, aan, om zich elders, inzonderheid in Proteftantsche Landen, te gaan vestigen; de verbreiding hunner verkregene kundigheden werden wel ras het geschenk,

waar-


( 73i )

waarmede zij deze gastvrijheid beloonden. Spoedig ver-

f heren daar fabrijken, waar men vroeger gewoon was, de voortbrengen, die men thans zelve leerde vervaarcVen, nit Frankrijk te ontbieden; en deze nieuwe

V • j wn» ai»de^ aanmoediging noo-

bron van industrie raad geen^ aaueic

dig, dan 'vrije werkzaamheid, en eenige voorschotten, bij wijze van geldleening.

Door foortgelykc.oorzaken zijn de laken-fabrijken, m vroeger' tijd, uit Vlaanderen in Engeland overgebragt; cn in het algemeen is deze toevallige onhandigheid de doorbande oorzaak geworden, waardoor de bloeijendfte takken van industrie uit het eene Land naar het andere verplaatst zijn. Indien eigene uitvinding eene natie altijd daartoe geleiden moest, zou het dikwerf zeer lang duren, eer de vereischte kunde verkregen was^, om tegen eene andere natie, wier fabrijken reeds een' zekeren trap van' volmaaktheid in het te vervaardigen objekt ver*

kregen hebben, de ■»»»<>"»■ to kunnen volhouden;

en tot zoo lang zou eene zoodanige fabrijk beftendige aanmoediging en ondertand, dat is, een voordeel ten koste van het algemeen belang, moeten worden toegedaan, dikwerf tot groot nadeel van andere takken van industrie, zoo wel als der gebruikers. En dit is intusfeben de weg, dien men bij de meeste volken heeft in-cPaÓ-en, om den fabrijk-ftaat te verbeteren. Hierop zmi al de prohibitive ftelfels gegrond; men heeft gemeend, dat, door het verbieden of bezwaren van den in-, voer van buiten, eigene fabrijken zouden ontdaan, en da-- door dit Pelfel ftrikt ftaande te houden, de onderlinge' konkurremte der. dusdanig kunstmatig daargeftelde fabrijken den arbeid tot die volmaaktheid, welke dezelve elders verkregen heeft, zoude opvoeren.. Men fehijnt Bit het oog verloren te hebben, dat op deze wijze alle * kun-


C 732 )

kundigheden, tot zoodanigen tak noodig, door eigene uitvinding verkregen moesten worden, waartoe niet zei. den veel tijds en dikwerf ook nog gelukkige toevalligheden vereischt worden, en dat tot zoo lang. alle verbruikers dezer waren onder eene bepaalde schatting gehouden werden; ongerekend nog andere inconveniënten, die daaruit voor andere takken van industrie voortvloeit en.

Hoe veel eenvoudiger zou het niet geweest zijn, bekwame, en in de begunftigde foorten van industrie uitmuntende lieden bij die natiën, wier fabriikmatige inrigtingen de hoogde volmaaktheid bereikt hebben, uit te noodigen, om aich daar te vestigen, waar men een' - nieuwen tak van industrie wilde doen ontdaan. of een' reeds bëftaanden tot de volmaaktheid der naburige opvoeren; en wie kan er aan twijfelen, of niet, met de vereiscbte belooning (en deze zou inderdaad al zeer groot moeten zijn, om slechts eenigermate in vergelijking te kunnen komen met de belasting, als nu door middel der prohibitive delfëls op de gebruikers geheven wordt), een toereikend getal van kundige perfonen overal te vinden zoude zijn, die, tegen eene billijke vergelding, het noodig onderrigt zouden willen geven in al de vakken der werkzaamheden, tot zoodanig eene fahrijk betrekkelijk? Het schijnt inzonderheid aan zoodanige vereenigingen, ais die onzer Nederlandsche Huishoudelijke Maatschappij, welke reeds zoo veel nuts gedicht heeft, voorbehouden, eene of meer zoodanige fabrijken op den meest volkomen' voet op te rigten, ter plaatfe, waar dit gevorderd mogt worden, en deze te doen drekken tot een voorbeeld en ter onderrigting van alle andere fabrikanten. De omflag daarvan zoude niet te uitgebreid behooren te zijn, daar het debiet der verwerkte doffen alleen tot het ftrikt noodige, om de zaak zonder schade gaande


( 733 )

de te houden, behoorde bepaald te zijn en het werk in het gtoöte aan de panikuliere faoryken te word n gelaten. Ook de Mmtsch^ van Weldaad in bare Kolonie zoodanige fabruken

lütmuntendlfe Jongelingen, m haie Suchnnaen v den, doen opleiden tot bekwame werklieden, van welke de overige fabriiken in ons Land een nuttig gebruik Z hunnen maken, om hare werkzaamheden tot de

Tzoodlnige fabrijken, tot

de zoo bepaald mogelijk moeten zijn, en zelfs zouden d« verkiezende, de- vervaardigde goederen aan de fabiiÃ�nten tegen iets meer dan het inkoopsbedrag, kunnen!gX rd worden, als moetende zoodanig eene fabk 2en ürekken tot eene School, om bekwame: werkhdn aan te Kweeken, en geenszins tot eene werk-inngtin0,

erdoor het debiet van anderen -uJe worden ge-

SST Het is op deze wijze, indien de publieke geest d w Idadige oogmerken van een Gouvernement WelwilL n belangeloos onderfteunt, dat er in dit vak van SLSL reuzenfehreden te maken zijn. Van het Gouve,.enent intusfehen alles te vorderen, is te onbdhjkei naÜ men minder geneigd is, om zelf daartoe mede -P werken en bij te dragen.

,,‘‘,nfl, van onderscheidene werk-

a\p 700 veel ter volmaking van u«u tamheden hebben bijgedragen, verder uit te braden en IlTmeen te verforeiden. In eene juiste vereemgmg toch Snit, «NP», ^ bet werktuigelijke, en der ve.


C 734 )

ciscbt- handigheid, moet de hoogde volmaaktheid van den fabrijkmadgeö arbeid gezocht worden, en aan dezen kan de voordeeiigde aanwending verschaft worden, door het debiet der verwerkte doffen, zoo veel mogelijk, te verzekeren.

Het debiet eener waar hangt hoofdzakelijk af,

i°. van de mogelijkheid en gemakkelijkheid', om dezelve aan de markt te kunnen brengen;

a°. van de kunst, om die tot gelijke of mindere prijzen als anderen (de deugdzaamheid gelijk gefield) te kunnen leveren; en eindelijk

3°. van de gelegenheid, om daarvoor in ruiling te kunnen erlangen zoodanige zaken, welke men zelf behoeft, of met nut gebruiken kan.

Tot het eerde wordt, in de eerde plaats, gerekend alles, wat het transport bevordert, als daar zijn, geschtkte kanalen, goede wegen en eene onbelemmerde vervoering.

Ons doorfneden Land biedt, te dezen aanzien ons groote voordeden aan boven vele andere, en onze'voorvaders hebben, wat de kanalen betreft, daarvan een nuttig gebruik gemaakt, en in onzen tijd hebben zoo vele belangrijke ondernemingen van dien aard, inzonderheid door het vermeerderen en verbeteren der wegen, en het aanleggen van nieuwe kanalen, ter uitbreiding'der volksvlijt, bet gundigfte vooruitzigt geopend. Ook is een onbelemmerd inwendig vervoer een maatregel, welke het Gouvernement erndig tracht te bevorderen. Verre is het er echter af, dat de in- eu uitvoer reeds entflagen zouden zijn van al die hindernisfen, welker wegruimiiiozoo zeer door het nationaal belang gevorderd* wordt^ en welke wij hopen éénmaal volkomen • opgeheven te

ziet].


C 735 )

zien De veranderde en tegennatuurlijke ftrekking, die de kapitalen bij ons en bij andere volken, gedurende eenMangauffgca-ooflog, ontvangen hebben; de vreemde rigtmg-, die hierdoor aan den arbeid gegeven is, en waarvan hei beftaafl van honderd-duizende menfehen afhang, hebben tot dus verre, naar het schijnt, met toegelaten, hierin de beginfelen te volgen, welke eene Gezonde Staatshuishoudkunde voorschrijft; dan, de verlichting nopens de ware ongelegenheden der Staten fs te algemeen verfpreid, om niet te mogen verwachten, dat éénmaal derzelver waar belang «p den voorgrond geplaatst zal worden, en de industrie die rigting ontvangen, welke door hetzelve gevorderd wordt. Gelukkig" intuslchcn, de natie, die in zich zelve de middelt bezit, om de eerfie (lappen op dezen weg te kunnen wagen, en die geenszins verpligt is* de verkeerde maatregelen, waartoe naburige volken zich gedwongen achten te volgen! De Haat onzer rabrijken, n mxMKKtag tot andere natiën, moge hierdoor aanvankelijk belemmerd wotden- zulks kan niet worden voorgekomen; doch niets hindert ons, om binnen 'sLands aan onze ibdufr trie die Aftrekking te geven, welke onze welvaart voi*

dert..

Hiertoe is het alleen noodig, dat wij zorgen, om die goederen, tot welke onze grond of overzeesche bezittingen de grondftoffen opleveren, even deugdzaam en even goedkoop als anderen te bereiden; en te dien einde wordt, naast een onbelemmerd vertier, en de vereisch» 1-inde (om welke te verkrijgen, wij de middelen reeds hebben opgegeven) gevorderd, dat de daaraan te verrigten arbeid niet kostbaarder zij dan elders. Onze grond brenn eene grootere hoeveelheid van levensmiddelen " voort.


c m )

voort, dan wij zeiven kanfumtrtn, eji Uit sarerfcli wordt buiten 'sLands vertierd, zoodat de prijs van hetzelve de konkurretxie tegen andere Landen volhouden fcan: gevolgclijk zijn bij ons de levensmiddelen eigen* aai lig niet duurder dan elders. Uit dien hoofde ü;cs" dan ook de arbeidsloon, (daar ons~geene handen ontbreken) bij eene goede, doelmatige inrigting, bij ons jjic: hoeker Hijgen dan elders. Boven Engeland, dat zo veie bewerkte ftoffen uitvoert, zijn wij, te dezen aanzien, zeer begunftigd. Elders zullen wij meer bijgander handelen over de middelen, die flrekken kunnen, cm dit oogmerk te bereiken; genoeg zij het thans, te Jiebben doen opmerken, dat de gelegenheid hiertoe niet ontbreekt, en dat het onftaatkundig zijn zou, die zelf rc yerwaarloozen. Ook het fluiten van voordeelige overeenkomften (Handels-traktaten) met vreemde volken, op wederkeerige voordeden gegrond, kan dikwerf veel bijdragen ter verzekering van het debiet van waren. Het. schl'nt, dat, te dezen aanzien, de gelegenheid niet ongunuig is: Engeland heeft hieromtrent, ten aanzien van de Vereenigdc Staten van Noord-Amerika, reeds een bewijs gegeven, dat opmerking verdient.

Indien wij1 nu in een kort bedek de refultaten onzer beschouwing te zamen trekken, dan hebben wij gevonden:

i°. Dat de nationale rijkdom, dat is het producerend vermogen éener natie, niet wordt vermeerderd door fabrijken of andere inrigtingen, die tot hare daarfbelling en inftandhoucling duurzame en belangrijke premiën of zware regten op den invoer vorderen.

s'. Dat zoodanige inrigtingen echter dienstbaar kunnen


C 737 )

tien zijn, om aan een aantal handen arbeid te verschaffen, die anders ten meerderen koste der natie zouden moeten worden gevoed. 3°. Dat de nationale industrie de meeste uitbreiding erlangen kan, door het transport en inwendig vervoer gemakkelijk te maken, nuttige kundigheden aan te kweeken, de fpaarzaamheid te bevorderen, aan den loop van nijverheid en bar.del de meeste vrijheid te vergunnen, en te zorgen \ dat de prijs van den hand-arbeid dien van andere natiën niet te boven ga.

Gaan wij thans over, om de toepasüng dezer beginle* Ten op onze wezenlijke omftandigheden te maken, en kiezen wij daartoe tot een voorbeeld het onderzoek: of nïet een gedeelte der fommen, vroeger aan vreemden

nitgelcend, door het Staatsbc;ftuuL vuh Uien rijd met

meer voordeel hadde kunnen worden aangewend' ter uitbreiding van den Landbouw in dien tijd, het vruchtbaarmaken van heidegronden, en, het uitdroogen van groote waterplasfen, waarvan wij in het Vide Nommer van de star, bladz. 498-, gefproken hebben.

Wij hebben gezien, dat een tak van industrie, die de rente der uitfehotten en den arbeidsloon niet vergoedt, als nutteloos moet beschouwd worden*.

Merken wij verders op, dat de gelden, die destijds aan vreemden werden uitgezet, het eigendom waren van bijzondere perfonen, en dus, zoo het StaatsBestuur van dien tijd de beschikking over deze penningen verlangd had, daarvoor de gebruikelijke renten van dien tijd hadden moeten worden toegedaan.

dj; star, lÉig, N°, IX. Eee In-


C 738 )

Indien 11U, door het aanwenden van deze gelden ter vruchtbaarmaking van heidevelden, of het uitdroogen van waterplasfen, de daarvoor verkregene of vruchtbaar gemaakte gronden hadden kunnen worden verkocht voor de fommen, daartoe aangewend, dan had blijkbaar de schuld kunnen worden afgelost, en de natie had een inproduktirf onderpand in een vruchtbaar veld veranderd; indien echter deze gronden niet tot den prijs hadden kunnen worden verkocht, die daaraan befteed was, dan was er een gedeelte van de schuld gebleven ten laste der natie, en er was dus een wezenlijk verlies geleden.

Merken wij al verder op, dat, indien deze gronden, bebouwd.wordende, niets meer hadden kunnen opleveren dan er vereiscfit werd, om de uitschotten van arbeidsloon en bet zaadkoorn te vergoeden, dezelve ia dat geval voor den rentenier in het geheel geene waarde zouden gehad hebben, omdat daarvan geene huur betaald kon worden; en in dat geval was het geheele kapitaal, aangewend om die droog of vruchtbaar te maken, verloren geweest, en de natie belast gebleven met de rente van het kapitaal, daartoe befteed: dus ware de geheele hoofdfom zoo goed als vernietigd Jgeweest.

Indien wij derhalve enkel vragen naar het belang der natie, dan behoeft men slechts te onderzoeken de waarschünlijke waarde, die deze drooggemaakte of ontgonnen gronden in dien tijd op de voorgeftelde wijze zouden verkregen hebben; en wanneer wij dan nagaan, hoe zeer de waarde der gronden door de hoogere prijzen der produhen federt dat tijdperk geitegen zijn;hoe weinig er destijds voor minder goede gronden betaald werd, blijkens de duizende van morgens, die voor de lasten bleven liggen, — dan zal het niet moeijelijk zijn te beflisfen, dn öfe ' der-


( 739 )

dergelijke operatiln in dien tijd geenszins met de nationale belangen flrooken konden, en dat men dus gèeriö, verkeerde direktie gegeven heeft aan kapitalen, die elders eene goede rente konden vericnafFen.

Als een middel echter, om een aantal menfehen arbeid te verschaffen, zoude zoodanig eene onderneming hebben kunnen van nut zijn. Een grond, die den arbeidsloon terug geeft en het zaadkoorn vergoedt, fielt iemand, die daarvan eigenaar is, en die denzelven zelf bearbeid, in ftaat, om er zijn beftaan op te vinden. In een' tijd, derhalve, waarin een aantal menfehen om arbeid verlegen is, en ten laste der natie onderhouden moet worden, kan zoodanig eene onderneming nuttig zijn: in dit geval koopt men, als het ware, de lasten van het onderhoud der behoeftigen daarvoor af, en men heeft inderdaad daarbij gewonnen, als de duurzame rente der auoo opgeofferde fom minder is, dan de jaarlijlo

sche Opoffering, die men anders aan het onderhoud der

arbeidbehoevenden zoude moeten hefteden.

Naar dezen regel moeten dan ook alle foortgelijke ondernemingen beoordeeld worden. Het droogmaken, bij voorbeeld, van de Haarlemmer - Meer is eene voor ds natie voordeelige operatie, indien de drooggemaakte gronden eene meerdere waarde opleveren, dan de kosten, daartoe aangewend, bedragen; in het tegengeflelde geval zou zij voor de kapitalen schadelijk zijn, schoonzij in'dit geval nog, als middel om duizende handen, die thans onderhoud vorderen,, arbeid te verschaffen, nuttig geoordeeld moet worden, en dus de algemeens medewerking en aanmoediging verdienen kan (*).

Uit

(*) Ik wil hiermede geenszins gezegd hebb-en, dat het Eee % droog-


C 740 )

Uit ditzelfde oogpunt moet iedere foortgelijke 0ïlisr‘‘ neming befcbouwd worden, bijvoorbeeld, die van de Maaischappij van Weldadigheid, om, door het vruebtbaarmaken van woeste gronden, den behoeftigen arbeid en onderhoud te verschaffen. Ook dan nogV wanneer deze gronden, tot kuituur gebragt, niet zouden opleveren de vereischte rente, en de onderneming dus in betrekking tot het producerend vermogen ais schadelijk te achten zouden zijn, moet men daartegen voorftellen, hetgeen op deze wijze op bet gewone onderhoud dep behoeftigen befpaard kan worden; en heeft' men dan dit onderhoud voor eene mindere fom afgekocht, dan men anders daaraan zou moeten hefteden, zoo is deze onderneming hoogst-voordeelig te noemen, daar dezelve te geujker tijd op den zedelijken toeftand der behoeftigen, inzonderheid van het volgende geflacht, eenen weldadi' gen invloed uitoefent, terwijl er op deze wijze a^n de behoeftigen arbeid verschaft wordt, zonder krenking van andere bronnen van industrie, hetgeen maar zeiden bij andere fabrijk-inrigthigen het geval is. Bij de volgende Afdeelingen, wanneer wij van den handel zullen fpre, ken, zullen deze bijzonderheden nog nader worden toegelicht, en de Lezer meer en meer overtuigd worden, * ': v dat

. droogmaken Van de Haarlemmer-Meer geene voordeel>e onderneming.' voor bijzondere perfonen is. Ik ben te weinigmet de gronden, waarop dezelve fteunt, bekend, om mij deswege eenig oordeel aan te matigen. Ik bedoelde alleen begrijpelijk te maken, dat ook zelfs in het laatfte geval deze onderneming voor het algemeen belangrijk genoeg kan,z'jn, om de medewerking van het Gouvernement te verdienen.


( 741 )

fiat de Staatshuishoudkunde uit haven aard geschikt is, om over de teederfte belangen der Maatschappij een groot licht te veifpreiden; waarom wij dan ook tot de toepasling daarvan op dien belangrijken tak onzer industrie zullen overgaan.

De algemeene bepalingen dan, die wij thans gevestigd hebben, ten grondflag aannemende, zullen wij nu tot de meer gebijzonderde beschouwing der zaken treden.

Vestigen wij, te dien einde, het oog op de rente, die onze kapitahn in het algemeen verschaffen; daardoor zal het ons blijken, dat ons geene middelen ontbreken, om aan onze industrie al die uitbreiding te geven, welke de omftandigheden toelaten:' trouwens, daar wij millioenen aan vreemdelingen leenen en voorschieten, is er aan de werktuigen, (het kapitaal) waarmede de menschelijke kennis, in eene gunftige gelegenheid geplaatst zijnde, produceert, geen gebrek.

Vestigen wij daarentegen het oog op het groot getal onzer behoeftigen, en op de bekrompene middelen van beftaan van vele anderen; dan vinden wij daarin wel degelijk het bewijs, dat onze industrie eene verdere uitbreiding vordert, en dat de oplosfing van het vraagftuk: ‘‘ waaraan is het bepaaldelijk, onzen eigen' toeftand be‘‘ schouwende, toe te schrijven, dat onze natie, ook ‘‘ bij het bezit van toereikende kapitalen, niet eene vol‘‘ doende mate van arbeid aan alle leden onzer maat‘‘ schappij verschaffen kan, of dadelijk verschaft?" een enderwerp is, welks onderzoek alle aandacht verdient. Vereischte kunde, en de mogelijkheid tot debiet der Eee 3 ver-


C 742 )

verwerkte ftoflèn, hebben wij gezien, dat, m het bezit van het toereikend kapitaal, de vereischten waan ter uitbreiding van industrie; dus zal dan ook de oor, zaak van het gebrek in ééne dezer, of in beide dezebepalingen, moeten gezocht worden, waaraan het is toe te febrijven, dat onze industrie niet al die uitgebreidheid verkrijgt of verkregen heeft, welke' anders het bezit van toereikende kapitalen ons scheen te verzekeren.

Werpen wij het oog op de Tabelle, in het vorig 'dommer van de star geplaatst, dan zien wij, dat de invoer der Garens, in de eerde plaats, den uitvoer aanmerkelijk overtreft; de Lijnwaden en Linnens geven eene niet minder nadeelige balans; terwijl de Mamifak-

tuurgoederen, Ijzerwerk, en eenige andere objekten almede voor een aanzienlijk gedeelte meerder worden indan uitgevoerd.

Van een groot gedeelte dezer goederen, gelijk van dc Garens, gedeeltelijk ook van de Lijnwaden, inzonderheid, zoo wij onze koloniale voortbrengfelen als produkten van onzen eigen' grond beschouwen, bezitten wij zelve de grondftolfen; ook ten aanzien van vele Manufaktuur-goederen flaan wij gelijk met de natiën, die ons dezelve leveren, en die, even als wij, slechts in hun eigen Land, voor een gedeelte de Woile en andere daartoe noodige ftoffen vinden, en de overigen elders moeten aankoopen.

In andere opzigten, achter, zijn fommige natiën, door het bezit der grondftolfen, boven ons bevoordeeld, en dus is het te dezen aanzien minder te bevreemden, dat zij ons dezelve meer veredeld leveren, daar het toch

van


( 743 )

van zelf fpreekt, dat, bij het bezit der noodige kapitalen, kunde en gelegenheid voor het debiet, elke 1 orondftof goedkonper bewerkt kan worden op die plaats, waar dezelve valt, dan dat zij onveredeld naar een vreemd volk gezonden, en, na verarbeid te zijn, teruggevoerd moet worden,' in welk geval dus, boven den arbeidsloon, daaraan verdiend, de kosten van een dubbel transport moeten vergoed worden. Dit, intuslchen, is met verfebeidene onzer troffen,, gelijk het Vlas, de Wol en meer anderen, het geval; en de oorzaak daarvan'moeten wij trachten op te fporen.

(Het vervolg hierna).



(Vervolg der stukken, in N°. VIII medegedeeld.-)

Pagina 744. Verslag van de afdeeling van korrespondentie, gedaan ter algemeene vergadering der kommissie van weldadigheid, in 's Gravenhage, den 5 augustus i819.[bewerken | brontekst bewerken]

Ter voldoening aan liet 5de Art. der Inflruktie voor ie Afdeeling, met de korrcspondentie helmy hebben wij de eer, Ul., Mijne Heeren! een algemeen en kórt verfag te geven van alle ingekomem /lukken, en van den hoofdzahelijken inhoud der daarop door de Permanente Eommisfie gegeyene antwoorden, gedurende den tijd welke verloopen is van de maand Jufjj 1818 ll. tot den laatsten dag van Maart dezes jaars.

Verwacht echter niet, mijne Heeren? dat dit Fer/Jag zich zal uitflrekken tot al de brieven, welke in dien.tijd van 9 maanden met onderi'cheidene perfonen en korporariën door de Kommhfie van Weldadigheid zijn ge, wïsfeld. Zelfs reeds in dien-gemeïden tijd beloopen deze Kukken tot een getal van 2,22=, de gedrukte en geschrevene cirhilaires flechts voor één nommer gerekend, En telt men daarbij, wat er verders, federt den laatflen van Maart tot 31 Juiij, is ingekomen.en uitgegaan, dan mag men het getal der brieven en (lukken wel op 4000 berekenen. Wie uwer nu, Mijne Heeren! zoude geduld hebben, om den inhoud van dit alles met aandacht aan te haoren? De Agenda alleen, welke hier ter vip lig. gen', beflaan, hoewel zeer klein geschreven, federt 2a Junij 1818. tot op heden, een getal van 336 bladzijden

in


( 745 )

in folio. Doch waartoe ook zoude het dienen, «we aandacht op zulk eene wijze te vermoeijen? Immers ziin niet at de onderwerpen van die brieven voor UI. even belangrijk; en zoo wel de aarl van de zaak ais de letter onzer Inftruktie brengt mede, dat wij ons hier alleen bepalen tot zoodanige (lukken, die ons, hetzij dan van buiten, hetzij van binnen 'sLands toegezonden, met de uitbreiding onzer Maatschappij en de bevordering van derzelver edel doel in verband (laan, en die,?öo al niet voor den oogenblik, althans voor het vervolg, geacht kunnen worden de oplettendheid der Vergaderingte verdienen.

Onder zoodanige (lukken dan moeten wij, volgens tijdsorde, in de eerde plaats melding maken van eene ampele misfivc, in Julij des verleunen jaars reeds ingezonden door den Heer Baron i.. w. p. van den borcht, op den Huize Homchnk, bij Breda* over den

ftaat Van landbouw feil k:/!tunr der woeste gronden m

Notrd-Braband: waarbij Zijn H. E. Geb, naderl ind nog eenige meer bijzondere ophelderingen heeft willen voegen: beide welke ftukken de Kommisfie erkentelijk aangenomen, aandachtig overwogen, en ten evcntiu k* gebruike ih het Archief gedeponeerd heeft.

In diezelfde maand zond de Heer c. enklaar, te Nijmegen, zijne aanmerkingen in over de kuituur van verwaarloosde gronden in de Betuwe: ten aanzien van welk ftuk de Kommisfie oordeelde hetzelfde befluit te moeten nemen.

Korten tijd.daarna behaagde het aan Z. K. H., onzen Doorluchtigen Voorzitter, ons ftukken toe te zenden, betreffende het engageren van doortrekkende Emigranten, > ter bebouwing der Naord-Hpllandjche duingronden. VoorEee < heen


C 74* )

' Jtefö was daaromtrent aan de Staten van die Provincie reeds eene voordragt gedaan, welke nu, door gemelde Staten aan Z. K. H. aangeboden, met de daartoe betrekkelijke drukken, door Hoogstdezelve aan de Permanente Kommisfie werd gezonden, om daarop van advijs te dienen. Gezegde Kommisfie begreep de voordragt te moeten dekünerm, dewijl de Maatschappij, immers voor ais nog, hare moeite en zorg, bij uitfluiting, tot onze eigene verarmde Landgenooten bepalen moet. De Hukken werden voorts in het Archief, naar gewoonte, ge. deponeerd.

Te dien tijde was onze Maatschappij van Weldadig, heid, en hare te Frederiks-Oord gedichte Kolonie, reeds zoo vermaard geworden, dat onze Naburen de aandacht daarop begonnen te vestigen. Nog in diezelfde maand September schreef de Onder-Prefekt a het Departement duFinistcrre, in Frankrijk, aan de Permanente Kommisfie eene vriendelijke misfive, in welke, hij de gunffigfie gevoelens omtrent onze Maatschappij ontwikkelde, en verzocht het ProPpcktus, benevens de overige gedrukte Hukken, door ons uitgegeven, te mogen ontvangen, ten einde hem daardoor voor te lichten tot het vormen van een dergelijk plan van kolonifatie in zijne Prefektuur. De misfive werd door de Kommisfie in de Fransche taal beleefdelijk beantwoord, en de Schrijver verwezen tot de Extraits in het Journal Général des Pays-Bas, met aanbod echter, om een exemplaar van al de gedrukte Hukken der Maatschappij in het Hollands.

indien, namelijk, dezelven geoordeeld werden den Onder. Prefekt van dienst te kunnen wezen.

Frankrijk niet alleen, maar ook Engeland trachtte onze koloniale inrigtingen nader te leeren kennen. In

bet


( 747 ),

het jongst verleden najaar kreeg de Ksmmisue, tot dat einde, een bezoek van den Heer SAUNfc^, Jie alles met de hoogde naauwkcungheid, tot in < öeinfte byzonderheden, onderzocht, en, na behoor-.-;<,-. mu,.i.tin-en, zelf in perfoon naar Frcderih-Oord reisde, waar hij teru«t gekomen, zich andermaal tot de kommisfie vervoegde, hoogst voldaan over hecgene hy gehoord en gezien had, en met het vaste voornemen, om daarvan in ziin Vaderland gebruik te maken. Geen wonder dat dan ook eenige maanden later, te weten in Maart dezes jaars, de beroemde Engelschc Staats ékonomist, Doctor owen, eene korrespondentie met ons opende. Zijn Ed. zond ons, bij een' verphgtenden brief van den Heer w. clego, eenige ftaatsbuishoudelijke Werkjes, door Zijn Ed. ih EngelaM mtgegesrer^ ten geschenke, tevens verzoekende een exemplaar te mogen omvangen van al hetgene de Permanente Kur..msfie

tOt dien tijd toe had in het licht gegeven, cn wc iThce-

riglijk alle goede dienden aanbiedende. Eet ipreekr. van zelf dat de Kommisfie aan dit verlangen met d ra:este bereidwilligheid voldaan beeft. Tot nog toe echter nceft iVj geen gebruik gemaakt van het aanbod des Heeren ©WEN, om zijne inrigtingen te New-Lanark in oogenschouw te komen nemen. Intusschen ftrekt het haar toteen zonderling genoegen - genoegen, waarin _ G ul., Mime Heeren! voorzeker allen deelt - dat:«fcoazfc (MaatTchappij is, welke, door de voortreffdykha:! liarer koloniale inrigtimr, en den aanvankelijk gezegenden uit. flag harer ijverige pogingan en veelvuldige werkzaamheden, de aandacht der naburige Volken tot z en getrokken'heeft- dit niet alleen, maar vooral ook, dat het onze Maatschappij is, welke de Volken schijnt-wakker

ge-


C M-S )

gemaakt te hebben, om, elk in den Zii‘‘e‘‘ Wa3r

der annoede de fcbroomeliMe gevolgf «p het werk te fiaan, ora h* kwMd ^ jWaan te tasten, en welke, in dit opzigt, den eerf

;i e^ke -"-gen, maar ook door prakt.sc, voorbeeld, duidelijk aanwijst. Hoezeer de no gmgen van den Heer öwev in; J T P

7 o "wljv, m Jbngeland. door de lVa

tie onderfteund worden is mt hAt-

of ook even dit berigt der edelmoedige bijdrager n En\ £W2al onzen Landgenooten ten* nieuwen fpL£ S™' °m' in vredigheid van hun vermogen de

Doch kat ons den draad van dit Ferflag Weder opvat-

Heer ‘‘. sch.mchausen, te Borchctte, bij aan de Permanente Kommisfie een ^ jj aa« beddingen tot aanbouw van ronde huisjes, in plaaTvan zulke, die wij gewoon waren te bouwen, en l|lâ„¢

Z Z£L** den'Schrijver van d* ^ S

den AichKekt o. TAPPE, tc Detmold-Litpe. De L Jjfle, aan wie de voorlichtingen van deskundigen allen opz!gte nnmer hoogst-welkom zijndraalde.eens! »ns eene proeve daarmede te nemen. Dan, deze viel met zoodanig uit, dat de Kommisfie geooiield heeft m aen eerst-aangenomen' vorm der huizen verandering te moeten maken. Met erkentenis aan den Zender werde, de Hukken aan het Bureau gedeponeerd. Kort daarna zond de Heer m,T.‘‘

j ~ff.. nl€i w« van. der vuurst, tft

AmJ,erda>n, eenige aanmerkingen in over het nuttig-g*

feruiic


C 749 )

bruik van zeewier, over de meekrapteelt, over bet op* nemen van buitenlandsche Kolonisten, en andere onderwerpen meer. Naderhand ontvingen wij van dezelfde hand aanmerkingen over de monopolie in den aardappelhandel, en over de middelen ter ftuiting van dezelve. Het een en ander werd, met dankbetuiging aan den Schrijver, aan het Bureau gedeponeerd, zonder echter daarvan tot dus verre gebruik te kunnen maken.

Nog in dezelfde maand zond de Heer h. w. tydeman, te Leydeïi, aan de Kommisfie zijne confidcratïin wegens een terrein van ongekultiveerde gronden en het lokaal der verlatene Ommerscham, als geschikt tot eene Kolonie van bedelaars. De Heer Baron w. j. van dedem van den f.erg, te Zwolle, bood mede daartoe zijne goede dienften aan, met inzending tevens van een figuratief kaartje des terreins. Het een en ander is door de Kommisfie dankbaar aangenomen, en zij heeft,

na voldoende opneming der lokaliteiten, onderhandelingen daarover met het Gouvernement geopend, welke nog zijn loopende, en waarop zij eerstdaags eene gun* ftige dispofiüe van Z. M., onzen Koning, met verlangen te gemoet ziet. (*)

Ten zelfden tijde werd de Kommisfie op eene aangename wijze" verrast door het geheel onverwacht, edelmoedig aanbod van zeker' voornamen Begunftiger ckr kunften en wetenschappen, om, namelijk, de kosten van het onderwijs eens geschikten jongelings in het beroemde ïnftituut van den Heer van fellènberg, te Hof.

voor zijne rekening te nemen, met oogmerk, om zoodanig een' jongeling aldaar te vormen tot een bekwaam Landbouwkundig Onderwijzer in de Kolonie F rederiks-Oord. In overeenfiemming met den edelen ongoed Die dan.ook federt is ingekomen.


C 750 )

genöèmden Begunftiger, k©ri>espondeerde de Kommisfie, tn" kt oogmerk- met den Hoogieeraar van 5Wb^erewj te Groningen, en werd, me: algemeen overleg, //^.. erd de jongeling k. mulder, te Groningen 9 die dan ook, in November des verièdenen jaars, ais kweekeling naar i/o/^</ is vertrokken, en omtrent wien de mgékömëne berigten niet ongnnftig ziin.

Zoo mag het der Maatschappij gebeuren, op verfefaeidcne wijzen, en van alle kanten, blijken te ontvangen va:i de goedkeuring en welwillendheid der Natie!

Onder de (lukken, bij de Kommisfie ingekomen, moet ik nog vermelden twee (lukken van den fleer p. adema, te Scheimda, over het gebruik der veengronden aldaar. Onze Doorluchtige Voorzitter zond die beiden aan de

Kommisfie ter beoordeeling, in November des verledenen jaars. En de Kommisfie advijléerde, met erkentelijke te. rugzending van die papieren, dat vöor als nog daarvan geen gebruik konde gemaakt worden.

Gemelde onze Doorluchtige Voorzitter zond ons, in de volgende maand December, drie gedrukte (lukken van den Prins van IVitgcnJlein, over huishoudkundige onderwe-,-, en berigtte ons het verlangen der thans, helaas! overledene Koningin van Wurtemberg, om, namelijk, alle mogelijke inlichtingen te ontvangen omtrent den aard onzer Maatschappij en de Kolonie Fr ederiks-Oord: waarin die VorfriH zeer veel belang toonde te (lellen. De Kommisfie, met alle genoegen aan deze verklaarde begeerte voldoende, zond aan Hare MajefHt een exemplaar van al de gedrukte (lukken der Maatschappij, een in het Fransch vertaald Verslag van den oorfprong, den daat, de hulpmiddelen, en de uiuïgten van dezelve: d«


C 751 )

gezondene Kankert van den Prins van IVitgenftein in het Archief deponerende.

Nog ontvingen wij door onzen Doorluchtigen Voorzitter, in Maart dezes jaars, eene Verhandeling van p. van straten, te Wavirveen, over de zijdeteelt in de Kolonie, ten einde daarop van konfideratie en adyijs te dienen. De Kommisfie advijfeerdè, dat provifioneel, althans in dien oord, daarvan geen gebruik konde worden gemaakt, en deponeerde het ftuk in liet Archief,

De Heer h. budde, op het Zand, onder fPii'pe, zond ons in een Berigt van proeven, genomen met diepe, omdching van den grond, ten gehruike in de Kolonie: welk ftuk met erkentenis is gedeponeerd, om daarop bij tijd en wijle acht te flaan.

In het begin dezes jaars bood de Heer j. scheltema ons een plan aan, om de Maatschappij meerdere uitbreiding te geven. Doch de Kommisfie meende van het

Opgegeven middel, om redenen, geen gebruik re moeten

maken.

Voorts, Mijne Heeren! is de Permanente Kommisfie in verschillende korrespondentiën, zoo ter uitbreiding der Maatschappii, als ter inwinning van nuttige berigten en kundigheden. Met verscheidene Armbefturen, Weesmeesteren, of ook partikulieren, is de Kommisfie in onderhandeling, over het indeelen van kinderen bij Kolonisten, of ook, het plaatfen van huisgezinnen, bij welke er kinderen kunnen ingedeeld worden, als die van de deden en dorpen 's Gravenhage, Gorinchem, Delft, Enkhuizen, Eemnes, Koog aan de Zaan, Purmerendy Rotterdam, Voorburg. — Met mannen van kunde en verdienden niet alleen binnen 's Lands, maar ook buiten hetzelve, houdt de Kommisfie van tijd tot tijd briefwis-

fe-


( 75* )

teling., bij voorbeeld met den reeds gemelden Heer owïjn, te Londen, met den Ridder lawaetz te Neumuhkü bij Aliotia, met den Baron de boddien te Aunch, en anderen, waaronder wij althans niet vergetej •.gen op te tellen de Heeren somerhausen ea we1ssenbruch te Brusfel, die zich reeds van de maand November af beijverd hebben, om den inhoud der ftuklyen van de Maatschappij van Weldadigheid in het Journal Gén ér al des Pays-Eas, hetzij geheel of verkort, in de. Fransche taal mede te deelen, ter uitbreiding van de kennis onzer koloniale inrigtingen in België en in het overige Europa. Aan welke Heeren de Permanente Kommisfie van tijd tot tijd de voornaamfte bijzonderheden der Kolonie ter kennis brengt, zendende zij, van hunne zijde, gratis een exemplaar van hnn Journal aan de Kommisfie, en hebbende zij nog onlangs s.co afdrukken van het Reglement in het Fransch voor de Kommisfie disponibel gefield.

Tot hiertoe, Mijne Heeren! brengt ons het tijdsbeflek, waartoe zich de rapporten van dit jaar te bepalen hebban. Nog belangrijker — zoo denken en hopen wij — zal dc korrespondentie der Kommisfie in vervolg van tijd worden, naarmate onze betrekkingen zich over de beide deelen van ons Vaderland, over Europa, ja, tot onze bezittingen in de andere werelddeelen, zullen hebben uitgebreid. Aan 'de Gouverneurs van Ntêrlands Indiè van Suriname, Kurakao, St. Euflatius en Guinea, zijn door de Kommisfie al vroeg brieven en Hukken verzonden ter organifatie onzer Maatschappij aldaar. Tot nog toe echter is geen' antwoord ingekomen, dan van den provifioneelen Gouverneur van Suriname, welk antwoord zeer gunfiig is; hebbende nu mede onlangs, zeer wei-

ni'


C 753 )

nigc dagen geleden, de Kommisfie, van den Prefident ter kuste van Guiv.ca, de fom van/450-00, voor'den dienst dezes jaars, als gift, ten behoeve der Maatschappij, van Ambtenaren en Vrijgeborenen aldaar, ontvangen.

En nu nog een enkel woord, Mijne Heeren! ten opzigte van het Tijdschrift: de star. De inteekening op hetzelve is zoodanig wél geflaagd, dat daarvan ongeveer isoo exemplaren worden gedebiteerd. Met den Uitgever j. van der hey zijn zulke schikkingcn gemaakt, dat deze onderneming, welke den algemeenen bijval der Natie schijnt te vinden, wel verre van schadelijk te wezen voor de financiën der Maatschappij, integendeel op den duur' een aanmerkelijk voordeel belooft.

Van wege de AfdecUng van Korrespondcntie.

P. VAN HEMERT, 'Prefident.


Pagina 754. Iets over de vruchtbaarheid van den grond, en de middelen, die kunnen worden aangewend, om dezelve voort te brengen, waar zij ontbreekt (*).[bewerken | brontekst bewerken]

I. Grondsoorten.[bewerken | brontekst bewerken]

De ondervinding heeft doen zien, dat de voordeelige groei der plantgewasfen afhangt (behalve van de temperatuur des daropkvings) van de gefteldheid des grcnds.

De-

(*) Dit stuk is gegeven door den 2den Adsessor, tot instruktie voor het vervolg van de Onderdirekteurs in de Kolonie, met het Bestuur over den landbouw, onder het oppertoezigt van den Heer Direkteur, belast. Hetzelve behoort dus niet aangemerkt te worden als een volledig stelsel van landbouw, maar alleen als eene ontwikkeling der theoretische gronden, waarop de vorige schriften, hun gegeven, berusten, ten einde zij, daarmede bekend, met meer oordeel de werkzaamheden, die de ontginning van woeste gronden vordert, besturen. Hetzelve wordt aan het publiek medegedeeld, éénsdeels om hetzelve te overtuigen, hoe weinig de Maatschappij de gewone miststoffen behoeft, en dus het vooroordeel tegen te gaan, dat hare onderneming een' schadelijken invloed op den reeds bestaanden landbouw hebben zou; anderendeels, om deskundigen in de gelegenheid te stellen, van de aangenomene beginselen te beoordeelen: welke tevens uitgenoodigd worden, daarop eenige aanmerkingen te maken hebbende, om die aan de Permanente Kommissie mede te deelen, die dezelve dankbaar ontvangen en daarvan het beste gebruik maken zal. DE REDAKTIE.


(pagina 755)

Deze gefteldheid nu wordt voornamelijk bepaald:

i°. Door deszelfs waterhoudend- en warmteleidend vermogen.

2*. Door de meerdere of mindere hoeveelheid tcelftof, daarin, voorhanden.

3°. Door de eigenschappen dier teelttof zelve.

Het waterhoudend en warmteleidend vermogen hangt ' wederom af van de gefteldheid der aardfoorten, in den grond aanwezig.

Door waterhoudend vermogen verftaat men de eigenfehap van den grond, om eene zekere hoeveelheid waters te kunnen opnemen of inzuigen, alvorens hetzelve te laten doorzijpelen.

Door War mieleidend vermogen verftaat men die eigenfehap, om, met eenen gegeven' graad Van warmte, het water een' langer of korter tijd bij zich te kunnen houden, alvorens dat te verhezen.

Hoe geringer het warmteleidend vermogen is, hoé langer de grond het water behoudt; hoe grooter daarentegen de warmteleiding is j des te fpoediger wordt hetzelve uitgedampt.

Het waterhoudend vermogen van het leem b. v. is zeer groot, als. in eenen volkomen zuiveren en onvermengden ftaat, het driedubbelde van zijne zwaarte bedragende. Het warmteleidend vermogen, daarentegen, dier aardfbort is zeer klein: waaruit volgt, dat het leem veel water opneemt, en dit lang behoudt.

Het waterhoudend vermogen, daarentegen, van het F ff 2 zand


C 756 )

zand is zeer gering, zoodat het flechts weinig daarvan opneemt, en wel niet meer dan een vierde van deszelfs zwaarte; daarentegen is deszelfs warmteleidend vermogen zeer groot, zoodat het opgenomen water fpoedig wordt uitgedampt.

r>eide gronden zijn,, ieder op zich zelve genomen, voor de vruchtbaarheid Schadelijk; daarentegen, in de juiste evenredigheid vermengd zijnde, voor den landbouw regt geschikt.

Naarmate van deze vermenging erlangen de gronden onderfebeidene benamingen, welke men onderdeden noemt.

De gewone aardfborten, in ons Land voorkomende,

Zljll: leem, kei- of kiezelaarde, bitteraarde en zand,

doorgaans met eene mindere of meerdere hoeveelheid geoxideerd ijzer vermengd, dan eens als oer in groote Hukken of laagsgewijze voorkomende, dan weder ais kleine, geele af bruine, roestachtige {teentjes, of ook wel. geheel fijn en vermengd.

Geene dezer aardfborten worden immer zuiver aangetroffen, zij zijn doorgaans met andere zelfftandigheden vermengd.

De leemaarde onderdeelt zich in de volgende foorten: Pottenbakkers-leem, eenvoudig leem genoemd, en daardoor van de leemaarde onderscheiden, bevattende 34 deelen zuivere leemaarde en 66 deelen kei- of kiezelaarde.

Klei, befiaande uit ongeveer 37 deelen leem, 52 tot6© deelen kei- of kiezelaarde en fijn zand, en 3 tot i* deelen geöxydeerd ijzer, op de masja namelijk. Van het laatfte hangt de kleur der klei af: is er veel \y.v;-oxyde in den grond voorhanden, dan is die bruin of roodachtig;


( 757 )

flg; is die hoeveelheid daarentegen weinig, dan is de kleur zwart. Overigens, vindt men in de'klei dikwerf een weinis: kalk, ook wel bitteraarde, echter in den grond, dien wij op het oog hebben, doorgaans in eene • té geringe hoeveelheid, om opmerking te verdienen.

De leemgronden beftaan ongeveer uit 70 deelen kiezelaarde en zand, 25 tot 29 deelen leem, en 1 tot 5 deelen geoxideerd ijzer, op de honderd deelen der masfa.

Vermeerdert de hoeveelheid van leem, in evenredigheid van het zand, dan wordt de grond zware leemgrond genoemd.

Ligte leemgronden beftaan uit 85 deelen kiezelaarde en zand, iotot 12 deelen leem, en 3 tot 5'deelen geöxydeerd ijzer.

Naarmate derhalve de evenredigheid van leem en zand in de gronden verschilt, verschillen tevens deszelfs benamingen.

Het is noodig, hier aan te merken, dat de Natuur de vereeniging tüsschen de oóiierfeheideHe aardfoorten zoodanig daarIteït, dat dezelve door de kunst niet volkomen kan worden nagevolgd. Het is, bij voorbeeld, niet voldoende, om klei te maken, dat men de onderscheidene deelen, waaruit die beftaat, te zamen menge: natuur en tijd alleen kunnen die volkomene en innige vereeniging bewerken, welke daartoe gevorderd wordt.

De kiezel- of keiaarde wordt nimmer zuiver in de Natuur gevonden; van andere deelen gescheiden, is zij een wit poeder, op het gevoel harder dan het leem, en maakt een hoofdbeftanddeel uit.van alle vonken- ofvuurgevende fteenen; haar waterhoudend vermogen maakt naauwelijks een vierde van derzelver zwaarte uit.

De zandgronden kunnen in drie onderdcelen geschift worden.

Fff 3 i°. Als


C 75S >

■ i3. Ais, kweJ-zand, beïtaande uit heldere, kleine, ongekleurde korrels. a°. Parel-zand, beïtaande uit grootere, half-doorschij-

nende korrels. 30. Stuif-zand, uit gekleurde en ongekleurde, grootere en fijnere korrels zamengefield; van de laatften echter verre weg de meeste. Doorgaans treft men in ons Land eenige kalkdeelen in de zandgronden aan, welligt door vroegere overftroomingen, en door de zeeschelpen, daardoor met dezelven vermengd, ontdaan; ook wordt daarin dikwerf gevonden eene mindere of meerdere hoeveelheid geöxydeerd ijzer, waarvan deszelfs roode, geele of zwarte kleur afhangt (*). De eerfte foort van zandgronden befiaat: 1°. Uit leem-zandachtige gronden, doorgaans f6% deelen leem bevattende, 4°. Uit zandachtige leemgronden, die T§3 deelen leem

inhouden; en eindelijk uit f. Uit zandgronden, die minder dan r|5 deelen leem bevatten.

Behalve de leem- en zandgronden heeft men nog kallegronden, die eene groóte hoeveelheid kalk, met leem en zand gemengd, bevatten, en veengronden, over welke laatfie wij nader zullen handelen.

De kleigronden, welke ongeveer jf| deelen leem inhouden, bevatten het geschiktfie waterhoudend- en warmteleidend vermogen, en zijn derhalve het best voor den

land-

(*) Eene- te groote hoeveelheid geöxydeerd of overzimrd ijzer kan den grond schadelijk zijn, doch dit kan door dezelfde middelen geweerd worden, als wij nader tegen de verzuurde gronden zullen opgeven; in eene matige hoeveelheid echter is het zeer dikwerf nuttig.


C 759 )

landbouwer gdchikt. Naarmate de hoeveelheid leem op de honderd deelen vermeerdert of vermindert, zijn dezelve minder deugdzaam.

II. Over de vruchtbaarheid van den grond.[bewerken | brontekst bewerken]

Leem en zand, hebben wij reeds gezegd, zijn ieder op zich zelf onvruchtbaar; te zamen vermengd, verkrijgen zij wel de geschiktheid, om vruchtbaar te worden, doch zijn het echter niet C*j •> zolidér bijmenging van eene derde ftof, die wij teclftof noemen zuilen, ook wel Humus geheeten, (in het Fransch: ‘‘ terre végdtale^ De kennis dezer ftof, waarvan de vruchtbaarheid grootendeels afhangt, is van het uiterfte belang, waarom wij hieromtrent eenigzins breedvoeriger zullen zijn.

De beftanddeelen van den Humus komen, groótendeels met die der plantgevvasfen en dierlijke zelfltandigheden overeen. Alle georganifeerde wezens, waartoe planten cn dierlijke zelfttandigheden behooren, hebben dezelfde beftanddeelen ten grondflag, die wei in onderlinge evenredigheid en mengeling verschuleri, maar niettemin gelijkfoortig zijn, en uit dezelfde grondftoffen beftaan.

In de Natuur zijn deze grondftoffen overvloedig voorbanden, en door eene, aan haar eigene, werkzaamheid, worden daaruit alle georganifeerde wezens gevormd. Deze voortbrengfelen, na eenigen tijd beftaan te hebben,

m Eene geschïkte vermenging der aardfoorten intusschen dra.gt zeer veel bij tot de vruchtbaarheid en bezit in s ‘‘â„¢ ‘‘pip o-roeiftoffen tut dan

zien zelvcn het vermogen, om vele gioe

dampkring aan te trekken en op te »e<> J

. 1.1 r,<>cr nipt genoeg opgehelderd,

verklaring hiervan is ecntei nog met D o rb 7 voor weinig-geoefenden niet begrijpelijk voor te stellen; zij is ook voor den pr*mf*hen landman met noodzakelijk. Fff 4


ben, [onder eene gedaante, welke wij die van 'geor*amfeerde wezens noemen, derven, ondergaan eene nieuwe Chemische icheiding, verrotting of ontbinding geheeten, en worden 'gedeeltelijk in den vorm van gas- of lucht! ioorten in den dampkring opgenomen; terwijl het overig gedeeite, na eene meerder of minder lange bewerking, van welke terftond nader, ondergaan te hebben, tot den ftaat van teelp.of of humus terugkeert. Ook te dezen aanzien dus blijft alles in de Natuur in eenen geftadigen omloop. Uit den humus worden planten ontwikkeld; deze voeden de dieren; beide vergaan, en keeren tot hunnen ooifprong terug. Alle dierlijke uitwerpfelen, waarvan vele, onder den naam van mist bekend zijn, zijn het 'oyerschot van planten of dierlijke zelfflandigheden, die door de bewerking der deden, tot de fjvjsvertering betrekkelijk, eene zekere ontbinding endergaan,, endaardoor de eigenfehap erlangd hebben, van ipoedigcr' volkomen ontbonden, en eerder tot den ftaat van teelftof of humus terug gebragt te worden. En het is uit hoofde dezer gefcliiktheid voor eene fpoedige ontbinding, dat. vMye, nuttiger zijn dan enkele pIantftoffcn,°orn als mistrfoffeh, ter vruchtbaarmaking van den akker, te kunnen worden aangewend. Dan, om de oorzaak hiervan wel te bevatten, zal het noodig zijn, dat wij de hoofdbeftanddeelen van den humus eenigzins nader ontwik-

III. Bestanddeelen van den Humus.[bewerken | brontekst bewerken]

De humus, zoo als wij dien in de aarde ontmoeten, doet zich voor als eene zwart-bruine ftof, beftaande, in de eerde plaats, uit kleine overblijftelen der planten, als aan eene nog nadere ontwikkeling onderhevig Ten

twee-


• ( ffl )

tweeden, Hit zoodanige zelffomdigheden, die, geheel ontbonden, de ware geschiktheid v. rkregen hebben, om aan de pknien tot voeihel te ftrekken-. dit gedeelte van den humus is geheel in water Ontbindbaar, en wordt dan milde humus genoemd; daarin opgelost en vervolgens uitgedampt zijnde, levert hetzelve eene cxirakt-dal op, wier beftanddeelen volmaakt overeenkomen met die der planten, en die aan dezelve tot voeding verftrekken. Ten derde, beftaat 1 de humus uit kookkelen, welke in het water geheel onoplosbaar zijn, en dus die exirakt-[\o£ fehijnen verloren te hebben, welke aan de planten tot voeding dienen. Deze deelen dragen zeer weinig tot vruchtbaarheid van den grond bij. Dit is ook het geval met de nog niet geheel vergane deelen van planten en, dieren. Het onderscheid tusfehen deze en de laatfte is echter opmerkelijk, want de cerfle gaan van tijd tot tijd tot humus over, terwijl de laatfte meer als een dood llgchaam zijn aan te merken, welks ontbinding ten uiterile langzaam voortgaat, en misfehien zelfs eeuwen vordert.

Reeds hebben wij aangemerkt, dat vele deelen der planten en dieren, bij de ontbinding, onder eene füch> foortige gedaante in den dampkring worden opgenomen. Men kan hieruit afleiden, dat de dampkring, rds liét ware met deze Itoifcn bezwangerd, eindelijk daarmede zoodanig beladen zon moeten worden, dat dezelve voor de inademing pngeschikt werd; dan, ook hier heeft de weldadige Natuur werkelijk voor eene afleiding gezorgd: de humus, namelijk, bezit in eene hooge mate de eigèrischap, van een groot gedeelte dezer luebtfoorten tct zich te trekken en op te nemen, en het zijn deze luchtfoor♦en, die, na, ve'reenigd met den humus, eene andere verbinding ondergaan te hebben, de' exirMt-Rof vormen, Fff 5 wel-


C 76= )

welke der planten tot voeclfel verftrekt, en waardoor het verlies herfteld wordt, dat de humus, door der planten het noodige voedf'el te verschaffen, ondergaat; de nog overig geblevene luchtfoorten in den dampkring worden door de planten zelve aangetrokken en opgenomen. Op deze wijze wordt de dampkring van tijd tot lijd gezuiverd van die overvloedige ftoffen, welke anders door duizende-millioenen van zich ontbindende of rottende ligchamen daarin zouden ophoopen. Daar de humus deze luchtfoorten uit den dampkring tot zich nemen moet, om daaruit de extrakt-üofzai&èü te ftellen, kan men hieruit afleiden, van hoeveel gewigteene geschikte vermenging van den grond te dien einde is. De zuivere leemgrond, onvermengd, is al te vast, fluit zich door de warmte te sterk, en fielt alzoo den daarin voorhanden zijnde humus buiten de mogelijkheid, om die ftoffen in toereikende hoeveelheid op te nemen. Het zand, daarentegen, wordt te veel van het water doordrongen; de extrakt-fcoï, in het water oplosbaar zijnde, wordt hierdoor, als het ware, telkens uitgeloogd, en voor zoo verre die nog in het zand aanwezig blijft, bij de minfte duurzame warmte uitgedampt, waardoor de g<w-foorten, die der planten tot voedfel moesten verftrekken, althans gedeeltelijk verloren gaan; hierdoor tevens verdikt de éxtrakt-Roï te zeer, om aan de planten tot voeding te kunnen dienen. Van daar dan ook, dat, bij eene eenigzins, aanhoudende warmte, de planten in de zandgronden zoo fpoedig verkwijnen, en dat daarna, bij eenen milden regen, de vegetatie zoo sterk en fpoedig ontwikkeld wordt: in het laatfte geval, namelijk, wordt de extrakt ftof ontbonden, andermaals met de verlorene gas-fooxten verzadigd, en hierdoor aan de wortels der planten eene groote mate van voedfel toegevoegd. Hierom


( 7Ö3 )

cm is dan ook eene juisr-geëvenrcdigde vermenging van zand en leem eene zoo belangrijke zaak; door bet zand wordt de grond ligt doordrongen van het water, cn de luchtfoorten, de' lecmftof, daarin voorhanden, beletten de fpoedige uitdrooging van den humus, de doorzijpeling en verdamping der ontbondene exlrakt-boï â– > benevens de verkoling van den humus, die daarvan anders het gevolg is: zoodat de omwikkelde dof, als het ware, befteridig met de wortels der planten in aanraking blijft.

Merken wij nog op, dat ee^e aanhoudende betceiing van den grond meerdere voedfeldeelen vordert, dan de humus uit de lucht afschetden kan, waardoor dezelve, uitgeput zijnde, de eigenfehap verliest van verdere de noodige ftof tot voeding der planten te kunnen verschaffen. Van daar de hoodzakdijkheid der bemesting; van daar tevens, dat een leem- of kleigrond, om de vijf of zes jaren, doorgaans flechts ééns, en een zandgrond, daarentegen, om de twee jaren, dikwerf, alle jaren, bemest moet worden. ' De eerfte behoudt de overvloedige ontwikkeling der extrakt-M, de laatfte laat die doorzijpelen of uitdampen. Hieraan is het ook toe te schrij' ven, dat, wanneer een grond, door aanhoudende beteeling, als het ware, uitgemergeld wordt, (hetgeen de ] meilieden uitdrukken, door het zeggen: de raag is er uit,) dezelve naderhand zoo moeijelijk, door middel van nieuwe bemesting, tot vruchtbaarheid te brengen is: door de aanhoudende bebouwing, namelijk; is de humus koolachtig en tot zijne beftemming onbekwaam geworden, en de daarop gebragte mistftpf moet eerst aan eene grootere ontwikkeling en werking der lucht zijn blootgefteld, alvorens eene toereikende hpeyeelh'eidhumus op te leveren, ten einde eene voldoende mate van vruchtbaarheid voort te brengen; 'en hiertoe worden dikwerf


c m )

jaren ■ gevorderd. Daarom tevens is liet zoo moeijelijk, zandgronden, die in het geheel geen' humus bevatten, tot kuituur te brengen, omdat er zeer veel mist en tijds vereischt wordt, om die hoeveelheid humus voort te brengen, welke een akker vordert, om vruchtbaar te zijn. Ook aan de geichiktheid van den humus, om uit den dampkring de vocdleiftoffen voor de planten af te scheiden en op te nemen, is het toe te schrijven, dat goede gronden, niet geheel uitgeput, door het zoogenoemd braken of (lil liggen tot vruchtbaarheid gebragt kunnen worden, en dat dit gedeeltelijk de plaats van bemesting vervangen kan: de gedurige bebouwing, namelijk, van de blootliggende gronden fielt den humus in onmiddellijke aanraking met de lucht, en geeft dus gelegenheid, cm de noodige gas- of luchtfoorten, ter vermenging der extrakt-üof, af te scheiden: en op die wijze kan in een' goeden grond, door denzelven te braken, de vruchtbaarheid gedeeltelijk, zoo al niet geheel, worden herfteld.

Eindelijk onderscheidt de humus zich van alle andere aardföorteh daardoor, dat dezelve geheel verbrandbaar is. De assche, die de plantgewasfen bij hunne verbranding achterlaten, behoort niet tot het wezen van den humus, maar tot de aardachtige deelen, van welken wij bij eene volgende gelegenheid zullen fpreken. Het is dan ook ten onregte, dat men den humus teelaarde noemt: uit geef, aanleiding tot verwarring; de naam van tceljlof zoude daaraan in onze taal beter voegen, als door verbrandbaarheid van alie eigenlijke aardfborten onderscheiden zijnde.

Ééne eigenfehap heeft de -humus nog, die wij vooral niet moeten verzuimen op te merken, dat is, die van

te

4


te kunnen verzuren, bij eene te groote mate van duurzame vochtigheid. Deze eigenschap verkrijgt dezelve inzonderheid in lage en waterachtige gronden; ook.op hooge gronden, waar zoodanige kruiden groenen, als, onder anderen, het heidekruid; ook wel in diep liggende plaatfen, waar vele waterplanten verrotten: in n geval wordt de humus, door de groote hoeveelheid juut, die eene toereikende ontbinding der plantaardige zpjffiai digheden belet, in het water grootendeels onoplosbaar, en ongeschikt tot voeding der planten. De humus veranderen in gemarde of veenflof, en is, zoo lang dezelve niet van het overvloedig zuur ontdaan is, flechts voor zeer weinige planten tot voedfel geschikt, en integendeel voor de meeste verderfelijk.

De humus bezit een grooter waterhoudend vermogen dan eenige aardfoort, als kunnende het vierdubbelde van deszelfs zwaarte opnemen; deszelfs warmteleidend vermogen ftaat tot die van het zand nagenoeg als 7 tot 10: zoodat hetzelve, hoewel langer het water behoudende dan hét zand, dit echter veel fpoediger verliest clan de klei of leem, welker warmteleidend vermogen tot het 7Mé nagenoeg ftaat als 2 tot Wi Hierbij weegt, een kubiek-voet humus slechts 37* «. de klei daarentegen 8«: zoodat een grond, uit enkel humus beftwófcs £8 ligt 'is ' om de wortels der planten wel te doen vatten, en ki den grond vast te houden. Een te groote overvloed van humus, in den grond voorhanden, is dan ook, zoo uit hoofde van deszeffs te (lerk waterhoudend vermogen, als wegens zijne ligtheid, voor de pi,nt.. ‘‘cwa^fen schadelijk, daar dezelve, in zoodanige gronden doorgaans te geil opschietende, gaan liggen, en zefier goed zaad -even; aan den anderen kant, echter, kan,


C 76-6- )

door het groot waterhoudend vermogen en de zwaarte van het zand, de onvruchtbaarheid van het laatfte door eene geschikte bijmenging van humus worden weggenomen, bok dan, wanneer het dezen gronden aan de. vereischte hoeveelheid leem ontbreekt, inzonderheid met eene doelmatige inrigting der beteeling, van welke wij, in liet vervolg, nader zullen handelen.. • Uit het opgegevene zal men hebben kunnen afleiden, dat de oorzaken der onvruchtbaarheid van eenigen grond aan eene der vijf volgende oorzaken moeten worden toegeschreven:

i°. Aan een ongeschikt waterhoudend vermogen.

20. Aan ontoereikend bezit van humus.

â– 30. Aan verzuurden humus.

40. Aan verkoolden humus.

5°. Aan al te oyervloedigen humus.

Laat ons thans zien, door welke kenmerken men, bij ontmoeting van eenen onvruchtbaren grond, oordeelen kan, aan welke dezer oorzaken de onvruchtbaarheid moet worden toegeschreven; en wel in de eerfte plaats, in hoe verre dit door de zintuigen waar te nemen zij. Daarna zullen wij de middelen aan de hand geven, cru dit naa'uwkeuriger te onderzoeken; en eindelijk den weg aanwijzen, om het gebrekkige in dezen te verhdp-n.

Om het waterhoudend vermogen op de minst-omiiagtige wijze te onderzoeken, neme men op cndericheidene pJaétfen eenige aarde van oen grond, iegge die op de vlakke hand, en menge dezelve met fpeekfél of water. Op deze wijze scheidt het zand zich van de leemdee! n, en men zal eenigermate kunnen oordcien over de hoeveel-


( 767 )

veelheid van ieder dezer aardfborten, en dus ook over het waterhoudend vermogen, voor zoo verre, namelijk, dit van deze zelfftandighekl afhangt. Tot eene volkomene naauwkeurige proeve, echter, is dit onvoldoende; doch roft eenige geoefendheid kan men dit op de voorgemelde wijze al" vrij naauwkeurig beoordeelen. Men lette vervolgens op den aard der kruiden, die den bodem bedekken: is de grond grof, zandachtig, zonder veen, en met weinige en magere heidekruiden bedekt, dan is de grond hoogstwaarschijnlijk van weinig teelftof of humus voorzien.

Grocijen de kruiden hoog en welig, men befluit tot eene meerdere hoeveelheid humus; vindt men onder dezelven biezen en veenachtige gewasfen, zoo is dit een kenteeken van eene nog grootere hoeveelheid verzuurden humus, dewijl zoodanige gewasfen inzonderheid aan zuurachtige gronden eigen zijn.

Is een welige heidegrond daarbij met fijnere grasfoor-

ten bedekt, dan is zulks een kenteeken van eene mildere of betere foort van humus.. Ontdekt men veel veenaarde op dcnzelven, dan is zulks een kenmerk van veel en sterker verzuurden humus; is op zoodanig eenen veenichtigen grond het heidegewas schraal, dan is de humus zeer verzuurd, of zeer verkoold. i.

Men onderzoeke vervolgens den grond, op de diepte van a of 3 voeten. Vindt men eene laag oer onder denzelven, dan zal die moeljelijker tot kuituur te brengen zijn, naarmate de oer-banfc nader bij de oppervlakte ge. vonden wordt.

Ontdekt men, daarentegen, lager een' leemachtigen grond, en is de oppervlakte zandgrond, dan zal eene goede vermenging dezer twee fpeciën gemakkelijk zijn,

en


( 7â„¢ )

en veel tot verbetering van de bovenkorst kunnen bijdragen.

Over de dorre bei- en hooge vcen-üronden fkgiks nader. ',.

Laat ons tbaiis, alvorens de middelen aan te wijzen, hoedanig de onguntlige gefteldheid van den grond te verbeteren, onderzoeken, op welke wijze eene meer naauwkcurige, kennis van den aard der zamenliellende deelen dfr gomden kunstmatig verkregen kan worden.

Om het waterhoudend vermogen van de verJchülenJe aardfborten grondig te onderzoeken, neme men eene hoeveelheid van twee of drie ponden aarde, uit onderschcidene plaatfen van den akker gefehept, roere die wel

door één, fpreiJc dezelve uit, en zuivera die zoo, veel

mogelijk van de grove vezeltjes, fteentjes en• worteltjes. Men make die vervolgens door bijmenging van water tot eene dunne brijpap, en legge deze op een'doek, over een raam gefpanncn, om er al het water te doen uitioonen, dat de aarde niet behouden kan. Zoodra er geen waalmeer door druppelt, legge men een ftuk dik papier in eene fehaal, make de schaal gelijk, en wege daarop een pond van de uitgedropen aarde, plaatfe die vervolgens zoo lang op eene warme (loof, totdat de ftoof geheel droog is, wege die vervolgens, en zie, hoe veel.waters een pond dezer aarde door uitdamping verloren heeft: dit verlies wijst het waterhoudend vermogen des^gronds aan.

Om de hoeveelheid van den humus in deze foort van grond te onderzoeken, neme men andermaals, twee of drie ponden van den grond, zoeke daaruit de grove worteltjes en vezeltjes, en drooge de aarde JKfflgzaajQ op eene ftoof; geheel uroog zijnde, wege men dezelve, en


( 7ÓQ )

'egge dien nogmaals op eene warme ftoof; heeft hij bij de tweede drooging niets van zijn gewigt verloren, dan is dit een kenmerk, dat dezelve de vereischte uitdrooging ondergaan heeft. Vervolgens wordt er van deze drooge aarde een pond afgewogen, 'm eene schoon geschuurde koekepan dunnetjes uitgefpreid, en die op een heet kolenvuur gezet, totdat pan en aarde beide gloefjen, van tijd tot tijd met een' ijzeren fpadel of vork de aarde omroerende. Hierop laat men alles kond worden, en weegt de ftof naauwkeurig; hetgeen dezelve in gewigt verminderd is, wijst de hoeveelheid aan van humus, in dezelve voorhanden; daar echter de hoeveelheid van humus öp woeste of fehrale gronden (de veenachtige uitgezonderd) zelden groot is, en veelal geen lood op het pond bedraagt, moet men bij de bewerking ten uiterfte omzigtig zijn-, om geen gedeelte der aarde te laten verloren gaan.

Om te Oordcelen, of de humus al of niet verzuurd ïs ‘‘

neme men drie ftukjes lakmoes, en giete daarop zoo veel water, als noodig ïs, om die te doen fmelten; vervolgens legge men in dat vocht vier of vijf reepjes dik fcbrijf-papier, en late dezelven in de schaduw, na

wel doortrokken te zijn, droogen.. Ongeveer een

pond aarde worde andermaals niet water tot eene brij gemaakt; men legge het lakmoes-papier daarin gedurende 12 uren, neme er dan hetzelve voorzigtig uit, en drooge het in de schaduw. Naarmate het lakmoes-papier donker-rood geverwd is, is er meer zuurftof onder den humus voorhanden; is de kleur geheel niet veranderd, dan is dit een bewijs, dat er geene zuurftof in den g^ond aanwezig is.

m star, 1819, N°. IX. Ggg Om


C 77° )

Om de deugdzaamheid van den humus te leeren kennen, kookc men zes ponden wel op eene ftoof uitgedroogde aarde van den grond, dien men zich voorftelt te bebouwen, in eene toereikende hoeveelheid waters, gedurende een uur, zeer sterk 5 men giete er dan dat water af, kooke nogmaals de aarde, met eene gelijke nieuwe hoeveelheid waters, gedurende een uur, en giete dit bij het voorgaande. Na bezonken te zijn, wordt hetzelve door een' digten doek doorgegoten, en vervolgens uitgedampt, totdat her de dikte van eene dikke firoop verkregen heef-; koud geworden zijnde, wordt deze extrakt gewogen; een goede humus moet ten minfte §- van deszelfs gewigt aan extrakt-floï opleveren,

Zoodat ieder pond aarde, volgens de voorgaande proeve één lood humus bezittende, van de zes ponden aarde 2 lood extrakt-ïxQÃ� verkregen moet worden. Had de aarde met de proef van het lakmoes-papier een' zuren humus aangeduid, dan zou men bij de tweede koking met de aarde 6 lood zuivere potasch hebben moeten mengen, als bezittende deze de eigenfehap, van den zuren humus op te losfen; vervolgens zou men dit water afzonderlijk moeten uitdampen, ten einde uit beide de cxtrakt-Otoï ieder afzonderlijk te verkrijgen; deze beide te zamen gewogen, geven, na aftrek van de potasch, in het tweede kookfel voorhanden, de geheele hoeveelheid van oplosbaren humus; het overige moet als verkoolde humus beschouwd worden. Indien dus 6 ponden aarde 6 lood humus bevatten, en deze 2 of 3 lood extrakt-Roï opleveren, is er 3 of 4 lood verkoolde humus (*) voorhanden.

Het

(*) Wij vooronderftcllen, dat de vezeltjes, of nog niet

ont-


( )

Het fpreekt van zelf, dar, hoe minder de oplosbare ftof bedraagt, voor des te Hechter de humus gehouden moet worden, terwijl, hoe meerdere zuiver extraki-ilof daaruit opgelost kan wórden, des te beter die te achten is.

Op deze wijze, derhalve, kan men de hoofdei genfehaopen van den grond, die voornamelijk deszelfs vruchtbaarheid bepalen, naauwkeurig genoeg leeren kennen; eerlang zal de Maatschappij eenen ieder, wien deze bewerking te ömflagtig schijnen mogt, in ftaat stellen, om dezelve door eenen deskundigen te doen verrigten; dan zullen ook de proeven met meerder €hémische juistheid genomen, en ieder der zamenflellende deelen van den grond meer naauwkeurig ontwikkeld worden; hiertoe echter Wordt eene Scheikundige bekwaamheid gevorderd, die men alleen bij den geoefenden kunftenaar verwachten kan.

Deze meer naauwkeurige kennis echter is flechts in

weinige gevallen een volftrckt vereischte, om over de gefteldheid van den grond, ten aanzien der middelen, gevorderd om dien vruchtbaar te maken, wèl te oordeelen, en de opgegevene proeven, behoorlijk genomen, zullen in ons Land, in de meeste gevallen, een toereikend rejïiltaat opleveren, om de keuze der middelen, die daartoe te bezigen zijn, te regelen.

Gaan wij thans over om te onderzoeken, op welke wijze de gebreken, die men in den grond ontdekt mogt hebben, kunnen worden verholpen.

IV.

ontbonden humus, behoorlijk 'uit de aarde vóór de bewerking zijn uitgezocht en daarvan afgescheiden.

Ggg 2


C m )

IV. Middelen, om den dorren grond vruchtbaar te maken.[bewerken | brontekst bewerken]

De oorzaken der onvruchtbaarheid, hebben wij gezien, kunnen hoofdzakelijk tot vijf hoofdfoorten gebragt worden, als beftaande: in een' ontoereikenden voorraad van die deelen, welke tot de vruchtbaarheid gevorderd worden; of wel in derzelver bijzonder verzuurden toeltand; Of in eene te groote hoeveelheid daarvan; of in de verkoeling derzelven; of in een ongeichikt waterhoudend vermogen.

Ten aanzien van het eerfle, tweede en vierde, heeft

de ondervinding doen zien, dat de mistftoffen, doelmatig aangewend, als de geschiktfte middelen moeten aangemerkt worden, om het gebrekkige te verbeteren; het derde, als eene bijzondere bewerking vorderende, verdient dus ook eene bijzondere beschouwing; terwijl het ongeschikt waterhoudend vermogen door eene behoorlijke vermenging van den grond, en waar deze niet uitvoerbaar is, door eene doelmatige kuituur, het best zai kunnen worden verbeterd, of de schadelijke invloed daarvan zal kunnen worden verminderd.

Bepalen wij, alvorens te fpreken over de beste wijze van aanwending van den mist, naar den aard der gronden, eerst, de eigenfehappen en de geschiktfte bereiding derzelve.

V.


C 773 )

V. Over de mist-stoffen.[bewerken | brontekst bewerken]

De mist-ftoffen kunnen in twee hoofdfoorten verdeeld Worden: in de zoodanige, namelijk, die deelen bezitten, geschikt om de vruchtbaarheid, welke zij zelve bezitten, aan den grond mede te deelen; of wel in dezulke, die, zonder zelf vruchtbare deelen te bezitten, niettemin, door het bevorderen der. ontbinding en overgang der planten en dierlijke zelfftandigheden, die in den grond voorhanden, of daarmede vermengd zijn, tot humus, de vruchtbaarheid bevorderen.

Tot de eerfte behooren alle dierlijke en plantaardige zelfftandigheden; ook de asch en de iloot-bagger.

Tot de tweede behooren de kalk en kalkaarde, als mergel, de loogzouten der mistftoffen, de assche, voor zoo verre die een loogzout bezit, en ook eenigermate liet zand zelf.

Reeds vroeger hebben wij opgemerkt, dat de planten en dierlijke zelfftandigheden niet anders zijn dan humus, die door eene werking, aan de Natuur bijzonder eigen, eene zekere modificatie ondergaan hebben, gewijzigd naar de onderscheidene vermengingen der zamenftellende deelen van den humus, en dat, wanneer de oorzaak ophoudt te werken, die deze bijzondere modificatie heeft voortgebragt, de dierlijke en plantaardige zelfftandigheden andermaals tot humus terugkeeren.

Deze terugkeering intusfehen geschiedt niet plotfelijk, maar trapsgewijze, bij de ééne foort fpoediger, bij de andere langzamer, en in diezelfde evenredigheid is de uitwerking van deze of gene aangewende mist-ftof, ter daarftelling der vruchtbaarheid, fneller of trager.

Ggg 3 De


C 774 )

De beftanddeelen der planten en der dierlijke zelfïïandighedjyi leveren voornamelijk cp zuurftof, waterftof, ftikftof en koolftof, die en in de planten en in den humus beiden, op eene eigenaardige wijze, onderling verbonden zijn; de laatfte, de koolftof inzonderheid, schijnt, tot den groei der planten zeer veel bij te dragen, en daarom ziin die mist-ftolfen, welke dezelve in den groot,ften overvloed inhouden en het fpoedigst ontwikkelen, het voordeeligfte voor den groei der plant-gewasfen. De humus bezit de eigenschap, van deze jvw-foorten uit den dampkring aan te trekken, en op deze wijze het verlies, dat dezelve lijdt, door die aan de planten mede te deelen, gedurig te vergoeden, indien, namelijk, aan den grond niet eene té groote hoeveelheid door de planten onttrokken wordt. Hieraan, bij voorbeeld, is het toe te.schrijven, dat de bosfehen geene bemesting noodig hebben. Is echter devbeteeling van den grond zoo sterk,, dat aan dezelve de voedfel-deelen fpoediger worden ontnomen, dan die door den in den grond voorhanden humus uit den dampkring kunnen worden afgescheiden, dan heeft er vermagering, dikwerf geheele â–  uitputting van den grond plaats. Om dit voor te komen, is in zoodanig geval een beftendige aanvoer van mist-ftoffen noodig, door welke voedende ftoffen vergoed worden.

Het water is mede een, voor den groei der planten en ontwikkeling der voedende ftoffen onontbeerlijk vereischte. Bij een ontoereikend waterhoudend vermogen moet men dus trachten dit te verhoogen, door het aanbrengen en bijmengen van zoodanige grondfoorten, die dat vermogen vermeerderen; of, zoo de gelegenheid

daar-


( 775 )

daartoe niet prftfg is, door gebruik te maken van mistfoorten, biertoe bijzonder gefehikt; ook de wjjze ckr bebouwing kan hier van invloed zijn, geluk w« nader

2"dT dSiike, zachte zelfftandigheden iehfjnen uit het fijnere gedeelte der planten zamengefteld, en onthouden veel ftikftof. Voor eene fpoediger ontbinding vatbaar, ^an dezelve ook rasfer tot den Maat van humus over. De meer vaste deelen, ais horen, beenderen, enzv., die meer koolftof inhouden, ontbinden zich langzamer. De plantaardige deelen, die meer koolftof onthouoen, dan fzachte^dierlijke deelen, ontbinden zich mece langhamer, dan deze laatfte. De uitwerpsels ^ ^ren^nderheid, die met plantdeelen vermengd zrp, en derh Ive de beide eigenschappen bevatten, van zich, de^Sfr" diger, deels langzamer te ontbinden, en die dus in bet algemeen fpoedig eene gematigde, en tevens duurzame vruchtbaarheid aanbrengen, dat is trapsgewijze tot haL overgaan, zijn uit dien hoofde ook uitnemend tot bending gefehikt. - Deze eigenschappen, mtusfehen, ISmn J den aard der onderscheidene dieren, en van het voedfel, dat zij gebruiken.

De schapen-mist, bij voorbeeld, schijnt by het dier zelf eene grootere mate van ontbinding te ondergaan, dan die der paarden en koeijen. Uit dien hoofde is desZe"s werli ook fneller enkrachtiger dand. de laatflen, doch ook tevens minder duurzaam. Hieiop volgt de paarden-mist, die niet zoo fpoedig en krachtig L de schapen-mist werkt, doch denzelven in duurzaamheid overtreft.

De koe-mist, met ftroo vermengd,. overtreft de twee â– Ggg4 w_


C 776 }

vorigen in duurzaamheid, doch werkt niet zoo krachtig, als de twee voorgaande foorten, Maande deze mistfloffen onderling in fpoedige krachtoefening nagenoeg in de evenredigheid als 3 en 2 tot 1, terwijl hare duurzaamheid nagenoeg in eene omgekeerde reden ftaat, dat is, 3 voêren koe-mist doen niet meer uitwerking, dan 1 voêr schapen-mist, of 2 voeren paarden-mist; doch, zoo de kracht van den schapen-mist in een jaar verteerdis, duurt die der koe-mist 3 jaren (*).

Daar wij reeds opgemerkt hebben, dat eene toereikende ontbinding alleen den humus voortbrengt, zal men daaruit kunnen afleiden, dat, boe meer de mist verbroeid is, zoo veel te meer dezelve tot humus moet zijn overgegaan; dus, dat zoo veel te sterker de uitwerking daarvan op de vegetatie zijn moet, maar tevens, des te korter deze werking duurt: uit dien hoofde dan ook werkt oude mist fpoediger, maar versche mist duurzamer.

Tot de dierlijke uitwerpfelen behoort ook de As of gier: deze bevat, behalve de loogzout-deelen, veeijuitlóogfel der planten, dat is, de extraktAM van' den humus; als zoodanig is dezelve ten uiterfte vruchtbaar en werkt fpoedig, maar niet lang (**).

De

(*) Het fpreekt van zelf, dat de aard der gronden hierbij in aanmerking: moet komen; óp gronden van grof zand kan de koe-mist geen 3 jaren duren, omdat dezelve te veel uitgeloogd wordt; dit, echter, ligt niet aan den mist, maar aan den grond.

(**) Om in de Koloniën de noodige gier te bekomen, wordt, behalve een kleine gierbak bij het huis van'ie-

deren


C 777 3-

De asch, beroofd van al bare natte deden, schijnt de eigenlchap te bezitten, van uit de lucht vele gas* ioorten aan te trekken, en op deze wijze tot de vruchtbaarheid te kunnen bijdragen; in zoo vérre werkt dezelve als humus, en deelt, in vereischte hoeveelheid gebruikt, eene fpoedige vruchtbaarheid aan de aarde mede; hierbij prikkelt inzonderheid het vaste plantenloogzout, in de assche voorhanden, de humus - deelen van den grond, en bevordert de ontbinding daar-; van, gelijk mede daardoor de zure deelen van den grond worden aangetrokken, en dus de zuurachtige humus oplosbaar gemaakt. Echter hebben wij reeds aangemerkt, dat de beteeling van den grond den humus uitput en verkoolt; de laatfte eigenschap, namelijk de ontbinding van den humus, te bevorderen, houdt op Dij de verzadiging van het loog-zout. Van hier dan, dat eene toereikende hoeveelheid assche, op eenen schralen

«■rond gebragt, de vruchtbaarheid daarvan vermeerdert,

maar

deren Kolonist, een groote gemetfelde gierbak gemaakt van 30 voeten lang, 15 breed en 5 diep, in twee vakken afgedeeld, waarvan het tweede 4 voeten hooger dan het eerfte gelegen is. In het eerfte vak wordt de gier der paarden geleid, benevens de fekreet-vuilnis van de fpinzaal en de school. In het tweede vak wordt de paarden-mist, met kalk en allen groenen afval vermengd, te breeijen gezet, ten einde de ontbinding daarvan te bespoedigen; dezelve wordt vervolgens met water uitgeloogd, welk loog in het eerfte vak van tijd tot tijd wordt overgetapt. Na eene behoorlijke uitlooging wordt het vak N*. 2 fehoon gemaakt, en de daarin voorhandene, niet ontbondene ftoffen worden andërraaals met kalk en andere mistftoffen vermengd, en, na verbroeid te zijn, op den akker gebragt. Ggg 5


C 7?8 )

maar tevens, dat de grond daardoor, niet twee of drie graanoogffen uitgeput zimde, alle humus daarin verteerd of verkoold is, de grond onvruchtbaar wordt, en moeijelijk, zelfs door bemesting, wederom voor den 'andbouw gefehikt gemaakt kan worden.

De hout assche, als veel planten-loogzout bevattende, is inzonderheid op zuurachtige grondeiKnuttig; de turfassche, weinig of geen loogzout bevattende, is op zoodanige gronden van weinig uitwerking; doch niettemin zeer nuttig op schrale, dat is, van weinig humus voorziene gronden. Van hier dan ook, dat de turf-asfehe, zonder inachtneming der gefteldheid van den grond aangewend, dikwerf zulke onderfebeidene rcfuhatcn schijnt op te leveren.

De bagger- of floot-modder befhat doorgaans dit de vergane deelen van waterplanten, met eenige aarde vermengd, en bevat derhalve vele humus-deden; dan niet zeldzaam is dezelve door het ftilflaande water zeer verzuurd, en in dat geval, in plaats van vruchtbaarheid aan te brengen, is hij zeer schadelijk; van daar de onderfebeidene gevoelens over het nut van deszelfs aanwending; wordt hij echter door kalk, of bijvoeging van loogzoutige mistfoorten, van deszelfs zuur ontdaan, dan is de floot-modder op alle gronden, waaraan humus ontbreekt, te© uiterfie nuttig. Men heeft aan denzelven meermaals eenen kouden aard toegeschreven; dan, dit is eene dwaling, alleen daardoor ontdaan, dat men den zuren aard der gronden koud genoemd heeft; een grond, die geen' zuren humus bevat, kan wel waterachtig, en in dat geval schadelijk zijn voor de vruchtbaarheid, maar is nimmer koud; alleen, omdat eene overvloedige vochtig-


( 779 ')

tigheid den grond doet verzuren, heeft men de onvruchtbaarheid, die daarvan het gevolg is, oneigenaardig aan de koude toegeschreven.

Overigens zijn alle planten en dierlijke zehftand.ghec.en geschikte mistftoffen; hare fpoedige werking-, en de meerdere of mindere duurzaamheid daarvan, hangt, gelijk wij reeds gezegd hebben, geheel af van de meerof minder - fpoedige ontbinding harer deelem, en van haren overgang tot humus of tcelftoF.

Deze ontbinding kan meest altijd bevorderd worden, door zoodanige mistftoffen, die, Schoon zelve üe vraentbaarheid niet vermeerderende, echter, door den overgang der dierlijke of plantaardige zelfftandigheden tot humus te befooedigen, de vruchtbaarheid van den bodem vermeerderen.

Onder deze komt aan den kalk, en inzonderheid aan den Ollgebïuschten, de eerde plaats toe; deze, als een scherp loogzout, bezit de eigenfebap van de zuren, zoo

uit den dampkring, als van alle levenlooze ftoffen, aan te trekken, en op deze wijze de ontbinding van alle dierlijke en plantdeelen te bevorderen, waardoor dus derzelver overgang tot humus befpoedigcl wordt.

Ook is dezelve van veel dienst op alle gronden, die veel verzuurden humus bevatten, als welken hij, door het zuur naar zich te nemen, tot mikten humus hervormt. _ Op gronden, echter, die geerren humus bevatten., 1S dezelve zonder uitwerking, als zelve geene mfttftof zynde; ook is deszelfs uitwerking op verkoolden humus langzaam, en niet fpoedig merkbaar. Van hier de onderscheidene opgaven wegens de uitwerking van den kalk, wanneer dezelve, zonder de gefteldheid van den grond in aanmerking te nemen, werd aangewend. & â–  Het


C 780 > \,

Het vaste planten-loogzout, of de potasch, doet dezelfde uitwerking, gelijk ook de assche, voor zoo verre die loogzout bevat.

Het zand zelf bezit de eigenfehap, van den zuren humus te verbeteren, waarschijnlijk, omdat hetzelve kalkdeelen bevat, en ecnigermate, gelijk andere grondfborten, het vermogen bezit, om uit de lucht de ^-foorten, die de... planten voeden, aan te trekken; vau hier, dat het zand, op heiden gebragt, of daar over duivende] doorgaans fijnere gras-foorten doet ontdaan. Een gedeelte namelijk van den zuren humus t het eigenaardig voedfel der heidekruiden, verbeterende, door de zure deelen naar zich te nemen, ontfiaat er een milde humus, het heidekruid derft, en het gras komt te voorschijndaar echter de weinige humus, op deze wijze ontdaan fpoedig is uitgeput en verkoold, verdwijnt het gras weder, en het heidekruid bekomt andermaals de overhand. Van hier ook, dat het zand, op derrijachtfge weilanden gebragt, dezelven verbetert, en een gedeelte van den zuren humus aantrekkende, betere grasfoorten doet ontdaan.

VI. Over de kultuur der heidegronden.[bewerken | brontekst bewerken]

Na deze korte Verhandeling over de eigenschappen der mistfoorten, zal het thans niet moeijelijk zijn, de middelen aan te wijzen, hoedanig heidegronden tot kultuur gebragt moeten worden, waartoe wij thans zullen overgaan, met oogmerk, om over zoodanige gronden, die te veel humus bevatten, in het vervolg nadèr te handelen.

Stellen wij dan, om te gemakkelijker deze Verhandeling op de'ondernemingen van de Maatschappij van Wel-

1 da-


c m 5

dadigheid te kunnen toepasfen, dat de onderneming liet vruchtbaarmaken van eenen grond van 1,650 of:,7°° roeden betreffe, zoo als die aan de Kolonisten wordt toegewezen, en rigten wij tevens de vruchtbaarmaking en bebouwing zoodanig in, als met hare overige aangelegenheden het beste ftrookt; fporen wij tevens, (aar het oogmerk niet zijn kan, dezen grond alleen tot het dragen van eenige weinige oogden in daat te dellen maar integendeel, om eene duurzame en toenemende vruchtbaarheid' aan denzelveni bij te zetten) de middelen op, in het bereik der Kolonisten vallende, om dit doel te bereiken.

De heidegrond, die tot kuituur gebragt zal worden, behoort eene dikke, goede heideplag te bezitten, en tevens met eenige veen-aarde, en althans met humus-dstlen, vermengd te zijn, het zand niet te grof van korrelven geene o^--banken te hebben nabij de bovenkorst; waar de grond deze eigenschappen niet bezit, zal men

denzelven liever tot bosfehen, dan tot den landbouw beftemmen, en in dit geval de eer-bank doorgraven; is dezelve met leem-aarde vermengd, of is die in de nabuurschap te hekomen, des te beter.

Eene geschikte afwatering is het eerde, waarvoormen te zorgen heeft; de vereischte greppen moeten te dien einde aangelegd worden; voorts is er eene goede afleiding van het water uit dezelve noodig.

Na het maken der greppen worden 300 roeden gronds afgeplagd, ter bereiding van den noodigen mist; men tieZe te dien einde zoodanige plaatfen, waar oogenschijnlijk de beste plaggen gevonden worden, onder welke eene veenachtige aarde, van ten minde 2 duimen, na de afplagging overblijft. Mogt de te bearbeiden grond

zoo-


noouanSge veenachtige plaatfen niet. opleveren, dan moeten oe plaggen elders, op meer veenachtige gronden, gedoken worden.

De grond afgeploegd zijnde, worden de plaggen in twee hoopen,die teder nagenoeg 150 voeren bedragen, opgelet; ieder dezer wordt met 10 voeren ftratendrek, vijf voeren paardenmist, en 10 schepels ongebluscbten kalk vermengd, ofwel, deze ftofLu laagsgewijze tuslLhen dezelve geitrooid; 500»® fijngemalen beenderen, of afval van iiokvisch, en 250 fs roet, gemengd met 5 schepels ongeb'uschten kalk, voor ieder dezer mis'tbeïten, worden afzonderlijk in eene drooge plaats te broeden gelegd, en naderhand onder de plaggenbelt vermengd. • Uk het reeds vroeger verhandelde, betrekkelijk de mistftoffen, zal men kunnen opmerken, dat de voorgemelde bereiding ten doel heeft, om door het bijmengen van mist bij de plaggen, eene fpoedige gisting in dezelve te weeg te brengen, die ten fierkfte door de bijmenging van kalk bevorderd wordt, welke bovendien de zu•ren, in de plaggen voorhanden, aantrekt, en de outbha-diïig tot miiden humus der plantaardige ftoffen, in de plaggen aanwezig, aldus krachtdadig bevordert; terwijl?de vermenging van kalk met flokvisch-afval, of'gemalen beenderen en roet, hoofdzakelijk ten oogmerk heeft, om de koolftof en geleiachtige zelfftandigheden, daarin voorhanden, te ontwikkelen, en door' dezelve met de mistbclt te vermengen, daaraan toe te voegen (*), Nadat

(*) Stqkvisch-afval en gemalen beenderen bezitten beide, gelijk bekend is, veel gelei-ftof en koolftof. Kalk bevordert de fooedige ontbinding daarvan; de eerfte is aan de «rf/*&-ftof van den humus gelijkfocrtig; het roet is daarbij

eene


( 783 )

dat zoodanige misdoek eens of tweemalen is omgewerkt, en na 3 of 4 maanden geftaan te hebben, is de geheele zélfHandigheid verbroeid, fijn geworden, en. eene zeer geschikte ftof tot voeding van plantgewasfen. In den tüsschentijd, dat de verbroeijing der mistbelten plaats heeft, moet de grond verder toebereid, en ter bezaaijmg gefehikt gemaakt worden.

De keuze der gewasfen, daarop te tcelen, bepaalt voor een aanzienlijk gedeelte de wijze der Weiding, en deze keuze zelve is wederom afhankelijk van de behoeften der Kolonisten, van de middelen, waarover men te hunnen behoeve beschikken kan, en van den aard der grolden.

De ondervinding heeft doen zien, dat aardappelen, inzonderheid de foort, Pynnotuers genoemd, die fmakelijfc, en voor vroege en late aardappelen beide gefëhlkt zijn, op nieuw - aangelegde gronden bet beste Hagen. Het zomerkoorn is op zoodanige gronden, bij eene ecnig-

zins langdurige droogte, aan te veel misgewas onderhevig, dan dat deze kuiture met de belangen der Kolonisten'zoude ftrooken. Winterkoorn, inzonderheid rogge, wast op dezelve zeer wel; dan, daar het móèijélijk is, vroeg in den zomer de Kolonisten op onbebouwde gronden over te brengen, zonder te lang met hun onderhoud bezwaard te zijn, en dit nogtans zoude vereischt worden,

ê

eene nuttige mistftof, en voor vele schadelijke inktten, die anders de zaden aantasten, doodelijk. In Frederiks-Oórd heeft men de beste uitwerking van de op deze wijze bereide mistfoorten ondervonden, en vöor de aarttippeten hoofdzakelijk gebruikt, welke daarin beter, dan in eenige andere mist, gedaagd zijn.'


C 784 ).

den, om den noodfeen mist tijdig in gereedheid te heb5«» w het. alle omflandigbeden in aanmerking <renöverkieslijk, de kuüuur, gedurende bet ^ JW, tot aardappelen en tuingroenten te bepalen; daar echter de bereiding van mist voor het volgende jaar tevTveXr \ hM Ubrs£ - '-rtoe

l vol;; \zaI tevens de w ^t

fiaivoedei, Z00 wel voor den zomer als voor den winter, moeten worden aangelegd, en ruim genoeg genoden worden om geene misrekening te vreezen te heb. r5o of 200 roeden zuIJen du om de

reden, voor het eerde jaar bedemd wgrden tot tuingronden, 6oo roeden tot aardappel-had', 600 dito tot ' ftalvoeder voor den.zomer, en 300 roeden tot een fionZ kamp «1 het ‘‘oodige hooi voor den winter op te Ie veren (*). p c Je*

Om dezen grond toe te bereiden, wordt die aanvankeblk^geploegd, vervolgens in dnkken, van ongevee ^ voet lang, gehakt, en deze worden op rigo-els V1n? voeten breed en 3 voeten hoog, gj, *£* ™ z^nde ip brand gedoken, en met natte p,ag-du ken overdekt worden. De verbranding behoort "enviiz * worden mgengt, dat niet meer dan * der afgeploe-de Plaggen tot assche verbrande; de overige moet n flecht gefenroetd en derk uitgedroogd worden; dit wot-dt altijd beretkt, ais men door den voorraad van

voch-

<*) Met eene goede behandeling geeft de }0>,n het eerile J««r reeds 8,oc0 of l0j0oo pQndec hooi peT"^^ hau morgen op Zorgvliet, in zec, zaJ '

:Lrref -:;rekt daarvM tcn

nu.me 4 beter en voedzamer dan het gewone.


C 785 )

Vochtige plaggen de verbranding zoodanig inrigt, dat men het vuur blusichen kan; de verbrande plaggen of asschen moeten met de verzengde of gedroogde plag»Hukken wel toegedekt, en op deze wijze tegen de vc-rftuiving bewaard worden (*).

De voorgcftelde bewerking heeft hoofdzakelijk ten doel, om door middel der asschen aan den grond, voor het eerfte jaar, eene geschikte hoeveelheid van mist doffen toe te voegen, en tevens, door de zenging der andere plaggen, de daarin voorhanden zuurftof uit te drijven, of althans te verminderen; te sterk moet de verbranding niet worden voortgezet, om niet eene te groote hoeveelheid van teelftof te verliezen (f). Indien de verbranding wèl ingerigt is, komen de riggels S tot 10 voeten van elkander in de lengte over den akker te liggen; door den regén worden de gezengde of gedroogde piaggen-ftukken, die deel* in, deels op de asschen ligâ– o-en, uitgeloogd, en de ontbinding der extra/cf-üof, ' daarin voorhanden, begunftigd door het vaste plantenïoogzuur of potasch, in de assche van het heidekruid voorhanden; en dit uitloogfel verfpreidt zich over den omliggenden grond, waardoor ook aan denzelven een zekere graad van vruchtbaarheid wordt medegedeeld.

Verders is de aardroering die werkzaamheid, welke de

mees-

(*) Deze handelwijze is reeds niet het beste gevolg m Frederlks-Oord ingevoerd.

(f) Zelfs zou het te verkiezen zijn, indien de grond schraal van veenachtige ftoffen voorzien, of daarvan geheel ontbloot is, van elders de asschen aan te voeren; die men op meer veenachtige plaatfen zon hebben gebrand, en zich alleen tot de zenging der heide te bepalen.



C 7«ö )

meeste aandacht verdienteene vermenging der onderscheidene aardachtige zelfftandigheden, welke ten doel heeft eene toereikende losmaking van den grond, en, langs dezen weg, aan de wortels der planten eene genoegzame hoeveelheid voedingftoffen gemakkelijk toe te voeren. Uit hoofde van het laatfte oogmerk zal de grondroering zoodanig worden ingerigt, dat de voedende ftoffen, 'die bij nieuwelings ontgonnen gronden meestal in de bovenfte oppervlakte worden gevonden, in den naasten omtrek der plantgewasfen gebragt worden, en niet, gelijk men meermalen gewild heeft, door de geheele diepte van den om te bouwen grond verdeeld. Tot dezen arbeid, de grondroering,. dan overgaande, zal men

alvorens de onverbrande plaggen, zoo klein mogelijk,

verbrijzelen, en deze ftof met de daaronder liggende asschen gelijkmatig over den grond, welken men bearbeiden wil, vefdeelen, gelijk mede moet plaats hebben omtrent eene dunne laag gronds, waarop de assche verbrand is, dewijl deze anders doorgaans te geil blijft. Vervolgeus zal men voor aardappel- en tuin-land den grond één' en een' halven ftcek omfpitten, zorg dragende, dat de halve fteek van den bovengrond boven blijve' zoodanig, dat op drie, vier of vijf duimen diepte de meeste voedzame deelen gevonden worden. Voor fiorïn, zal men in September van het eerfte jaar de grondschol omploegen, zoo naauwkeurig mogelijk met de gebrande asschen en klein gehakte plaggen vermengen, en 'het fiorïn daarin zonder verdere bemesting planten de voor den mist afgeplagde grond wordt met eene dunne laag asch, van de andere deelen van den grond genomen,, en met 2 schepels kalk vermengd, bij de offlfpitting beftrooid. ^


C 787 )

De grond voor her ftalvoeder in het voorjaar, nadat daarover de gebrande asschen en plag - u-ukken verdeeld zijn, wordt bovendien met honderd voeders plag* gennast op het morgen gemist, en een en ander schol, toet den bovengrond omgeploegd, zoo veel mogelijk met denzelven naauwkeurig vermengd, en gezamenlijk door eggen klein gemaakt; vervolgens met garst, klaver en raij-gvas bezaaid.

Bij het planten der aardappelen worden honderd voeders plaggen-mist op het morgen in kleine hooptïïgebragt; vervolgens gaten -gebroken, anderhalf voet van één, en daarin de aardappelen gelegd, welke gaten vervolgens met eene schop plaggen-mist bedekt worden. Deze bewerking, hoewel eenigermate iangwijliger dan de gewone, ïs van het uiterfte gewigt, als de grootfte zekerheid voor een' goeden oogst opleverende, daar op deze Wijze aan iedere plant de vereischte mist in derzelvet naasten omtrek verschaft wordt.

Ook de tuingewasfen, voor zoo verre die daarvoor vatbaar zijn, als erwten, boonen, vroege aardappelen, kool, enzv. worden op eene foortgelijke wijze behandeld, en of in een kielfpit gelegd, met plaggen-mist aangevuld, of in gaten, daaamede aangehoogd, geplant.

Op het halve morgen fiorih-gvas Avorden in het voorjaar 50 voeders van het fijnfte gedeelte van den plaggenmist gebragt, de grond daarmede overfixooid, en dit gras, benevens het gezaaide ftalvoeder, in het begin van Mei gegierd (*).

De

(*) De groote gierbak, benevens de kleinere der Kolonisten, bevatten reeds eene genoegzame hoeveelheid gier, gedurende deri winter verkregen, (gelijk wij nader ZHllen aantoonen) om deze gronden behoorlijk te gieren.

H h h a


( 788 )

. De gronden, op deze wijze behandeld, bezitten eene toereikende hoeveelheid van voedende ftoffen, om zich een goed gewas te mogen beloven, en wij durven ons daarop te meer verlaten, daar de ondervinding deze Helling voldingende bewezen heeft.

Dan, het is niet genoeg, gelijk wij reeds gezegd hebben, het eerfte jaar voor een goed gewas te zorgen; ook de middelen, die zulks voor volgende jaren verzekeren kunnen, moeten te dien einde voorbereid worden: hiertoe zijn voornamelijk mist en eene goede afwisfeling van veldvruchten noodzakelijk. Het tot een en ander vereischte zij dan het onderwerp onzer nu volgende nafporing.

Merken wij alvorens nóg aan, dat een morgen ftalvoeder voor ieder huisgezin, gelijk wij bepaald hebben, gewoonlijk voor vier koeijen toereikende is; het eerfte jaar kan dit echter niet zoo hoog gefield worden; dan, daar de Kolonisten slechts twee koeijen erlangen, heeft men, buiten bijzondere toevallen, het eerfte jaar geen gebrek te vreezen; mogt er te veel zijn, dan kan men de garst, in plaats van die af te fnijden, laten doorschieten, en zaad daarvan winnen.

Het bezit der koeijen ftelt de Kolonisten in ftaat, om de noodige hoeveelheid mist voor hunnen grond te bereiden. Onder de mistfoorten is de gier een der krachtigfte en fpoedigst werkende; de uitwerpfelen der fekreten zijn dit in eene nog hoogere mate, terwijl het waschwater der huisgezinnen, gelijk zeepfap, enzv. daartoe mede nuttig is. Een in tras gemetfelde gierbak voor ieder huisgezin, van boven tegen het inregenen gedekt, is eene allernuttigfte zaak ter opvanging van dit alles. Indien deze.10 voeten lang is, 6 breed, en 5 voe-

ten


( 789 )

ten diep binnen's werks, zal dezelve drie honderd kubiekvoeten inhouden, dat is 20 gierkarren van vijftien kubiekvoeten ieder; daar echter deze gier te sterk is, en noodzakelijk met § deelen water vermengd moét worden, kan dezelve alzoo zestig gierkarren opleveren.

Twintig voêren gier voor een morgen lands, met de overige bemesting, aan den akker toe te voegen, is voor een gewas voldoende, zoodat een gierbak vol, het vereischte voor drie morgens gronds oplevert. Een buisgezin echter, met twee koeijen, en waarvan het fekreet in den gierbak uitloopt, levert, met het waschwater, eene toereikende hoeveelheid lloffen op, om den gierbak twee of drie malen in het jaar te vullen, en hiervan kan een zeer nuttig gebruik gemaakt worden ter bereiding van mist.

De mistbelt behoort te dien einde aangelegd te worden op den rand van den gierbak, op eenen naar denzelven afstellenden grond, die van onder met eene laag

van leem, zes duimen dik, voorzien is, waarin men eenige bosjes dunne takken gelegd heeft, en welke het water of gier, dat uit de mistbelt zijpelt, naar den gierbak leidt. Op dezen aldus toebereiden grondflag wordt de mist uit den ftal gebragt, benevens de haardassche, keuken-afval, en andere plantaardige zelfftandigheden; iedere laag wordt bedekt met eene laag fijne veenaarde, veenplaggen of turfmolm, tamelijk dik met ongebluschten kalk beitrooid; daarop wordt dan eene nieuwe laag mist gebragt, en deze hoop om de acht dagen met gier uit den gierbak begoten; de misthoop wordt twee of drie malen omgewerkt, van boven met plaggen tegen de inwatering van den regen gedekt, en in eene tamelijke mate van gisting gehouden. Één huisgezin kan op deze H h h 3 wij-


C 790 )

wijze in het jaar 75 of ico voeders goeden, krachtigen mist bereiden, wanneer er flechts gezorgd wordt, dat iedere week aan hetzelve één voer geschikte veenaarde of plaggen worde toegevoegd, of verkrijgbaar gefield (*). De voorgeflclde bewerking heeft hoofdzakelijk ten doel, om den veen- of turfmolm, die eigenlijk niets anders is dan onvolledig vergane waterplanten, waarvan cle ontbinding alleen verhinderd wordt door de groote hoeveelheid zuur, waarmede dezelve bezwangerd zijn, tot humus te deen overgaan, door aan denzelven, in de eerfle plaats, door middel van den cngeblnschten kalk, het zuur te ontne, men, en in de tweede plaats, de fpoedige ontbinding daarvan, door middel der gisting', welke de mist en gier veroorzaken, te bevorderen; ha veen, op deze wijze van zuur ontdaan en verteerd, levert eene der beste mistfoorten op, volkomen geiijkflandig aan andere vergane plantgewasfen, onder den naam van bladaarde bekend, en deze, met mist vermengd, en van eene zeer krachtige gier doordrongen, verschaft eene kompofitis of mengfel, ten uiterfle voor de voeding der planten gefehikt.

(*) De Maatschappij bezit toereikende veenen, ora, gedurende eeuwen, de vereischte hoeveelheid aan hare Kolonisten te verschaffen; de verkrijging daarvan wordt gemakkelijk gemaakt, daar de aanvoering grootendeels te water geschieden kan; en overigens, waar de schuiten niet nagenoeg bij de mistbelt komen kunnen, voeren de paarden der Maatschappij dezelve bij de Kolonisten aan, tegen eene geringe wekelijksche recognitie, waardoor tevens aan' de paarden altijd werk verschaft wordt, indien dezelve op den akker niet noodig zijn; het huishoudelijk Reglement voor de Kolonie, dat eerlang medegedeeld ftaat te worden» zal hieromtrent meer lichts verfpreiden.


C 791 >

schikt. Indien men, gedurende de eerde acht jaren, jaarlijks 25 voeders van dezen mist op den akker brengt, en hét daarop gezaaide met 20 of a5 karren gier begiet, zal men, met eene geschikte bebouwing en afwislelmg van vruchten, niet alleen eene genoegzame voeding aan dc daarop groeijende gewasfen verzekeren, maar tevens de hoeveelheid van humus, in den grond voorhanden, van jaar tot jaar vermeerderen, en op deze wijze een' hoo-st-vruchtbaren grond verkrijgen, inzonderheid, wanneer men tevens zorgt, om het waterhoudend vermogen van dezen grond, die meestal op zandachtige heidegronden te gering is, te verbeteren. Voor den volgenden tijd zal men dan OefebtS om dc twee of drie jaren behoeven te mesten, naarmate de meer of minder geschikte vermenging der onderschcidcne aardfborten.,

Het aanvoeren van leem op de zandige gronden is een der geschiktfte middelen, om het waterhoudend vermogen te vermeerderen $ veelal, echter, moet die uit de diepte worden opgedolven, en is, in dat geval doorgaans met veel zuur bezwangerd, van weinige vruchtbare deelen voorzien, en daarbij door de daarmede verbondene vochtdeeicn zoo kluitachtig, dat hetzelve met «menc mogelijkheid, zonder verdere bereiding, met de aarde vermengd kan worden, maar in grootere en kleinere brokken, die door de warmte uitdroegen, als harde kluiten op den akker blijft liggen, en als zoodanig meerschadc dan nut aanbrengt. Zal dan het leem met voordeel op den akker gebragt, en het daarmede bedoelde oogmerk bereikt worden, dan moet het alvorens met vruchtbare deelen bezwangerd, door m^del der gisting en broeijing, meer verdeeld en ter vermenging gefehikt gemaakt worden; hiertoe is het noodig, naast den gierbak een gat te graven van 20 voeten iang, 6 breed en Hhh 4 5 diep;


C TV* )

5 diep; hierin wordt aanvankelijk eene laag leem geiend van 6 duimen dik; het bovenfte gedeelte van de» gierbak, aan de zijde van de leemput, heeft eene opening van 6 duimen breed en 3 dien, zoodanig, dat, als de gierput vol is, de overvloedige gier door deze opening op het leem ontlast wordt; is de eerfte laag leem daarmede behoorlijk doortrokken, dan wordt daarop eene tweede laag leem van gelijke dikte geplaatst, en hiermede op dezelfde wijze gehandeld. Tegen den winter wordt de leemput geleegd, en het met gier doortrokken 3eem aan ffalen gezet, door de werking van lucht en vocht verbroeid en klein gemaakt, en op deze wijze van deszelfs overvloedige vochtdeelen ontdaan, terwijl de flijm- en zoutachtige deelen van de gier daarmede verbonden blijven. Na behoorlijk verbroeid en uitgedroogd te zijn, wordt hetzelve zoo fijn mogelijk gemaakt, en op den akker gebragt, zoodanig echter", dat, bij de bebouwing, hetzelve, zod veel mogelijk, drie of vier duimen diep onder den grond komt te ligeen, en de mist onmiddellijk boven hetzelve (*). Hierdoor wordt hetzelve meer en meer bezwangerd met de&^-deelen, die de regen uit den grond en den mist uitloogt; tevens wordt de meeste vochtigheid bij de wortels en planten gehouden, en door de gisting, die de mistdeelen in den grond te weeg brengen, het leem meer en meer gefehikt gemaakt, om met de overige aarde in het vervolg vermengd te worden. Dezen regel wel in acht te nemen, ■ -. is

(*) Dit oogmerk kan bereikt worden, indien men den mist eerst over het land flrooit, en vervolaens daarover het leem; alsdan komt, bij het omvallen der fnede in het ploegen, het leem onder, en daarop dc mist te liggen.


C 793 )

is van te meer belang, omdat het leem, dadelijk op de bovenfte oppervlakte van den grond gebragt, de poriën van den grond te veel fluit, eene harde bovenkorst maakt, en de indringing van de luchtfoorten en van bet water belet. Iedere 25 voeders leem, op een morgen gronds gebragt, vermeerderen de.betrekkelijke hoeveelheid leem tot de overige deelen, met 1 pCt. op de masfa; zoodat men, op deze wijze voortvarende, eindelijk aan den grond het voordeeligst waterhoudend vermogen verschaffen, en denzelven met de vereischte bemesting en betee-" ling tot den grootften trap van vruchtbaarheid brengen kan. Deze wijze van mist en leem te bereiden, is geenszins omilagtig, noch al te werkelijk, daar, door middel van de huishoudelijke inrigting in de Kolonie, het veen en het leem den Kolonisten, met geringe kosten, bij hunne gierbakken kan worden aangebragt; moeijelijker tatusfehen is bet, wel te zorgen, dat ieder, inzonderheid de minkundige, den daartoe gevorderden

arbeid behoorlijk verrigte; dan, hiertoe behooren de Opzieners geene moeite te fparen, altijd bedacht zijnde, dat het wel flagen der gewasfen veel afhangt van eene goede mistbereiding.

Daar het echter nog niet voldoende is, om woeste gronden tot eene hooge mate van vruchtbaarheid te brengen, dat men jaarlijks de voedende deelen, die de grond door beteeling verliest, door eene behoorlijke bemesting vergoede, dewijl men- op die wijze, de grond altijd schraal blijvende, niet de meeste voordeden van denzelven trekken kan, dus tot de kuiture van min voordeelige gewasfen bepaald blijft, en meer aan misgewasfen is blootgefteld: zoo moet ook de bebouwing daarvan zoodanig worden ingerigt, dat aan den grond 1-1 b h 5 de


C 794 )

de minst - voedende deelen ontnomen, en daarentegen de meest mogelijke voedende deelen, ook behalve de bemesting, daaraan worden toegevoegd. Twee middelen kunnen ter bereiking dezer beide oogmerken veel bijdragen, deels eene behoorlijke afwisfeling van veldvruchten, en deels, dat men nimmer zaaije of pote, dan op een omgeploegd gewas, dat is, op zoodanige veldvruchten, die in hunnen bloeitijd worden ondcrgeploegd.

Het voordeel van het eerfte, eene behoorlijke afwisfeling van veldvruchten, is op de waarneming gegrond, dat niet alle veldvruchten in dezelfde evenredigheid de voedende ftoffen tot hunnen groei, of' liever, ter voortbrenging hunner vruchten, noodig hebben, nemende de ééne foort meer van het ééne gedeelte der voedende ftoffen naar zich, het ander gewas meer van eenig ander gedeelte (*), zoodat de akker, door het teelen van rogge, bij voorbeeld, uitgemergeld, nog dikwerf zeer veel voedende deelen, gefehikt voor aardappelen, bevatten kan.

De geschiktfte afwisfeling der veldvruchten, intusschen, wordt niet alleen bepaald door het oogmerk, om daardoor de minst-mogelijke voedende deelen uit den grond te trekken, maar zij moet tevens ftrooken met de behoeften van de bebouwers, met de gefteldheid van den grond, met het meer voordeelige van een gewas te kunnen onderploegen, en hierdoor den grond beter in ftaat te houden, dan anders met de teelt van een grooter aantal vruchtfoorten zou kunnen geschieden. Het is, bij voorbeeld, door de ondervinding bewezen, dat, hoe meer tijds er verloopt, eer dezelfde vruchten wederom op dezelfde plek te ftaan komen, des te minder de grond wordt uitgeput; dan, voor eene zoo groote verschei' t.'jT^r..t...... 4ÉNP^-' - ■ den-

(*) Namelijk van die gas-foorten, welke de humus aantrekt.


C 795 )

denheid van vruchten zijn niet alle gronden gefehikt; bovendien zijn deze niet altijd vertierbaar, noch vcor ieder even voordeelig. Het nuttige, eindelijk, om een gewas onder te ploegen ter bemesting van de daarop volgende veldvruchten, is op deze ondervinding gegrond, dat de planten, alvorens zaad te dragen, weinige voedende deelen aan den grond ontnemen, en dus, in den bloeitijd ondergeploegd wordende, zeer veel voedende deelen aan den grond toevoegen; terwijl tevens rottende plantgewasfe» vele vochtdeelen aan den grond mededeelen, waarom dit middel als een der geschiktfte geacht moet worden, om de vruchtbaarheid van zoodanige gronden te verbeteren, die slechts weinig waterhoudend vermogen bezitten.

Om deze beide voordeden, eene geregelde afwisfeling van veldvruchten, en de mesting van den grond door het onderploegen van een gewas, zonder opoffering van andere belangen, aan de Kolonisten te verzekeren, behoort de afwisfeling op de volgende wijze ingerigt te zijn:

In het ifte jaar, garst met klaver en raïj-grzs,

ade klaver.

- 3de rogge.

. 4de aardappelen.

— 5de * wederom garst met klaver en r&ij~

gras, enzv.

Laat ons thans zien, op welke wijze er met deze afwis-, fcling altijd een gewas kan worden ondergeploegd, ter mesting van de daarop volgende veldvruchten. De volgende figuur toont aan de verdeeling van den grond, aan den Kolonist af te ftaan, als gevorderd, om de voorgaffelde afwisfeling in te voeren.

200


C 796 )

l 200 roeden tuingrond.

1) 300 roeden garst. klaver en ratj-gras.

2) 300 roeden klavei en raif-gn$.

3) 300 roeden rogge.

4) 300 roeden aardappelen..

fiorin 300 roeden.

De grond, op de voorgeftelde wijze afgedeeld, wordt

voor het eerfte het veld N°. 1, waarop in het ifte jaar garst met klaver en raij-gr&s geftaan heeft, in het 2de jaar klaverveld. Het veld N°. 2, waarop klaver geftaan heeft, wordt in het najaar van het ifte jaar omgeploegd; is de klaver op het veld N°. 1, na het oogften van de garst, fpoedig aangekomen, dan kan welligt de derde fnede van de klaver op het veld N°. 2 gefpaard en ondergeploegd worden: in alle gevallen wordt de rogge gezaaid op eenen grond, door den afval en de fioppelen der klaver gemest. Op het veld N°. 3, waarop rogge geftaan heeft, worden, dadelijk na den oogst, en dus in het eerfte jaar, Tiirneps (eene foort van groote Engelschc knollen) gezaaid; een gedeelte daarvan kan voor het vee geoogst worden; de overige blijven in den grond zitten om te rotten, en wdrden, gedurende den winter, met den grond omgefpit, en in dien grond in het voorjaar de aardappelen gepoot; deze erlangen derhalve mede al de uitwerking van een ondergeploegd gewas, daar de ondervinding

heeft


( 797 )

beeft doen zien, dat deze knollen niet min voordeelig zijn ter mesting van den grond, dan eenige andere ibort van graan. Op bet veld eindelijk, N3. 4, waarop het eerfte jaar aardappelen geftaan hebben, die wij vooronderfrellen Pyrmontcrs te zijn, en die, vóór Mei gepoot, reeds in het begin van September gerooid kunnen worden, worden dadelijk, na den oogst derzelven, Turnep, met raap- of koolzaad gemengd, gezaaid. Ook deze Turnsps kunnen gedeeltelijk in het laatst van Oktober worden geoogst, en de overige ter mesting van het koolzaad in den grond blijven; in de maand Mei van het volgende jaar zal dan het koolzaad den grond bedekt hebben, en ondergeploegd zijnde, daarop garst, klaver en r^-gras kunnen gezaaid worden. Op de voorgeftelde wijze zal derhalve het veld N°. 4 garst- en klaverland geworden zijn, en ieder gewas op eenen anderen grond verplaatst, en op een ondergeploegd gewas gezaaid of gepoot zijn; en zoo voortgaande, zullen om de vier jaren dezelfde vruchten op denzelfden grond te Maan komen, waardoor aan alle ftraks opgegevene vereischten voldaan is. In den tuin, waar wij vooronderftellen, dat de grond voor de helft met vroege aardappelen bepoot is, kan mede eene geregelde afwisfeling, doch flechts om het andere jaar, plaats grijpen; na de vroege aardappelen kunnen er Turneps gezaaid worden, en daarop vroeg in het.najaar winterrogge, om vroeg in het voorjaar afgemaaid te worden, en tot ftalvoeder te ftrekken.

Het zal niet overbodig zijn hier te herhalen, dat bij de zaaijfeg of poting van ieder gewas, betlemd om vrucht te dragen, op elk half morgen ii\ voeders mist gebragt, en na de zaaijing, bij regenachtig weder, de grond met tien karren gier op het halve morgen bc-

fprocid


( 793 )

fproeid moet worden; en dat het zaadkoorn, beftemd voor het gewas om ondergebouwd te worden, op ic,;cr half morgen met vijf karren gier behoort te worden gegierd; zoodat er jaarlijks altijd op ieder morgen 25 voeren misr en 25 karren gier worden gebragt.

Merken wij nog op, dat, daar wij vooronderfteld hebben, dat de Kolonisten jaarlijks ten minde 75 voeders mist bereiden, aan het fiorïn en den groentetuin mede jaarlijks isj voeder mist zullen gegeven, en ieder derzeiven met tien karren gier befproeid kunnen worden.

Overigens moet de rogge altijd aan rijen gezaaid worden, gelijk in de Koloniën der Provincie Groningen gebruikelijk is, ten einde die beter te kunnen wieden; en

daar de klaver altijd op gronden gezaaid wordt, door de

teelt van aardappelen van onkruid gezuiverd, zal men hierdoor schoon land houden, en nimmer behoeven te braken.

Ook zal men altijd de aardappelen moeten verbouwen in gronden, anderhalven fleek diep omgefpit, zoodanig, dat de bovenfte halve {teek altijd boven blijft: hierdoor wordt de grond van tijd tot tijd diep geroerd, en voor den bouw der aardappelen hoogst gefehikt gemaakt.

Wij meenen thans de geheele bearbeiding van den grond genoegzaam omftandig ontvouwd te hebben, om te mogen vooronderftellen, dat ieder Opziener genoegzaam met het doel der inrigtingen bekend zal zijn. Thans zullen wij overgaan, om te doen zien, hoedanig het 1'poedigst deze geregelde afwisfeling verkregen worden kan, met die wijze van bebouwing, welke wij voor het eerfte jaar bij het tot kuituur brengen van woeste gronden bepaald hebben.

In-


C 799 )

Ingevolge dan van dezelve zal een morgen voor dc helft met vroege aardappelen, (Pyrmvhtexs) vóór half April gepoot» een ander half morgen met late' aardappelen, vóór of met half Mei beplant, en een morgen lands met garst, of klaver en raij-gxzs, bezaaid worden.

Het halve morgen, met vroege aardappelen bepoot, zal dadelijk na den oogst met Turmps worden bezaaid, die ftrekken zullen, om andermaals in het voorjaar met aardappelen bepoot te worden; het tweede halve morgen, dat in het laatst van Augustus gerooid kan zijn, zal dadelijk mede met Turneps en koolzaad bezaaid worden, en in het voorjaar van het tweede jaar ftrekken, om daarop garst, klaver en raij - gras te zaaijen; in het najaar van het eerde jaar zal de helft van den grond, aangelegd tot ftalvoeder, omgeploegd, en daarin rogge gezaaid worden, terwijl het andere halve morgen voor klaver in het tweede jaar blijft liggen: en op deze wijze zal de afwisfeling der veldvruchten in het tweede jaar

volledig ingevoerd, zijn. Wel is waar, dat men op deze wijze voor de eerfte maal twee keeren aardappelen op denzelfden grond teelt; dan, deze rooven minder vaag, dan eenig ander gewas, en men erlangt hierdoor het voordeel, niet alleen, van dadelijk de afwisfeling geregeld in te voeren, maar tevens, van geregeld reeds dadelijk een gewas ter bemesting van een volgende te kunnen onderploegen.

De opgegevene middelen toereikend achtende voor zoodanige gronden, die met eene goede veenachtige plag bedekt zijn, zullen wij thans voortgaan, om de handelwijze op te geven, die vereischt wordt bij de ontginning van gronden, met 2 of 3 voeten veen bedekt, gelijk ook der zoodanigen, van welke het hooge veen af'. ge-


( Soo )

gegraven is, en die ook wel Dalgronden genoemd worden.

VII. Over het vruchtbaarmaken van veengronden.[bewerken | brontekst bewerken]

Te dezen aanzien valt aan te merken, dat deze gronden hoofdzakelijk beftaan uit waterplanten, in eene vochtige ligging zamen vergaard,' federt tot verrotting overgegaan, doch welker geheele ontbinding tot humus verhinderd is geworden, door het zuur, (veelal phosphorischen azijn-zuur,) waarmede vermengd, het doorgaans als eene min of meer drooge, brandbare zelfftandigheid wordt aangetroffen, vatbaar, om vele waterdeelen op te nemen en bij zich te houden. De zuren hebben daarin zoodanig dé overhand, dat dezelve dikwerf een derde, en fomtijds de helft, van het geheele gewigt der zelfftandigheid uitmaken, en hieraan is het ook toe te schrijven, dat deze grond, die grootendeels uit zuren en verkoolden humus beftaat, zoo weinig vruchtbaar is, en flechts eenige mosgewasfen, heide-kruiden, biezen, en eenige andere foortgelijke planten, eigenaardig op zure gronden te huis behoorende, voortbrengt. Van de zuren gescheiden, echter, is deze zelfftandigheid ten uiterfte vruchtbaar, en gefehikt, om door verdere ontbinding, gelijk wij reeds vroeger gezegd hebben, tot humus over te gaan, daar dezelve bijna geheel uit plantaardige deelen beftaat.

Merken wij nog op, dat het veen de eigenfehap bezit van vele vochtige deelen op te nemen, en die lang te behouden; eene eigenfehap, aan den humus bijzonder eigen. Tevens hebben wij gezien, dat de zuren eigenaardig in den grond de koude voortbrengen, of akbase


( Sol )

die uitwerking doen, welke de Landlieden zoodanig noemen.

Men kan dus nagaan, dat de veenftof door de veelheid van zuren, daarin voorhanden, niet alleen weinig vruchtbare deelen bevat, maar tevens alom, waar dezelve in eene al te groote hoeveelheid met den grond is vermengd, en nog meer, waar deze geheel uit veen beftaat, van eenen zeer onvrucbtbaren aard moet zijn.

Om zoodanige gronden tot kuituur te brengen, die zeer veenachtig zijn, moeten de ondergronden derzelve onderzocht worden: vindt men, hij voorbeeld, i of a voeten veen, en daaronder zand, en is dat zand nog hoog genoeg gelegen, om eene goede afwatering te kunnen toelaten, dan ïs het voordeelig, de hoeveelheid van veen tot op een'halven voet boven het zand te verminderen, door branding. Men hakt te dien einde den grond om, zoodanig als dit voor de boekweit-bouwerij in liet veen geschiedt; men fteekt den brand In de kluiten, zondra die de vereïschte droogte erlangd hebben. Om echter voor'te komen, dat deze brand zich al te ver verfpreïde, is het dienftig, ieder bijzonder gedeelte, ten behoeve van een' Kolonist, door uitgraving eener floot tot op het zand, af te scheiden van het overige veen.

Indien er, na deze branding, nog meer dan een voet veen is blijven zitten, ploege men den grond om, en handde voor de tweede maal op dezelfde wijze; waarbij valt aan te merken, dat de assche, door deze branding verkregen, groötendeèlB door den wind wegftuift: zoodra derhalve het veen tot op een' voet verbrand is, ploege men den grond andermaals zes duimen diep om, zette het omgeploegde veen in riggels, gelijk wij van de plaggen gezegd' hebben, en verbrande die met een ïangde STAfti 1810, K°. IX. Iii zaarn


( 8oa )

zaam vuur, altijd zorg dragende, dat meh eene toereïkei-ie hoeveelheid veen overhoude, om de op dtze wijze verkregen assche te dekken, en de yerftuiving daarvan voor te komen,

Is eindelijk het veen tot op 6 duimen dikte verteerd, dan ploege men hetzelve om met twee ploegen, achter elk-mder, zoodanig, dat er vier of vijf duimen zand op het veen geworpen worden, egge hetzelve met eenige veende-len wel door een, ftrooije daarop ongeveer 100 zakken assche, met 10 schepels kalk vermengd, welke met het zand zorgvuldig onder elkander geëgd worden.—De kalk wordt onder de assche gemengd, omdat de veengrond flechts weinige loog-zoutdeelen bezit, en het van belang is, aan het veen, dat zich bij het ploegen met het zand vermengd heeft, deszelfs zuur te ontnemen en het tot humus te hervormen.

Indien men op deze wijze eenige jaren voortgaat, meï telken reize eene hoeveelheid assche en kalk met dei; grond te vermengen, zullen de zes duimen veen, welke aanvankelijk zijn blijven zitten, grootendeels in milden humus overgaan, en zal deze grond eene groote mate van vruchtbaarheid verkrijgen; te meer, daar het waterhoudend vermogen van den humus het afzijn van het leem veelal vergoedt. — Wordt het veen echter tot,die dikte op den grond gevonden, dat het voordeelig is, den turf, die hetzelve verschaffen kan, daar af te graven, dan moet men wachten met deze gronden tot kuituur te brengen, dewijl bet branden anders te kostbaar, en voor den eigenaar tevens schadelijk worden zou.

Zoodanige veenachtige gronden, die döor hunne lage ligging niet afgebrand kunnen worden, kan men verbeteren, door daarop één' of twee duimgfl zand te bijengen,


C 803 )

gen, met eenigen kalk vermengd; deze gronden,nogtans, zijn alleen tot hooi- of wei-landen gefci i't.

IngevaUe echter het veen wat dieper dan vier of vijf duimen cp den grond, of zelfs in mindere dikte, gevonden wordt, moet men zich wel wachten van de geheele bovenkorst te verbranden: hierdoor zou men de vruéhtbaarfté deelen van den akker in rook doen verdwijnen. Men moet altijd, bij het tot kuituur brengen van woeste gronden, zorgen, om eenen goeden voorraad van mildcn humus in den grond te brengen; zoodanige gronden derhalve, die, slechts vier of vijf duimen veen bezitten, moeten behandeld worden, gelijk wij van den zandgrond gezegd hebben; alleen de hoeveelheid van kalk, onder de mistbelten te mengen, moet worden vermeerderd, dikwerf verdubbeld (*).

De bebouwing en bemesting, eindelijk, van deze gronden, die aanvankelijk door de groote hoeveelheid assche, zonder bemesting, voor het eerfte jaar bezaaid hebben kunnen worden, moet in het vervolg op denzelfden voet en wijze geregeld worden, als wij reeds omtrent de zandachtige heide-gronden opgegeven hebben.

Ten' aanzien van de verdere bijzonderheden,- tot den 'Landbouw betrekkelijk, volgc men de voorschriften van bet door de Maatschappij, tot onderrigt voor de Kolonisten aangenomen, Leesboek over den Landbouw, van den kundigen ponse.

EENI-

(*) Gronden, die eene te groote heeveelheid milden hamus bezitten, behooren niet zoo zeer tot het onderwerp â– onzer beschouwing. Wij zullen er dus alleen van zeggen, dat dezelve veelal verbeterd kunnen worden, door den. ondergrond boven te brengen, en met de bovenkorst te vermengen.

Iii s



Pagina 804. Eenige besluiten, door de Kommissie van Weldadigheid ter algemeene vergadering van 5 augustus 1819 genomen (*).[bewerken | brontekst bewerken]

Daar de uitvoering van Art. 7 der Instruktie voor de Afdeeling van Financiën, bevelende het houden door dezelve van rekening met de Sub-Kommissiën, enzv. onmogelijk is bevonden, kunnende dezelve uit den aard der zaak, alleen door de Permanente Kommissie, als in dezen, de Afdeeling van Koloniale en andere werkzaamheden vervangende, gehouden worden, en aan welke dan ook, bij Artikel 7 van de Instruktie voor de Afdeeling voor de Koloniale en organieke werkzaamheden, het houden van gelijke rekening is voorgeschreven; — is belloten, de Afdeeling van Financiën van dit gedeelte harer werkzaamheden te ontheffen, en in zoo verre dit Artikel te stellen buiten effekt.

a. Wegens de uitgestrektheid van sommige Regtbanksarrondissementen, de daaruit voortvloeijende moeijelijkheid van korrespondentie der Sub-Kommissiën met die der Hoofdstad, en het aanzoek van sommige dier Kommissiën ter verandering der thans bestaande verdeeling; — is belloten, om, met alteratie van Art.. 2 der Instruktie

(*) De overige besluiten, meer huishoudelijk zijnde, of van minder belang voor het Publiek, is de bekendmaking der onderstaande alleen, door middel van DE STAR, bepaald. DE REDAKTIE


â–  C 805 >

voor de Afdeeling, met de Koloniale en andere werkzaamheden betast, de Permanente Kommisfie te autoriferen, om, wanneer de lokaliteit, bet aantal Leden, of andere omüandigheden, zulks nuttig zullen doen voorkomen, met overleg' der Sub-Kommisiie in zoodanig Arrondisfement, de thans beftaande verdeeling in zoo verre te veranderen, dat de Sub-Kommisiiën, in de Kantonnale Hoofdplaats of Plaatfen, waar dit noodig zal worden geoordeeld, gemagtigd worden, om met de Permanente Kommisfie onmiddellijk te korresponderen, en ten aanzien der overige Sub-Kommisfiën in het Kanton te verrigten, al wat dienaangaande tot biertoe aan de Sub-Kommislie der An-ondislements-hoofdplaats was opgedragen.

3- De uitvoering van Art. 9 dezer laatfte Injlruktie onuitvoerlijk bevonden zijnde; aan de Kommisfie van Toevoorzigt, gekozen door kiezers uit al de Leden, de opneming der jaarlijksche rekeningen zijnde opgedragen; en gelet, dat de algemeene uitgaven, (zie Art. 10) niet met genoegzame zekerheid kunnen worden opgemaakt, alvorens de generale Rekening door de Kommisfie van Toevoorzigt is opgenomen; — is befloten, bij alteratie van Art. 9, dat de toezending der Rekeningen-kourant voortaan eerst zal gefebieden, nadat de generale Rekening door laatstgenoemde Kommisfie zal opgenomen zijn.

4. Overwegende de zeer verschillende handelwijze der Sub-Kommisfiën in het berekenen der onkosten, welke door de Kommisfie van Weldadigheid in rekening geleden worden; — is belloten:

a. De Sub-Kommisfiën in het algemeen uit te noodilü 3 Sen»


( 8o<5 )

gen, om het voorbeeid te volgen van diegenen, welke de invordering der kontribmiën, enzv., kosteloos hebben bewerkftelligd.

*. Dat voorts in rekening zullen worden geleden:

I. Brieven- en andere onvermijdelijke porten. (Exhorterende men niettemin de Sub-Kommisfiën, enzv. om, bij het inzenden aller Stukken aan de Permanente Kommisfie, die uit gedrukt pafier beftaan, dezelven te verzenden per Brievenpost fous bande en franko, waarvan de Permanente Kommisfie zelve het voorbeeld blijft geven, ter voorkoming' van noodelooze zware onkosten yoor de Maatschappij).

II. De onvermijdbare kosten der inkasferïng van kontributiën en andere penningen, gelijk ook, voor de noodige schrijfbehoeften, mits niet te boven gaande a pCt. van de ingevorderde fom.

III. Zoodanige meerdere of andere uitgaven, als waartoe door de Sub-Kommisfiën aan de Permanente Kommisfie autorifatie gevraagd, en door deze aan dezelven, uit aanmerking van lokale omftandigheden, verleend zal zijn.

GE-


( S°7 )

Pagina 807. Gemengde berigten[bewerken | brontekst bewerken]

Het heeft aan HH. KK. Hoogheden, Mevrouwen de Prinsesse Douairière, VAN ORANJE, en Hertoginne Douairière VAN BRUNSWIJK, gunstiglijk behaagd, wederom een uitmuntend blijk te geven van Hoogstderzelver moederlijke toegenegenheid voor de belangen van het lijdend gedeelte der Maatschappij en in het bijzonder van Hare zucht ter bevordering van onze weldadige inrigting, door ieder voor eene som van ƒ 1000:— renteloos deel te nemen in de, thans reeds geslotene Negociatie van ƒ 80,000:—, gevestigd op de gronden en eigendommen van het voormalig Landgoed Westerbeeksloot, thans de Kolonie FREDERIKS-OORD.

De uitloting der Leden van de Kommissie van Weldadigheid, ingevolge Art. 2.0 van het Reglement, den 5 Augustus 11. geschied zijnde, is de aftreding op dc volgende wijze geregeld: ifie jaar, Mr. j. r. h. van hemert; 2de jaar, Prof. j. m. schrant; 3de jaar, Prof. j. m. kemper; 4de jaar, j. mendes de leon; 5de jaar, c. j. nieuwenhuts; 6de jaar, j.van denbosch; 7de jaar, p. j. ameshoff; 8fte jaar, Prof. p. van hemert; 9de jaar, Mr. j. o. van nes van meerkerk; 10de jaar, Mr. j. c. faber van riemsdijk; 11de jaar, Mr. t." sijpkens.

De Heer Mr. j. f. h. van hemert aldus dit jaar moetende aftreden, is in deszelfs plaats tot Lid gekozen, met approbatie der Kommisfie van Toevoorzigt, de I i i 4 Heer


C 8o3 )

lieer j. leesberg in 'sHage; en tevens, ter vervulling van bet twaalftal der Leden, waaraan één Lid ontbrak, door het overgaan van den Heer Profesfor j. kikker tot de Honoraire Leden, met gelijke goedkeuring, de Heer Mr. j. koe, te Utrecht.

De Kommisfie van Weldadigheid beftaat dus thans, behalve Z. K. H. Prins frederik. der Nederlanden, als Voorzitter, j. m. kempf.r, eerflen Adjesjor; j. van den Bosch, tweeden Adjesjor, alfabetisch, uit de navolgende Leden: i>. j. ameshoff, p. van iiemert, j. kol, J. leesberg, j. mendes de leon, C. j.NIEU\VENHUIS, j. g. van NES van meerkerk, j. C. FABEIt

van riemsdijk, j. m. schrant, en f. s1jpkens..

De Heeren van den bosch, van hemert en faber van riemsdijk blijven uitmaken de Permanente Kommisfie, refiderende in 'sGravenhage.

Tot Honoraire Leden zijn benoemd: de Heeren m. s. adriani, in de Pekel-Aj p. &. godefroy, te Amfierdam; Mr. j. f. h. van hemert, tzAvfier dam; Prof. r. van swinderen, te Groningen; Prof. j. a. uilkens, aldaar; en Ds. h. w. c. a. visser, te Ts'orechtum.

In het volgende Nommer hopen wij eene lijst te zullen kunnen geven van de, door de Kommisfie van Weldadigheid benoemde, Korrcsponderende Leden.

Daar de tijd, ter deelneming in bet plan der Kotnmisüe van Weldadigheid, om Wees- of Armenkinderen, en Huisyerzorgènde Familiën in de Kolonie, bij befteding, te piaatfen door Gemeente- en Armbefturen, bij de Cir-

ku.


( 3°9 )

•Jcmatrt der Permanente Kommisfie, aan de Sub-Kommisfiën onlangs gezonden, was bepaald geworden tot i°. Oktober aanftaande, en vele Sub-Kommisfiën een' langer' termijn verzocht hebben, ten einde daarover met de SubKommir.fiën, enz. in hun Arrondissement te kunnen korresponderen; — zoo heeft de Permanente Kommisfie bëfloten, den gemelden termijn voor een' onbepaalden tijd te prolongeren, met deze bepaling echter, dat die kinderen of gezinnen, over welker plaatimg vóór i°. Oktober onderhandelingen zullen zijn geopend, de eerfte zullen worden aangenomen, en de andere later, naar tijdsorde der geüotene Kontrakten.

De Sub-Kommisfie van Paramaribo in Suriname heeft proviüoneel overgemaakt een wisfel van ƒ 5000: — reprefenterende aldaar een kapitaal van ƒ 9^5°:— wegens

Kontributien en Donatiën in die Kolonie. De Prefi-

dent ter Ruste van Guinea maakte over ƒ 4-0:— wegens giften der Ambtenaren en Vrijgeborenen aan dat

Etablisfement. Ook zijn te Kurakao, St. Euflatius

en St. Martin zoo vele Sub-Kommisfiën benoemd, en berigten van daar beloven goede bijdragen voor het fonds der Maatschappij, naar gelang van den verarmden toeitand der Kolonie. — Bij het afdrukken van dit blad is nog ingekomen van de Gemeente der Portugeesche Israëlieten in Suriname een wisfel van ƒ i,Q46-2° •> wegens giften aan het fonds der Maatschappij; welke donatie te meerder lof verdient, daar zij vollirekt vrijwillig en uit eigene beweging geschied is, en alzoo aan anderen een voorbeeld ter navolging'verftrekt.

Al!?


0 sio 3

Alle Stukken in de star, uit de» boezem der Permancnte Kommisfie zelve voortkomende, en welke nier ondefteekerid/ zijn met de woorden: de redaktie, moeten als officieel door de Sub-Kommisfiën aangemerkt worden; cn daar eene der bedoelingen van deze maandclfksche rugave geweest is, de Sub-Kommisfiën fr>oedi>'c:i onkostbaar te doen kennis dragen van de voorlieden en beflmten der Kommisfie van Weldadigheid, of ook van de hare, wenscht zij hartelijk, dat aik Sub-Kommisfiën, die zulks nog niet gedaan hebben, zich een exemplaar van dit Tljdsch'rift mogen aanfehaffen, hetgeen immers, voor de gezamenlijke Leden, geene koste van eenig belang opievert.

lerwijl men bij ons bezig is, aan het Kolonifatieftelfel eene fnelle en magtige uitbreiding te geven, is het oo" van Europa daarop van alle kanten gevestigd, en de eer van

het voorbeeld in dezen aan cie Natiën gegeven te hebben zal aan den Nederlander nimmer kunnen betwist worden. Het rijk en magtig Engeland, gewekt door onzen voorgang en gedrongen door de ontzettend toenemende verarming van een gedeelte zijner bevolking, zoo wel als door dc bedenkelijke woelingen, die..daarvan het gevolg zijn, moge zich haasten, om, behalve de aanmoediging der uitverhuiziugen naar de Kaap de Goede Hoop cn naar het Zuiden van Amerika, ook door ruime inteekeningen tot eene binnenland'che Koltfriifatie, onze Natie te achterhalen, zelfs misfehien voorbij te fnellen, nimmer toch

zal hetzelve zich, met regt, den roem kunnen verwerven, van den eerden schok daartoe gegeven te hebben, daar het blijkbaar is, dat de berigten en inlichtingen, van meer dan Oenen kant door de Brillen bij onze Maatschappij ingewonnen, het beweegrad zijn eeweest, waardoor vermogende menschenvriendên onder hen zijn opgewekt ter vestiging van een.binnenlandsch Kolonifatie. ftelfel, zoo wel als de leidilar, waarnaar zij hun ontwerp, met de noodige lokale wijzigingen, hebben inge«gt. Misfehien geven wij hieromtrent eerlang eenige meerdere détails.

BE-


C Sn )

Pagina 811. Berigten uit de kolonie Frederiks-oord. September.[bewerken | brontekst bewerken]

Het Zomer-koren geoogst zijnde. is de grond dadelijk deels met knollen en spurry, deels met turneps bezaaid geworden; de droogte in het laatst van Augustus heeft het opkomen daarvan zeer vertraagd; met de regens echter is dit ten voordeele veranderd.

Als een uitstekend bewijs van vruchtbaarheid des nieuw aangelegden gronds kunnen wij aanvoeren, dat 35 morgens roggeland, geoogst zijnde, hebben opgeleverd 12,000 kieine"'garven, en dat de 100 dezer garven, gedorst wordende, uitleveren 4 schepel rogge. De geheele waarde van dien oogst is op ruim ƒ 1400: — geschat, makende dus ruim ƒ400:— per morgen.

Het zaad van het Zomergraan is zwaar; de droogte echter van den zomer is oorzaak, dat het weinig oplevert, met uitzondering nogtans van eenige ftukken haver, die zeer wel gdlaagd zijn. Te dezen aanzien is de oogst in de Kolonie nog gelukkig uitgevallen, daar in de Provincie Drenthe, en ook gedeeltelijk in Gronin~ een, liet Zomergraan nagenoeg niets oplevert.

De Boekweit "wordt geoogst; reeds hebben wij gezegd, dat een gedeelte daarvan niet gunftig ftond; het overige belooft tamelijk veel zaad.

De'Klaver groeit op vele plaatfen voortreffelijk, onder anderen achter de woning van cohen, hofien en j. westerveld, en cirka 6 morgen achter de vierde rij huizen; op eenige weinige plaatfen is die mislukt.

De Kolonisten gaan voort met zich wed te gedragen; de verdienden buiten de Kolonie zijn tegenwoordig aanmerkelijk, gaande dezelve, de huisgezinnen door één gerekend, ƒ 8.00 in de week te boven; bovendien genieten de Kolonisten van hunnen eigen' grond reeds de noodige aardappelen, groenten, boter en melk. De Konimisfie heeft echter met "leedwezen ondervonden, dat in vele huisgezinnen niet die geest van fpaarzaamheid beftaat, welke zij van huisgezinnen had mogen verwachten, bij welke, als bekend met al het kwellende der behoefte, \ ~ - de


( )

de neiging mogt worden onderfteld, om, in dit gunilig faizoen, een gedeelte hunner inkomften voor Ideeding te bededen, en iets voor den naderenden winter, als wanneer dc vcrdienlT.cn van den veldarbeid natuurlijk zoo groot niet kunnen zijn, tot eenMpaarpenning op te leggen. Dit gebrek schuilt inzonderheid onder eenige vrouwen; de invoer en verkoop van linker en andere fmiisterijen, waarin veel geld verkwist wordt, is dan ook uit dien hoofde verboden; de Kommisfie verwacht, dat dit middel bij zoodanige verkwistende Kolonisten zal toereiken, om dezelven tot eene betamelijke fpaarzaamheid terug te brengen, dewijl anders derzei ver verdienden onder adminifiratie van den Raad van Toezigt zullen gefield worden (*).

In de nieuwe Kolonie wordt het bouwen der huizen, en het toebereiden van den grond, met ijver voortgezet; in het najaar, en meer nog in het aanfiaande voorjaar, zal een aanzienlijk getal huisgezinnen wederom in de Kolonie worden opgenomen.

De Spinnerij, gaat zeer wel: reeds is, behalve het geweven cn gevervvde voerlaken, een voorraad van 8000 ponden gefponnen wol voorhanden; ook het vlasfpinnen gaat zeer goed; reeds is er veel geweven linnen afgeleverd, hetwelk eerlang nog door eene grootere hoeveelheid gevolgd Haat tc worden.

De vaart voor de Kolonie zal in deze maand nagenpeg voltooid, en alsdan de aan- en afvoer van aile benoodigdheden in den naasten omtrek van ieder huis ontscheept en geladen kunnen worden; ook de turf uit de Veenerij der Maatschappij zal dan geheel te water kunnen worden afgevoerd.

De Kolonisten genieten bij voortduring eene goede gezondheid; ongeloofelijk klein is het getal der zieken'gedurende den geheelen zomer geweest.

De vrouw van berends, uit /hfen, is den oden van een' zoon, cn die van van der heide, uit Leyden, den iaden dezer van eene dochter verlost.

(*) Het Tijdschrift de star wordt door de Kolonisten ook gelezen; de IComniisfiès ziet dit gaarne, opdat zij, niet onverschülig zijnde omtrent de gevoelens hunner Land genootcn, zien mogen, dat gebreken, zoo wel als goede hoedanigheden, openlijk worden bekend gemaakt.