Tommies Testpagina MAXSIZE: verschil tussen versies

Uit KolonieWiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
(Opmaak van koppen toegevoegd)
(Tweede stuk tekst toegevoegd)
Regel 167: Regel 167:


In veel andere talen is het spreekwoord op dezelfde manier aangevuld met een ezel. Un ane ne trébuche pas deux fois sur la même pierre (‘een ezel struikelt niet tweemaal over dezelfde steen’), zeggen de Fransen. Ein Esel stöflt sich nicht zweimal an demselben Stein (‘een ezel stoot zich niet tweemaal aan dezelfde steen’), is het Duitse spreekwoord. In het Engels zijn er twee varianten; één met een ezel en één met een steen: wherever an ass falls, there will he never f all again (‘waar een ezel valt, daar zal hij nooit meer vallen’) en he who stumbles twice over one stone, deserves to break his shin (‘wie tweemaal over dezelfde steen struikelt, verdient het zijn scheenbeen te breken’).
In veel andere talen is het spreekwoord op dezelfde manier aangevuld met een ezel. Un ane ne trébuche pas deux fois sur la même pierre (‘een ezel struikelt niet tweemaal over dezelfde steen’), zeggen de Fransen. Ein Esel stöflt sich nicht zweimal an demselben Stein (‘een ezel stoot zich niet tweemaal aan dezelfde steen’), is het Duitse spreekwoord. In het Engels zijn er twee varianten; één met een ezel en één met een steen: wherever an ass falls, there will he never f all again (‘waar een ezel valt, daar zal hij nooit meer vallen’) en he who stumbles twice over one stone, deserves to break his shin (‘wie tweemaal over dezelfde steen struikelt, verdient het zijn scheenbeen te breken’).
== gggggggggggg ==
F – J
Iemand op zijn falie geven
Een falie was een zwarte omslagdoek die vrouwen om de schouders of over het hoofd droegen. Oorspronkelijk kregen dus alleen vrouwen op hun falie – het voornaamwoord zijn in deze uitdrukking is van later tijd. Het is net zoiets als iemand een pak op zijn broek geven: het kledingstuk symboliseert het lichaam dat het pak slaag krijgt.
Een goed figuur slaan
Een figuur maken of slaan betekende vroeger ‘een rol van betekenis spelen’. Slaan heeft hier niets met meppen te maken, maar betekent eenvoudigweg ‘maken’, en figuur is ‘de maatschappelijke rol die iemand vervult’. Tegenwoordig kun je onder andere een goed, slecht, belachelijk of behoorlijk figuur slaan. Dat wil zeggen dat je een goede, slechte, belachelijke of behoorlijke indruk maakt. Als een figuur slaan geen toevoeging als goed of slecht heeft, wordt altijd iets negatiefs bedoeld. Iemand die een figuur slaat, maakt bijvoorbeeld een blunder.
Naar de filistijnen gaan
De Filistijnen waren een buurvolk van de Israëlieten. In de Bijbel wordt beschreven hoe de Israëlieten en de Filistijnen lange tijd tegen elkaar streden. De Filistijnen stonden bekend als bijzonder sterke strijders en bovendien wilden ze graag hun grondgebied uitbreiden. Wie met deze geduchte tegenstander te maken kreeg, kon er bijna zeker van zijn dat zijn land naar de Filistijnen ging, hij kon het als verloren beschouwen. Als iets naar de filistijnen is, is het kapot en kan het dus ook als verloren worden beschouwd.
Op de fles gaan
Het laatste bier uit het vat is niet lekker. Tegenwoordig wordt dat gewoon weggegooid, maar vroeger probeerde men er nog wat van te maken door het in flessen te tappen en met suiker en gist op smaak te brengen. Maar het bleef inferieur bier. Restbier dat in flessen getapt werd ging op de fles. Een bedrijf dat op de fles gaat, is ook niet goed meer: het gaat failliet. Ook in andere uitdrukkingen komt het bier dat in flessen getapt wordt terug. Iemand flessen bijvoorbeeld is iemand oplichten: hij wordt bedrogen zoals iemand die denkt lekker bier te kopen, terwijl hij in werkelijkheid geflest bier krijgt. En een flessentrekker is iemand die bier in flessen laat trekken. Een oplichter dus.
Een vrolijke frans
Vrolijke Frans, een onbezorgde flierefluiter, was de hoofdpersoon van een schelmenroman uit 1643, waarvan de volledige titel luidt: ‘t Kluchtige Leven van vrolyke Fransje, daar in de hedendaegse ongeregeltheden en bedriegerijen naaktelijk vertoont worden. Uyt het François van de Heer Du Pare, vertaelt door D.V. R. Zoals de titel al zegt, was het een vertaling van een Frans boek, namelijk L’histoire comi-que de Francion, geschreven in 1622 door Nicolas de Mou-linet. In de jaren na het verschijnen van de Nederlandse vertaling ontstond de uitdrukking een leven van vrolijk Fransje ‘een zorgeloos pretbestaan’ en later werd een vrolijke frans een aanduiding voor een onbezorgde flierefluiter.
Gallisch worden van iets
Werden de Romeinen gallisch van de Gallische helden Aste-rix en Obelix? Vast wel, maar dat heeft niets met de herkomst van deze uitdrukking te maken. Gallisch is een verbastering van het Jiddische woord challes ‘misselijk’. Als je ergens gallisch van wordt, word je er niet goed van.
Garen spinnen bij iets
Wie garen uit wol of vlas spint, maakt van een grondstof een waardevol product en verdient daar geld mee. Vandaar dat garen spinnen bij iets betekent dat je ergens voordeel uit haalt.
Zich gedeisd houden
De bron van deze uitdrukking is het Portugees. In die taal bestaat het woord deixe, dat wordt uitgesproken als ‘deizje’ en ‘stil’ betekent. Portugese Joden namen het woord deizje mee naar Nederland. Zoals wel vaker gebeurt met vreemde woorden, werd hier aan deizje een nieuwe uitleg gegeven: men dacht dat het twee woorden waren, namelijk deis je ‘(wees) stil’. En dat zou dan van het werkwoord zich deizen moeten komen, dat ‘stil zijn’ zou betekenen. Nu er een werkwoord zich deizen verzonnen was, kon dat ook vervoegd worden en daaruit is zich gedeisd houden ontstaan. Wie zich gedeisd houdt, houdt zich stil, zorgt dat hij geen aandacht trekt.
Alle gekheid op een stokje
Nadat er wat gekheid gemaakt is, kun je zeggen maar alle gekheid op een stokje… om in te leiden dat je nu overgaat op iets serieus. Waarschijnlijk verwijst het stokje naar een van de attributen van de nar: een stokje met bellen. Met de uitdrukking wordt alle gekheid verbannen naar de plaats waar onzin thuishoort: bij de nar. En daarmee wordt er ruimte gemaakt voor serieuzere zaken.
Een hard gelag
Iets wat slecht te verkroppen is, wordt een hard gelag genoemd. Het klinkt ironisch: alsof je hard lacht om je eigen tegenspoed. Maar de spelling verraadt al dat een hard gelag niet van lachen komt. Het Middelnederlandse woord gelach (toen nog wel met -eh ) komt van geliggen ‘gelegerd zijn’ en betekende in eerste instantie ‘ligging, positie’ en bij uitbreiding daarvan ‘positie, lot’, bijvoorbeeld in ‘Thelsche vier wort haer ghelach’ (‘Het helse vuur wordt hun lot’). Een hard gelag is dus ‘een zwaar lot’.
Het gelag betalen
Net als de uitdrukking een hard gelag roept het gelag betalen associaties op met lachen (‘de rekening betalen na een gezellig avondje’?). Maar ook nu komt het gelag in werkelijkheid van het Middelnederlandse geliggen. In dit geval heeft zich een betekenis ontwikkeld van ‘samen liggen’ via ‘gezamenlijk ingelegd geld om consumpties van te betalen’ tot ‘de prijs van de gezamenlijke consumpties’. Degene die het gelag moet betalen is de pineut; hij moet voor alle kosten opdraaien.
Geld
Geld, daar draait het toch maar om in de wereld.
Als je geld als water verdient, heb je lekker veel geld om over de balk te gooien. Geld wordt in deze uitdrukking met hooi vergeleken dat in de ruif gegooid moet worden. Gooi je niet nauwkeurig genoeg, dan verdwijnt er hooi over de balk boven de ruif, en dat is verspilling, oftewel weggegooid geld. Van iemand die spilziek is, wordt gezegd dat het geld hem in de zak brandt. Het gloeit van ongeduld om uitgegeven te worden. De partner van zo’n geldsmijter die vindt dat geld moet rollen, klaagt dan: het geld groeit me niet op de rug! Er moet immers hard gewerkt worden om te zorgen dat er geld in het laatje gebracht wordt; dat laatje is de kassa-lade. Maar een handige jongen weet altijd wel ergens geld uit te slaan, zulke mensen ruiken geld. Als speurhonden ruiken ze mogelijkheden om ergens geld aan te verdienen. Er is altijd wel iets dat ze te gelde kunnen maken. Maar toch is het oppassen, want voor hetzelfde geld wordt de geldkraan op een dag dichtgedraaid. En tenzij je bulkt van het geld kun je dan maar beter een tijdje boven op je geld zitten, totdat er weer betere tijden aanbreken waarin het geld met kruiwagens binnenkomt.
Het gemunt hebben op iemand
‘Zoo worden we, op den tocht, In ‘t munten op Japan, voor Astrakan gedreven’ schreef de dichter Oudaan in de 17e eeuw. Munten betekent hier ‘koersen op, als doel gekozen hebben’. Als je het op iemand gemunt heb, heb je hem eveneens als doel gekozen: hij is het mikpunt van je slechte bedoelingen.
Bij iemand in het gevlij proberen te komen
Het is een beruchte dictee-instinker: is het nu in het gevlij komen of in het gevlei komen? De betekenis ‘proberen bij iemand in de gunst te komen’ stuurt de gedachten naar vleien ‘dingen zeggen die iemand graag wil horen om hem gunstig te stemmen’. Toch is dat niet de oorsprong van de uitdrukking. Die ligt namelijk in het werkwoord vlijen, dat ‘(zich) schikken’ betekent. In de 17e eeuw bestond er een uitdrukking in het gevlij spreken ‘proberen twee partijen met elkaar te verzoenen’. Hier kan gevlij als ‘schikking’ beschouwd worden. De uitdrukking bij iemand in het gevlij proberen te komen komt sinds de 19e eeuw voor, en borduurt voort op de oudere uitdrukking. Als je bij iemand in het gevlij probeert te komen, stuur je niet aan op een verzoening, maar op de gunst van de ander.
Gezicht
Van iemands gezicht kun je zijn emoties aflezen, zéker als zijn gevoelens op zijn gezicht te lezen staan. Iemand met een ge-zicht als een oorwurm kijkt erg ontevreden en iemand met een gezicht als een donderwolk is heel boos; zijn gezicht staat op onweer. Ook jaloezie laat zich goed van gezichten aflezen, want als mensen zich achtergesteld voelen, geeft dat scheve gezichten. Anderen hebben zich beter in bedwang en kunnen met een stalen gezicht of met een uitgestreken gezicht de grootste onzin vertellen, zij kunnen hun gezicht in de plooi houden. Iemand die zich anders heeft voorgedaan dan hij is, kan plotseling zijn ware gezicht laten zien. Pas dan weet je hoe hij werkelijk is. Het gezicht staat ook symbool voor iemands aanzien. Iemand die zijn gezicht verliest, raakt zijn aanzien kwijt. Om dat gezichtsverlies te voorkomen, kan iemand die geblunderd heeft, zijn gezicht proberen te redden. Hij probeert dan de schade zo veel mogelijk te beperken en te voorkomen dat ze hem in zijn gezicht uitlachen. In andere uitdrukkingen betekent gezicht ‘aanzicht’. Op het eerste gezicht is letterlijk ‘als je er voor het eerst naar kijkt’. Bij nadere beschouwing kan iets nog wel eens anders zijn dan je op het eerste gezicht dacht. Op het tweede gezicht staat die broek toch niet zo leuk, sterker nog: het is geen gezicht.
Een graantje meepikken van iets
Een voordeeltje dat je weet te krijgen in de marge van de onderneming van iemand anders, wordt vergeleken met een graantje dat vogels meepikken van het voer dat voor de kippen uitgestrooid is.
Van de graat vallen
De oudste betekenis van deze uitdrukking is ‘erg mager worden’. De graat is het geraamte – vroeger hadden niet alleen vissen graten – en bij een vermagerde persoon was het vlees daar zogenaamd vanaf gevallen. Later is de betekenis verschoven van ‘vermageren’ naar ‘erg veel honger hebben’.
Graf
Natuurlijk, het graf staat symbool voor de dood. Maar op zijn beurt staat de dood dan weer symbool voor het einde, de ondergang. Iemand die zijn eigen graf graaft, werkt zijn eigen ondergang in de hand. Ook het graf in geprezen worden is niet gunstig: je wordt dan zozeer de hemel in geprezen dat het daarna heel erg moeilijk is om aan de verwachtingen te voldoen. Als er iets gebeurt waarvan men denkt dat een overledene er heel erg op tegen zou zijn, wordt gezegd: hij zou zich in zijn graf omdraaien. De dode zou zich zo ergeren dat hij als een slapeloze zou liggen woelen in zijn graf. Zo laat hij zich nog na zijn dood gelden. Soms is die geldingsdrang zo sterk, dat iemand over zijn graf heen regeert. Hij oefent na zijn dood nog invloed uit. Vaak wordt met deze uitdrukking bedoeld dat een afgetreden machthebber zich blijft bemoeien met zijn vroegere werk. Op wat gedraai in en geregeer over het graf heen na is het doorgaans stil in het graf. Doodstil. Van iemand die kan zwijgen als het graf krijg je dan ook geen enkele informatie.
Zijn gram halen
Wie zijn gram komt halen is boos, gramstorig, en komt genoegdoening halen. De gedachte dat gram in deze uitdrukking ‘boosheid’ betekent, is dan ook niet zo vreemd. Toch moet de verklaring ergens anders worden gezocht. Een oudere vorm van de uitdrukking is namelijk zijn granje halen. Het woord granje was ontleend aan het Oudfranse garan-die, dat onder meer ‘voldoening’ betekende. Zijn granje halen kon betekenen dat je kon doen wat je maar wilde – zoiets als onze uitdrukking zijn hart ophalen. Maar het kon ook betekenen dat je voldoening, genoegdoening kwam halen voor iets wat jou was aangedaan. Precies wat zijn gram halen nu nog betekent. Toen het woord granje uit het Nederlands was verdwenen, ging men de uitdrukking associëren met gram ‘boosheid’, zodat je tegenwoordig niet meer je granje maar je gram haalt.
Iemand het gras voor de voeten wegmaaien
Oorspronkelijk werd het gras niet vóór iemands voeten weggemaaid, maar ónder zijn voeten, waardoor hij ten val kwam. Die uitdrukking betekende ‘iemand pootjelichten, hem dwarsbomen’. In onze uitdrukking is die betekenis iets aangescherpt: je dwarsboomt iemand door hem juist vóór te zijn met wat hij wilde doen. Waarschijnlijk is onder invloed van die betekenis onder de voeten veranderd in voor de voeten.
Grond
Veel uitdrukkingen met grond hebben met opbouwen of juist vernietigen te maken. De grond is de basis vanwaar iets opgebouwd wordt, maar wordt het tenietgedaan, dan wordt het weer met de grond gelijk gemaakt. Hoop die ruw verstoord wordt, wordt de grond in geboord. En iemand die de grond ingeboord wordt, wordt zwaar bekritiseerd. Hij kan wel door de grond zakken van schaamte. Een gebouw dat volledig door brand verwoest wordt, brandt tot de grond toe af. En als het gesloopt wordt, gaat het tegen de grond. Ook mensen kunnen tegen de grond gaan. Dat wordt gezegd als iemand (flauw)valt. En heb je geen geld meer? Dan zit je aan de grond, zoals een schip dat is vastgelopen. Dan kun je toch maar beter vaste grond onder de voeten hebben, want dan heb je houvast, zekerheid. En wellicht kun je dan vanuit die zekere positie iets van de grond krijgen, want dan lukt het je om iets goed te organiseren. Wordt er snel iets gebouwd, of anderszins in korte tijd iets groots bereikt, dan wordt het uit de grond gestampt. Wellicht waren daar steekpenningen of andere frauduleuze praktijken voor nodig en werd de fraudeurs de grond te heet onder de voeten. Dan zijn ze op de vlucht geslagen omdat het risico om gepakt te worden te groot was. Maar dat is maar een filosofietje van de koude grond, het stelt niet veel voor. Met de koude grond wordt de grond in de buitenlucht bedoeld waarop gewassen gekweekt worden. Toen de verwarmde kassen hun intrede deden, vond men het kweken op de koude grond daarmee vergeleken niet zo veel meer voorstellen.
Daar zitten veel haken en ogen aan
De haken en ogen uit deze uitdrukking zijn de metalen haakjes en ringetjes die als sluiting van een kledingstuk gebruikt worden. Als ergens veel haken en ogen aan zitten, blijven de haakjes makkelijk in de verkeerde oogjes haken en wordt het een warboel. Daarom wordt van iets gecom-pliceerds gezegd dat er veel haken en ogen aan zitten.
Zijn hachje proberen te redden
Het mysterieuze hachje is al net zo ongrijpbaar als de lurven, de kladden en de hurken. We proberen het te redden, maar waar zit het? Om dat te verklaren moeten we naar het oude woord hacht dat ‘stuk spek’ en ook ‘prooi’ betekende. Daar is hachje een verkleinvorm van. Als een roofdier zijn hachje kwijt was, was hij zijn hele bezit kwijt. Voor mensen ging dat overdrachtelijk betekenen dat ze hun leven kwijt waren. Willem Bilderdijk dichtte:
‘Dulden moet nu Bilderdijk
Dat wy dansen op zijn lijk…
Bilderdijk is ‘t hachjen kwijt.’
Nu hachje de betekenis ‘leven’ had gekregen, ontstonden er andere uitdrukkingen die daarop voortborduurden. Iemand die zijn hachje probeert te redden, probeert zijn leven te redden. Ook kan het betekenen dat hij zijn spullen in veiligheid probeert te stellen of zijn positie. Blijkbaar is hij bang voor zijn hachje, ‘bang dat zijn leven of zijn positie in gevaar is’. Iemand die alleen aan zijn eigen hachje denkt, denkt alleen aan zichzelf en niet aan anderen.
Van de hak op de tak springen
Iemand die van de hak op de tak springt, gaat van het ene op het andere onderwerp over zonder dat er een verband tussen is. Een hak is een soort tak, namelijk een tak in de vorm van een haak. Van de hak op de tak springen is dus van tak naar tak springen.
Zich iets op de hals halen
Wie zich iets op de hals haalt, bezorgt zichzelf moeilijkheden. Er zijn twee mogelijke verklaringen voor deze uitdrukking. Het zou kunnen dat de moeilijkheden als een juk op je hals en schouders drukken. Maar bij hals kun je ook denken aan de doodstraf. Die beeldspraak komt vaker voor, bijvoorbeeld in het woord halszaak. Dat is een misdaad die je de hals kan kosten. Als je je iets op de hals haalt, kom je in de problemen. En welk probleem is ernstiger dan de dood?
Hand
Lichaamsdelen zijn erg populair in uitdrukkingen, maar geen enkel lichaamsdeel wordt zo vaak in beeldspraak gebruikt als de hand. De uitdrukkingen met hand zijn niet op de vingers van één hand te tellen. De handen worden gebruikt voor het verrichten van werk. De hand aan de ploeg slaan getuigt daarvan, want dat betekent ‘aan het werk gaan’. Als verschillende mensen de handen ineenslaan, werken ze samen om iets te bereiken, ze helpen elkaar een handje. Wie de laatste hand legt aan iets, is er bijna klaar mee, hij werkt aan de voltooiing. Als er niets uit je handen komt dan produceer je niets, je doet niets nuttigs. Wel nuttig maakt iemand zich die een ander iets uit handen neemt, want hij neemt een deel van het werk van de ander over. Maar sommige mensen geven niet graag iets uit handen. Ze hebben er moeite mee om dingen aan anderen over te laten, ook al hebben ze hun handen vol aan een karwei. Een aanbod om te helpen wijzen ze van de hand, want ze willen liever zelf iets om handen hebben. Hun handen jeuken om zich nuttig te maken en ze hebben er geen moeite mee om hun handen te laten wapperen. Dat laatste moet niet verward worden met zijn handen niet thuis kunnen houden, want dan wordt er niet gewerkt, maar geslagen of zelfs aangerand. Iemand die dat doet heeft losse handjes en heeft er een handje van om anderen daarmee lastig te vallen. Dat moet natuurlijk niet uit de hand lopen, want anders moet de dader eens flink onder handen genomen worden, al zal hij zich er met hand en tand tegen verzetten. Of is er niemand te vinden die daar zijn handen aan wil vuilmaken? Je kunt anders altijd nog je handen in onschuld wassen, zoals Pontius Pilatus deed toen hij het volk over Jezus’ lot had laten beslissen. Maar misschien is er niets aan de hand en hoeven we niet met de handen in het haar te zitten. Er zijn nog veel meer uitdrukkingen met hand, maar het loopt nu al gierend uit de klauw. We houden er dus nog een paar achter de hand.
De handschoen opnemen
‘Ywain die boot Torec den hanscoe: dien nam Torec, ende dat men den camp vechten soude sanderdages vroech’ (‘Ywain bood Torec de handschoen; Torec nam die aan en [besloten werd] dat men de strijd de volgende dag vroeg zou houden’, uit de Middelnederlandse Arthurroman Torec van Jacob van Maerlant). Een ridder die een geschil wilde uitvechten met een andere ridder, maakte dat kenbaar door hem de handschoen toe te werpen. Raapte de tegenstander de handschoen op, dan aanvaardde hij de uitdaging. En dat is wat de handschoen opnemen nu nog betekent: ‘de uitdaging aanvaarden’.
Een heet hangijzer
In oude kasteelkeukens is het nog te zien, het hangijzer. Dit was een ijzeren haak boven het vuur, waaraan een ketel opgehangen kon worden. Liet men zich vroeger met een netelige kwestie in, dan heette dat een heet hangijzer aangrijpen. Iets waar je je handen aan kunt branden dus. Want als er iets heet kon worden, dan was het wel zo’n ijzer boven het vuur. Vandaag de dag is een heet hangijzer nog steeds een heikel onderwerp.
Hart
Het hart is de zetel van de gevoelens, vooral de liefde is er thuis. Iemand die een groot hart heeft, of een hart van goud, heeft veel voor anderen over, terwijl iemand die harteloos is juist geen gevoel lijkt te hebben. Een groot hart staat voor hartelijkheid, maar dat betekent niet dat iemand die een klein hartje heeft geen gevoel heeft. Iemand met een klein hartje heeft een grote mond maar is in werkelijkheid gevoelig. Hij heeft het hart dus wel degelijk op de juiste plaats. Sommige mensen hebben het hart op de tong. Zij zeggen alles wat ze denken en voelen. Dus als ze iets op hun hart hebben flappen ze het er direct uit. Het is inderdaad goed om je hart te luchten als je iets dwarszit en van je hart geen moordkuil te maken, dat geeft anderen de gelegenheid om je een hart onder de hem te steken. De riem is waarschijnlijk een riem die soldaten schuin over de borst droegen. Het hart staat symbool voor moed; de uitdrukking betekent ‘iemand moed inspreken’. Ook de uitdrukking het hart er niet toe hebben gaat over moed. Als je ergens het hart niet toe hebt, durf je het niet. Het hart als symbool voor de liefde komt voorin tal van uitdrukkingen. Je kunt je hart aan iemand verliezen. Dan is het alsof je aan niets anders meer kunt denken dan aan degene die je hart gestolen heeft. Verlies en diefstal…het is iets wat je overkomt. Welbewuster klinkt het als je je hart aan iemand schenkt of verpandt. Je geeft iemand je liefde. Maar wordt die liefde niet beantwoord, dan breekt de ander je hart.
Ergens heg noch steg weten
Wie ergens heg noch steg weet, is er totaal onbekend. Dat kan letterlijk betekenen dat hij er de weg niet weet, maar het kan ook betekenen dat hij zijn weg niet kan vinden in iets abstracts, bijvoorbeeld de bureaucratie. Een steg was de benaming voor een smal voetpad, of voor een smal bruggetje over een sloot. Oorspronkelijk luidde de uitdrukking ergens weg noch steg weten. Waarschijnlijk is weg in heg veranderd onder invloed van een andere uitdrukking: over heg en steg ‘over alles heen’.
Van heinde en verre
Alsof er nog niet genoeg uitdrukkingen met hand zijn, is hier een uitdrukking waarin het woord zich vermomd heeft, want heinde is afgeleid van hand. Het betekende oorspronkelijk ‘bij de hand, onder handbereik’ en vervolgens kreeg het de betekenis ‘dichtbij’: ‘Daerom zwijcht menich van den eynde, want hijt comen siet soo heynde’ (‘Daarom zwijgt menigeen over het einde, omdat hij het zo nabij ziet komen.’). Van heinde en verre betekent dus ‘van dichtbij en van ver’. Als de mensen van heinde en verre komen, komen ze overal vandaan. Ook in de middeleeuwen waren heinde en verre al een paar: ‘Overal in eiken hof, waer sy quamen, verre of hende, men saechse gaern’ (‘Overal in elk hof, waar ze ook kwamen, ver of dichtbij (…) men zag hen graag’, uit een 15e-eeuws gedicht van Willem van Hilde-gaersberg).
Een brave hendrik
Toen schoolmeester Nicolaas Anslijn brave Hendrik introduceerde in een schoolboekje, wilde hij deze eerzame jongeman als voorbeeld stellen aan de jeugd. Braafheid was in die tijd nog een deugd. De bijklank ‘volgzaam, saai en bange-lijk’ is van later tijd. ‘Kent gij Hendrik niet, die altijd zoo beleefd zijnen hoed afneemt als hij voorbij gaat? Vele men-schen noemen hem de brave Hendrik, omdat hij zoo gehoorzaam is, en omdat hij zich zoo vriendelijk jegens ieder gedraagt’, zo begint het moralistische boek, dat aan het begin van de 19e eeuw op veel scholen gelezen werd. De braafheid van de hoofdpersoon werkt ons tegenwoordig op de zenuwen. We noemen iemand een brave hendrik als we hem te gedwee en saai of schijnheilig vinden.
Tegen heug en meug
Tegen heug en meug is gevormd volgens een populair principe: rijmen en twee keer hetzelfde zeggen. Soms wordt dat met beginrijm gedaan, bijvoorbeeld wis en waarachtig en soms met eindrijm, zoals heg noch steg weten. Heug heeft te maken met verheugen en betekent ‘zin, lust’. Meug is afgeleid van (ver)mogen en betekent eveneens ‘zin, lust’. Als je iets tegen heug en meug doet, doe je het met tegenzin.
Onder één hoedje spelen met iemand
Waarschijnlijk moet voor de verklaring van deze uitdrukking gedacht worden aan goochelaars. De stap van het heimelijke van hun goocheltrucs naar achterbaksheid is niet zo groot. In het Middelnederlands komen al tekstfragmenten voor waarin de hoed symbool staat voor het goochelen, en vervolgens ook waarin de hoed voor verborgenheid staat: ‘wel gokelt si onder den hoef (‘zij kan goed goochelen’), ‘Tis onder thoetyen gespeelt’ (‘het is onder het hoedje – dus heimelijk – gespeeld’). Onder één hoedje spelen met iemand betekent ‘heimelijk iets met iemand bekokstoven’.
Hoofd
Het hoofd staat in uitdrukkingen vaak voor het verstand en voor de gedachten die er in het hoofd omgaan. Als je iets in je hoofd hebt, denk je eraan, je stelt je voor hoe je iets gaat aanpakken. Maar als dat onhaalbaar is, kun je de gedachte beter uit je hoofd zetten. En een onverstandig idee kun je het best helemaal uit je hoofd laten – of het je door iemand anders uit het hoofd laten praten – want als je wel iets stoms doet, ben je niet goed bij je hoofd. Je kunt je het hoofd breken over iets, dan doe je vreselijk je best om een oplossing te vinden, maar het is moeilijk. Zeker als je veel aan je hoofd hebt, want dan kun je je maar lastig concentreren en staat je hoofd er niet naar. Maar als de oplossing uiteindelijk kinderlijk eenvoudig blijkt, kun je je wel voor het hoofd slaan dat je het niet eerder bedacht hebt. Nu niet meteen het hoofd laten hangen, iedereen stoot zijn hoofd wel eens. Je moet gewoon het hoofd koel houden, dan kun je alle problemen het hoofd bieden; dat wil zeggen dat je ze te lijf gaat zoals een stier die met zijn kop en hoorns aanvalt. En zolang je maar je best hebt gedaan, kun je met opgeheven hoofd gaan.
Iets op eigen houtje doen
Waarschijnlijk wordt met het houtje de kerfstok bedoeld. Op de kerfstok werden door middel van inkervingen iemands schulden bijgehouden. Vaak bestond zo’n stok uit twee delen: een deel voor de verkoper en een deel voor de klant. Beide delen werden tegelijk ingekerfd, zodat de verkoper niet op zijn eigen houtje extra kerven kon maken. Als je iets op eigen houtje doet, doe je het zonder anderen erin te kennen. In de 17e eeuw werd de uitdrukking al door Constantijn Huygens gebruikt, in een woordspelig vers:
‘Mijn tuynman had mijn’ Eist sijn waschelixte tacken,
Gewaerschout noch gelast, begonnen af te hacken.
Mij docht het was te stout.
Hoe gaet dat, seid’ ick, Louwtje,
Kapt ghij mijn eigen hout
En op uw eighen houtje?’
(Mijn tuinman was zonder te waarschuwen en zonder dat hij daartoe opdracht had gekregen, begonnen de verst uitgegroeide takken van mijn elzen af te hakken. Dat vond ik te brutaal. ‘Hoe gaat dat,’ zei ik ‘Louwtje, kap jij mijn eigen hout, op je eigen houtje?’’).
Een huishouden van jan steen
Jan Steen was een 17e-eeuwse schilder die bekend is geworden met schilderijen van zeer rommelige huishoudens. Die schilderijen inspireerden al snel tot de ons bekende uitdrukking. Jacob Campo Weyerman, die bekend stond om zijn scherpe pen, schreef aan het begin van de 18e eeuw al over ‘Een Jan Steens bedurve huyshouding’, waarmee hij een ordeloze bende in huis bedoelde.
Goed beslagen ten ijs komen
Wie deze uitdrukking wil begrijpen, hoeft alleen maar aan de huldiging na afloop van een schaatskampioenschap in Thialf te denken. De winnaars worden in arrensleeën, getrokken door Friese paarden, voor een ereronde over de ijsbaan gereden. Hoe voorkomt men nu dat zo’n paard uitglijdt op het ijs? Daartoe wordt het beslagen met speciale hoefijzers met scherpe punten. Zoals de paarden goed voorbereid op het ijs komen, zo komt iemand die zich in het algemeen goed voorbereid heeft goed beslagen ten ijs.
Ijs en weder dienende
Deze archaïsche constructie betekent ‘als het ijs en het weer gunstig zijn’. Het zinnetje werd toegevoegd aan aankondigingen van schaatswedstrijden, die immers alleen doorgang konden vinden als de weersomstandigheden gunstig waren: ‘Harddraverij op schaatsen, te houden, ijs en weder dienende, op [datum]’. Tegenwoordig wordt het als algemeen voorbehoud gebruikt, dus niet alleen voor schaatswedstrijden: ‘als de omstandigheden gunstig zijn; als alles goed gaat’.
Meer ijzers in het vuur hebben
Een slimme smid zorgt ervoor dat hij meerdere ijzers tegelijk in het vuur heeft. Dan kan hij aan het ene werken terwijl het andere heet wordt. Iemand die meerdere kansen voor zichzelf gecreëerd heeft, wordt met zo’n slimme smid vergeleken.
Sinds jaar en dag
‘Item en mach niemandt t’Antwerpen Schepen wesen, hy en moet jaer ende dach daer te vooren poorter gheweest hebben’. Volgens de middeleeuwse Antwerpse regels mocht iemand pas schepen worden als hij minstens een jaar en een dag daaraan voorafgaand Antwerps burger was geweest. Jaer ende dach was een wettelijke termijn, die oorspronkelijk een jaar en een dag duurde, maar later een jaar en zes weken (en soms ook nog drie dagen). Zo’n lange termijn werd ingesteld om zekerheid in te bouwen op allerlei terreinen. Ook in het erfrecht werd bijvoorbeeld een vervaltermijn van jaar ende dach aangehouden. Sinds jaar en dag betekent dus ‘sinds lange tijd’.
De ware jakob
De ware Jakob is de vermenging van twee Bijbelse figuren. In Nederland was de uitdrukking vroeger de ware jozef, naar de man van Maria, de moeder van Jezus. Waarom uitgerekend dit paar als voorbeeld is genomen, kan misschien verklaard worden door een middeleeuwse legende over hoe Jozef en Maria elkaar ontmoetten. Maria wilde geen man, omdat ze een aan God gewijd leven wilde leiden. God gaf echter via een bisschop te kennen dat op een bepaalde dag alle ongetrouwde mannen van de stam van David naar de tempel moesten komen met een dorre tak – een roede. Zou de roede van een van hen gaan bloeien, dan zou diegene Maria’s man worden. En dat bleek Jozef, die dus de ware was voor Maria. Maar onder invloed van het Duits is de ware jozef in de ware Jakob veranderd. Een mogelijke verklaring voor de Duitse uitdrukking der wahre Jakob is dat meerdere pelgrimsoorden claimen de beenderen van de apostel Jakob te bezitten. En elke plaats beweert uiteraard de ware Jakob te hebben. Voor ons is de ware Jakob echter springlevend: het is de man die precies bij iemand past.
Jan
Jan was voor de Kevins en de Mikes en voor de Maxen en de Larsen de populairste jongensnaam. Als er een algemene naam nodig was voor een personificatie, lag Jan erg voor de hand. Zo kennen we Jan met de pet, de doorsnee-Nederlander, genoemd naar de pet die mannen uit het gewone volk vroeger droegen. Hij vertegenwoordigt ongeveer dezelfde groep als Jan Modaal, die model staat voor iedereen met een modaal inkomen. Ook een man van het volk is Jan Boezemen, de arbeider die een degelijke kiel met lange mouwen draagt. Jantje Contantje komt vooral voor in de uitdrukking het is hier Jantje Contantje ‘je moet hier contant betalen’. De naam is afkomstig uit een vroeg-18e-eeuwse allegorie, waarin naast Jan Contant ook Jan Crediet een rol speelt. Jan en alleman staat symbool voor willekeurige personen, en Jan Soldaat is de gemiddelde soldaat. Jan Beukelszoon van Leiden is de naamgever van jantje-van-leiden. Hij was het hoofd van de wederdopers en stond in de 17e eeuw bekend als iemand die met zijn bedrieglijke scherpzinnigheid en zijn mooie woorden de mensen wist te misleiden. Zich er met een jantje-van-leiden van afmaken betekende in eerste instantie ‘zich met een smoesje van iets afmaken’ en tegenwoordig ‘niet veel zorg aan iets besteden, het slordig afraffelen’. Jan Rap was in de 17e eeuw de personificatie van het lagere scheepsvolk, en samen met zijn maat stond hij symbool voor al het ongure volk en gespuis, zodat ook wij nog steeds Jan Rap en zijn maat liever niet ‘s-avonds in het donker tegenkomen.
In een nieuw jasje
Een nieuwe jas zorgt voor een nieuw uiterlijk, daarom staat een nieuw jasje voor ‘een nieuwe buitenkant’. Er kan van alles in een nieuw jasje gestoken worden, van een website tot een compleet museum. Soms heeft de uitdrukking net als oude wijn in nieuwe zakken de ondertoon ‘de buitenkant is dan wel nieuw, maar de binnenkant is dezelfde oude troep als altijd’, maar meestal is het nieuwe jasje iets waar men trots op is.
Joost mag het weten
Joost heeft een flinke reis gemaakt voor hij in deze uitdrukking belandde. Joost mag het weten betekent ‘ik heb geen flauw idee’, waarbij men verwijst naar ene Joost, die het misschien wél weet. Joost begon zijn carrière in China, als godheid. Op Java werd deze godheid met dejos aangeduid, een verbastering van het Portugese deos ‘god’. De Hollanders op Java verstonden dejos als de joos en daar maakten ze joost en joosje van. Die woorden werden vervolgens gebruikt voor allerlei heidense afgoden: ‘In elk huis is een plaats, daar het afbeeldsel van een hunner Joosjes, of Afgoden hangt, op Chinees papier geschilderd’, staat in een 18e-eeuws reisverslag. En omdat afgoden in christelijke ogen het kwaad vertegenwoordigden, ging joost ‘duivel’ betekenen en werd het woord vereenzelvigd met de eigennaam Joost. Zo’n verhullende naam voor de duivel was welkom, omdat men hem uit bijgeloof liever niet bij zijn echte naam noemde. Joost figureerde in verschillende uitdrukkingen, zoals Joost speelt ermee, dat Joost mij hale en iemand naar Joost wensen. En dus in Joost mag het weten ‘de duivel weet het misschien wel’.
Iets aan de kaak stellen
‘Des anderen dages wort hi gheset op die kaecke, dat hem alle dat volc mochte sien ende bespotten’ (‘De volgende dag werd hij op de kaak gezet, zodat al het volk hem kon zien en bespotten’, uit Die historie van die seuen wijse manne van roeme uit de 15e eeuw). De kaak was een verhoging – oorspronkelijk een ton, later een verhoging van steen of hout – waarop misdadigers tentoongesteld werden; dat heette iemand op of aan de kaak stellen. Iemand die aan de kaak gesteld werd, werd publiekelijk te schande gemaakt. Tegenwoordig worden geen mensen maar kwesties aan de kaak gesteld. Dat betekent dat ze publiekelijk gehekeld worden.
Het is doorgestoken kaart
Het werkwoord doorsteken kon niet alleen ‘met een steek doorboren’ betekenen, maar ook ‘onder iets steken’. Een doorgestoken kaart was een speelkaart die stiekem op zo’n manier in het spel was gestoken, dat de deler daar een speler mee bevoordeelde. Dat is doorgestoken kaart zeg je dan ook als je vermoedt dat er valsgespeeld wordt en dat iemand stiekem door onderlinge afspraken bevoordeeld wordt.
Van de kaart zijn
Iemand die overstuur is, wordt vergeleken met een schip dat van zijn koers geraakt is. Het is zo ver afgedwaald dat het helemaal van de kaart verdwenen is. Dezelfde beeldspraak wordt ook in van streek zijn en buiten westen zijn gebruikt.
Alles of iedereen over één kam scheren
Er bestaan verschillende ideeën over de herkomst van deze uitdrukking. De kam zou het gereedschap van de kapper kunnen zijn. Om haren kort af te knippen, haalt hij een kam langs het hoofd tegen de groeirichting van de haren in. De haren die tussen de tanden van de kam uitsteken, worden afgeknipt. Bij een smalle kam wordt het haar zodoende korter geknipt dan bij een dikkere kam. Een kapper die al zijn klanten over één kam scheert, houdt geen rekening met hun verschillende wensen. Maar misschien moet de verklaring wel in de lakenindustrie worden gezocht. Met de kam zou dan de weefkam bedoeld zijn. Dat is het onderdeel van het weefgetouw waartussen de draden gespannen zijn. Het spannen van de draden heet scheren. Een fijne weefkam heeft veel tanden en dus veel draden. Weefsel dat met een fijne kam gemaakt is, is veel dichter dan het grove weefsel van de grove kam. Wordt alles over één kam geschoren, dan houdt de wever geen rekening met het soort textiel dat hij moet weven. Beide verklaringen zijn plausibel, omdat ze beide recht doen aan de betekenis van de uitdrukking: ‘alles of iedereen gelijk behandelen, terwijl er onderscheid gemaakt zou moeten worden’.
De kar trekken
Deze onder politici zo geliefde uitdrukking is nog jong. Vroeger kende men wel de uitdrukking aan de kar duwen ‘iemand in zijn plannen helpen’. De kar trekken wil zeggen dat je het voortouw neemt, je neemt de leiding in een project en je probeert zo anderen mee te trekken.
Iemand op de kast jagen
Iemand die boos wordt omdat een ander hem plaagt, wordt vergeleken met een kat die om aan het geplaag van mens of hond te ontkomen, op de kast gaat zitten. Iemand die snel op de kast zit is snel boos, terwijl iemand die zich niet zomaar op de kast laat jagen lang rustig blijft.
Dat is kat in ‘t bakkie
Deze Bargoense uitdrukking betekent ‘dat is gemakkelijk, dat klusje is zo opgeknapt’. Kat in ‘t bakkie staat voor ‘loon in de geldla’; als je voor het karweitje loon zou krijgen, zou je zeker weten dat je dat geld ging verdienen, zo zeker ben je ervan dat je het klusje zult klaren. Kat is Bargoens voor ‘soldij, loon, opbrengst’. Zo is katjesdag ‘betaaldag’ en de kattenbak is de ‘geldla’. Het woord is een verbastering van het Maleise gadji ‘loon’, dat aan het Nederlandse gage is ontleend, dat op zijn beurt weer uit het Frans komt.
Een kat in de zak kopen
Het is niet helemaal zeker waar deze uitdrukking vandaan komt. Er wordt gesuggereerd dat een volksverhaal over de duivel eraan ten grondslag ligt. Die zou een wisseldaalder (een munt die altijd terugkeert bij de eigenaar) geven aan wie hem op een kruispunt een kat gaf. Maar toen hij een kat in een zak accepteerde en pas na de transactie de inhoud controleerde, bleek dat er iets anders in zat. Een andere verklaring zou zijn dat iemand denkt een haas te kopen en pas bij thuiskomst in de zak kijkt; dan blijkt dat hij een kat in de zak gekocht heeft. In het Spaans bestaat de uitdrukking dar gato por Hebre ‘iemand een kat voor een haas geven’ die deze verklaring ondersteunt. En tot slot zou het kunnen gaan om een bontwerker die katten inkoopt voor hun vel, maar verzuimt te controleren of de kat in de zak wel de gewenste zwarte vacht heeft. Bij nadere inspectie blijkt het dan een ordinair streepjesvelletje te zijn. Wat al deze verklaringen met elkaar gemeen hebben, is dat iemand die een kat in de zak koopt niet zakelijk genoeg is geweest om zich ervan te verzekeren dat hij iets deugdelijks heeft gekocht en er pas als het te laat is achter komt dat hij bekocht is.
Veel op zijn kerfstok hebben
‘Kerfstok is de naam die men aan twee lange stukjes hout geeft, welke aan maikanderen gehouden wordende, naauwkeurig op een sluiten, en die inzonderheid voor bakkers en ook wel voor winkeliers dienen om daarop kerven te snijden en aan te teekenen hoe veel brood ‘er door iemant te borg gehaald is. De Crediteur bewaard het eene stuk en de Debiteur het andere: wanneer ‘er nu iets gehaald wordt, worden die beide stukjes aan maikanderen gehouden en de kerven over beide stukken gesneeden’, aldus een 18e-eeuws woordenboek. De kerfstok was dus een stok waarop schulden werden bijgehouden door middel van kerfjes die in de stok werden gemaakt. Vaak bestond de kerfstok uit twee delen: een deel voor de verkoper en een deel voor de klant. Beide houtjes werd tegelijk ingekerfd, zodat de verkoper niet stiekem meer kerfjes kon aanbrengen. Iemand die veel op zijn kerfstok had, had veel schulden. Tegenwoordig zijn dat geen financiële maar morele schulden. Iemand die veel op zijn kerfstok heeft, heeft veel misdaan.
In een keurslijf zitten
Wie mooi wil zijn, moet pijn lijden, dat ondervonden de dames die zich vroeger volgens de heersende mode in een keurslijf lieten rijgen dagelijks. Het keurslijf was een soort korset dat ofwel onder de kleding, ofwel als bovenkleding werd gedragen. Het snoerde het bovenlichaam strak in, om tot het begeerde zandloperfiguur te komen. Zo’n keurslijf bood maar weinig bewegingsvrijheid. Wie in een keurslijf zit, wordt dan ook beperkt in zijn vrijheid van denken en doen.
Een ondergeschoven kindje
Het kwam vroeger wel voor dat in vorstelijke geslachten een zwak, gehandicapt kindje verwisseld werd met een gezond kind, om zo de erfopvolging veilig te stellen, of dat een echtpaar dat kinderloos bleef, een zwangerschap in scène zette en stiekem een kind als erfgenaam aannam. Het ondergeschoven kind, zoals dat heette, was niet echt familie. Misschien kreeg het daarom minder liefde. Tegenwoordig is een ondergeschoven kindje een zaak die niet de aandacht krijgt die nodig is.
Op de kleintjes letten
‘s Lands grootste kruidenier heeft deze uitdrukking dan wel grote bekendheid gegeven als reclameslogan, maar er wordt al heel wat langer op de kleintjes gelet. ‘Een vrek (…) Is iemand die zich niet het zijne laat ontvremen, Maar op de kleintjens past’, schreef Willem Bilderdijk al bijna twee eeuwen geleden. Met de kleintjes worden ‘kleine geldbedragen’ bedoeld.

Versie van 31 aug 2023 12:51

A – E

Wie a zegt, moet ook b zeggen[bewerken | brontekst bewerken]

Als je hetalfabet begint op te zeggen, moet je natuurlijk niet stoppen bij de a, maar verder gaan met de b enzovoort. Want als je aan iets begint, moet je het ook afmaken. Vroeger was dit spreekwoord zelfs een rechtsregel die stelde dat bij het sluiten van een koop of overeenkomst beide partijen zich eraan moesten houden.

Het woord alfabet komt uit het Grieks, namelijk van de eerste twee letters van het Griekse alfabet: de alfa en de bèta. In de klassieke Oudheid bestonden er drie Griekse alfabetten, die van streek tot streek grotere en kleinere verschillen in lettervormen vertoonden. Het moderne Griekse alfabet (a, p, y, 8,…) stamt af van het Dorische alfabet, terwijl het West-Griekse alfabet ten grondslag ligt aan het Latijnse alfabet, de voorloper van het schrift zoals wij dat kennen. Het oude Latijnse alfabet verschilde nog van ons alfabet. Oorspronkelijk werd er van rechts naar links geschreven, pas later ging men van links naar rechts schrijven. Bovendien telde het slechts twintig letters. Maar de eerste twee letters van het alfabet zijn altijd a en b geweest. Dus zelfs de oude Romeinen die a zeiden, moesten ook b zeggen.

Al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding[bewerken | brontekst bewerken]

Al luidt een ander spreekwoord kleren maken de man, van een aap is zelfs met een gouden ring geen adonis te maken. In verschillende spreekwoorden die op dit thema variëren, figureren twee dieren: de aap en de ezel. De Friezen zeggen in aap bliuwt in aap, ek al hat er in rök oan en in prük op (‘een aap blijft een aap, ook al heeft hij een rok aan en een pruik op’) en ook de Duitsers zien niet veel schoons in een aangeklede aap: Affen bleiben Affen, wenn man sie auch in Sammet kleidet (‘apen blijven apen, ook al kleedt men ze in fluweel’). Een Engels spreekwoord luidt the ass loaded with gold still eats thistles (‘de ezel die met goud beladen is, eet nog steeds distels’), terwijl de Franse ezel die met goud beladen is, het balken niet laat: un ane chargé d’or ne laisse pas de braire.

In de Middeleeuwen kwam dit spreekwoord met de aap in ons taalgebied nog niet voor. In die tijd werd de aap een simme genoemd, van het Latijnse woord simia (‘aap’). Van dit Latijnse woord simia is ook ons woord scharminkel (in de Middeleeuwen zei men simminkel ) afgeleid. Een scharminkel is dus van oorsprong iemand die zo lelijk is als een aap. Daarom is er zelfs met een gouden ring van een scharminkel niet veel te maken.

Als apen hoger klimmen willen, dan ziet men juist hun blote billen[bewerken | brontekst bewerken]

Apen zijn net mensen, al zijn ze naar onze maatstaven moeders mooiste niet. Maar als een aap zich wil bewijzen door hoog in een boom te klimmen, vestigt hij onbedoeld de aandacht op zijn blote billen (of nauwkeuriger: dat wat wij voor blote billen aanzien) en maakt zich zo belachelijk. Het spreekwoord wil zeggen dat mensen die zich voornamer willen voordoen dan ze zijn, of die grootsere dingen willen doen dan ze kunnen, zich belachelijk maken. Het spreekwoord komt in verschillende talen voor en in het Nederlands zette Jacob Cats het in 1632 op rijm: Als apen hooge klimmen willen, Dan sietmen eerst haer naeckte billen.

Het zijn niet allen apostelen die wandelstokken dragen[bewerken | brontekst bewerken]

Hoewel alle apostelen wandelstokken schijnen te dragen, kun je dit niet omdraaien en zeggen dat iedereen die een wandelstok draagt een apostel is. Je kunt je oordeel over iemand dus niet alleen op basis van het uiterlijk vellen.

Er zijn veel varianten op dit spreekwoord. De bekendste is het zijn niet allen koks die lange messen dragen. Zie aldaar voor meer informatie.

De appel valt niet ver van de boom[bewerken | brontekst bewerken]

Een van de bekendste Nederlandse spreekwoorden is pas in de achttiende eeuw in onze taal terechtgekomen, als een vertaling van het Duitse spreekwoord der Apfel fallt nicht weit vom Stamm (‘de appel valt niet ver van de stam’). De betekenis, ‘kinderen lijken op hun ouders’, zien we echter wel terug in een ouder Nederlands spreekwoord: de appel smaakt naar zijn boom, dat al in de vijftiende eeuw voorkwam. En nog ouder is het spreekwoord zo de tronk, zo het jonk, uit de dertiende eeuw. De tronk is de boomstam en het jonk is het kind. In het vroegste Middelnederlands is de enige betekenis van tronk ‘boomstam’, maar in de latere Middeleeuwen gaat men het woord ook overdrachtelijk gebruiken voor ‘geslacht’, precies zoals in het spreekwoord zo de tronk, zo het jonk. In de Speghel der wijsheit van Jan Praet (ca. 1440-1460) kan men lezen: Dat ute quaden tronken spruut, blijft emmer quaet so waer ment sluut. Het wijst nature (…) dat een quaet tronc gheeft quade sco[o]te. (‘Wat uit een slechte stam ontspruit, blijft altijd slecht, waar men het ook opsluit. De natuur bewijst dat van een slechte stam slechte scheuten komen.’) Zie ook zo de ouden zongen, piepen de jongen.

Een rotte appel in de mand maakt al het gave fruit te schand[bewerken | brontekst bewerken]

Iedereen weet dat één rotte appel binnen de kortste keren de hele fruitschaal aangetast heeft. Zo is ook één slechte persoon funest voor de reputatie van de hele groep, of kan één slechterik anderen aanzetten tot slechtheid. Ook in andere landen wordt deze beeldspraak gebruikt. Bijvoorbeeld in het Engels: one rotten apple can spoil the whole barrel (‘één rotte appel kan het hele vat bederven’); in het Frans: Il suffit d’une pomme pourrie pour gater tout Ie tas (‘één rotte appel is voldoende om de hele stapel te bederven’); en in het Duits: ein fauler Apfel steekt alle anderen an (‘één rotte appel steekt alle andere aan’). Maar geen enkele taal evenaart de rijmzucht van het Nederlands, dat behalve het genoemde spreekwoord ook de volgende versie kent: een appel die bedorven is, schendt al dat in de korven is.

Wie appelen vaart, die appelen eet[bewerken | brontekst bewerken]

Wie werk voor een ander verricht, zorgt ervoor daar zelf ook van te profiteren. Een schipper met een ruim vol appels en een knorrende maag heeft zijn keuze snel gemaakt. Immers, ‘uit een ruim zo vol geladen mist men vijf, zes appels niet’. Dit spreekwoord werd zelfs voor de rechtbank als verontschuldiging aangehaald. ‘Die wijn vaart, wijn drinkt,’ verweerde een wijnschipper zich in 1887 voor de Rotterdamse rechtbank toen hij van diefstal van wijn beschuldigd werd.

Arbeid adelt[bewerken | brontekst bewerken]

Met deze twee woorden werd een eveneens tweewoordig Latijns spreekwoord nagevolgd én overtroffen, want de Latijnse versie allitereerde niet. Het Latijnse virtus nobilitat ‘deugd, maakt edel’ is ontleend aan het volgende fragment: nobilitas sola est atque unica virtus ‘enig en alleen de deugd is adel’. De letterlijke vertaling van virtus nobilitat is de zinspreuk van de ridderorde van de Nederlandse Leeuw: deugd adelt.

Arbeid adelt is de zinspreuk van de oudste landelijke vrouwenvereniging van Nederland, Tesselschade-Arbeid Adelt, die genoemd is naar de zeventiende-eeuwse dichteres Tesselschade Roemers. Het doel van de vereniging was vrouwen uit de midden- en hogere klassen de kans te geven betaald werk te verrichten, in plaats van zich slechts te wijden aan het moederschap of ‘een eeuwigheid vol lief pianospelen’. De arbeidende klasse beschouwde het spreekwoord met een zekere ironie, blijkens de bekende toevoeging arbeid adelt, maar adel arbeidt niet.

As is verbrande turf[bewerken | brontekst bewerken]

Met deze woordspeling wordt iemand die bezwaren oppert of verwijten uit in de vorm ‘Maar wat as er…gebeurt’, of ‘As jij beter had opgelet, dan…’ vakkundig de mond gesnoerd. Er valt niets meer tegen in te brengen: as is inderdaad verbrande turf. Of verbrande sigaret. Of verbrande oude kranten. As je dat maar weet.

Hoe later op de avond, hoe schoner het volk[bewerken | brontekst bewerken]

Met deze woorden wordt bezoek dat nog laat aanbelt, vaak verwelkomd. Omdat het onbeleefd is om laat op de avond bij mensen die je niet goed kent op bezoek te gaan, zijn bezoekers die laat op de avond komen, meestal goede vrienden of familie. Ook de hoeveelheid alcohol die laat op de avond al genuttigd is, kan een positief effect hebben op de waardering voor het bezoek dat dan nog arriveert. In een klucht uit 1715 komt het spreekwoord al voor: Hoe laater op den dag hoe schoonder Volk.

Wie kaatst, moet de bal verwachten[bewerken | brontekst bewerken]

Kaatsen is de benaming van verschillende balspelen waarbij men elkaar de bal zo vaak mogelijk toespeelt, met de hand, met een racket of met een ander instrument. Wie een ander de bal toespeelt, kan de bal dus weer terugverwachten. Wie een ander plaagt, moet er ook op berekend zijn dat de ander kan terugplagen. Zo zijn de regels van het spel. Ook de Friezen, die wel wat van kaatsen weten, zeggen dy’t keatse wol, moat de bal wachtsje (‘wie kaatsen wil, moet de bal verwachten’).

Het zijn sterke benen die de weelde kunnen dragen[bewerken | brontekst bewerken]

De gedachte dat rijkdom slecht is voor het karakter, komt al in klassiek-Latijnse teksten voor. Fortuna nimium quem fovet, stultum facit (‘de fortuin maakt een dwaas van degenen die zij te zeer begunstigt’). Of anders gezegd: weelde en juksel zijn kwalijk te Uiden (‘weelde en jeuk zijn moeilijk te verdragen’). Om de zware last te kunnen dragen die op je schouders drukt als je rijk bent, moet je sterke benen hebben. Wie bezwijkt en zich aan zijn rijkdom te buiten gaat, zal snel leren dat waar weeld en hoogmoed vooruitgaan, komt schande en schade achteraan.

Een goed begin is het halve werk[bewerken | brontekst bewerken]

Wanneer je je goed voorbereidt op wat je gaat doen en het werk daadkrachtig aanpakt, zul je het gemakkelijk tot een goed eind brengen. Iedereen weet het, want het spreekwoord bestaat in vele talen. En we weten het al eeuwen. Incipei Dimidium facti est coepisse ‘Begin! Beginnen is het halve werk’, luidde het in het Latijn. Goed begonnen is half gewonnen, zegt men ook wel. Of goed gezeept is half geschoren. Het blijft echter een feit dat alle begin moeilijk is.

Alle begin is moeilijk[bewerken | brontekst bewerken]

Dit spreekwoord is letterlijk uit het Latijn vertaald: omne principium grave est (‘alle begin is moeilijk’). Ovidius bracht het in zijn Metamorphoses wat zwieriger onder woorden: ardua prima via est (‘steil is de weg in het begin’). In de zeventiende eeuw zei men troostend ‘t begin van alle dingh is swaer, maer ‘t wer veel lichter achter naer (‘het begin van alle dingen is moeilijk, maar later wordt het veel makkelijker’). Het spreekwoord leende zich ook voor komische toevoegingen, zoals alle begin is zwaar, zei de dief en hij stal een aambeeld.

Belofte maakt schuld[bewerken | brontekst bewerken]

Deze vermaning om je beloften na te komen, was oorspronkelijk een rechtsregel. Promissum cadit in debitum (‘belofte maakt schuld’). In een vijftiende-eeuwse rechtsbron, de Saksenspiegel, staat geschreven wye ycht (…) lovet, dye sal yt gelden (‘wie iets belooft, die zal het inlossen’). Belofte maakt schuld…en schuld maakt beloften, voegt men er schertsend aan toe. Want wie schulden heeft, doet vaak veel (loze) beloften over de afbetaling ervan.

Als de berg niet naar mohammed komt, moet mohammed naar de berg komen[bewerken | brontekst bewerken]

Als de ander niet toegeeft, kun je maar beter zelf inschikkelijk zijn. Waarschijnlijk berust dit spreekwoord op een Turks verhaal. De profeet Dschocha beveelt, om zijn heiligheid te bewijzen, een palmboom naar hem toe te komen. Als de palmboom echter onbeweeglijk blijft staan, zegt hij: ‘De profeten en de heiligen zijn niet hoogmoedig en verblind. Komt de palmboom niet naar mij toe, dan ga ik naar de palmboom.’ In een latere variant wordt de profeet Dschocha vervangen door de bekendere profeet Mohammed, en de palm door een nog massievere en onbeweeglijkere berg. Mogelijk speelt de gedachte aan het geloof dat bergen kan verzetten hier een rol. Deze gedachte komt zowel voor in de bijbel (I Korinthiërs 13:2) als in de koran (Koran 13, 31).

Berouw komt na de zonde[bewerken | brontekst bewerken]

Een verwijt aan het adres van iemand die spijt heeft van wat hij gedaan heeft. Het is te laat, het kwaad is al geschied en gedane zaken nemen geen keer. Met enig pathos klaagde men in de zeventiende eeuw een pond van zorg, jae hele balen, kan niet een once schuld betalen. Ook de Engelsen zeggen nog a hundred pounds of sorrow pays not one ounce of debt (‘honderd pond verdriet betaalt geen ons schuld’). De Friezen zijn wat laconieker: goede rie, berou en de branspuit komme f aak te let (‘goede raad, berouw en de brandspuit komen vaak te laat’).

Wie wat bewaart, die heeft wat[bewerken | brontekst bewerken]

Hét excuus voor uitpuilende ladenkastjes en volgestouwde rommelzolders. Weggooien is zonde en over twintig jaar is het vast weer in de mode. Je zou denken dat dit een typisch Nederlands spreekwoord is. Niets is echter minder waar. Servans parta potest sumere, quando Heet (‘wie een deel bewaart, kan het gebruiken op het moment dat het uitkomt’), wisten de Romeinen al. De verstandige Engelsen zeggen of saving comes having (‘van sparen komt hebben’) en de degelijke Duitsers propageren spart man’s, so hat man’s (‘spaart men iets, dan heeft men het’). Maar wat te denken van die frivole Fransen? Qui garde de son diner il a mieux a souper (‘wie wat van zijn diner bewaart, heeft meer voor zijn souper’). Is dat nu Bourgondisch? Nee, dan de Friezen: dy’t watgarret, dy’t wat sparret (as er it net opfret ) (‘wie wat verzamelt, die spaart wat (als hij het niet opvreet’)).

Nieuwe bezems vegen schoon[bewerken | brontekst bewerken]

Nieuwe bezems vegen schoon en nieuwe messen snijden scherp. Maar na verloop van tijd worden de bezems afgedankt tot schrobber en worden de messen bot. Zo gaat het ook met nieuw personeel en vooral met nieuwe managers. In het begin willen ze zich bewijzen en wordt de ene nieuwe maatregel na de andere uitgevaardigd. Maar na verloop van tijd verliezen ze hun scherpte. En dat is voor het overige personeel misschien wel zo prettig. De vergelijking met een bezem komt in veel talen voor. Zo ook in het Frans. Maar het Frans kent nog twee andere manieren om dezelfde gedachte uit te drukken, die wel zo charmant zijn: Il n’est ferveur que de novice (‘niets overtreft de vrome toewijding van een novice’) en Il n’est dévotion que de jeune prêtre (‘niets overtreft de vroomheid van een jonge priester’).

Bezint eer ge begint[bewerken | brontekst bewerken]

Een goed begin is het halve werk, maar alle begin is moeilijk. Het is dus verstandig om eerst goed na te denken voordat je aan iets begint. Het werkwoord bezinnen is net als verzinnen en zinnen (bijvoorbeeld zinnen op wraak ) afgeleid van zin, dat zoveel als ‘geest, verstandelijke vermogens, aandacht’ betekent. Wie zich bezint op iets, denkt daarover na. Als je dingen doet zonder eerst na te denken, ga je onbezonnen te werk.

Zie ook eerst gedaan en dan gedacht heeft menigeen veel leed gebracht en haastige spoed is zelden goed.

Wie zijn billen brandt, moet op de blaren zitten[bewerken | brontekst bewerken]

Van domme dingen die je doet, moet je zelf de gevolgen dragen. Jacob Cats schreef het al in de zeventiende eeuw: Wie sijn billen brandt moet sitten op de blaren. Deze gedachte wordt op vele manieren uitgedrukt. Een minder bekende variant is wie zijn bed verkoopt, moet op de stenen slapen. De Fransen zeggen qui casse les verres lespaie (‘wie de glazen breekt, betaalt ze’) en de Engelsen weten dat they that dance mustpay the fiddler (‘zij die dansen, moeten de violist betalen’). Een oude Latijnse wijsheid luidde sorbe quod ipse miscuisti (‘slurp op wat je zelf gebrouwen hebt’). In het Nederlands kende men in de vijftiende eeuw ook al een aantal varianten: selue inghebroct selue wtghegheten (‘zelf ingebracht, zelf opgegeten’), dat ghi geroet hebt dat spint selue af (‘wat je om het spinrokken gewonden hebt, spin dat zelf af’) en hy heeft een roede tot zijn selfs eers gehaelt (‘hij heeft een roede voor zijn eigen kont gehaald’). De zere billen als gevolg van eigen stommiteit zaten er dus al vroeg in.

Het bloed kruipt waar het niet gaan kan[bewerken | brontekst bewerken]

De oorspronkelijke betekenis van dit spreekwoord is dat bloedverwantschap zich niet laat verloochenen. Gaan heeft hier de betekenis ‘rechtop lopen’. Als het bloed niet rechtop kan lopen, dan kruipt het wel om toch zijn doel te bereiken. In deze betekenis wordt het spreekwoord bijvoorbeeld gebruikt door iemand die zijns ondanks hetzelfde beroep heeft gekozen als zijn voorouders: ‘Ach, het bloed kruipt waar het niet gaan kan,’ klinkt het verontschuldigend. In het Latijn luidde dit spreekwoord ire bonus sanguis quo nescit repit ut anguis (‘waar het goede bloed niet gaan kan, daar kruipt het als een slang heen’). En ook in veel andere talen staat bloed symbool voor bloedverwantschap. In deze betekenis lijkt het spreekwoord dus sterk op de appel valt niet ver van de boom. In het Nederlands heeft de betekenis van het spreekwoord zich echter – in tegenstelling tot in andere talen – uitgebreid: oude voorkeuren laten zich niet verloochenen. Als kind altijd al bezeten geweest van kleien en nu, na jaren als boekhouder gewerkt te hebben, toch een pottenbakatelier geopend? Het bloed kruipt waar het niet gaan kan…

Wat de boer niet kent, dat vreet hij niet[bewerken | brontekst bewerken]

Boeren hebben niet zo’n fraaie reputatie in spreekwoorden: nors, gierig, dom en wantrouwig. De boer komt veel voor in zeispreuken, die ook wel apologische spreekwoorden genoemd worden. Zulke spreuken hebben altijd de vorm van een uitspraak van de boer, de meid, de dominee enzovoort, met een toevoeging die de omstandigheid verklaart waaronder de uitspraak gedaan werd. Wat men van boeren dacht, blijkt wel uit een paar van deze spreuken. Alles heeft zijn inzicht, zei de boer en hij keek in zijn muts. Dat ding loopt verkeerd, zei de boer en hij had een kreeft aan een touwtje. Een ei is een ei, zei de boer en hij nam het grootste. De boer was ook het zinnebeeld van conservatisme en eenkennigheid. Vreemde dingen wantrouwde hij en wat hij niet kende dat vrat hij niet. Ook de Friezen en de Duitsers beschuldigen de boer van deze eigenschap. In andere talen wordt de gedachte dat mensen niet houden van wat ze niet kennen, uitgedrukt in neutralere termen, zoals unknow, unkissed (‘ongekend, ongekust’, Engels) en on n’aime que ce qu’on connaït (‘men houdt alleen van wat men kent’, Frans).

Een oude bok lust nog wel een groen blaadje[bewerken | brontekst bewerken]

De bok staat bekend als een dier met een sterke geslachtsdrift. Niet voor niets wordt een wellustige man een geile bok genoemd. En al verliest de oude bok wel zijn haren, zijn streken verliest hij geenszins. Dus als een oudere man een relatie begint met een jonge vrouw, is de vergelijking met de oude bok en het groene blaadje snel gemaakt. In andere talen staan behalve de bok ook andere dieren model voor dit idee. Alte Katzen naschen auch Milch (‘oude katten snoepen ook van de melk’) luidt het in het Duits, of a gato viejo, rata tierna (‘voor een oude kater een malse rat’) zoals het Spaanse spreekwoord zegt. Soms veranderen brave kerels op hun oude dag nog in geile bokken, of in dit geval geile paarden: ‘n Ou perd kry ook lus vir groenvoer is Afrikaans voor ‘een oud paard krijgt ook trek in groenvoer’.

Ruwe bolster, blanke pit[bewerken | brontekst bewerken]

De bolster is de buitenste, groene bast van sommige noten, kastanjes enzovoort. Vooral de bekende, stekelige kastanjebolster is een mooie illustratie bij dit spreekwoord. De afschrikwekkende buitenkant beschermt een fraaie, gladde binnenkant. Van mensen die uiterlijk ruw en onbehouwen zijn, maar vanbinnen vriendelijk en behulpzaam, wordt vaak gezegd dat zij van het type ruwe bolster, blanke pit zijn.

De boog kan niet altijd gespannen staan[bewerken | brontekst bewerken]

Dit pleidooi voor ontspanning op zijn tijd was al bij de oude Romeinen bekend. Cito rumpes arcum, sempersi tensum habueris (‘je breekt de boog snel, als je hem voortdurend gespannen houdt’). In een Middelnederlands spreekwoordenboek komt het spreekwoord al in de volkstaal voor: die boghe die en mocht soe goet niet wesen woude men te seer spannen hi soude breken (‘een boog kan zo goed niet zijn, als men hem te zeer spant, dan breekt hij’). En in 1604 op rijm: rust hoeft oock den stereken mannen, Den bogh’ en mach altijt niet zijn gespannen (‘ook sterke mannen hebben rust nodig; de boog kan niet altijd gespannen zijn’). In vele talen komt dit spreekwoord in vrijwel onveranderde vorm voor.

Hoge bomen vangen veel wind[bewerken | brontekst bewerken]

Waar lagere boompjes en struiken vaak beschut staan, heeft de wind om de toppen van hoge bomen, die overal boven uitsteken, vrij spel. Het voetvolk, de inktkoelies en het middenkader mogen dan vaak met afgunst kijken naar de rijken en de machtigen, maar terwijl zij zelf aangenaam in de luwte verkeren, vangt de top alle aandacht en dat is niet alleen positieve aandacht. Want de fouten die zij maken, worden snel opgemerkt en breed uitgemeten in de pers. In de zeventiende eeuw zei men niet alleen hoghe bomen vangen veel wint, maar ook de leeghe boomen van het veld zijn minder van de wind ghequelt (‘de lage bomen in het veld worden minder door de wind gekweld’).

Boontje komt om zijn loontje[bewerken | brontekst bewerken]

In deze vorm is het spreekwoord slechts bekend in het Nederlands, het Fries (it beantsje komt om syn leantsje ) en het Afrikaans (boontjie kry sy loontjie ). Het spreekwoord verwijst naar het sprookje ‘Boontje, Strootje en Kooltjevuur’. In dat sprookje wordt verklaard hoe bonen aan een naadje op hun ‘buik’ komen. Boontje, Strootje en Kooltjevuur trokken samen de wereld in. Toen zij bij een riviertje kwamen waar geen brug was, bood Strootje aan over het water te gaan liggen, zodat de anderen hem als brug konden gebruiken. Kooltjevuur stak als eerste over, maar door zijn hitte vatte Strootje vlam en samen stortten ze in de rivier. Hierom moest Boontje zo lachen dat zijn buikje barstte. Een passerende kleermaker naaide zijn buikje dicht, met zwart garen. En daarom hebben alle bonen sindsdien een zwarte naad. Boontje kreeg dus zijn verdiende straf.

Wie het breed heeft, laat het breed hangen[bewerken | brontekst bewerken]

Wie rijk is, kan veel geld uitgeven. Mogelijk speelt hierbij de gedachte aan dure stoffen waarvan men kleding liet maken een rol. Wie rijk was, kon dat laten zien door royalere hoeveelheden stof voor zijn kleding te gebruiken dan noodzakelijk was. Het wordt vooral in afkeurende zin gezegd van mensen die te koop lopen met hun geld en ironisch van mensen die op te grote voet leven. In het Latijn werd de vergelijking met de dure specerij peper gemaakt: qui pipere abundat, oleribus miscet piper (‘wie peper in overvloed heeft, mengt de peper door de groenten’). Ook in het Middelnederlands komt een dergelijk spreekwoord voor: die pepers goeden tijt heeft pepert sinen pap (‘wie peper in overvloed heeft, pepert zijn pap’). They that have a good store of butter, may lay it thick on their bread (‘zij die een goede voorraad boter hebben, kunnen het dik op hun brood smeren’), zeggen de Engelsen, terwijl Duitsers die het lang hebben, het lang laten hangen: wer’s lang hat lasst’s lang hangen.

Wiens brood men eet, diens woord men spreekt[bewerken | brontekst bewerken]

Iemands brood eten is een symbool voor bij iemand te gast zijn of voor iemand werken en zo je brood verdienen. Door deze afhankelijkheidsrelatie word je welhaast gedwongen om partij te kiezen voor je broodheer of gastheer. Vele eeuwen geleden zei men al cuius enim panem maduco, carmina canto (‘immers, wiens brood ik eet, diens verzen zing ik’). In een vijftiende-eeuws spreekwoordenboek staat het ook: eet ick mede ick swige (‘als ik mee-eet, zwijg ik’). Never bite the hand that feeds you (‘bijt nooit de hand die je voedt’), waarschuwen de Engelsen. Want voor je het weet, ben je brodeloos.

De brutalen hebben de halve wereld[bewerken | brontekst bewerken]

Als kind leer je dat kindertjes die vragen, worden overgeslagen. Groot is dan ook de desillusie van de beleefde burger die moet toezien hoe de beste banen en de mooiste huizen worden weggesnaaid door brutale apen die helemaal niet afwachten tot hun iets wordt gevraagd. Een kleine troost zijn dan misschien de woorden die de Friezen aan dit spreekwoord toevoegen: de bretalen hawwe de heale wrald (mar dy moatte se melinoar parte ) (‘de brutalen hebben de halve wereld (maar die moeten ze met elkaar delen’)). Het wachten is dus op het moment dat de brutalen meer dan de helft van de wereldbevolking gaan uitmaken.

Een goede buur is beter dan een verre vriend[bewerken | brontekst bewerken]

In het bijbelboek Spreuken 27:10 staat te lezen: Laat uw vriend en de vriend van uw vader niet in de steek, maar betreed het huis van uw broeder niet ten dage van uw ongeluk. Beter een buur dichtbij dan een broeder veraf. Aan goedwillende buren die even boodschappen doen of medicijnen halen bij de apotheek heeft een zieke immers meer dan aan ver weg wonende vrienden. Het spreekwoord is aan het bijbelcitaat ontleend en vriend is oorspronkelijk gebruikt in de oude betekenis ‘bloedverwant’. Vergelijk een Middelnederlandse tekst over erfrecht: so sal dat guet, dat hem gegheven ys, wedercomen up den vader of up des vaders vrent ende nyet up der moder vrent (‘zo zal het goed dat hem gegeven is, vervallen aan de vader of aan de verwanten van de vader en niet aan de verwanten van de moeder’). Maar ook met de huidige betekenis van vriend komt het spreekwoord goed tot zijn recht.

Al te goed is buurmans gek[bewerken | brontekst bewerken]

Als je te goed bent, zullen mensen misbruik van je maken. Een variant op dit spreekwoord luidt allemans vriend is alle-mans gek. De gedachte wordt al verwoord in het Latijn: valde bonus, valde deceptibilis (‘erg goed, erg makkelijk te bedriegen’). Aan het eind van de vijftiende eeuw werd dit Middelnederlandse spreekwoord opgetekend: alder liede vrient is alder lieden sot (‘de vriend van alle mensen is de gek van alle mensen’). De buurman in de moderne versie is niet alleen degene die naast je woont, maar staat voor de hele buurt, je hele omgeving.

Elke dag een draadje is een hemdsmouw in het jaar[bewerken | brontekst bewerken]

Door gestaag door te werken, kun je uiteindelijk nog veel bereiken. Het Middelnederlandse spreekwoord luidde een draeyken sdaechs is een hemdemauken sjaers (‘een draadje per dag is een hemdsmouw in een jaar’). De Vlaamse variant staat op rijm: alle dagen een draadje gesponnen is alle jaren een hemdsmouw gewonnen. In andere talen wordt de gestage maar vruchtbare arbeid op andere manieren verbeeld. Petit a petit l’oiseau fait son nid (‘beetje bij beetje maakt de vogel zijn nest’), rijmen de Fransen. Poco a poco hila la vieja el copo (‘beetje bij beetje spint het oude vrouwtje het spinsel’), is het Spaanse spreekwoord. Terwijl de Duitsers ofwel kleinere hemden hebben dan wij, of grotere draden, aangezien zij met elke dag een draadje een heel hemd in een jaar weten te maken: alle lage einen Paden macht im Jahr ein Hemd.

Je moet de dag niet prijzen voor het avond is[bewerken | brontekst bewerken]

De gedachte dat je niet te vroeg moet juichen, omdat de omstandigheden nog kunnen veranderen, bestond al in de klassieke Oudheid. Quid vesper ferat, incertum est (‘wat de avond zal brengen, is onzeker’). In een vijftiende-eeuws handschrift van Reinaerts historie neemt de tante van Reinaert de Vos het voor haar neef op tegen de koning. Ze pleit dat niemand zonder zonde is en dat Reinaert de koning onlangs nog een dienst heeft bewezen. Ook kunnen mensen veranderen. De koning moet zijn oordeel over Reinaert nog maar even opschorten, want Men sel den dach te zeer niet louen noch laken eer men ziet Dat hy ten auont is comen (‘men moet de dag niet te zeer prijzen of afkeuren voor men ziet dat hij ten avond gekomen is’). Zie ook je moet de huid niet verkopen voor de beer geschoten is en het eerste gewin is kattengespin.

Eens gestolen, altijd een dief[bewerken | brontekst bewerken]

Dit spreekwoord wordt gebruikt als vermaning: ‘Pas op, want als je iets slechts doet, raak je je slechte naam nooit meer kwijt.’ Maar ook, door de ‘dief’, als verontwaardigde uitroep: ‘Ik heb al in geen jaren meer iets slechts gedaan, maar toch kijkt iedereen nog met achterdocht naar me!’ Dieven hebben al eeuwen last van stigmatisering, blijkens dit Latijnse spreekwoord: qui semel furatur, semper fur habetur (‘wie eenmaal steelt, wordt altijd voor een dief gehouden’). Deugden worden snel vergeten, maar misdaden niet, wist men in de Middeleeuwen: Wie XXX dogheden begheet, eest dat hi eens omme sleet, der doghet wert vergheten al, maar de mesdaet hout ghetal (‘al bega je dertig deugden, als je (ten kwade) verandert wordt de deugd vergeten, maar de misdaad wordt onthouden’).

Al doende leert men[bewerken | brontekst bewerken]

Boekenwijsheid is fraai, maar er gaat niets boven de praktijk. In het Afrikaans zegt men dan ook een ons praktyk is beter as ‘n pond teorie (‘één ons praktijk is beter dan een pond theorie’). De Duitsers zijn het daar hartgrondig mee eens: Übung tut mehr als aller Meister Lehr (‘oefening doet meer dan de leer van alle meesters’). In een zestiende-eeuws spreekwoordenboek werd het spreekwoord al in de ons bekende vorm opgetekend (op een enkele spatie na): al doende leertmen.

De een zijn dood is de ander zijn brood[bewerken | brontekst bewerken]

De dood van de een verschaft de ander, die bijvoorbeeld zijn werk of klantenkring kan overnemen, een middel van bestaan, zodat hij zijn boterham kan verdienen. Of ruimer gezien: de schade die de een lijdt, zoals een faillissement, levert de ander voordeel op. Het Latijnse spreekwoord is kort en direct: mors tua, vita mea (‘jouw dood, mijn leven’). Vanaf de zestiende eeuw worden varianten op dit thema in onze taal aangetroffen, bijvoorbeeld: de ene sterft: die ander die stede verwerft (‘de een sterft, de ander verwerft die plaats’). In de achttiende eeuw wordt in het spreekwoord voor het eerst het beeld van het brood als kostwinning gebruikt: des eenen dood, is des anderen brood, door ‘t afsterven van den eenen, verkrijgt de andere levensmiddelen, door erfenis, door amptvolging, enz.

Dromen zijn bedrog[bewerken | brontekst bewerken]

De bijbel is een wonderlijk boek. In Genesis doet Jozef voorspellingen op grond van de dromen van de farao, die uitkomen. Maar in het deuterocanonieke boek Wijsheid van Jezus Sirach kunnen we het volgende lezen: Waarzeggerij en vogel geschrei, en dromen zijn ijdele dingen, waarvan uw hart inbeeldingen krijgt, gelijk het hart ener vrouw die in barensnood is. Indien ze van de Allerhoogste u niet zijn toegezonden, om u te bezoeken, zo geef uw hart daartoe niet. Want de dromen hebben velen verleid, en die daarop hoopten, zijn gevallen. Wie niet beschikt over een betrouwbare adviseur die hem kan verzekeren dat zijn dromen hem zijn toegezonden door de Allerhoogste, kan er dus maar beter van uitgaan dat dromen bedrog zijn. Of, zoals het in een zeventiende-eeuwse klucht verwoord werd: droom is droom, wat wild’u onderwinden: maer droomt en kact in ‘t bed dat suldy namaels vinden. Dat ging de achttiende-eeuwse spreekwoordenverzamelaar Tuinman iets te ver. In zijn spreekwoordenboek is een gekuiste versie te lezen: droomen is bedrog: maar k…in ‘t bed, gy vind het ‘s-morgens noch.

Wie voor een dubbeltje geboren is, zal nooit een kwartje worden[bewerken | brontekst bewerken]

De vrees dat dit spreekwoord samen met de dubbeltjes en kwartjes zal uitsterven, is waarschijnlijk ongegrond. Immers, de uitdrukking kijken alsof je je laatste oortje versnoept hebt heeft de tand des tijds ook doorstaan, al weet niet iedereen meer dat een oortje een muntje was. Wie arm geboren is, zal nooit rijk worden, houdt dit spreekwoord ons ontmoedigend voor. Er is zelfs een Latijnse versie van dit spreekwoord bekend en door de eeuwen heen heeft het zich steeds aan de muntsoort van de tijd aangepast. Infortunatus ad tres obulos homo natus, nunquam nummorum dominus valet esse duorum (‘De onfortuinlijke die voor drie obolen geboren is, zal nooit de bezitter van twee sestertiën kunnen zijn’). In de zestiende eeuw duikt in Nederland het oortje weer op: die geboren is onder een duyt-planeet, en zal noyt meester van een oortjen worden. Ook de inflatie heeft zich erin gemengd, want vroeger zei men wie voor een stuiver geboren is, zal nooit een dubbeltje worden. En wie voor een euro geboren is?

Een dubbeltje kan raar rollen[bewerken | brontekst bewerken]

Dit spreekwoord is ook bekend als een stuivertje kan raar rollen. Als je een muntstuk op zijn kant zet en het laat rollen, maakt het vreemde bochten. Je kunt niet voorspellen hoe het zal rollen. Zo is het ook met het lot: je kunt nooit voorspellen hoe iets zal aflopen. Hoewel deze redenering ook voor andere valuta opgaat – hoe dikker echter de munt, hoe rechter de weg die hij aflegt – komt dit spreekwoord alleen in het Nederlands en het Fries voor ‘in dübeltsje kin raar rölje ). De Duitsers zeggen man kann nicht wissen, wie der Hase lauft (‘men kan niet weten hoe de haas loopt’) en de Engelsen you never know your luck (‘je kent nooit je geluk’). Zie ook je kunt nooit weten hoe een koe een haas vangt.

De duivel schijt altijd op de grootste hoop[bewerken | brontekst bewerken]

De gedachte dat de rijken altijd rijker worden, wordt al in de klassieke Oudheid verwoord: dantur opes nullis nunc nisi divitibus (‘rijkdom wordt alleen gegeven aan degenen die al rijk zijn’). In vier West-Germaanse talen wordt de afgunst openlijk beleden: daar moet de duivel wel achter zitten. Nogal wiedes dat wie voor een dubbeltje geboren is, nooit een kwartje zal worden! De duvel skyt altyd op ‘e grutte heap, zeggen de Friezen; en de Duitsers beamen dat: Der Teufel scheifit immer auf den gröfiten Haufen. Ook de Engelsen halen de duivel erbij: the devil looks after his own (‘de duivel zorgt voor de zijnen’). In de Romaanse talen blijft het bij de constatering dat de rijken steeds rijker worden.

Als je het over de duvel hebt, trapje hem op zijn staart[bewerken | brontekst bewerken]

Vroeger dacht mendat je demonen kon oproepen door hun naam te noemen. Als je over de duivel sprak, dan kwam hij tevoorschijn en was hij zo dichtbij dat je hem op zijn staart kon trappen. Vandaar de gewoonte om zijn naam niet te noemen, maar bijnamen te gebruiken, zoals de boze, de viant (vijand), de droes enzovoort. Voor Harry Potter-fans: You-Know-Who is op hetzelfde principe gebaseerd. Het toeval dat iemand over wie je net aan het praten bent, ineens verschijnt, wordt hiermee geassocieerd. Het spreekwoord komt in verschillende talen voor. In het Engels zegt men talk of the devil and he’s sure to appear (‘spreek over de duivel en hij zal zeker verschijnen’), maar ook engelen laten zich blijkbaar oproepen: talk of an angel and you’ll hear his wings (‘spreek over een engel en je zult zijn vleugels horen’).

Eendracht maakt macht[bewerken | brontekst bewerken]

Onderlinge verdeeldheid zorgt ervoor dat werk niet goed wordt uitgevoerd of dat een strijd niet wordt gewonnen, terwijl eensgezindheid juist sterk maakt. De uitgebreide tekst luidt dan ook eendracht maakt macht, tweedracht breekt kracht. Dit spreekwoord is ontleend aan het Latijn: concordia parvae res crescunt, discordia maximae dilabuntur (‘door eendracht groeien de kleine dingen, door tweedracht valt het grote uiteen’). Eendracht maakt macht was de wapenspreuk van de Republiek der Verenigde Nederlanden (1588-1795) en is dat nu nog van België.

Eenvoud is het kenmerk van het ware[bewerken | brontekst bewerken]

Dit spreekwoord is een vertaling van het Latijnse simplex veri sigillum (‘eenvoud is het zegel van het ware’). Iets wat echt met vaardigheid gemaakt is, behoeft geen opsmuk om kleine foutjes te verhullen. Een verwant Engels spreekwoord, truth needs no colours (‘de waarheid behoeft geen kleuren’), legt het accent van het ware op ‘de waarheid’. In het Nederlands heeft het spreekwoord vooral betrekking op authentieke kunst of authentiek vakmanschap.

Ere wie ere toekomt[bewerken | brontekst bewerken]

In het bijbelboek Romeinen 13:7 staat: Betaalt aan allen het verschuldigde, belasting aan wie belasting, tol aan wie tol, ontzag aan wie ontzag, eerbetoon aan wie eer toekomt. Het spreekwoord wordt in het Nederlands vooral gebruikt om toe te geven dat men in iemand onvermoede verdiensten erkent. De vorm ere is de Middelnederlandse vorm van eer, die in dit spreekwoord bewaard is gebleven.

Eerlijk duurt het langst[bewerken | brontekst bewerken]

Al kan een leugen aantrekkelijk lijken, op de langere termijn komt de waarheid altijd aan het licht. Met eerlijkheid kom je dus het verst. De Latijnse spreuk waaraan dit spreekwoord ontleend is, luidt: probitas longum perdurat in aevum (‘eerlijkheid duurt voor altijd. Een citaat uit de achttiende eeuw vertelt ons: Binnen weinige jaaren zal hy schatryk zyn, want hy is door eerlyk, en eerlyk duurt toch ‘t langst. De Engelsen zeggen honesty is the best policy (‘eerlijkheid is het beste beleid’) en de Duitsers zeggen niet alleen ehrlich wahrt am langsten, maar ook Schande dauert langer als Armut (‘schande duurt langer dan armoede’).

Vele eersten zullen de laatsten zijn[bewerken | brontekst bewerken]

Dit spreekwoord is letterlijk ontleend aan het bijbelboek Mattheus 19:30. De passage gaat over het loon voor het volgen van Jezus. De verzen 28 tot en met 30 luiden: Jezus zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, gij, die Mij gevolgd zijt, zult in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen op de troon zijner heerlijkheid zal zitten, ook op twaalf tronen zitten om de twaalf stammen van Israël te richten. En een ieder, die huizen of broeders of zusters of vader of moeder of kinderen of akkers heeft prijsgegeven om mijn naam, zal vele malen meer terugontvangen en het eeuwige leven erven. Maar vele eersten zullen de laatsten zijn, en vele laatsten de eersten. In Lucas 14:7-11 legt Jezus met een gelijkenis uit dat je jezelf niet de eerste plaats moet toe-eigenen. Hij besluit met de conclusie Want een ieder, die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden en wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden (Luc. 14:11).

Het spreekwoord wordt nog wel in de bijbelse betekenis gebruikt: ‘velen met een hoge positie in het aardse bestaan, zullen in de hemel een lage positie bekleden’. Maar het wordt vooral ruimer gebruikt: ‘met bescheidenheid bereik je vaak het meest’. Het spreekwoord wordt ook wel omgekeerd: vele laatsten zullen de eersten zijn, met dezelfde betekenis.

Een half ei is beter dan een lege dop[bewerken | brontekst bewerken]

Als meer onbereikbaar is, moet je met weinig tevreden zijn; dat is nog altijd beter dan niets. Het spreekwoord werd al in de vijftiende eeuw in onze taal opgetekend: beter eenen haluen dooyer dan een heel schale (‘beter een halve dooier dan een hele schaal’). Er bestaan zowel in het Nederlands als in andere talen verschillende varianten op: een blind paard is beter dan een lege halster, een half brood is beter dan geen brood, beter iets dan niets. Of in het Fries: in belape broek is better as ien mei gatten (‘een verstelde broek is beter dan een met gaten’). Maar waar men in het Nederlands, Engels, Duits en Frans nog blij is met een half brood, heeft de Spaanstalige meer noten op zijn zang: mas vale pan y ensalada que no corner nada (‘beter brood en sla dan niets te eten’). Vergelijk ook beter één vogel in de hand, dan tien in de lucht.

Eind goed, al goed[bewerken | brontekst bewerken]

Een goed einde doet alle inspanningen die eraan voorafgegaan zijn vergeten. Si finis bonus est, totum bonum erit (‘als het einde goed is, zal alles goed zijn’), is de Latijnse variant. In de zestiende eeuw werd al opgetekend ist deynde goet so eest al goet (‘is het einde goed, dan is alles goed’). En in een zeventiende-eeuws spreekwoordenboek vindt men ‘t is alles wel, als ‘t eynd is wel, zoals de Engelsen nu nog zeggen all’s well that ends well (‘alles is goed wat goed eindigt’). De gedachte werd in het Latijn ook uitgedrukt door finis coronat opus (‘het einde kroont het werk’). In het hiervoor al genoemde zeventiende-eeuwse spreekwoordenboek is dit spreekwoord vertaald en berijmd: Staet op ‘t begin niet al te sterck, het eynd’ alleen, dat kroont het werk (‘al staat het in het begin niet al te sterk, het einde alleen dat kroont het werk’).

Een ezel stoot zich in ‘t gemeen geen tweemaal aan dezelfde steen[bewerken | brontekst bewerken]

Alleen mensen die nog dommer zijn dan een ezel, maken tweemaal dezelfde fout. In de klassieke Oudheid werd het beeld van zich tweemaal aan dezelfde steen stoten al gebruikt: culpa enim illa, bis ad eundem lapidem offendere vulgari reprehensa proverbio est (‘het wordt in de volksmond als onvergeeflijke fout beschouwd zich tweemaal aan dezelfde steen te stoten’). De ezel is daar later aan toegevoegd. Vondel schreef bijvoorbeeld een ezel stoot maer eens zich aen den zelven steen; de mensch wel zevenmael. De ezel was en is een symbool van de domheid. Ook in de volgende, verouderde, spreekwoorden vervult de ezel deze rol: men kent den ezel by zijn ooren; de dwaes is by zijn spraeck te hooren en ezels vind men by der hoopen, die maer op twee beenen loopen.

In veel andere talen is het spreekwoord op dezelfde manier aangevuld met een ezel. Un ane ne trébuche pas deux fois sur la même pierre (‘een ezel struikelt niet tweemaal over dezelfde steen’), zeggen de Fransen. Ein Esel stöflt sich nicht zweimal an demselben Stein (‘een ezel stoot zich niet tweemaal aan dezelfde steen’), is het Duitse spreekwoord. In het Engels zijn er twee varianten; één met een ezel en één met een steen: wherever an ass falls, there will he never f all again (‘waar een ezel valt, daar zal hij nooit meer vallen’) en he who stumbles twice over one stone, deserves to break his shin (‘wie tweemaal over dezelfde steen struikelt, verdient het zijn scheenbeen te breken’).





gggggggggggg[bewerken | brontekst bewerken]

F – J

Iemand op zijn falie geven

Een falie was een zwarte omslagdoek die vrouwen om de schouders of over het hoofd droegen. Oorspronkelijk kregen dus alleen vrouwen op hun falie – het voornaamwoord zijn in deze uitdrukking is van later tijd. Het is net zoiets als iemand een pak op zijn broek geven: het kledingstuk symboliseert het lichaam dat het pak slaag krijgt.

Een goed figuur slaan

Een figuur maken of slaan betekende vroeger ‘een rol van betekenis spelen’. Slaan heeft hier niets met meppen te maken, maar betekent eenvoudigweg ‘maken’, en figuur is ‘de maatschappelijke rol die iemand vervult’. Tegenwoordig kun je onder andere een goed, slecht, belachelijk of behoorlijk figuur slaan. Dat wil zeggen dat je een goede, slechte, belachelijke of behoorlijke indruk maakt. Als een figuur slaan geen toevoeging als goed of slecht heeft, wordt altijd iets negatiefs bedoeld. Iemand die een figuur slaat, maakt bijvoorbeeld een blunder.

Naar de filistijnen gaan

De Filistijnen waren een buurvolk van de Israëlieten. In de Bijbel wordt beschreven hoe de Israëlieten en de Filistijnen lange tijd tegen elkaar streden. De Filistijnen stonden bekend als bijzonder sterke strijders en bovendien wilden ze graag hun grondgebied uitbreiden. Wie met deze geduchte tegenstander te maken kreeg, kon er bijna zeker van zijn dat zijn land naar de Filistijnen ging, hij kon het als verloren beschouwen. Als iets naar de filistijnen is, is het kapot en kan het dus ook als verloren worden beschouwd.

Op de fles gaan

Het laatste bier uit het vat is niet lekker. Tegenwoordig wordt dat gewoon weggegooid, maar vroeger probeerde men er nog wat van te maken door het in flessen te tappen en met suiker en gist op smaak te brengen. Maar het bleef inferieur bier. Restbier dat in flessen getapt werd ging op de fles. Een bedrijf dat op de fles gaat, is ook niet goed meer: het gaat failliet. Ook in andere uitdrukkingen komt het bier dat in flessen getapt wordt terug. Iemand flessen bijvoorbeeld is iemand oplichten: hij wordt bedrogen zoals iemand die denkt lekker bier te kopen, terwijl hij in werkelijkheid geflest bier krijgt. En een flessentrekker is iemand die bier in flessen laat trekken. Een oplichter dus.

Een vrolijke frans

Vrolijke Frans, een onbezorgde flierefluiter, was de hoofdpersoon van een schelmenroman uit 1643, waarvan de volledige titel luidt: ‘t Kluchtige Leven van vrolyke Fransje, daar in de hedendaegse ongeregeltheden en bedriegerijen naaktelijk vertoont worden. Uyt het François van de Heer Du Pare, vertaelt door D.V. R. Zoals de titel al zegt, was het een vertaling van een Frans boek, namelijk L’histoire comi-que de Francion, geschreven in 1622 door Nicolas de Mou-linet. In de jaren na het verschijnen van de Nederlandse vertaling ontstond de uitdrukking een leven van vrolijk Fransje ‘een zorgeloos pretbestaan’ en later werd een vrolijke frans een aanduiding voor een onbezorgde flierefluiter.

Gallisch worden van iets

Werden de Romeinen gallisch van de Gallische helden Aste-rix en Obelix? Vast wel, maar dat heeft niets met de herkomst van deze uitdrukking te maken. Gallisch is een verbastering van het Jiddische woord challes ‘misselijk’. Als je ergens gallisch van wordt, word je er niet goed van.

Garen spinnen bij iets

Wie garen uit wol of vlas spint, maakt van een grondstof een waardevol product en verdient daar geld mee. Vandaar dat garen spinnen bij iets betekent dat je ergens voordeel uit haalt.

Zich gedeisd houden

De bron van deze uitdrukking is het Portugees. In die taal bestaat het woord deixe, dat wordt uitgesproken als ‘deizje’ en ‘stil’ betekent. Portugese Joden namen het woord deizje mee naar Nederland. Zoals wel vaker gebeurt met vreemde woorden, werd hier aan deizje een nieuwe uitleg gegeven: men dacht dat het twee woorden waren, namelijk deis je ‘(wees) stil’. En dat zou dan van het werkwoord zich deizen moeten komen, dat ‘stil zijn’ zou betekenen. Nu er een werkwoord zich deizen verzonnen was, kon dat ook vervoegd worden en daaruit is zich gedeisd houden ontstaan. Wie zich gedeisd houdt, houdt zich stil, zorgt dat hij geen aandacht trekt.

Alle gekheid op een stokje

Nadat er wat gekheid gemaakt is, kun je zeggen maar alle gekheid op een stokje… om in te leiden dat je nu overgaat op iets serieus. Waarschijnlijk verwijst het stokje naar een van de attributen van de nar: een stokje met bellen. Met de uitdrukking wordt alle gekheid verbannen naar de plaats waar onzin thuishoort: bij de nar. En daarmee wordt er ruimte gemaakt voor serieuzere zaken.

Een hard gelag

Iets wat slecht te verkroppen is, wordt een hard gelag genoemd. Het klinkt ironisch: alsof je hard lacht om je eigen tegenspoed. Maar de spelling verraadt al dat een hard gelag niet van lachen komt. Het Middelnederlandse woord gelach (toen nog wel met -eh ) komt van geliggen ‘gelegerd zijn’ en betekende in eerste instantie ‘ligging, positie’ en bij uitbreiding daarvan ‘positie, lot’, bijvoorbeeld in ‘Thelsche vier wort haer ghelach’ (‘Het helse vuur wordt hun lot’). Een hard gelag is dus ‘een zwaar lot’.

Het gelag betalen

Net als de uitdrukking een hard gelag roept het gelag betalen associaties op met lachen (‘de rekening betalen na een gezellig avondje’?). Maar ook nu komt het gelag in werkelijkheid van het Middelnederlandse geliggen. In dit geval heeft zich een betekenis ontwikkeld van ‘samen liggen’ via ‘gezamenlijk ingelegd geld om consumpties van te betalen’ tot ‘de prijs van de gezamenlijke consumpties’. Degene die het gelag moet betalen is de pineut; hij moet voor alle kosten opdraaien.

Geld

Geld, daar draait het toch maar om in de wereld.

Als je geld als water verdient, heb je lekker veel geld om over de balk te gooien. Geld wordt in deze uitdrukking met hooi vergeleken dat in de ruif gegooid moet worden. Gooi je niet nauwkeurig genoeg, dan verdwijnt er hooi over de balk boven de ruif, en dat is verspilling, oftewel weggegooid geld. Van iemand die spilziek is, wordt gezegd dat het geld hem in de zak brandt. Het gloeit van ongeduld om uitgegeven te worden. De partner van zo’n geldsmijter die vindt dat geld moet rollen, klaagt dan: het geld groeit me niet op de rug! Er moet immers hard gewerkt worden om te zorgen dat er geld in het laatje gebracht wordt; dat laatje is de kassa-lade. Maar een handige jongen weet altijd wel ergens geld uit te slaan, zulke mensen ruiken geld. Als speurhonden ruiken ze mogelijkheden om ergens geld aan te verdienen. Er is altijd wel iets dat ze te gelde kunnen maken. Maar toch is het oppassen, want voor hetzelfde geld wordt de geldkraan op een dag dichtgedraaid. En tenzij je bulkt van het geld kun je dan maar beter een tijdje boven op je geld zitten, totdat er weer betere tijden aanbreken waarin het geld met kruiwagens binnenkomt.

Het gemunt hebben op iemand

‘Zoo worden we, op den tocht, In ‘t munten op Japan, voor Astrakan gedreven’ schreef de dichter Oudaan in de 17e eeuw. Munten betekent hier ‘koersen op, als doel gekozen hebben’. Als je het op iemand gemunt heb, heb je hem eveneens als doel gekozen: hij is het mikpunt van je slechte bedoelingen.

Bij iemand in het gevlij proberen te komen

Het is een beruchte dictee-instinker: is het nu in het gevlij komen of in het gevlei komen? De betekenis ‘proberen bij iemand in de gunst te komen’ stuurt de gedachten naar vleien ‘dingen zeggen die iemand graag wil horen om hem gunstig te stemmen’. Toch is dat niet de oorsprong van de uitdrukking. Die ligt namelijk in het werkwoord vlijen, dat ‘(zich) schikken’ betekent. In de 17e eeuw bestond er een uitdrukking in het gevlij spreken ‘proberen twee partijen met elkaar te verzoenen’. Hier kan gevlij als ‘schikking’ beschouwd worden. De uitdrukking bij iemand in het gevlij proberen te komen komt sinds de 19e eeuw voor, en borduurt voort op de oudere uitdrukking. Als je bij iemand in het gevlij probeert te komen, stuur je niet aan op een verzoening, maar op de gunst van de ander.

Gezicht

Van iemands gezicht kun je zijn emoties aflezen, zéker als zijn gevoelens op zijn gezicht te lezen staan. Iemand met een ge-zicht als een oorwurm kijkt erg ontevreden en iemand met een gezicht als een donderwolk is heel boos; zijn gezicht staat op onweer. Ook jaloezie laat zich goed van gezichten aflezen, want als mensen zich achtergesteld voelen, geeft dat scheve gezichten. Anderen hebben zich beter in bedwang en kunnen met een stalen gezicht of met een uitgestreken gezicht de grootste onzin vertellen, zij kunnen hun gezicht in de plooi houden. Iemand die zich anders heeft voorgedaan dan hij is, kan plotseling zijn ware gezicht laten zien. Pas dan weet je hoe hij werkelijk is. Het gezicht staat ook symbool voor iemands aanzien. Iemand die zijn gezicht verliest, raakt zijn aanzien kwijt. Om dat gezichtsverlies te voorkomen, kan iemand die geblunderd heeft, zijn gezicht proberen te redden. Hij probeert dan de schade zo veel mogelijk te beperken en te voorkomen dat ze hem in zijn gezicht uitlachen. In andere uitdrukkingen betekent gezicht ‘aanzicht’. Op het eerste gezicht is letterlijk ‘als je er voor het eerst naar kijkt’. Bij nadere beschouwing kan iets nog wel eens anders zijn dan je op het eerste gezicht dacht. Op het tweede gezicht staat die broek toch niet zo leuk, sterker nog: het is geen gezicht.

Een graantje meepikken van iets

Een voordeeltje dat je weet te krijgen in de marge van de onderneming van iemand anders, wordt vergeleken met een graantje dat vogels meepikken van het voer dat voor de kippen uitgestrooid is.

Van de graat vallen

De oudste betekenis van deze uitdrukking is ‘erg mager worden’. De graat is het geraamte – vroeger hadden niet alleen vissen graten – en bij een vermagerde persoon was het vlees daar zogenaamd vanaf gevallen. Later is de betekenis verschoven van ‘vermageren’ naar ‘erg veel honger hebben’.

Graf

Natuurlijk, het graf staat symbool voor de dood. Maar op zijn beurt staat de dood dan weer symbool voor het einde, de ondergang. Iemand die zijn eigen graf graaft, werkt zijn eigen ondergang in de hand. Ook het graf in geprezen worden is niet gunstig: je wordt dan zozeer de hemel in geprezen dat het daarna heel erg moeilijk is om aan de verwachtingen te voldoen. Als er iets gebeurt waarvan men denkt dat een overledene er heel erg op tegen zou zijn, wordt gezegd: hij zou zich in zijn graf omdraaien. De dode zou zich zo ergeren dat hij als een slapeloze zou liggen woelen in zijn graf. Zo laat hij zich nog na zijn dood gelden. Soms is die geldingsdrang zo sterk, dat iemand over zijn graf heen regeert. Hij oefent na zijn dood nog invloed uit. Vaak wordt met deze uitdrukking bedoeld dat een afgetreden machthebber zich blijft bemoeien met zijn vroegere werk. Op wat gedraai in en geregeer over het graf heen na is het doorgaans stil in het graf. Doodstil. Van iemand die kan zwijgen als het graf krijg je dan ook geen enkele informatie.

Zijn gram halen

Wie zijn gram komt halen is boos, gramstorig, en komt genoegdoening halen. De gedachte dat gram in deze uitdrukking ‘boosheid’ betekent, is dan ook niet zo vreemd. Toch moet de verklaring ergens anders worden gezocht. Een oudere vorm van de uitdrukking is namelijk zijn granje halen. Het woord granje was ontleend aan het Oudfranse garan-die, dat onder meer ‘voldoening’ betekende. Zijn granje halen kon betekenen dat je kon doen wat je maar wilde – zoiets als onze uitdrukking zijn hart ophalen. Maar het kon ook betekenen dat je voldoening, genoegdoening kwam halen voor iets wat jou was aangedaan. Precies wat zijn gram halen nu nog betekent. Toen het woord granje uit het Nederlands was verdwenen, ging men de uitdrukking associëren met gram ‘boosheid’, zodat je tegenwoordig niet meer je granje maar je gram haalt.

Iemand het gras voor de voeten wegmaaien

Oorspronkelijk werd het gras niet vóór iemands voeten weggemaaid, maar ónder zijn voeten, waardoor hij ten val kwam. Die uitdrukking betekende ‘iemand pootjelichten, hem dwarsbomen’. In onze uitdrukking is die betekenis iets aangescherpt: je dwarsboomt iemand door hem juist vóór te zijn met wat hij wilde doen. Waarschijnlijk is onder invloed van die betekenis onder de voeten veranderd in voor de voeten.

Grond

Veel uitdrukkingen met grond hebben met opbouwen of juist vernietigen te maken. De grond is de basis vanwaar iets opgebouwd wordt, maar wordt het tenietgedaan, dan wordt het weer met de grond gelijk gemaakt. Hoop die ruw verstoord wordt, wordt de grond in geboord. En iemand die de grond ingeboord wordt, wordt zwaar bekritiseerd. Hij kan wel door de grond zakken van schaamte. Een gebouw dat volledig door brand verwoest wordt, brandt tot de grond toe af. En als het gesloopt wordt, gaat het tegen de grond. Ook mensen kunnen tegen de grond gaan. Dat wordt gezegd als iemand (flauw)valt. En heb je geen geld meer? Dan zit je aan de grond, zoals een schip dat is vastgelopen. Dan kun je toch maar beter vaste grond onder de voeten hebben, want dan heb je houvast, zekerheid. En wellicht kun je dan vanuit die zekere positie iets van de grond krijgen, want dan lukt het je om iets goed te organiseren. Wordt er snel iets gebouwd, of anderszins in korte tijd iets groots bereikt, dan wordt het uit de grond gestampt. Wellicht waren daar steekpenningen of andere frauduleuze praktijken voor nodig en werd de fraudeurs de grond te heet onder de voeten. Dan zijn ze op de vlucht geslagen omdat het risico om gepakt te worden te groot was. Maar dat is maar een filosofietje van de koude grond, het stelt niet veel voor. Met de koude grond wordt de grond in de buitenlucht bedoeld waarop gewassen gekweekt worden. Toen de verwarmde kassen hun intrede deden, vond men het kweken op de koude grond daarmee vergeleken niet zo veel meer voorstellen.

Daar zitten veel haken en ogen aan

De haken en ogen uit deze uitdrukking zijn de metalen haakjes en ringetjes die als sluiting van een kledingstuk gebruikt worden. Als ergens veel haken en ogen aan zitten, blijven de haakjes makkelijk in de verkeerde oogjes haken en wordt het een warboel. Daarom wordt van iets gecom-pliceerds gezegd dat er veel haken en ogen aan zitten.

Zijn hachje proberen te redden

Het mysterieuze hachje is al net zo ongrijpbaar als de lurven, de kladden en de hurken. We proberen het te redden, maar waar zit het? Om dat te verklaren moeten we naar het oude woord hacht dat ‘stuk spek’ en ook ‘prooi’ betekende. Daar is hachje een verkleinvorm van. Als een roofdier zijn hachje kwijt was, was hij zijn hele bezit kwijt. Voor mensen ging dat overdrachtelijk betekenen dat ze hun leven kwijt waren. Willem Bilderdijk dichtte:

‘Dulden moet nu Bilderdijk

Dat wy dansen op zijn lijk…

Bilderdijk is ‘t hachjen kwijt.’

Nu hachje de betekenis ‘leven’ had gekregen, ontstonden er andere uitdrukkingen die daarop voortborduurden. Iemand die zijn hachje probeert te redden, probeert zijn leven te redden. Ook kan het betekenen dat hij zijn spullen in veiligheid probeert te stellen of zijn positie. Blijkbaar is hij bang voor zijn hachje, ‘bang dat zijn leven of zijn positie in gevaar is’. Iemand die alleen aan zijn eigen hachje denkt, denkt alleen aan zichzelf en niet aan anderen.

Van de hak op de tak springen

Iemand die van de hak op de tak springt, gaat van het ene op het andere onderwerp over zonder dat er een verband tussen is. Een hak is een soort tak, namelijk een tak in de vorm van een haak. Van de hak op de tak springen is dus van tak naar tak springen.

Zich iets op de hals halen

Wie zich iets op de hals haalt, bezorgt zichzelf moeilijkheden. Er zijn twee mogelijke verklaringen voor deze uitdrukking. Het zou kunnen dat de moeilijkheden als een juk op je hals en schouders drukken. Maar bij hals kun je ook denken aan de doodstraf. Die beeldspraak komt vaker voor, bijvoorbeeld in het woord halszaak. Dat is een misdaad die je de hals kan kosten. Als je je iets op de hals haalt, kom je in de problemen. En welk probleem is ernstiger dan de dood?

Hand

Lichaamsdelen zijn erg populair in uitdrukkingen, maar geen enkel lichaamsdeel wordt zo vaak in beeldspraak gebruikt als de hand. De uitdrukkingen met hand zijn niet op de vingers van één hand te tellen. De handen worden gebruikt voor het verrichten van werk. De hand aan de ploeg slaan getuigt daarvan, want dat betekent ‘aan het werk gaan’. Als verschillende mensen de handen ineenslaan, werken ze samen om iets te bereiken, ze helpen elkaar een handje. Wie de laatste hand legt aan iets, is er bijna klaar mee, hij werkt aan de voltooiing. Als er niets uit je handen komt dan produceer je niets, je doet niets nuttigs. Wel nuttig maakt iemand zich die een ander iets uit handen neemt, want hij neemt een deel van het werk van de ander over. Maar sommige mensen geven niet graag iets uit handen. Ze hebben er moeite mee om dingen aan anderen over te laten, ook al hebben ze hun handen vol aan een karwei. Een aanbod om te helpen wijzen ze van de hand, want ze willen liever zelf iets om handen hebben. Hun handen jeuken om zich nuttig te maken en ze hebben er geen moeite mee om hun handen te laten wapperen. Dat laatste moet niet verward worden met zijn handen niet thuis kunnen houden, want dan wordt er niet gewerkt, maar geslagen of zelfs aangerand. Iemand die dat doet heeft losse handjes en heeft er een handje van om anderen daarmee lastig te vallen. Dat moet natuurlijk niet uit de hand lopen, want anders moet de dader eens flink onder handen genomen worden, al zal hij zich er met hand en tand tegen verzetten. Of is er niemand te vinden die daar zijn handen aan wil vuilmaken? Je kunt anders altijd nog je handen in onschuld wassen, zoals Pontius Pilatus deed toen hij het volk over Jezus’ lot had laten beslissen. Maar misschien is er niets aan de hand en hoeven we niet met de handen in het haar te zitten. Er zijn nog veel meer uitdrukkingen met hand, maar het loopt nu al gierend uit de klauw. We houden er dus nog een paar achter de hand.

De handschoen opnemen

‘Ywain die boot Torec den hanscoe: dien nam Torec, ende dat men den camp vechten soude sanderdages vroech’ (‘Ywain bood Torec de handschoen; Torec nam die aan en [besloten werd] dat men de strijd de volgende dag vroeg zou houden’, uit de Middelnederlandse Arthurroman Torec van Jacob van Maerlant). Een ridder die een geschil wilde uitvechten met een andere ridder, maakte dat kenbaar door hem de handschoen toe te werpen. Raapte de tegenstander de handschoen op, dan aanvaardde hij de uitdaging. En dat is wat de handschoen opnemen nu nog betekent: ‘de uitdaging aanvaarden’.

Een heet hangijzer

In oude kasteelkeukens is het nog te zien, het hangijzer. Dit was een ijzeren haak boven het vuur, waaraan een ketel opgehangen kon worden. Liet men zich vroeger met een netelige kwestie in, dan heette dat een heet hangijzer aangrijpen. Iets waar je je handen aan kunt branden dus. Want als er iets heet kon worden, dan was het wel zo’n ijzer boven het vuur. Vandaag de dag is een heet hangijzer nog steeds een heikel onderwerp.

Hart

Het hart is de zetel van de gevoelens, vooral de liefde is er thuis. Iemand die een groot hart heeft, of een hart van goud, heeft veel voor anderen over, terwijl iemand die harteloos is juist geen gevoel lijkt te hebben. Een groot hart staat voor hartelijkheid, maar dat betekent niet dat iemand die een klein hartje heeft geen gevoel heeft. Iemand met een klein hartje heeft een grote mond maar is in werkelijkheid gevoelig. Hij heeft het hart dus wel degelijk op de juiste plaats. Sommige mensen hebben het hart op de tong. Zij zeggen alles wat ze denken en voelen. Dus als ze iets op hun hart hebben flappen ze het er direct uit. Het is inderdaad goed om je hart te luchten als je iets dwarszit en van je hart geen moordkuil te maken, dat geeft anderen de gelegenheid om je een hart onder de hem te steken. De riem is waarschijnlijk een riem die soldaten schuin over de borst droegen. Het hart staat symbool voor moed; de uitdrukking betekent ‘iemand moed inspreken’. Ook de uitdrukking het hart er niet toe hebben gaat over moed. Als je ergens het hart niet toe hebt, durf je het niet. Het hart als symbool voor de liefde komt voorin tal van uitdrukkingen. Je kunt je hart aan iemand verliezen. Dan is het alsof je aan niets anders meer kunt denken dan aan degene die je hart gestolen heeft. Verlies en diefstal…het is iets wat je overkomt. Welbewuster klinkt het als je je hart aan iemand schenkt of verpandt. Je geeft iemand je liefde. Maar wordt die liefde niet beantwoord, dan breekt de ander je hart.

Ergens heg noch steg weten

Wie ergens heg noch steg weet, is er totaal onbekend. Dat kan letterlijk betekenen dat hij er de weg niet weet, maar het kan ook betekenen dat hij zijn weg niet kan vinden in iets abstracts, bijvoorbeeld de bureaucratie. Een steg was de benaming voor een smal voetpad, of voor een smal bruggetje over een sloot. Oorspronkelijk luidde de uitdrukking ergens weg noch steg weten. Waarschijnlijk is weg in heg veranderd onder invloed van een andere uitdrukking: over heg en steg ‘over alles heen’.

Van heinde en verre

Alsof er nog niet genoeg uitdrukkingen met hand zijn, is hier een uitdrukking waarin het woord zich vermomd heeft, want heinde is afgeleid van hand. Het betekende oorspronkelijk ‘bij de hand, onder handbereik’ en vervolgens kreeg het de betekenis ‘dichtbij’: ‘Daerom zwijcht menich van den eynde, want hijt comen siet soo heynde’ (‘Daarom zwijgt menigeen over het einde, omdat hij het zo nabij ziet komen.’). Van heinde en verre betekent dus ‘van dichtbij en van ver’. Als de mensen van heinde en verre komen, komen ze overal vandaan. Ook in de middeleeuwen waren heinde en verre al een paar: ‘Overal in eiken hof, waer sy quamen, verre of hende, men saechse gaern’ (‘Overal in elk hof, waar ze ook kwamen, ver of dichtbij (…) men zag hen graag’, uit een 15e-eeuws gedicht van Willem van Hilde-gaersberg).

Een brave hendrik

Toen schoolmeester Nicolaas Anslijn brave Hendrik introduceerde in een schoolboekje, wilde hij deze eerzame jongeman als voorbeeld stellen aan de jeugd. Braafheid was in die tijd nog een deugd. De bijklank ‘volgzaam, saai en bange-lijk’ is van later tijd. ‘Kent gij Hendrik niet, die altijd zoo beleefd zijnen hoed afneemt als hij voorbij gaat? Vele men-schen noemen hem de brave Hendrik, omdat hij zoo gehoorzaam is, en omdat hij zich zoo vriendelijk jegens ieder gedraagt’, zo begint het moralistische boek, dat aan het begin van de 19e eeuw op veel scholen gelezen werd. De braafheid van de hoofdpersoon werkt ons tegenwoordig op de zenuwen. We noemen iemand een brave hendrik als we hem te gedwee en saai of schijnheilig vinden.

Tegen heug en meug

Tegen heug en meug is gevormd volgens een populair principe: rijmen en twee keer hetzelfde zeggen. Soms wordt dat met beginrijm gedaan, bijvoorbeeld wis en waarachtig en soms met eindrijm, zoals heg noch steg weten. Heug heeft te maken met verheugen en betekent ‘zin, lust’. Meug is afgeleid van (ver)mogen en betekent eveneens ‘zin, lust’. Als je iets tegen heug en meug doet, doe je het met tegenzin.

Onder één hoedje spelen met iemand

Waarschijnlijk moet voor de verklaring van deze uitdrukking gedacht worden aan goochelaars. De stap van het heimelijke van hun goocheltrucs naar achterbaksheid is niet zo groot. In het Middelnederlands komen al tekstfragmenten voor waarin de hoed symbool staat voor het goochelen, en vervolgens ook waarin de hoed voor verborgenheid staat: ‘wel gokelt si onder den hoef (‘zij kan goed goochelen’), ‘Tis onder thoetyen gespeelt’ (‘het is onder het hoedje – dus heimelijk – gespeeld’). Onder één hoedje spelen met iemand betekent ‘heimelijk iets met iemand bekokstoven’.

Hoofd

Het hoofd staat in uitdrukkingen vaak voor het verstand en voor de gedachten die er in het hoofd omgaan. Als je iets in je hoofd hebt, denk je eraan, je stelt je voor hoe je iets gaat aanpakken. Maar als dat onhaalbaar is, kun je de gedachte beter uit je hoofd zetten. En een onverstandig idee kun je het best helemaal uit je hoofd laten – of het je door iemand anders uit het hoofd laten praten – want als je wel iets stoms doet, ben je niet goed bij je hoofd. Je kunt je het hoofd breken over iets, dan doe je vreselijk je best om een oplossing te vinden, maar het is moeilijk. Zeker als je veel aan je hoofd hebt, want dan kun je je maar lastig concentreren en staat je hoofd er niet naar. Maar als de oplossing uiteindelijk kinderlijk eenvoudig blijkt, kun je je wel voor het hoofd slaan dat je het niet eerder bedacht hebt. Nu niet meteen het hoofd laten hangen, iedereen stoot zijn hoofd wel eens. Je moet gewoon het hoofd koel houden, dan kun je alle problemen het hoofd bieden; dat wil zeggen dat je ze te lijf gaat zoals een stier die met zijn kop en hoorns aanvalt. En zolang je maar je best hebt gedaan, kun je met opgeheven hoofd gaan.

Iets op eigen houtje doen

Waarschijnlijk wordt met het houtje de kerfstok bedoeld. Op de kerfstok werden door middel van inkervingen iemands schulden bijgehouden. Vaak bestond zo’n stok uit twee delen: een deel voor de verkoper en een deel voor de klant. Beide delen werden tegelijk ingekerfd, zodat de verkoper niet op zijn eigen houtje extra kerven kon maken. Als je iets op eigen houtje doet, doe je het zonder anderen erin te kennen. In de 17e eeuw werd de uitdrukking al door Constantijn Huygens gebruikt, in een woordspelig vers:

‘Mijn tuynman had mijn’ Eist sijn waschelixte tacken,

Gewaerschout noch gelast, begonnen af te hacken.

Mij docht het was te stout.

Hoe gaet dat, seid’ ick, Louwtje,

Kapt ghij mijn eigen hout

En op uw eighen houtje?’

(Mijn tuinman was zonder te waarschuwen en zonder dat hij daartoe opdracht had gekregen, begonnen de verst uitgegroeide takken van mijn elzen af te hakken. Dat vond ik te brutaal. ‘Hoe gaat dat,’ zei ik ‘Louwtje, kap jij mijn eigen hout, op je eigen houtje?’’).

Een huishouden van jan steen

Jan Steen was een 17e-eeuwse schilder die bekend is geworden met schilderijen van zeer rommelige huishoudens. Die schilderijen inspireerden al snel tot de ons bekende uitdrukking. Jacob Campo Weyerman, die bekend stond om zijn scherpe pen, schreef aan het begin van de 18e eeuw al over ‘Een Jan Steens bedurve huyshouding’, waarmee hij een ordeloze bende in huis bedoelde.

Goed beslagen ten ijs komen

Wie deze uitdrukking wil begrijpen, hoeft alleen maar aan de huldiging na afloop van een schaatskampioenschap in Thialf te denken. De winnaars worden in arrensleeën, getrokken door Friese paarden, voor een ereronde over de ijsbaan gereden. Hoe voorkomt men nu dat zo’n paard uitglijdt op het ijs? Daartoe wordt het beslagen met speciale hoefijzers met scherpe punten. Zoals de paarden goed voorbereid op het ijs komen, zo komt iemand die zich in het algemeen goed voorbereid heeft goed beslagen ten ijs.

Ijs en weder dienende

Deze archaïsche constructie betekent ‘als het ijs en het weer gunstig zijn’. Het zinnetje werd toegevoegd aan aankondigingen van schaatswedstrijden, die immers alleen doorgang konden vinden als de weersomstandigheden gunstig waren: ‘Harddraverij op schaatsen, te houden, ijs en weder dienende, op [datum]’. Tegenwoordig wordt het als algemeen voorbehoud gebruikt, dus niet alleen voor schaatswedstrijden: ‘als de omstandigheden gunstig zijn; als alles goed gaat’.

Meer ijzers in het vuur hebben

Een slimme smid zorgt ervoor dat hij meerdere ijzers tegelijk in het vuur heeft. Dan kan hij aan het ene werken terwijl het andere heet wordt. Iemand die meerdere kansen voor zichzelf gecreëerd heeft, wordt met zo’n slimme smid vergeleken.

Sinds jaar en dag

‘Item en mach niemandt t’Antwerpen Schepen wesen, hy en moet jaer ende dach daer te vooren poorter gheweest hebben’. Volgens de middeleeuwse Antwerpse regels mocht iemand pas schepen worden als hij minstens een jaar en een dag daaraan voorafgaand Antwerps burger was geweest. Jaer ende dach was een wettelijke termijn, die oorspronkelijk een jaar en een dag duurde, maar later een jaar en zes weken (en soms ook nog drie dagen). Zo’n lange termijn werd ingesteld om zekerheid in te bouwen op allerlei terreinen. Ook in het erfrecht werd bijvoorbeeld een vervaltermijn van jaar ende dach aangehouden. Sinds jaar en dag betekent dus ‘sinds lange tijd’.

De ware jakob

De ware Jakob is de vermenging van twee Bijbelse figuren. In Nederland was de uitdrukking vroeger de ware jozef, naar de man van Maria, de moeder van Jezus. Waarom uitgerekend dit paar als voorbeeld is genomen, kan misschien verklaard worden door een middeleeuwse legende over hoe Jozef en Maria elkaar ontmoetten. Maria wilde geen man, omdat ze een aan God gewijd leven wilde leiden. God gaf echter via een bisschop te kennen dat op een bepaalde dag alle ongetrouwde mannen van de stam van David naar de tempel moesten komen met een dorre tak – een roede. Zou de roede van een van hen gaan bloeien, dan zou diegene Maria’s man worden. En dat bleek Jozef, die dus de ware was voor Maria. Maar onder invloed van het Duits is de ware jozef in de ware Jakob veranderd. Een mogelijke verklaring voor de Duitse uitdrukking der wahre Jakob is dat meerdere pelgrimsoorden claimen de beenderen van de apostel Jakob te bezitten. En elke plaats beweert uiteraard de ware Jakob te hebben. Voor ons is de ware Jakob echter springlevend: het is de man die precies bij iemand past.

Jan

Jan was voor de Kevins en de Mikes en voor de Maxen en de Larsen de populairste jongensnaam. Als er een algemene naam nodig was voor een personificatie, lag Jan erg voor de hand. Zo kennen we Jan met de pet, de doorsnee-Nederlander, genoemd naar de pet die mannen uit het gewone volk vroeger droegen. Hij vertegenwoordigt ongeveer dezelfde groep als Jan Modaal, die model staat voor iedereen met een modaal inkomen. Ook een man van het volk is Jan Boezemen, de arbeider die een degelijke kiel met lange mouwen draagt. Jantje Contantje komt vooral voor in de uitdrukking het is hier Jantje Contantje ‘je moet hier contant betalen’. De naam is afkomstig uit een vroeg-18e-eeuwse allegorie, waarin naast Jan Contant ook Jan Crediet een rol speelt. Jan en alleman staat symbool voor willekeurige personen, en Jan Soldaat is de gemiddelde soldaat. Jan Beukelszoon van Leiden is de naamgever van jantje-van-leiden. Hij was het hoofd van de wederdopers en stond in de 17e eeuw bekend als iemand die met zijn bedrieglijke scherpzinnigheid en zijn mooie woorden de mensen wist te misleiden. Zich er met een jantje-van-leiden van afmaken betekende in eerste instantie ‘zich met een smoesje van iets afmaken’ en tegenwoordig ‘niet veel zorg aan iets besteden, het slordig afraffelen’. Jan Rap was in de 17e eeuw de personificatie van het lagere scheepsvolk, en samen met zijn maat stond hij symbool voor al het ongure volk en gespuis, zodat ook wij nog steeds Jan Rap en zijn maat liever niet ‘s-avonds in het donker tegenkomen.

In een nieuw jasje

Een nieuwe jas zorgt voor een nieuw uiterlijk, daarom staat een nieuw jasje voor ‘een nieuwe buitenkant’. Er kan van alles in een nieuw jasje gestoken worden, van een website tot een compleet museum. Soms heeft de uitdrukking net als oude wijn in nieuwe zakken de ondertoon ‘de buitenkant is dan wel nieuw, maar de binnenkant is dezelfde oude troep als altijd’, maar meestal is het nieuwe jasje iets waar men trots op is.

Joost mag het weten

Joost heeft een flinke reis gemaakt voor hij in deze uitdrukking belandde. Joost mag het weten betekent ‘ik heb geen flauw idee’, waarbij men verwijst naar ene Joost, die het misschien wél weet. Joost begon zijn carrière in China, als godheid. Op Java werd deze godheid met dejos aangeduid, een verbastering van het Portugese deos ‘god’. De Hollanders op Java verstonden dejos als de joos en daar maakten ze joost en joosje van. Die woorden werden vervolgens gebruikt voor allerlei heidense afgoden: ‘In elk huis is een plaats, daar het afbeeldsel van een hunner Joosjes, of Afgoden hangt, op Chinees papier geschilderd’, staat in een 18e-eeuws reisverslag. En omdat afgoden in christelijke ogen het kwaad vertegenwoordigden, ging joost ‘duivel’ betekenen en werd het woord vereenzelvigd met de eigennaam Joost. Zo’n verhullende naam voor de duivel was welkom, omdat men hem uit bijgeloof liever niet bij zijn echte naam noemde. Joost figureerde in verschillende uitdrukkingen, zoals Joost speelt ermee, dat Joost mij hale en iemand naar Joost wensen. En dus in Joost mag het weten ‘de duivel weet het misschien wel’.

Iets aan de kaak stellen

‘Des anderen dages wort hi gheset op die kaecke, dat hem alle dat volc mochte sien ende bespotten’ (‘De volgende dag werd hij op de kaak gezet, zodat al het volk hem kon zien en bespotten’, uit Die historie van die seuen wijse manne van roeme uit de 15e eeuw). De kaak was een verhoging – oorspronkelijk een ton, later een verhoging van steen of hout – waarop misdadigers tentoongesteld werden; dat heette iemand op of aan de kaak stellen. Iemand die aan de kaak gesteld werd, werd publiekelijk te schande gemaakt. Tegenwoordig worden geen mensen maar kwesties aan de kaak gesteld. Dat betekent dat ze publiekelijk gehekeld worden.

Het is doorgestoken kaart

Het werkwoord doorsteken kon niet alleen ‘met een steek doorboren’ betekenen, maar ook ‘onder iets steken’. Een doorgestoken kaart was een speelkaart die stiekem op zo’n manier in het spel was gestoken, dat de deler daar een speler mee bevoordeelde. Dat is doorgestoken kaart zeg je dan ook als je vermoedt dat er valsgespeeld wordt en dat iemand stiekem door onderlinge afspraken bevoordeeld wordt.

Van de kaart zijn

Iemand die overstuur is, wordt vergeleken met een schip dat van zijn koers geraakt is. Het is zo ver afgedwaald dat het helemaal van de kaart verdwenen is. Dezelfde beeldspraak wordt ook in van streek zijn en buiten westen zijn gebruikt.

Alles of iedereen over één kam scheren

Er bestaan verschillende ideeën over de herkomst van deze uitdrukking. De kam zou het gereedschap van de kapper kunnen zijn. Om haren kort af te knippen, haalt hij een kam langs het hoofd tegen de groeirichting van de haren in. De haren die tussen de tanden van de kam uitsteken, worden afgeknipt. Bij een smalle kam wordt het haar zodoende korter geknipt dan bij een dikkere kam. Een kapper die al zijn klanten over één kam scheert, houdt geen rekening met hun verschillende wensen. Maar misschien moet de verklaring wel in de lakenindustrie worden gezocht. Met de kam zou dan de weefkam bedoeld zijn. Dat is het onderdeel van het weefgetouw waartussen de draden gespannen zijn. Het spannen van de draden heet scheren. Een fijne weefkam heeft veel tanden en dus veel draden. Weefsel dat met een fijne kam gemaakt is, is veel dichter dan het grove weefsel van de grove kam. Wordt alles over één kam geschoren, dan houdt de wever geen rekening met het soort textiel dat hij moet weven. Beide verklaringen zijn plausibel, omdat ze beide recht doen aan de betekenis van de uitdrukking: ‘alles of iedereen gelijk behandelen, terwijl er onderscheid gemaakt zou moeten worden’.

De kar trekken

Deze onder politici zo geliefde uitdrukking is nog jong. Vroeger kende men wel de uitdrukking aan de kar duwen ‘iemand in zijn plannen helpen’. De kar trekken wil zeggen dat je het voortouw neemt, je neemt de leiding in een project en je probeert zo anderen mee te trekken.

Iemand op de kast jagen

Iemand die boos wordt omdat een ander hem plaagt, wordt vergeleken met een kat die om aan het geplaag van mens of hond te ontkomen, op de kast gaat zitten. Iemand die snel op de kast zit is snel boos, terwijl iemand die zich niet zomaar op de kast laat jagen lang rustig blijft.

Dat is kat in ‘t bakkie

Deze Bargoense uitdrukking betekent ‘dat is gemakkelijk, dat klusje is zo opgeknapt’. Kat in ‘t bakkie staat voor ‘loon in de geldla’; als je voor het karweitje loon zou krijgen, zou je zeker weten dat je dat geld ging verdienen, zo zeker ben je ervan dat je het klusje zult klaren. Kat is Bargoens voor ‘soldij, loon, opbrengst’. Zo is katjesdag ‘betaaldag’ en de kattenbak is de ‘geldla’. Het woord is een verbastering van het Maleise gadji ‘loon’, dat aan het Nederlandse gage is ontleend, dat op zijn beurt weer uit het Frans komt.

Een kat in de zak kopen

Het is niet helemaal zeker waar deze uitdrukking vandaan komt. Er wordt gesuggereerd dat een volksverhaal over de duivel eraan ten grondslag ligt. Die zou een wisseldaalder (een munt die altijd terugkeert bij de eigenaar) geven aan wie hem op een kruispunt een kat gaf. Maar toen hij een kat in een zak accepteerde en pas na de transactie de inhoud controleerde, bleek dat er iets anders in zat. Een andere verklaring zou zijn dat iemand denkt een haas te kopen en pas bij thuiskomst in de zak kijkt; dan blijkt dat hij een kat in de zak gekocht heeft. In het Spaans bestaat de uitdrukking dar gato por Hebre ‘iemand een kat voor een haas geven’ die deze verklaring ondersteunt. En tot slot zou het kunnen gaan om een bontwerker die katten inkoopt voor hun vel, maar verzuimt te controleren of de kat in de zak wel de gewenste zwarte vacht heeft. Bij nadere inspectie blijkt het dan een ordinair streepjesvelletje te zijn. Wat al deze verklaringen met elkaar gemeen hebben, is dat iemand die een kat in de zak koopt niet zakelijk genoeg is geweest om zich ervan te verzekeren dat hij iets deugdelijks heeft gekocht en er pas als het te laat is achter komt dat hij bekocht is.

Veel op zijn kerfstok hebben

‘Kerfstok is de naam die men aan twee lange stukjes hout geeft, welke aan maikanderen gehouden wordende, naauwkeurig op een sluiten, en die inzonderheid voor bakkers en ook wel voor winkeliers dienen om daarop kerven te snijden en aan te teekenen hoe veel brood ‘er door iemant te borg gehaald is. De Crediteur bewaard het eene stuk en de Debiteur het andere: wanneer ‘er nu iets gehaald wordt, worden die beide stukjes aan maikanderen gehouden en de kerven over beide stukken gesneeden’, aldus een 18e-eeuws woordenboek. De kerfstok was dus een stok waarop schulden werden bijgehouden door middel van kerfjes die in de stok werden gemaakt. Vaak bestond de kerfstok uit twee delen: een deel voor de verkoper en een deel voor de klant. Beide houtjes werd tegelijk ingekerfd, zodat de verkoper niet stiekem meer kerfjes kon aanbrengen. Iemand die veel op zijn kerfstok had, had veel schulden. Tegenwoordig zijn dat geen financiële maar morele schulden. Iemand die veel op zijn kerfstok heeft, heeft veel misdaan.

In een keurslijf zitten

Wie mooi wil zijn, moet pijn lijden, dat ondervonden de dames die zich vroeger volgens de heersende mode in een keurslijf lieten rijgen dagelijks. Het keurslijf was een soort korset dat ofwel onder de kleding, ofwel als bovenkleding werd gedragen. Het snoerde het bovenlichaam strak in, om tot het begeerde zandloperfiguur te komen. Zo’n keurslijf bood maar weinig bewegingsvrijheid. Wie in een keurslijf zit, wordt dan ook beperkt in zijn vrijheid van denken en doen.

Een ondergeschoven kindje

Het kwam vroeger wel voor dat in vorstelijke geslachten een zwak, gehandicapt kindje verwisseld werd met een gezond kind, om zo de erfopvolging veilig te stellen, of dat een echtpaar dat kinderloos bleef, een zwangerschap in scène zette en stiekem een kind als erfgenaam aannam. Het ondergeschoven kind, zoals dat heette, was niet echt familie. Misschien kreeg het daarom minder liefde. Tegenwoordig is een ondergeschoven kindje een zaak die niet de aandacht krijgt die nodig is.

Op de kleintjes letten

‘s Lands grootste kruidenier heeft deze uitdrukking dan wel grote bekendheid gegeven als reclameslogan, maar er wordt al heel wat langer op de kleintjes gelet. ‘Een vrek (…) Is iemand die zich niet het zijne laat ontvremen, Maar op de kleintjens past’, schreef Willem Bilderdijk al bijna twee eeuwen geleden. Met de kleintjes worden ‘kleine geldbedragen’ bedoeld.